Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen

Geldend van 01-10-2016 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 4 juli 2016, nr. IENM/BSK-2016/134534, houdende vaststelling van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Spoorwegwet;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beperkingengebied: gebied binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 21 van het Besluit spoorweginfrastructuur;

  • beschermingszone: deel van het beperkingengebied bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau, een hoofdspoorweg in een ingraving, hoofdspoorweg op een ophoging, hoofdspoorweg in een tunnel, of bij een hoofdspoorweg op een brug of viaduct dat onderscheidenlijk is bepaald en weergegeven in bijlage 1, bijlage 2, bijlage 3, bijlage 4 en bijlage 5;

  • kernzone: deel van het beperkingengebied, niet zijnde de beschermingszone;

  • maatwerkvoorschrift: voorschrift inhoudende:

    • a. een beschikking waarbij de minister op het bepaalde in deze regeling aanvullende eisen of verplichtingen stelt die naar het oordeel van de minister nodig zijn ter bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan, of

    • b. een beschikking waarbij de minister de daarbij aangewezen bepalingen van deze regeling buiten toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden, voor zover de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan zich daar niet tegen verzet;

  • perron: onderdeel van een station dat als platform dient voor het betreden en verlaten van een spoorvoertuig;

  • station: gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers, daaronder inbegrepen de passarelles;

  • wet: Spoorwegwet.

Artikel 2. Vrijstelling

  • 1 Er geldt een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, voor de activiteiten en de daarmee samenhangende werkzaamheden, bedoeld in artikel 3, indien en voor zolang de activiteiten en de werkzaamheden worden verricht in overeenstemming met het bepaalde in deze regeling en de krachtens deze regeling gestelde maatwerkvoorschriften.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op activiteiten die worden verricht binnen het beperkingengebied van het hogesnelheidsnet of de Betuweroute, met uitzondering van de aan het hogesnelheidsnet of aan de Betuweroute gelegen stations en perrons.

  • 4 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor activiteiten en werkzaamheden die in samenhang worden verricht met activiteiten waarvoor een vergunning op grond van artikel 19, eerst lid, van de wet noodzakelijk is. In dat geval wordt voor het geheel van de activiteiten en werkzaamheden een vergunning aangevraagd.

Artikel 3. Activiteiten

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt voor de volgende activiteiten en de daarmee samenhangende werkzaamheden:

  • a. het in de beschermingszone leggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen;

  • b. het vanuit de beschermingszone opvullen van een beschermbuis met schuimbeton;

  • c. het vanuit de beschermingszone leggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen in een reeds aanwezige beschermbuis;

  • d. het in de beschermingszone aanleggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van beplanting;

  • e. het in de beschermingszone uitvoeren van graaf- en hijswerkzaamheden;

  • f. het in de beschermingszone oprichten, plaatsen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van bouwwerken, gebouwen of objecten;

  • g. het in de beschermingszone uitvoeren van metingen en inspecties;

  • h. het in de kernzone uitvoeren van metingen en inspecties boven een spoorweg in een tunnel of onder een viaduct;

  • i. het verrichten van onderhoud op perrons of stations;

  • j. het vervangen van bestaande objecten op perrons of stations door gelijksoortige objecten;

  • k. het plaatsen van objecten van ondergeschikte aard op perrons of stations waarbij de opzet niet wezenlijk verandert, en

  • l. het verrichten van werkzaamheden van ondergeschikte aard op perrons of stations waarbij de opzet niet wezenlijk verandert.

Artikel 4. Zorgplicht

  • 1 Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3 nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan is verplicht:

    • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

    • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

  • 2 Deze verplichting houdt in ieder geval in dat binnen het beperkingengebied:

    • a. de beheerder en partijen die in opdracht van de beheerder handelen, niet worden belemmerd in de zorg voor de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 16 van de wet;

    • b. de hoofdspoorweg bereikbaar is voor hulpdiensten;

    • c. vluchtroutes worden vrijgehouden;

    • d. objecten zodanig en op voldoende afstand worden geplaatst dat de objecten of onderdelen daarvan niet op de hoofdspoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;

    • e. activiteiten dusdanig en op voldoende afstand worden uitgeoefend dat elementen van de hoofdspoorweginfrastructuur zonder belemmering kunnen worden gebruikt en niet worden beschadigd;

    • f. de bestuurder van een spoorvoertuig niet wordt gehinderd ten aanzien van het waarnemen van seinen;

    • g. alleen gebruik wordt gemaakt van verlichting bestaande uit wit licht;

    • h. de beheerder zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van door de activiteiten veroorzaakte beschadiging of zetting van de hoofdspoorweg;

    • i. er zo spoedig mogelijk melding wordt gedaan aan de beheerder van door de activiteit ontstane calamiteiten, dreigende calamiteiten, onvoorziene omstandigheden of gebreken die gevolgen kunnen hebben voor een veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg;

    • j. materieel dat wordt gebruikt bij het verrichten van de activiteit zo spoedig mogelijk na beëindiging van deze activiteit wordt verwijderd.

