Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beoordelingskader 003. Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek – Versie 4.0

Geldend van 19-07-2016 t/m heden

Beoordelingskader 003. Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek – Versie 4.0

Deel I. Algemene inleiding Beoordelingskader

§ 1. Achtergrond en doel Beoordelingskader

Rapporterende forensisch deskundigen spelen een cruciale rol in de rechtspraak. Het NRGD ziet het als zijn taak dat belanghebbenden gerechtvaardigd vertrouwen kunnen hebben in de forensische expertise. Dit vertrouwen moet kunnen worden gebaseerd op de aantoonbaar onafhankelijk gewaarborgde kwaliteit van de forensische onderzoeker en diens rapportages aan de hand van (inter)nationale forensisch-specifieke normen.

Het NRGD wordt bestuurd door het College gerechtelijk deskundigen (hierna: College). De kerntaak van het College is te beslissen op de aanvragen tot inschrijving of herinschrijving in het NRGD. Daartoe omlijnt het College allereerst het deskundigheidsgebied. Dit is van belang om de aanvrager, de toetser en de gebruiker van het register (bijvoorbeeld rechter, lid OM en advocaat) te informeren over de activiteiten waarmee een deskundige zich op het desbetreffende deskundigheidsgebied bezighoudt en over die activiteiten die daarbuiten vallen. De omlijning van het deskundigheidsgebied staat in Deel II van dit Beoordelingskader.

Ook stelt het College de maatstaven vast aan de hand waarvan per deskundigheidsgebied wordt beoordeeld of een aanvraag voldoet aan de kwaliteitseisen. De generieke eisen zijn vastgelegd in het Besluit register gerechtelijk deskundigen. Per deskundigheidsgebied worden deze eisen nader uitgewerkt. Deze uitwerking staat in Deel III van dit Beoordelingskader.

Voorts stelt het College de toetsingsprocedure vast. Deze procedure staat beschreven in Deel IV van dit Beoordelingskader.

Het NRGD kent een systeem van periodieke herregistratie. Gerechtelijk deskundigen moeten iedere vijf jaar aantonen dat zij nog steeds aan de op dat moment geldende eisen voldoen. Het Beoordelingskader is dynamisch en wordt verder ontwikkeld om de kwaliteit van deskundigen te bevorderen. Dit Beoordelingskader bevat de op dit moment geldende stand van zaken op het (deel)deskundigheidsgebied.

§ 2. Soorten aanvragers

Het NRGD onderscheidt twee soorten aanvragers: de initiële aanvrager en de heraanvrager. De initiële aanvrager is een rapporteur die op het moment van het indienen van de aanvraag nog niet staat ingeschreven in het NRGD-register voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet. De heraanvrager is een deskundige die al wel in het NRGD staat ingeschreven voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet.

Deze twee soorten aanvragers worden voorts als volgt onderverdeeld:

Initiële aanvrager:

  • (i) Zelfstandig rapporteur: een rapporteur die het vereiste aantal zaaksrapporten zelfstandig heeft opgemaakt en ondertekend;

  • (ii) Rapporteur geen eigen werk: een rapporteur die niet het aantal zaaksrapporten dat voor registratie is vereist, zelfstandig heeft opgemaakt en ondertekend.

    Indien de toetsing positief uitvalt, komt de rapporteur ‘geen eigen werk’ alleen in aanmerking voor een voorwaardelijke registratie.

Heraanvrager:

  • (i) Heraanvrager na onvoorwaardelijke registratie (voorheen: volledige duur);

  • (ii) Heraanvrager na voorwaardelijke registratie (voorheen: beperkte duur).

De initiële aanvrager is een aanvrager die op het moment van het indienen van de aanvraag niet beschikt over een NRGD-registratie. Dit kan zijn:

  • de zelfstandig rapporterende deskundige;

  • de pasopgeleide rapporteur;

  • de aanvrager van wie een eerdere aanvraag door het College is afgewezen;

  • de aanvrager van wie de registratie eerder is doorgehaald.

Zo is het bij de initiële aanvrager noodzakelijk een duidelijk onderscheid te maken tussen de zelfstandig rapporteur en de rapporteur ‘geen eigen werk’. Een voorbeeld van een rapporteur ‘geen eigen werk’ is de pasopgeleide deskundige. Deze deskundige heeft wel de forensische opleiding (rapporteursopleiding) afgerond, maar is nog niet in staat geweest om het aantal voor de toetsing vereiste rapporten zelfstandig op te stellen omdat deze gedurende de opleiding worden opgesteld onder supervisie van een opleider. Een ander voorbeeld van rapporteur ‘geen eigen werk’ is de rapporteur van wie een eerdere aanvraag is afgewezen en na de afwijzing (gedeeltelijk) onder supervisie is gaan werken.

Het College hanteert het volgende uitgangspunt. Elke aanvrager moet een lijst van zaaksinformatie opstellen. Op deze lijst moet een bepaald aantal zaken staan in een door het College bepaalde periode direct voorafgaand aan de aanvraag. Als op de Lijst van zaaksinformatie één of meer zaken staan vermeld die onder supervisie zijn opgesteld, wordt de aanvrager als een rapporteur ‘geen eigen werk’ gekwalificeerd. Voor wat betreft de eerder afgewezen aanvrager geldt nog een aanvullende eis: de zaaksrapporten die op de Lijst van Zaaksinformatie staan vermeld, moeten zijn opgesteld na de datum van het afwijzend Collegebesluit van de eerdere aanvraag (Beleidskader Aanvraag na Afwijzing).1

Het onderscheid tussen de verschillende soorten heraanvragers is van belang in het kader van de toetsingsprocedure: de stukken die een heraanvrager moet overleggen, de samenstelling van de toetsingsadviescommissie en de toetsingswijze.

§ 3. Verantwoording beoordelingskader

Voorliggend beoordelingskader is door het College vastgesteld in overeenstemming met het Besluit register deskundige in strafzaken en de Wet deskundige in strafzaken. Afstemming is gezocht met representatieve vertegenwoordigers uit de verschillende domeinen; de gebruikers (rechters, officieren van justitie en advocatuur) en vakinhoudelijke deskundigen (beroepsorganisaties, belangenverenigingen, deskundigen uit binnen- en buitenland). Ook is het concept van het Beoordelingskader ter openbare consultatie op de website van het NRGD gepubliceerd.

§ 4. Geldigheid Beoordelingskader

Dit Beoordelingskader is geldig vanaf de datum die op het voorblad staat vermeld. De geldigheid loopt tot het moment van publicatie van een nieuwe versie. In principe vindt jaarlijks een controle op actualiteit plaats. Deze controle kan leiden tot een nieuwe versie. Het streven is om maximaal eenmaal per jaar een nieuwe versie te publiceren.

