Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling windenergie op zee 2016

Geldend van 15-09-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 juli 2016, nr. WJZ/16097774, tot aanwijzing van productie-installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee als een subsidiabele categorie voor 2016 in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling windenergie op zee 2016)

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie;

  • kavel: kavel als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;

  • kavel III: kavel III van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in Kavelbesluit III windenergiegebied Borssele (Stcrt. 2016, 14523);

  • kavel IV: kavel IV van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in Kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele (Stcrt. 2016, 14545);

  • kavelbesluit: kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;

  • minister: Minister van Economische Zaken;

  • netto P50-waarde vollasturen: het aantal vollasturen, waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

  • nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik;

  • windenergiegebied Borssele: windenergiegebied Borssele, aangewezen in het nationaal waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, zoals vastgesteld voor de periode 2016 tot en met 2021.

§ 2. Windenergie op zee

Artikel 2

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee die is gelegen op kavel III of kavel IV.

Artikel 3

Het nominale vermogen van de productie-installatie, bedoeld in artikel 2, bedraagt:

  • a. voor kavel III tenminste 331 MW verminderd met het aantal MW van de windmolen met het minste vermogen in de desbetreffende productie-installatie, en ten hoogste 360 MW.

  • b. voor kavel IV tenminste 351 MW verminderd met het aantal MW van de windmolen met het minste vermogen in de desbetreffende productie-installatie, en ten hoogste 380 MW.

Artikel 4

  • 1 Aanvragen om subsidie worden ontvangen in de periode van de dag na de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot 29 september 2016, 17:00 uur.

  • 2 Per aanvrager kan in de periode, genoemd in het eerste lid, ten hoogste één niet-gecombineerde aanvraag per kavel en één gecombineerde aanvraag voor beide kavels worden ingediend.

Artikel 5

  • 2 Indien een aanvrager meerdere aanvragen voor een kavel indient, beslist de minister afwijzend op alle aanvragen van die aanvrager voor de desbetreffende kavel. Indien een aanvrager meerdere gecombineerde aanvragen indient, beslist de minister afwijzend op alle gecombineerde aanvragen van die aanvrager.

  • 3 Op verzoek van de aanvrager wordt voor het bepalen van de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, meegerekend:

    • a. indien de aanvrager een samenwerkingsverband is, de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • b. indien de subsidie-aanvrager of een deelnemer aan een samenwerkingsverband een dochteronderneming is, het overige eigen vermogen van de moederonderneming indien de moederonderneming daar schriftelijk mee instemt.

  • 4 Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen overeenkomstig het derde lid, wordt het eigen vermogen van een deelnemer aan een samenwerkingsverband of van een moederonderneming meegerekend in het eigen vermogen van ten hoogste twee subsidie-aanvragers. Indien het eigen vermogen van dezelfde entiteit op grond van het derde lid voor de aanvragen van meer dan twee subsidie-aanvragers zou worden meegerekend, wordt dat eigen vermogen bij alle aanvragen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 2.400.000.000 voor kavel III en € 2.600.000.000 voor kavel IV.

  • 2 De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 4 De aanvragen worden gerangschikt per kavel op basis van het tenderbedrag voor die kavel.

  • 5 Een gecombineerde aanvraag komt slechts in aanmerking voor subsidie indien de aanvraag in de rangschikking van beide kavels ten minste even hoog is gerangschikt als de hoogst gerangschikte niet-gecombineerde aanvraag.

  • 6 Indien meerdere gecombineerde aanvragen in de rangschikking van beide kavels hoger worden gerangschikt dan de hoogst gerangschikte niet-gecombineerde aanvraag, wordt de onderlinge rangschikking van deze gecombineerde aanvragen gebaseerd op het gewogen gemiddelde tenderbedrag per kWh van de desbetreffende aanvragen, waarbij het tenderbedrag voor kavel III 33/68e deel meeweegt en het tenderbedrag voor kavel IV 35/68e.

  • 7 Indien in de rangschikking van beide kavels een niet-gecombineerde aanvraag van dezelfde aanvrager het hoogst wordt gerangschikt en de omvang van het eigen vermogen van die aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor beide productie-installaties tezamen, komt van deze aanvrager slechts de aanvraag met het laagste tenderbedrag per kWh in aanmerking voor subsidie. Indien het tenderbedrag van beide aanvragen gelijk is stelt de minister door middel van loting vast welke van beide aanvragen in aanmerking komt voor subsidie.

  • 8 Indien voor een kavel meerdere aanvragen als hoogst zijn gerangschikt, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.

  • 9 Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie aan meer dan één producent per kavel subsidie zou worden verstrekt.

Artikel 7

Het tenderbedrag bedraagt ten hoogste € 0,11975 per kWh.

Artikel 8

Indien de minister aan de aanvrager van een gecombineerde aanvraag subsidie verstrekt, verstrekt de minister per kavel die onderdeel is van de gecombineerde aanvraag een beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 9

  • 1 De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-ontvanger overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in de bijlage.

  • 2 De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidie-ontvanger binnen vier weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening aantoont dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de overeenkomst opgenomen in de bijlage is afgegeven.