Artikel 5. Melding

  • 1 Degene die de activiteiten, bedoeld in artikel 3, zal verrichten, meldt dit ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit schriftelijk aan de minister.

  • 2 Meldingen worden, onder vermelding van de regio waarbinnen de werkzaamheden plaatsvinden, gedaan aan het adres van de beheerder, zijnde:

    Postbus 2038, 3500 GA, Utrecht.

  • 3 Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van degene die voornemens is de activiteiten te verrichten en van degene die zorg draagt voor het beheer en onderhoud van de activiteit;

    • b. de dag waarop met de activiteit wordt begonnen en de duur ervan;

    • c. het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • d. de aard en omvang van de activiteit;

    • e. een basisbeheerkaart, op een schaal van 1:1000 met spoorkilometrering, die bij de beheerder te verkrijgen is, waarop de activiteit wordt aangeduid;

    • f. een dwarsprofieltekening van de werken in combinatie met de spoorweg;

    • g. een werkplan, zo nodig door de minister te specificeren;

    • h. indien de activiteit het leggen, verleggen of aanpassen van kabels of leidingen betreft: een kabellegplan;

    • i. indien de activiteit het verwijderen van kabels of leidingen betreft: een kabelverwijderingsplan met daarbij een verklaring van juiste afdichting.

  • 4 Wijzigingen in het moment van aanvang en de duur van de activiteit worden zo spoedig mogelijk gemeld.

  • 5 De minister kan degene die een melding doet bij beschikking verzoeken nadere informatie te verstrekken over de te verrichten activiteit alvorens de vrijstelling geldt.

  • 6 Indien de gemelde startdatum van de activiteit wordt overschreden met meer dan vier weken, wordt de melding als niet gedaan beschouwd.

  • 8 De basisbeheerkaart, dwarsprofieltekening en werkplan, bedoeld in onderscheidenlijk de onderdelen e, f en g van het derde lid, zijn niet vereist bij de melding van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, onderdelen i tot en met l.

Artikel 6. Maatwerkvoorschriften

  • 1 Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld om de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan te borgen.

  • 2 Maatwerkvoorschriften kunnen op verzoek worden gesteld met het oog op de belangen van degene die de activiteit verricht, voor zover het belang, bedoeld in het eerste lid, zich daartegen niet verzet. Op dit verzoek wordt beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, dat als onderdeel van de melding, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of overeenkomstig de procedure van die melding wordt gedaan.

  • 3 De maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de artikelen in deze regeling.

  • 4 De maatwerkvoorschriften kunnen in ieder geval gesteld worden ten aanzien van:

    • a. de locatie;

    • b. de diepte van het werk;

    • c. de hoogte van het werk;

    • d. de opslag van bouwstoffen en materieel;

    • e. de periode van uitvoering;

    • f. de te nemen veiligheidsmaatregelen;

    • g. het te gebruiken materieel.

  • 5 Bij maatwerkvoorschrift kan de tijdsduur waarin na het doen van de melding, bedoeld in artikel 5, eerste lid, geen aanvang mag worden gemaakt met de activiteit, worden ingekort of verlengd.

  • 6 Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald dat kabels en leidingen verlegd of verwijderd moeten worden.

Paragraaf 2. Kabels en leidingen

Artikel 7. Regels werkwijze kabels en leidingen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen a tot en met c, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a. kabels of leidingen worden in een sleuf of in een goot gelegd;

  • b. kabels of leidingen worden op een diepte van ten minste 0,60 meter gelegd;

  • c. kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd;

  • d. de uitkomende grond wordt in de oorspronkelijke volgorde weer in de sleuf gelegd;

  • e. graszoden worden boven de te graven sleuf gestoken en opzij gezet;

  • f. de sleuf wordt onmiddellijk na de werkzaamheden op deugdelijke wijze verdicht;

  • g. de aangevulde sleuven worden over de volle lengte en over de volle breedte, gedurende een jaar na het gereedkomen van de werkzaamheden op kosten van degene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, onderhouden;

  • h. de diepte van de kruising met het spoor en de ligging ten opzichte van het spoor van de kabels worden ingemeten en weergegeven op een revisietekening die binnen vier weken na afronding van de activiteit, of wanneer deze activiteit onderdeel is van meerdere activiteiten, na afronding van de laatste activiteit, wordt ingediend bij de beheerder;

  • i. kabels en leidingen worden ten opzichte van reeds aanwezige, parallel aan het spoor liggende kabels, leidingen of beschermbuizen op een afstand van ten minste 0,20 meter gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabels, leidingen of beschermbuizen;

  • j. in het geval kabels en leidingen worden gekruist:

    • worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;

    • worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;

    • worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.