§ 5. Versiebeheer en formele revisiehistorie

Alle wijzigingen die in het Beoordelingskader worden aangebracht leiden tot een nieuwe versie. Nieuwere versies van (onderdelen van) het Beoordelingskader worden aangeduid met een hoger versienummer.

5.1. Versiebeheer

Bij redactionele wijzigingen wordt het oude versienummer opgehoogd met 0.1. Redactionele wijzigingen hebben geen inhoudelijke impact. Bij inhoudelijke wijzigingen wordt het versienummer opgehoogd met 1.

5.2. Formele revisiehistorie

De revisiehistorie start met versie 1.0 als eerste formeel goedgekeurde versie. Doorgevoerde inhoudelijke wijzigingen worden in de revisiehistorie kort beschreven (Bijlage C). Hierdoor is altijd te traceren welk Beoordelingskader op enig moment geldig was.

Deel II. Omlijning Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

§ 1. Kernactiviteiten Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

Het NRGD deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (hierna: FPPO) betreft in hoofdzaak het gedragsdeskundig onderzoek van de persoon van de verdachte.

De onderzoeksvragen binnen dit deskundigheidsgebied worden gesteld in het kader van het strafrecht, waarbij het gaat om kennis van processen van beoordeling, psychopathologie, (mate van) toerekeningsvatbaarheid en risicoanalyse.

Kernvragen die door de geregistreerde psychiater, psycholoog of orthopedagoog beantwoord worden, zijn vragen die betrekking hebben op (verstoringen in) het functioneren van de te onderzoeken persoon (verdachte) ten gevolge van persoonsgebonden kenmerken of als gevolg van interferentie van persoonsgebonden kenmerken en contextuele factoren.

De vraagstelling heeft betrekking op diagnostisch onderzoek van persoonskenmerken van de verdachte en richt zich op de volgende aspecten:

  • de persoonlijkheid(skenmerken);

  • het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

  • de doorwerking van een eventuele stoornis op het vermogen van de verdachte de strekking van een tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen dan wel diens belangen in het kader van een strafvervolging behoorlijk te behartigen;

  • de doorwerking van een eventuele stoornis in het gedrag ten tijde van het delict waarvan de verdachte wordt verdacht;

  • de doorwerking van externe invloeden op het psychisch functioneren en het gedrag ten tijde van het delict waarvan de verdachte wordt verdacht;

  • de (mate van) toerekeningsvatbaarheid;

  • overwegingen voor het toepassen van het volwassenen- of jeugdstrafrecht;

  • de kans op herhaling;

  • de beïnvloedingsmogelijkheden van de kans op herhaling;

  • de mogelijke combinaties van het niveau van zorg en het niveau van beveiliging waarbinnen die zorg kan plaatsvinden;

  • de noodzaak van een strafrechtelijke maatregel;

  • de noodzaak van het voortduren van een strafrechtelijke maatregel;

  • de (verdere) vormgeving aan een strafrechtelijke maatregel.

§ 2. Registratie

2.1. Onderscheiden deelgebieden

Het NRGD onderscheidt binnen de Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek de volgende deelgebieden voor registratie:

003.1 Strafrecht volwassenen – psychiatrie

003.2 Strafrecht volwassenen – psychologie

003.3 Strafrecht jeugdigen – psychiatrie

003.4 Strafrecht jeugdigen – psychologie/orthopedagogiek

2.2. Registratie

Indien zijn expertise zich daartoe uitstrekt, kan een deskundige voor meer dan één deelgebied worden geregistreerd. Het register zal de naam van de desbetreffende deskundige vermelden als een deskundige op één of meer van bovenstaande deelgebieden.

Toelichting:

Het College wijst erop dat de kennis en ervaring die benodigd is voor de categorieën ‘Strafrecht volwassenen’ en ‘Strafrecht jeugdigen’ zodanig uiteen lopen dat het tot de mogelijkheden behoort dat een aanvrager na toetsing voor de ene categorie wel, maar voor de andere categorie niet wordt geregistreerd. Deze categorieën zijn immers aangemerkt als aparte deskundigheidsgebieden. Gedacht wordt hierbij aan verschillen in onderzoeksmethoden, gebruikte testen, diagnostiek, kennis van ontwikkeling(stadia), de betreffende rechtscontext, behandelmogelijkheden en in betrokken ketenpartners. De aanvrager die zich voor beide categorieën wil inschrijven, wordt voor elke categorie apart getoetst. Bij de samenstelling van de toetsingsadviescommissies wordt uiteraard zoveel mogelijk rekening gehouden met het specialisme van de vakinhoudelijke toetsers.

Deel III. Registratie-eisen Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

De algemene (her)registratie-eisen zijn hierna in cursief opgenomen met een verwijzing naar het artikel in het Besluit register deskundige in strafzaken (Brdis).

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

  • a. beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b. beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin;

  • c. in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden;

  • d. in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;

  • e. in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;

  • f. in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen;

  • g. in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren;

  • h. in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn;

  • i. in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

§ 1. Artikel 12(2) onderdeel a

(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

1.1. Initieel: zelfstandig rapporteur

Basiseisen:

voor de psychiater:

– met goed gevolg een geneeskundige master/doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en de desbetreffende titel te mogen voeren;

 
voor de psycholoog respectievelijk de orthopedagoog:

– met goed gevolg een gedragswetenschappelijke master/doctoraal opleiding aan een universiteit en een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk.

Het voldoen aan dit vereiste kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register als GZ-psycholoog, in het NIP-register als Kinder- en Jeugdpsycholoog of het NVO-register als Orthopedagoog Generalist.
   

Specifieke eisen:

voor beiden:
 

– ten minste 10 rapporten die niet ouder zijn dan 5 jaar te hebben opgemaakt die onderworpen zijn geweest aan collegial review.

In geval de aanvrager als supervisor optreedt, dienen minimaal twee van het totaal aantal rapporten op de Lijst van Zaaksinformatie zelfstandig opgestelde rapporten te zijn;
 

– de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden;

 

– gemiddeld 8 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben geparticipeerd in gestructureerde forensische intervisie;

 

– gemiddeld 12 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben besteed aan forensische relevante deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld door publicaties, het bijwonen van congressen, en het geven of volgen van cursussen of trainingen).

1.2. Initieel: rapporteur ‘geen eigen werk’: na rapporteursopleiding

Basiseisen:

voor de psychiater:

– met goed gevolg een geneeskundige master/doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en de desbetreffende titel te mogen voeren;

 
voor de psycholoog respectievelijk de orthopedagoog:

– met goed gevolg een gedragswetenschappelijke master/doctoraal opleiding aan een universiteit en een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk.

Het voldoen aan dit vereiste kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register als GZ-psycholoog, in het NIP-register als Kinder- en Jeugdpsycholoog of het NVO-register als Orthopedagoog Generalist.
 