  • 3 Indien niet tijdig aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste of tweede lid, is voldaan wordt subsidie voor de desbetreffende kavel verleend voor de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking.

Artikel 10

  • 1 De subsidie wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

Artikel 11

De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie in gebruik binnen 5 jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 12

Artikel 13

  • 1 Voor de vaststelling van de correcties ten behoeve van de voorschotverlening voor 2016 wordt voor de elektriciteitsprijs de gemiddelde waarde in de periode 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 gehanteerd.

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 14

[Red: Wijzigt de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.]

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 september 2016.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling windenergie op zee 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 1 juli 2016

De

Minister

van Economische Zaken,

H.G.J. Kamp

Bijlage behorende bij artikel 9

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan subsidie is verstrekt op basis van de Regeling windenergie op zee 2016

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken,;

en

2. ......... ......., gevestigd te ......... (hierna te noemen: Ondernemer);

..................................................

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

  • a. De Minister van Economische Zaken heeft blijkens een beschikking met kenmerk ......., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verstrekt als bedoeld in artikel 2 van de Regeling windenergie op zee 2016, hierna te noemen Regeling.

  • b. De Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-ontvanger.

  • c. De Minister van Economische Zaken beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie, bedoeld in de Beschikking, tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie, bedoeld in de Beschikking, tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 11 van de Regeling bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie

  • 1. De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken na de datum van de Beschikking ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld te houden voor een bedrag groot € 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro) door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model opgenomen in de bijlage.

  • 2. De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen 12 maanden na de datum van de Beschikking ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld te houden voor een bedrag groot € 35.000.000 (zegge: vijfendertig miljoen euro) door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model opgenomen in de bijlage.

  • 3. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, vervalt indien de Staat de Beschikking binnen 12 maanden nadat deze is afgegeven intrekt.

Artikel 3. Vrijval van de garantie

  • 1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgaranties te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

  • 2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Bank.

  • 3. De Staat zendt schriftelijk bericht als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van de gehele bankgarantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, op het moment dat de bankgarantie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is afgegeven.

Artikel 4. Boetes

  • 1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot € 3.500.000 (zegge: drie miljoen vijf honderd duizend euro).

  • 2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van € 3.500.000 (zegge: drie miljoen vijf honderd duizend euro) verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

  • 3. Indien de Staat de Beschikking binnen 12 maanden nadat deze is afgegeven intrekt op verzoek van de Ondernemer zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete eenmalig en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is een bedrag verschuldigd groot € 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro).

  • 4. Indien de Ondernemer de bankgarantie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet binnen 12 maanden na de datum van de Beschikking heeft gesteld, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete eenmalig een bedrag verschuldigd groot € 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro). De boete is verschuldigd door het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 5. De boetes, bedoeld in het eerste en tweede lid, in totaal ten hoogste tien, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 6. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer een boete verschuldigd is geworden.

  • 7. Indien het desbetreffende kavelbesluit na de datum van de Beschikking wordt gewijzigd als gevolg van een beroepsprocedure kan de Ondernemer binnen 6 weken na die wijziging verzoeken tot intrekking van de Beschikking zonder dat een boete verschuldigd is op grond van het derde lid of voor het niet tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie in de daaropvolgende periode.

Artikel 5. Vrijwaring

  • 1. Aan de inhoud van door de Staat beschikbaar gestelde onderzoeksrapportages betreffende het windenergiegebied Borssele kan de Ondernemer jegens de Staat geen rechten ontlenen.

  • 2. Het aanvangen van de bouw van de productie-installatie voordat het desbetreffende kavelbesluit onherroepelijk is geworden, is voor rekening en risico van de Ondernemer.

Artikel 6. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

  • 1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen.

  • 2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van beide bankgaranties door de Staat aan de Bank.

Artikel 7. Domiciliekeuze en berichtgevingen

  • 1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

  • 3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

  • 4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Artikel 8. Rechtskeuze

  • 1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

  • 2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Artikel 9. Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst Wind op zee Staat/...................... kavel ... Borssele ’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te .......

Ondernemer

te 's-Gravenhage op ....................

De Minister van Economische Zaken,

H.G.J. Kamp

Bijlage behorende bij de Uitvoeringsovereenkomst wind op zee staat/......................

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

............................., gevestigd te ......., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. ........................... , gevestigd te ........, (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door ...................., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken op ............. de ‘Uitvoeringsovereenkomst Wind op zee Staat/.... kavel ... Borssele’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

B. De Ondernemer volgens artikel 2 van de uitvoeringsovereenkomst binnen vier weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld dient te houden voor een bedrag groot € 10.000.000 en binnen 12 maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld dient te houden voor een bedrag groot € 35.000.000, beiden door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie welke luidt conform het model dat als Bijlage bij die overeenkomst behoort;

C. De Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden;

VERKLAART ALS VOLGT

  • 1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €... (€ 10.000.000 danwel € 35.000.000).

  • 2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

  • 5. De Minister van Economische Zaken zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

  • 6. Op deze bankgarantie is Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

  • 7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres: ...............

Getekend te

op

De Bank.