Artikel 8. Regels materieel kabels en leidingen

  • 1 Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen a tot en met c, verricht, maakt gebruik van materieel dat voldoet aan de volgende regels:

    • a. de kabels zijn bestemd voor het laagspanningsnet, van de elektriciteitsvoorziening;

    • b. de leidingen zijn niet bestemd voor gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

    • c. de gasleidingen hebben een diameter van maximaal 15 millimeter;

    • d. de waterleidingen hebben een diameter van maximaal 22 millimeter;

    • e. de hemelwaterafvoeren en drukloze rioleringsbuizen hebben een diameter van maximaal 160 millimeter;

    • f. de overige kabels en leidingen hebben een diameter van maximaal 110 millimeter;

    • g. de leidingen hebben een druk van maximaal 10 bar;

    • h. de leidingen zijn gemaakt van PE 100 SDR11;

    • i. de kabels en leidingen voldoen aan de vigerende NEN-normen of gelijkwaardige alternatieven.

  • 2 Onverminderd het eerste lid wordt bij het vanuit de beschermingszone leggen, verleggen, aanpassen of verwijderen van kabels gebruik gemaakt van kabels tot 3 kiloVolt.

Paragraaf 3. Graaf- en hijswerkzaamheden

Artikel 9. Regels graaf- en hijswerkzaamheden

  • 1 Degene die hijswerkzaamheden als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, in de beschermingszone van een spoorweg in een tunnel verricht, voert deze werkzaamheden ten hoogste uit tot een hoogte die gelijk is aan de kortste afstand tot de buitenwand van die tunnel.

  • 2 Degene die graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, in de beschermingszone van een spoorweg in een tunnel verricht, voert deze werkzaamheden ten hoogste uit tot een diepte die gelijk is aan de helft van de kortste afstand tot de buitenwand van die tunnel.

Paragraaf 4. Bouwwerken en gebouwen

Artikel 10. Toepassingsbereik

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing op het binnen de beschermingszone oprichten, plaatsen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van bouwwerken en gebouwen, indien dat bij besluit van de minister is bepaald op een deel van de bij dat besluit aan te wijzen deel van de hoofdspoorweginfrastructuur.

Artikel 11. Regels bouwwerken en gebouwen

Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a. er worden geen graaf- of heiwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter verricht;

  • b. er worden geen grondwateronttrekkingen uitgevoerd;

  • c. de maaiveldbelasting is ten hoogste 500 kilogram per vierkante meter.

Paragraaf 5. Activiteiten in stations en op perrons

Artikel 12. Regels stations en perrons

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen i tot en met l, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a. er worden geen heiwerkzaamheden, bronbemalingen of graafwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter verricht, gemeten vanaf het oppervlak;

  • b. er wordt ten minste een afstand van 5 meter gehouden vanaf de spanningvoerende delen en in het bijzonder van de bovenleiding, gemeten vanaf de buitenkant van het spanningvoerende deel;

  • c. er wordt voldoende afstand gehouden van de perronrand;

  • d. gebruik van kabelgoten of van de elektrische voeding van de beheerder wordt vooraf overeengekomen met de beheerder.

Paragraaf 6. Overwegen

Artikel 13. Zichtlijnen bij overwegen

  • 1 Het is verboden bij een actief beveiligde overweg objecten hoger dan één meter te plaatsen of in stand te houden in het in bijlage 6 weergegeven gebied.

  • 2 Het is verboden bij een niet actief beveiligde overweg objecten hoger dan één meter te plaatsen of in stand te houden in het in bijlage 7 weergegeven gebied.

  • 3 De minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste of tweede lid vervatte verbod.

  • 4 Overtreding van dit artikel is een beboetbaar feit.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14. Overgangsrecht

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt niet voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 19 van de wet:

  • a. voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is verleend;

  • b. voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is aangevraagd en na inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is verleend.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

S.A.M. Dijksma

Bijlage 1. Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau

Spoorweg op maaiveldniveau

Bijlage 257419.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage 2. Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg in een ingraving

Spoorweg in een ingraving

Bijlage 257420.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage 3. Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op een ophoging

Spoorweg op een ophoging

Bijlage 257421.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage 4. Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg in een tunnel

Spoorweg in een tunnel

Bijlage 257422.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage 5. Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op een brug of viaduct

Spoorweg op een brug of viaduct

Bijlage 257423.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage 6

Zichtlijnen bij een actief beveiligde overweg

Bijlage 257424.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 10 meter over het spoor en 30 meter over de weg loopt.

Bijlage 7

Zichtlijnen bij een niet actief beveiligde overweg

Bijlage 257425.png

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 500 meter over het spoor en 11 meter over de weg loopt.