Specifieke eisen:

voor beiden:
 

– een rapporteursopleiding te hebben afgerond;

 

– ten minste 5 rapporten die niet ouder zijn dan 5 jaar te hebben opgemaakt, waarvan ten minste één rapport onder supervisie;

 

– de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden.

1.3. Initieel: rapporteur ‘geen eigen werk’: overig

Basiseisen:

voor de psychiater:

– met goed gevolg een geneeskundige master/doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en de desbetreffende titel te mogen voeren;

 
voor de psycholoog respectievelijk de orthopedagoog:

– met goed gevolg een gedragswetenschappelijke master/doctoraal opleiding aan een universiteit en een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk.

Het voldoen aan dit vereiste kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register als GZ-psycholoog, in het NIP-register als Kinder- en Jeugdpsycholoog of het NVO-register als Orthopedagoog Generalist.
   

Specifieke eisen:

voor beiden:
 

– ten minste 10 rapporten die niet ouder zijn dan 5 jaar te hebben opgemaakt die onderworpen zijn geweest aan collegial review en waarvan ten minste één rapport onder supervisie is opgemaakt;

 

– de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden;

 

– gemiddeld 8 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben geparticipeerd in gestructureerde forensische intervisie.

 

– gemiddeld 12 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben besteed aan forensische relevante deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld door publicaties, het bijwonen van congressen, en het geven of volgen van cursussen of trainingen).

1.4. Heraanvraag: na onvoorwaardelijke registratie

Basiseisen:

voor de psychiater:

– met goed gevolg een geneeskundige master/doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en de desbetreffende titel te mogen voeren.

   
voor de psycholoog respectievelijk de orthopedagoog:

– met goed gevolg een gedragswetenschappelijke master/doctoraal opleiding aan een universiteit en een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk.

Het voldoen aan dit vereiste kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register als GZ-psycholoog, in het NIP-register als Kinder- en Jeugdpsycholoog of het NVO-register als Orthopedagoog Generalist.
   

Specifieke eisen:

voor beiden:
 

– ten minste 10 rapporten die niet ouder zijn dan 5 jaar te hebben opgemaakt die onderworpen zijn geweest aan collegial review.

In het geval de aanvrager als supervisor optreedt, dienen minimaal twee rapporten op de lijst van zaaksinformatie zelfstandig opgestelde rapporten te zijn;
 

– de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden;

 

– gemiddeld 8 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben geparticipeerd in gestructureerde forensische intervisie;

 

– gemiddeld 12 uur per jaar in de afgelopen 5 jaar te hebben besteed aan forensische relevante deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld door publicaties, het bijwonen van congressen, en het geven of volgen van cursussen of trainingen).

1.5. Heraanvraag: na voorwaardelijke registratie

Basiseisen:

voor de psycholoog respectievelijk de orthopedagoog:

– met goed gevolg een gedragswetenschappelijke master/doctoraal opleiding aan een universiteit en een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk.

Het voldoen aan dit vereiste kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register als GZ-psycholoog, in het NIP-register als Kinder- en Jeugdpsycholoog of het NVO-register als Orthopedagoog Generalist;
 
voor de psychiater:

– met goed gevolg een geneeskundige master/doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en de desbetreffende titel te mogen voeren;

   

Specifieke eisen:

voor beiden:
 

– gemiddeld 2 rapporten per jaar te hebben opgemaakt gedurende de registratieperiode die onderworpen zijn geweest aan collegial review.

In het geval de aanvrager als supervisor optreedt, dienen minimaal twee rapporten op de lijst van zaaksinformatie zelfstandig opgestelde rapporten te zijn;
 

– de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden;

 

– gemiddeld 8 uur per jaar in de in beginsel afgelopen 2 jaar te hebben geparticipeerd in gestructureerde forensische intervisie;

 

– gemiddeld 12 uur per jaar in de in beginsel afgelopen 2 jaar te hebben besteed aan forensische relevante deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld door publicaties, het bijwonen van congressen, en het geven of volgen van cursussen of trainingen).

Toelichting: Diagnostische vaardigheden in forensische context

Binnen de verschillende beroepsopleidingen worden diagnostische vaardigheden geleerd. Uitgangspunt is dat de rapporteur op dit gebied bekwaam wordt geacht te zijn. Voor de toetsing door het NRGD gaat het nadrukkelijk niet om een herwaardering van de basisvaardigheden van de psychiater, psycholoog of orthopedagoog, maar om de toepassing van die vaardigheden in de forensische context c.q. een toetsing van de forensische deskundigheid van de rapporteur. De onderbouwing van de diagnose in het rapport en de (eventuele) doorwerking van de diagnose in de ten laste gelegde feiten zijn aspecten die de toetsingsadviescommissie bij haar oordeel zal betrekken.

§ 2. Artikel 12(2) onderdeel b

(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

  • In het algemeen dient een aanvrager voldoende kennis te hebben van het Nederlandse strafrecht:

    • context van het strafrecht:

      • Trias Politica, onderscheid privaat-, bestuurs- en strafrecht;

    • strafprocesrecht:

      • onderzoek door de rechter-commissaris;

      • dwangmiddelen;

      • procesfasen;

      • actoren in de strafrechtsketen (taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden);

      • regelgeving deskundige in het Wetboek van Strafvordering (positie en bevoegdheden opdrachtgever, rechtspositie deskundige, positie en bevoegdheden van advocaat, vormen van tegenonderzoek, deskundigenregister in de strafrechtelijke context);

      • wettelijke besluitvormingskader van de rechter in de strafzaak (beslissingsschema art. 350 Sv), ook met het oog op de relevantie van de opdracht aan de deskundige en op de vraagstelling;

      • verloop van de strafzaak ter zitting;

      • de positie van de deskundige in de rechtsgang;

    • materiële strafrecht:

      • sancties en strafuitsluitingsgronden (zeer globaal);

    • kennis van de juridische context van de kwaliteitswaarborging van de deskundige en het onderzoek:

      • positie en rol van ketenpartners bij de kwaliteitsborging van de rapportage;

      • beroepscodes en verwante regelgeving in relatie tot de Gedragscode gerechtelijk deskundigen.

