Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit taakuitoefening IJZ

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2016, kenmerk 949358-148796-WJZ, houdende regels voor de taakuitoefening van de Inspectie Jeugdzorg (Besluit taakuitoefening IJZ)

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en voor zover van toepassing de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of de plaatsvervangend secretaris-generaal;

  • c. inspectie: Inspectie Jeugdzorg;

  • d. hoofdinspecteur: de hoofdinspecteur van de inspectie;

  • e. jaarwerkprogramma: het plan waarin de activiteiten van de inspectie voor de periode van een jaar zijn vastgesteld;

  • f. jaarbeeld: jaarlijkse rapportage over de uitvoering van het jaarwerkprogramma en de overige werkzaamheden van de inspectie, de bedrijfsvoering en financiële verantwoording en de bevindingen op basis van de uitgevoerde werkzaamheden.

Artikel 2

De hoofdinspecteur draagt zorg voor een systematische, consistente en toegankelijke werkwijze van de inspectie en waarborgt een verantwoorde taakuitoefening door de inspectie.

Artikel 3

  • 1 Een aanwijzing die betrekking heeft op de inspectie, wordt schriftelijk gegeven door de minister aan de hoofdinspecteur.

  • 2 De minister geeft aan de inspectie geen aanwijzingen:

    • a. die inhouden dat een door de inspectie voorgenomen onderzoek achterwege dient te worden gelaten;

    • b. ten aanzien van de wijze waarop een onderzoek wordt verricht; en

    • c. ten aanzien van de bevindingen, oordelen of adviezen die de inspectie doet of vaststelt.

  • 3 Indien de minister een aanwijzing geeft doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

  • 4 De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan de inspectie wordt niet gemandateerd.

  • 5 Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op aanwijzingen die betrekking hebben op de bedrijfsmatige aspecten van de inspectie.

Artikel 4

  • 1 De inspectie richt haar werkzaamheden in op basis van een jaarwerkprogramma, dat wordt gepubliceerd voor aanvang van het betreffende kalenderjaar. In het jaarwerkprogramma wordt de inzet van personeel en middelen van de inspectie voor de diverse werkzaamheden op hoofdlijnen gekwantificeerd aangegeven.

  • 2 Na raadpleging van de relevante partijen maakt de secretaris-generaal zijn bevindingen en opvattingen ten aanzien van een nog op te stellen jaarwerkprogramma kenbaar aan de inspectie. De inspectie stelt vervolgens het jaarwerkprogramma op en betrekt hierin deze bevindingen en opvattingen.

  • 3 De hoofdinspecteur stelt het jaarwerkprogramma vast en biedt het via de secretaris-generaal aan de minister aan ter goedkeuring.

  • 4 Indien de minister het jaarwerkprogramma niet goedkeurt, wordt de hoofdinspecteur in de gelegenheid gesteld het opnieuw vast te stellen, met inachtneming van de opmerkingen van de minister.

Artikel 5

  • 1 De minister stelt de inspectie tijdig in staat een toets op toezicht- en handhaafbaarheid uit te voeren op ontwerp-regelgeving die de taakuitoefening van de inspectie raakt.

  • 2 De minister overlegt met de hoofdinspecteur voordat hij opdracht geeft tot het verrichten van niet in het jaarwerkprogramma opgenomen werkzaamheden.

Artikel 6

  • 1 De hoofdinspecteur stelt na afloop van elk jaar een jaarbeeld vast, waarin hij verslag doet van de uitvoering van het jaarwerkprogramma en de overige werkzaamheden van de inspectie, de bedrijfsvoering en financiële verantwoording en de bevindingen op basis van de uitgevoerde werkzaamheden.

  • 2 In het jaarbeeld wordt de gerealiseerde inzet van personeel en middelen voor de uitgevoerde werkzaamheden op hoofdlijnen gekwantificeerd aangegeven.

  • 3 Het jaarbeeld wordt gepubliceerd door de hoofdinspecteur. De minister verzendt het jaarbeeld aan de Staten-Generaal.

Artikel 7

  • 1 Een rapport naar aanleiding van een onderzoek door de inspectie wordt openbaar gemaakt door de inspectie.

  • 2 Voordat een rapport openbaar wordt gemaakt, stelt de hoofdinspecteur de minister en voor zover noodzakelijk de minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid om het rapport te doen vergezellen van een beleidsreactie. Deze beleidsreactie wordt tegelijk met het rapport openbaargemaakt, uiterlijk zes weken nadat het rapport aan de minister is aangeboden.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op de rapporten van de inspectie die betrekking hebben op een of meer specifieke instanties of personen en geen betrekking hebben op de stelselverantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 8

  • 1 De hoofdinspecteur informeert de minister en de secretaris-generaal onverwijld over aangelegenheden die van belang zijn voor de uitoefening van de ministeriële verantwoordelijkheid.

  • 2 De minister of de secretaris-generaal informeert de inspecteur-generaal onverwijld over aangelegenheden die van belang zijn voor de inspectie.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit taakuitoefening IJZ.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M.J. van Rijn