  • In aanvulling op bovenstaande eisen dient een aanvrager voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek:

    • voldoende kennis van zowel het volwassenen- als het jeugdstrafrecht te bezitten om een opdrachtgever te informeren over de reikwijdte van het eigen deskundigheidsgebied en de opdrachtgever door te verwijzen indien de eigen deskundigheid in een specifieke zaak niet geëigend is;

    • specifieke kennis van het strafrecht te bezitten waarin de rapporteur rapporteert:

      • specifieke bepalingen voor het volwassenenstrafrecht:

        • toepassing volwassenstrafrecht (criteria en praktijk);

        • sancties (straffen en vrijheidsbenemende maatregelen);

        • vanuit gedragsdeskundig perspectief relevante strafuitsluitingsgronden (mate van toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van een strafbaar feit; psychische overmacht; noodweer en noodweerexces);

        • juridische (strafrechtelijke) kaders voor behandeling van justitiabelen en de rol van de ketenpartners (reclassering, openbaar ministerie en NIFP) in de toeleiding naar zorg;

      • specifieke bepalingen voor het jeugdstrafrecht:

        • toepassing jeugdstrafrecht (criteria en praktijk);

        • jeugdsanctiestelsel;

        • ketenpartners jeugdveld (Kinderrechter, jeugdofficier van Justitie, Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdreclassering, gecertificeerde instellingen die jeugdreclassering/ jeugdbescherming uitvoeren);

        • jeugdbeschermingsrecht (ondertoezichtstelling);

        • landelijk kader forensische diagnostiek in de jeugdzorg;

        • positie van de ouders van de jeugdige in het strafproces;

    • kennis van de juridische context van de kwaliteitswaarborging van de deskundige en het deskundigenonderzoek:

      • wettelijk tuchtrecht, relevante onderliggende regelgeving (Wet BIG, WGBO, beroepscodes en gedragscodes), relevante jurisprudentie (rechtspositie justitiabelen, geheimhoudingplicht, zorg en rapportage, medewerking weigerende justitiabelen, ontkennende verdachten) en de doorwerking daarvan op de positie van de rapporteur;

      • de rapporteur dient het volledige conceptrapport ter inzage en correctie aan te bieden aan de onderzochte en/of diens wettelijke vertegenwoordiger. Als dat niet gebeurt, moet dit worden verantwoord in de rapportage. De reactie en de eventuele aanpassingen van feitelijke onjuistheden naar aanleiding van de inzage moeten in het rapport worden weergegeven;

    • voldoende forensisch competent en ervaren te zijn, waaronder minimaal:

      • inzicht in de rechtspositionele verschillen tussen hulpverlener-patiënt relatie en de relatie rapporteur-justitiabele en het vermogen naar dat inzicht te handelen.

§ 3. Artikel 12(2) onderdeel c

(...) in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

§ 4. Artikel 12(2) onderdeel d, e en f

(...)

  • d. in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren.

  • e. in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen.

  • f. in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Een aanvrager dient:

  • bekend te zijn met de kaders van het onderzoek, waarbij minimaal het volgende wordt vereist:

    • bekendheid met richtlijnen voor het verrichten van forensisch onderzoek vanuit het eigen deskundigheidsgebied (zie toelichting hieronder);

    • bekendheid met de bestaande formats en de achtergronden daarvan, en in staat deze toe te passen in de eigen onderzoek- en rapportagepraktijk;

    • gecertificeerd te zijn daar waar certificering bestaat voor de toepassing van bepaalde methoden en technieken;

  • algemene kennis en vaardigheden van onderzoek op bovenvermeld gebied te bezitten, waarbij minimaal het volgende wordt vereist:

    • kennis hebben van en ervaring hebben met het effect van het verblijf in een gesloten justitiële setting op de psychische gesteldheid van de verdachte;

    • inzicht hebben in de beperkingen die de strafrechtelijke vervolging en het verblijf in een justitiële inrichting met zich brengt voor de uitvoering van het gedragsdeskundig onderzoek;

    • het in staat zijn tot exploratieve en directieve/confronterende gespreksvoering;

    • het vermogen om binnen de forensische context, in opdracht van een derde en gegeven een relatief beperkte contactduur met de onderzochte, een werkrelatie op te bouwen en op professionele wijze af te ronden;

    • het kunnen omgaan met emotioneel belastende situaties (angst, dreiging, afkeer, (tegen-)overdracht);

    • het in staat zijn het advies te bespreken, in het bijzonder een voor de onderzochte onwelgevallig advies;

    • het bewustzijn van de eigen veiligheid;

    • het in staat zijn tot multidisciplinaire samenwerking, dat wil zeggen met onder meer andere gedragsdeskundigen, juristen en reclassering;

  • te beschikken over specifieke kennis en vaardigheden gerelateerd aan de vraagstelling, waarbij minimaal het volgende wordt vereist:

    • algemeen:

      • inzicht en vermogen om vanuit de psychologische/psychiatrische diagnostiek de vertaalslag te maken naar de forensisch relevante vragen (toerekening, risicoprognose en risicomanagement, forensische zorgprognose en responsiviteit);

      • in staat te zijn de eventuele forensisch relevante invloed van de culturele achtergrond op de beleving, het gedrag en de psychopathologie van de onderzochte te onderkennen en daarnaar te handelen;

      • testtheoretische kennis en kennis van de mogelijkheden en beperkingen van testmaterialen;

    • diagnostiek:

      • kennis van en ervaring met het diagnostisch proces in een forensische context (attributie, (dis)simulatie, interactie);

      • specifieke kennis van en ervaring met het beloop van in de forensische psychiatrie voorkomende ziektebeelden;

      • kennis van verslavingsproblematiek en de mogelijke forensische gevolgen daarvan;

      • kennis van de specifieke onderwijsniveaus (uitsluitend van toepassing op de deelgebieden strafrecht jeugdigen);

      • uitkomsten van testen kunnen interpreteren in een forensische context;

      • kennis van betrouwbaarheid en validiteit van het testmateriaal;

    • classificatie:

      • kennis van de mogelijkheden en beperkingen van een classificatiesysteem in de forensische context;

        Toelichting: De formulering van deze registratie-eis omvat dat de aanvrager bij gebruik van de DSM op de hoogte is van de cautionary statement bij het forensisch gebruik van de DSM, dat hij weet dat de DSM classificatie niet hetzelfde is als een beschrijvende diagnose en dat de DSM onvoldoende informatie geeft over de beperkingen van de betrokkene.
    • oordeelsvorming:

      • kennis van redeneer- en beslisprocessen, van determinanten van het oordeel, van processen van beïnvloeding in de oordeelsvorming en van de feilbaarheid van het menselijk oordeel;

    • relatie stoornis-delict:

      • het in staat zijn tot uitvragen van het delict en tot het verwoorden van een delictanalyse;

    • risicoprognose:

      • kennis van de betrouwbaarheid en predictieve validiteit van risicotaxatie-instrumenten, alsmede van de mogelijkheden en beperkingen van die instrumenten voor het voorspellen van recidive op individueel niveau;

      • kennis en beheersing van het state-of-the-art opstellen van een risicoprognose waarbij de prognose is gebaseerd op de optimale integratie van klinische en gestructureerde risicotaxatie;

      • gemaakte keuzen voor het al dan niet gebruik van (specifieke) risicotaxatie-instrumenten dienen expliciet in de rapportage te worden opgenomen en beargumenteerd;

      • de verschillende vastgestelde relevante risico- en beschermende factoren dienen te zijn benoemd, waarbij de weging van deze factoren, afzonderlijk en in onderlinge samenhang, dient te zijn geëxpliciteerd, alsook tot welk oordeel die weging leidt en op welke gronden. Eventuele aspecten die een beperkende invloed hebben op de geldigheid van een risicoprognose dienen te worden geëxpliciteerd;

    • gedragsinterventies:

      • kennis van de mogelijke zorgarrangementen voor de forensische populatie en het in staat zijn een advies te geven over het type behandeling en de mate van beveiliging;

      • inzicht in de effectiviteit (of het ontbreken daarvan) van behandelingen van psychologische en psychiatrische problematiek in de forensische setting;

      • vermogen tot inschatting van de behandelresponsiviteit van betrokkene;

      • kennis van de praktijk van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen;

      • kennis van de organisatie van de psychomedische zorg binnen een gesloten justitiële setting;

      • kennis van het proces van indicatiestelling voor de forensische zorg.

Toelichting bij artikelen 12 (2) d, e en f: Ten aanzien van de bekendheid van de rapporteur met de richtlijnen en best practices merkt het College het volgende op. Gelet op de praktijk is het op dit moment voor de toetsing van de aanvrager door het NRGD geen harde eis dat een rapporteur de te onderzoeken persoon zelf minimaal twee keer gezien moet hebben. De ingezette instrumenten, waaronder de onderzoeksgesprekken met deze persoon, dienen in verhouding te staan tot de te beantwoorden vraagstelling(en).

§ 5. Artikel 12(2) onderdeel g

(...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

  • in staat te zijn een taalkundig correct, ook voor niet vakgenoten, begrijpelijk en leesbaar rapport te schrijven en daarbij neutrale, niet onnodig diskwalificerende formuleringen te gebruiken;

  • in staat te zijn bij de opzet en de indeling van het rapport de principes van de vigerende formats toe te passen;

  • zich bij het rapporteren steeds bewust te zijn van de reikwijdte van het rapport, zoals de beeldvorming die de rapportage van de onderzochte kan oproepen en de consequenties daarvan voor de besluitvorming van de rechter (bijvoorbeeld in de sfeer van de bewijsvoering);

  • in staat te zijn op heldere wijze voorlichting over het deskundigheidsgebied en de onderzoeksbevindingen te geven aan de gerechtelijke instantie die daarom verzoekt.

Toelichting: Getoetst wordt of een rapporteur adequate rapporten schrijft, niet of in de rapportage wel of geen gebruik is gemaakt van een format. Formats zijn hulpmiddelen en kunnen daarmee van nut zijn voor de totstandkoming van het rapport.

§ 6. Artikel 12(2) onderdeel h

(...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn.

§ 7. Artikel 12(2) onderdeel i

(...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

Zie de op de website van het NRGD gepubliceerde Gedragscode NRGD die door het College gerechtelijk deskundigen is vastgesteld.

§ 8. Hardheidsclausule

Het College kan een registratie-eis buiten toepassing laten of daarvan afwijken als toepassing tot een zeer onredelijk resultaat zou leiden. De hardheidsclausule kan alleen in bepaalde uitzonderlijke situaties uitkomst bieden. Het ligt op de weg van de aanvrager om zelf feiten en omstandigheden aan te voeren dat in zijn specifieke geval een bepaalde registratie-eis onredelijk is.

Deel IV. Toetsingsprocedure voor Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

§ 1. Algemeen

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van schriftelijke stukken, waaronder in ieder geval zaaksrapporten en bewijsstukken, in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken uit de schriftelijke stukken.

De toetsing geschiedt in beginsel op basis van informatie die de aanvrager heeft verstrekt:

  • algemene gegevens als onderdeel van het aanvraagpakket

  • bewijsstukken van competentie.

Indien dit in het kader van de toetsing noodzakelijk wordt gevonden, kan een extra zaaksrapport en/of informatie worden opgevraagd.

§ 2. Toetsingsprocedure per type aanvrager

2.1. Initieel: zelfstandig rapporteur

Te overleggen stukken:

– Aanvraagformulier NRGD;

– Verklaring behorend bij de aanvraag tot registratie in het NRGD;

– Verklaring Omtrent het Gedrag;

– een goed leesbare kopie (zwart/wit) van een geldig paspoort of identiteitskaart;

– kopieën van stukken met betrekking tot het hoogste beroepskwalificerende niveau;¹

– een curriculum vitae (cv);

– Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO;

– Lijst van Zaaksinformatie FPPO;

– 3 zaaksrapporten opgemaakt in de laatste 5 jaar geselecteerd door de aanvrager zelf uit de Lijst van Zaaksinformatie.

Deze zaaksrapporten dienen een goed en breed beeld te geven van de competenties van de aanvrager.

– indien aanwezig:

• bewijs van de op het Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO genoemde vormen van intervisie en deskundigheidsbevordering;

• voor zover van toepassing en indien mogelijk dient aan de rapporten ook een verslag van het onderzoek ter zitting te worden toegevoegd.²

   

Toetsingswijze:

fase a. administratief, door het Bureau NRGD;

fase b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal, inclusief eventuele aanvullende schriftelijke informatie. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

fase c. inhoudelijk, door de bij fase b bedoelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken;

fase d. beslissing van het College: registratie, voorwaardelijke registratie of geen registratie.

¹ Bij inschrijving in een register zoals het BIG-register als psychiater dan wel GZ-psycholoog, het NIP-register als KJ Psycholoog NIP of het NVO-register als NVO Orthopedagoog-Generalist volstaat een kopie bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat u op het moment van uw aanvraag ingeschreven staat.

² Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten.

Toelichting: Indien de TAC een aanvraag na eerdere afwijzing moet beoordelen wordt, voor zover mogelijk, een nieuwe TAC samengesteld. Deze TAC krijgt geen inzage in het advies van de eerdere TAC.

2.2. Initieel: rapporteur ‘geen eigen werk’: na rapporteursopleiding

Te overleggen stukken:

– Aanvraagformulier NRGD;

– Verklaring behorend bij de aanvraag tot registratie in het NRGD;

– Verklaring Omtrent het Gedrag;

– een goed leesbare kopie (zwart/wit) van een geldig paspoort of identiteitskaart;

– kopieën van stukken met betrekking tot het hoogste beroepskwalificerende niveau;¹

– een up-to-date curriculum vitae (cv);

– certificaat van de gevolgde opleiding tot forensisch rapporteur;

– Lijst van Zaaksinformatie FPPO;

– 3 zaaksrapporten geselecteerd door de aanvrager zelf uit de Lijst van Zaaksinformatie.

Deze zaaksrapporten dienen een goed en breed beeld te geven van de competenties van de aanvrager.

– indien aanwezig:

• bewijs van de op het Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO genoemde vormen van intervisie en deskundigheidsbevordering;

• voor zover van toepassing en indien mogelijk dient aan de rapporten ook een verslag van het onderzoek ter zitting te worden toegevoegd.

   

Toetsingswijze:

fase a. administratief, door het Bureau NRGD;

fase b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste twee personen op basis van het schriftelijk beschikbare materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en een vakinhoudelijk toetser;

fase c. inhoudelijk, door de bij fase b vermelde TAC waaraan één vakinhoudelijk toetser wordt toegevoegd, afkomstig uit hetzelfde deskundigheidsgebied als de aanvrager op basis van het schriftelijk beschikbare materiaal. Hiervan wordt afgezien indien de TAC in fase a unaniem tot een positief advies aan het College komt;

fase d. inhoudelijk, door de in fase c bedoelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager in fase c duidelijk is gebleken;

fase e. beslissing van het College: voorwaardelijke registratie of geen registratie.

¹ Bij inschrijving in een register zoals het BIG-register als psychiater dan wel GZ-psycholoog, het NIP-register als KJ Psycholoog NIP of het NVO-register als NVO Orthopedagoog-Generalist volstaat een kopie bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat u op het moment van uw aanvraag ingeschreven staat.

Toelichting: Indien de TAC een aanvraag na eerdere afwijzing moet beoordelen wordt, voor zover mogelijk, een nieuwe TAC samengesteld. Deze TAC krijgt geen inzage in het advies van de eerdere TAC.

2.3. Initieel: rapporteur ‘geen eigen werk’: overig

Te overleggen stukken:

– Aanvraagformulier NRGD;

– Verklaring behorend bij de aanvraag tot registratie in het NRGD;

– Verklaring Omtrent het Gedrag;

– een goed leesbare kopie (zwart/wit) van een geldig paspoort of identiteitskaart;

– kopieën van stukken met betrekking tot het hoogste beroepskwalificerende niveau;¹

– een up-to-date curriculum vitae (cv);

– Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO;

– Lijst van Zaaksinformatie FPPO;

– 3 zaaksrapporten geselecteerd door de aanvrager zelf uit de Lijst van Zaaksinformatie.

De zaaksrapporten dienen een goed en breed beeld te geven van de competenties van de aanvrager;

– indien aanwezig:

• bewijs van de op het Overzicht [Intervisie en Deskundigheidsbevordering [afkorting deskundigheidsgebied] genoemde vormen van [intervisie en] deskundigheidsbevordering;²

• voor zover van toepassing en indien mogelijk dient aan de rapporten ook een verslag van het onderzoek ter zitting te worden toegevoegd..

   

Toetsingswijze:

fase a. administratief, door het Bureau NRGD;

fase b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal, inclusief eventuele aanvullende schriftelijke informatie. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

fase c. inhoudelijk, door de in fase b vermelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Hiervan wordt afgezien indien de TAC in fase b unaniem tot een positief advies aan het College komt;

fase d. beslissing van het College: voorwaardelijke registratie of geen registratie.

¹ Bij inschrijving in een register zoals het BIG-register als psychiater dan wel GZ-psycholoog, het NIP-register als KJ Psycholoog NIP of het NVO-register als NVO Orthopedagoog-Generalist volstaat een kopie bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat u op het moment van uw aanvraag ingeschreven staat.

² Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten.

Toelichting: Indien de TAC een aanvraag na eerdere afwijzing moet beoordelen wordt, voor zover mogelijk, een nieuwe TAC samengesteld. Deze TAC krijgt geen inzage in het advies van de eerdere TAC.

2.4. Heraanvraag: na onvoorwaardelijke registratie

Te overleggen stukken:

– Aanvraagformulier NRGD;

– Verklaring behorend bij de aanvraag tot registratie in het NRGD;

– Verklaring Omtrent het Gedrag;

– kopieën van stukken met betrekking tot het hoogste beroepskwalificerende niveau (indien gewijzigd);¹

– een geüpdatet curriculum vitae (cv);

– Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO;

– Lijst van zaaksinformatie FPPO;

– 2 zaaksrapporten opgemaakt in de laatste 5 jaar geselecteerd door de aanvrager zelf uit de Lijst van Zaaksinformatie.

De zaaksrapporten dienen een goed en breed beeld te geven van de competenties van de aanvrager;

– indien aanwezig:

• bewijs van de op het Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO genoemde vormen van intervisie en deskundigheidsbevordering;²

• voor zover van toepassing en indien mogelijk dient aan de rapporten ook een verslag van het onderzoek ter zitting te worden toegevoegd.

   

Toetsingswijze:

fase a. administratief, door het Bureau NRGD;

fase b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste twee personen op basis van het schriftelijk beschikbare materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en vakinhoudelijke toetser;

fase c. inhoudelijk, door de bij fase b bedoelde TAC waaraan één vakinhoudelijke toetser wordt toegevoegd, afkomstig uit hetzelfde deskundigheidsgebied als de aanvrager op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal. Hiervan wordt afgezien indien de TAC in fase b unaniem tot een positief advies aan het College komt;

fase d. inhoudelijk, door de in fase c bedoelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager in fase c duidelijk is gebleken;

fase e. beslissing van het College: onvoorwaardelijke registratie, voorwaardelijke registratie of geen registratie.

¹ Bij inschrijving in een register zoals het BIG-register als psychiater dan wel GZ-psycholoog, het NIP-register als KJ Psycholoog NIP of het NVO-register als NVO Orthopedagoog-Generalist volstaat een kopie bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat u op het moment van uw aanvraag ingeschreven staat.

² Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten.

Toelichting: Er wordt, voor zover mogelijk, een nieuwe TAC samengesteld. Deze TAC krijgt geen inzage in het advies van de eerdere TAC.

2.5. Heraanvraag: na voorwaardelijke registratie

Te overleggen stukken:

– Aanvraagformulier NRGD;

– Een geüpdatet curriculum vitae (cv);

– kopieën van stukken met betrekking tot het hoogste beroepskwalificerende niveau (indien gewijzigd);¹

– Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO;

– Lijst van zaaksinformatie FPPO;

– 2 zaaksrapporten geselecteerd door de aanvrager zelf uit de Lijst van Zaaksinformatie.

De zaaksrapporten dienen een goed en breed beeld te geven van de competenties van de aanvrager;

– indien aanwezig:

• bewijs van de op het Overzicht Intervisie en Deskundigheidsbevordering FPPO genoemde vormen van intervisie en deskundigheidsbevordering;²

• voor zover van toepassing en indien mogelijk dient aan de rapporten ook een verslag van het onderzoek ter zitting te worden toegevoegd.

   

Toetsingswijze:

fase a. administratief, door het Bureau NRGD;

fase b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het schriftelijk beschikbare materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

fase c. inhoudelijk, door de in fase b bedoelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager in fase b duidelijk is gebleken;

fase d. beslissing van het College: registratie, voorwaardelijke registratie of geen registratie.

¹ Bij inschrijving in een register zoals het BIG-register als psychiater dan wel GZ-psycholoog, het NIP-register als KJ Psycholoog NIP of het NVO-register als NVO Orthopedagoog-Generalist volstaat een kopie bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat u op het moment van uw aanvraag ingeschreven staat.

² Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten.

Toelichting: Er wordt, voor zover mogelijk, een nieuwe TAC samengesteld. Deze TAC krijgt inzage in het advies van de eerdere TAC.

Bijlage A. Begrippenlijst NRGD

  • Aanvrager: Natuurlijk persoon die bij het NRGD een aanvraag indient tot (her)inschrijving in het register.

  • Bureau: Het Bureau NRGD dat het College ondersteunt.

  • Brdis: Besluit register deskundige in strafzaken.

  • College: Het College gerechtelijk deskundigen is het orgaan als bedoeld in art 51k (2) Wetboek van Strafvordering en dat belast is met het beheer van het register.

  • Collegial review: Het beoordelen van andermans werk in het kader van een continue kwaliteitsbewaking van iemands deskundigheid. Hierbij is geen sprake van een hiërarchische maar van een horizontale verhouding tussen vakinhoudelijke collega’s. De reviewer ondertekent het rapport niet.

  • Deskundigheidsbevordering: Alle (scholing)activiteiten die bijdragen aan de voortdurende ontwikkeling van kennis en vaardigheden, hetgeen wenselijk en noodzakelijk is om het vak van gerechtelijk deskundige verantwoord op professionele wijze te kunnen blijven uitoefenen.

  • Gebruiker: Iemand die gebruik maakt van het register om een geregistreerde deskundige op te zoeken en mogelijkerwijs in te schakelen.

  • Geregistreerde deskundige: De deskundige die is ingeschreven in het register.

  • Heraanvrager: De deskundige die op het moment dat hij een heraanvraag indient al beschikt over een NRGD-registratie, al dan niet voor voorwaardelijk.

  • Initiële aanvrager: De aanvrager die een aanvraag doet om in het register ingeschreven te worden en nog niet beschikt over een NRGD-registratie.

  • Intervisie: Intervisie is een gestructureerde (interdisciplinaire) bijeenkomst tussen mensen die werkzaam of in opleiding zijn in hetzelfde vakgebied. Onderwerp van gesprek is in ieder geval de verrichte forensische werkzaamheden en de daaraan gerelateerde problemen. Oogmerk is dat de deskundigheid van de betrokkenen wordt vergroot en de kwaliteit van het werk verbetert. Anders dan bij supervisie is er geen hiërarchische verhouding tussen de deelnemers.

  • NRGD: Het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, de organisatie waartoe het College en het Bureau behoren.

  • Rapporteur: De deskundige die een rapport uitbrengt ten behoeve van de rechtspraak en/of een verklaring aflegt ter terechtzitting.

  • Rapporteur geen eigen werk: Een rapporteur die niet het aantal zaaksrapporten dat voor registratie is vereist, zelfstandig heeft opgemaakt en ondertekend.

  • Rapporteursopleiding: Een samenhangend en gestructureerd geheel van georganiseerde scholingsactiviteiten waarmee kennis en ervaring wordt opgedaan om als gerechtelijk deskundige te leren rapporteren in de context van het strafrecht.

  • Register: Het landelijk openbaar register als bedoeld in artikel 51 k(1) van het Wetboek van Strafvordering, waarin de door het College geschikt geachte gerechtelijk deskundigen zijn ingeschreven.

  • Registratie: Inschrijving in het register.

  • Supervisie: Het beoordelen van andermans werk, het gezamenlijk reflecteren op het werk en het begeleiden van een gesuperviseerde in het kader van een opleiding of bijscholingstraject. Supervisor en gesuperviseerde staan hierbij in een hiërarchische verhouding tot elkaar en de supervisor is de deskundige die in ieder geval wordt benoemd. De supervisor ziet het object van onderzoek (de onderzochte) zodanig dat deze het onderzoek van de gesuperviseerde kan controleren, de conclusies daarvan kan onderschrijven en voor zijn rekening kan nemen. De supervisor ondertekent het rapport in ieder geval.

  • Toetser: Een lid van een toetsingsadviescommissie.

  • Toetsingsadviescommissie: Een door het College benoemde commissie die het College adviseert over de (mate van) geschiktheid voor (her)registratie van de (her)aanvrager.

  • Voorwaardelijke registratie: De registratie van een deskundige voor een door het College vastgestelde periode en mogelijk onder bepaalde voorwaarden waaraan binnen die periode moet zijn voldaan. In beginsel bedraagt de door het College vast te stellen periode twee jaar.

  • Zelfstandig rapporteur: Een rapporteur die het vereiste aantal zaaksrapporten zelfstandig heeft opgemaakt en ondertekend.

Bijlage B. Revisieoverzicht

Versie

Datum

Doorgevoerde wijzigingen

4.0

01.07.2016

– Toegevoegd eis inzake classificatie onder artikel 12(2) onder d, e en f (Collegebesluit d.d. 21.01.2016);

– Aanpassing eis inzake culture achtergronden onder artikel 12(2) onder d, e en f (Collegebesluit d.d. 21.01.2016);

– Vooruitlopen op wijziging van het Besluit register deskundige in strafzaken aanpassingen doorgevoerd, inclusief rectificatie terminologie registratievormen;

– Onderscheid aangebracht in eisen voor rapporteurs geen eigen werk die wel of niet een rapporteursopleiding hebben gedaan

– Generieke tekstdelen aangepast conform Blauwdruk Beoordelingskader 3.0 (Collegebesluit d.d. 10.12.2015);

In samenhang daarmee doorgevoerde aanpassing soorten (her)aanvragers en besluiten inzake eisen onder artikel 12(2) onder a (Collegebesluit d.d.21.01.2016, d.d. 18.02.2016 en d.d. 26.05.2016) en tekstuele aanpassingen waar nodig.

3.0

01.07.2015

Deel II. Registratie-eisen:

Artikel 12 (2) onder a: schrapping definities van collegial review, Supervisie, Intervisie en Deskundigheidbevordering (p.6);

Artikel 12 (2) onder b:

– Herindeling specifieke eisen voor het deskundigheidsgebied (p.7);

– Toegevoegd eis inzake inzage- en correctierecht (p.7)

Artikel 12 (2) onder d, e, f:

– Toegevoegd eis inzake kennis van onderwijsniveaus (p.9);

– Aanpassing eis inzake risico-taxatie (p.9);

– Schrapping toelichting inzake risicotaxatie (p.10)

Deel III. Toetsingsprocedure:

– Toevoeging onder 2. Te verstrekken informatie toelichtingen inzake in te sturen rapportages (second opinion of contra-expertise rapporten) en formats NRGD (p.11)

– Schrapping onder 2 bij de typen (her)aanvragers van de inhoud van de Lijst van zaaksinformatie (p.11-12);

– Toevoeging onder 2.B Heraanvrager bij in te sturen rapportages: ‘Van de aanvrager wordt daarom verwacht dat de zaaksrapporten de meer complexe en zwaardere zaken betreffen’. (p.12);

Begrippenlijst:

– Toegevoegd definitie Deskundigheidsbevordering en Intervisie (p.15)

2.3

01.01.2015

Deel II. Registratie-eisen:

Artikel 12 (2) onder a: schrapping passage overgangsregeling voor geregistreerde deskundigen waarvan de registratie in 2014 van rechtswege verloopt (p.5);

– Toegevoegd toelichting inzake definitie van Deskundigheidsbevordering (p.7)

Deel III. Toetsingsprocedure:

– Onder 2. Te verstrekken informatie voor Heraanvragers type (iii) toegevoegd passage over rapporten naar eigen selectie (p.13);

2.2

01.04.2016

Deel II. Registratie-eisen:

Artikel 12 (2) onder a: Toegevoegd toelichting inzake Intervisie (p.7)

Deel III. Toetsingsprocedure: verplaatsing certificaat van gevolgde rapporteursopleiding naar type A(ii) verplicht in te sturen informatie (p.13)

2.1

01.03.2014

Deel I. Omlijning:

– Tekstuele aanpassing Inleiding (p.1)

Deel II. Registratie-eisen:

– Tekstuele aanpassing Inleiding (p.3)

Artikel 12 (2) onder a:

– Toegevoegd eis inzake zelfstandige rapporten bij supervisoren (p.4 + p.5)

– Verplaatst eis inzake een forensische rapporteursopleiding naar de eisen voor een initiële aanvraag van een nieuwe rapporteur (p.5);

– Toegevoegd toelichtingen inzake supervisie en een verzoek om uitzondering (p.6-7);

Artikel 12 (2) onder b. herindeling eisen in generieke en specifieke eisen (p.7-8);

Deel II. Toetsingsprocedure:

– Verwerking typen aanvragers bij te verstrekken in formatie en toetsingsprocedure (p.12-14)

– Verplaatsing passage inzake mondelinge toetsing naar p.14;

– Toegevoegd beslissingsmodaliteiten van het College en aanpassing terminologie Voorwaardelijke registratie in Registratie voor beperkte duur (p.14-15)

Begrippenlijst:

– Toegevoegd bij Collegial review: ‘.. en de reviewer ondertekent het rapport niet.’ (p.16)

– Aanpassing definities Heraanvrager en Initiële aanvrager (p.16);

– Schrapping definitie Jeugdige verdachte;

– Toegevoegd bij Nieuwe rapporteur (aanvrager): ‘De nieuwe rapporteur komt alleen in aanmerking voor een registratie voor beperkte duur.’ (p.16)

– Aanpassing definitie Voorwaardelijke registratie naar Registratie voor beperkte duur en schrapping definitie Onvoorwaardelijke registratie (p.17);

– Toegevoegd definities Registratie en Supervisie (p.17);

– Aanpassing definitie Toetser en toegevoegd definitie Toetsingsadviescommissie (p.17);

– Schrapping definitie Volwassen verdachte (p.17)

2.0

01-02-2014

– Samenvoeging documenten Omlijning en Registratie-eisen en toetsingsprocedure voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek;

– Toevoeging inhoudsopgave en Begrippenlijst (p.14-15);

Deel I. Omlijning:

– Tekstuele aanpassing Inleiding (p.1);

– Tekstuele aanpassing Kern van het deskundigheidsgebied en schrapping van het onderzoek naar slachtoffers of getuigen (p.1);

– Toevoeging van de overwegingen voor het toepassen van het volwassenen- of jeugdstrafrecht aan de gedragsdeskundige vraagstelling (p.2);

– Toevoeging van de toelichting inzake de registratiecategorieën Strafrecht volwassene en Strafrecht jeugdige (p.2);

Deel II. Registratie-eisen:

– Tekstuele aanpassing Inleiding (p.3);

– Toegevoegd beschrijving typen aanvragers (p.3);

Artikel 12(2) onder a:

– Schrapping van voetnoten 1 en 2 inzake het deskundigheidsgebied en de forensische rapporteursopleiding (p.3);

– Schrapping toelichting inzake definitie supervisie (p.4)

– Toegevoegd toelichting inzake diagnostische vaardigheden binnen de beroepsopleidingen (p.4).

– Toegevoegd per type (her)aanvrager inzake aantallen rapportages, collegial review, gestructureerde forensische intervisie en forensische deskundigheidsbevordering en toevoeging toelichting inzake stapsgewijze invoering (p.4-6);

– Toegevoegd definitie collegial review (p.6 en in de Begrippenlijst);

Artikel 12 (2) onder b:

– Toegevoegde eis kennis van het jeugdstrafrecht: kennis van ‘landelijk kader forensische diagnostiek in de jeugdzorg’ (p.7);

– Toegevoegde eisen inzake kennis van het strafprocesrecht: ‘onderzoek door de rechter-commissaris’, ‘dwangmiddelen’ en ‘procesfasen’ (p.7);

Artikel 12 (2) onder d, e en f:

– Toegevoegd eisen inzake kennis van verslavingsproblematiek en van betrouwbaarheid en validiteit van testmateriaal (p.9);

– Toegevoegd toelichtingen inzake het zien van de onderzochte en risicotaxatie (p.9)

Artikel 12 (2) onder g:

– Toegevoegd toelichting inzake het gebruik van rapportageformats (p.10)

Deel III. Toetsingsprocedure:

– Toegevoegd passage inzake de mondelinge toetsing (p.11);

– Verwerking van typen (her)aanvragers inzake in te leveren bewijsstukken en toegevoegd toelichting inzake feedback van het NIFP (p.11);

– Verwerking van typen (her)aanvragers inzake toetsingsprocedure (p.12-13)

1.1

01.01.2014

In het document Registratie-eisen en toetsingsprocedure Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek:

– Toegevoegde toelichting onder artikel 12(2) onder a inzake de definitie van supervisie (p.3).

1.0

01.06.2010

Nvt

NB: het Beoordelingskader bestond toen uit twee documenten: Omlijning en Registratie-eisen en toetsingsprocedure voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

  • ^ [1]

    Op deze algemene regel kan een uitzondering worden gemaakt, namelijk als het gaat om een eerdere afwijzing op grond van artikel 12 lid 2 onder a Brdis, de zogenaamde opleidingseis. Rapporten die zijn geschreven vóór de datum van het eerdere afwijzingsbesluit van het College kunnen worden vermeld op de Lijst van Zaaksinformatie, mits ze zijn opgemaakt binnen de algemeen geldende periode voorafgaand aan het moment waarop de nieuwe aanvraag wordt ingediend.