Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's[Regeling vervalt per 01-07-2021.]

Geldend van 24-06-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 juni 2016, nr. IENM/BSK-2016/94637, houdende vaststelling van regels voor subsidiering van haalbaarheids- en pilotprojecten voor waterveiligheid en waterzekerheid in stedelijke delta’s in het buitenland (Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • haalbaarheidsproject: project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij wordt onderzocht of en onder welke technische, financiële en juridische condities een voorgenomen pilotproject kan worden geïmplementeerd;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • pilotproject: project betreffende experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het demonstreren van een nieuw of verbeterd product of een nieuwe of verbeterde technologie, dienst of aanpak;

  • stedelijke delta’s en toeleverende systemen: sterk verstedelijkte gebieden met een omliggend gebied waarin zich allerlei waterrelevante processen afspelen, zoals voedsel-, energie en waterproductie, die van invloed zijn op dan wel een connectie hebben met de stad;

  • waterveiligheid en waterzekerheid: bescherming tegen water gerelateerde risico's, duurzame toegang tot voldoende water van acceptabele kwaliteit, bescherming tegen watervervuiling, behoud van ecosystemen, duurzame ontwikkeling van havens en vaarwegen niet zijnde activiteiten aan de wal.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van de inzet van vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde ten behoeve van waterveiligheid en waterzekerheid in stedelijke delta's en toeleverende systemen in het buitenland.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

  • 1 Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van haalbaarheids- of pilotprojecten die

    • a. het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen,

    • b. in een land uit de categorie A of B, als bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling worden uitgevoerd, en

    • c. betrekking hebben op één of meer van de volgende thema's:

      • drinkwater en sanitatie;

      • duurzame ontwikkeling van vaarwegen en havens niet zijnde activiteiten aan de wal;

      • klimaat;

      • veiligheid;

      • voedsel en ecosystemen;

      • water en energie;

  • 2 Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van pilotprojecten die het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen, die in een land uit de categorie A of B, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, worden uitgevoerd en die naast een in het eerste lid genoemde thema ook governance elementen omvat.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdelen

  • 1 Het subsidieplafond voor 2016 bedraagt € 3.000.000.

  • 2 Het subsidieplafond voor 2017 bedraagt € 4.000.000, waarvan € 2.000.000 beschikbaar is voor de eerste aanvraagperiode en € 2.000.000 voor de tweede aanvraagperiode.

  • 3 Het subsidieplafond voor zowel 2018 als 2019 bedraagt € 4.000.000, waarvan € 2.000.000 beschikbaar is voor de eerste aanvraagperiode en € 2.000.000 voor de tweede aanvraagperiode.

  • 4 De Minister stelt het subsidieplafond voor de daaropvolgende jaren vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

  • 5 De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op basis van rangschikking van de aanvragen.

  • 6 Indien het bedrag dat in een periode beschikbaar is voor aanvragen voor haalbaarheids- dan wel pilotprojecten niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het in die periode beschikbare bedrag voor aanvragen voor de andere projectsoort dat nog niet volledig is benut.

  • 7 In afwijking van het vijfde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70% kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de desbetreffende aanvrager over het al dan niet geven van een beschikking houdende een afwijking van het subsidiebedrag dat is gevraagd.

Artikel 5. Aanvraagperioden en reservering per projectsoort

  • 1 In 2017 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend van 3 juli 2017 12.00 uur tot en met 15 september 2017 12.00 uur.

  • 2 In 2018 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend van 8 januari 2018 tot 9 februari 2018 12:00 uur en van 2 juli 2018 tot 7 september 2018 12:00 uur.

  • 3 In 2019 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend met ingang van 7 januari 2019 tot en met uiterlijk 8 februari 2019 12:00 en van 1 juli 2019 tot en met uiterlijk 6 september 2019 12:00.

  • 4 In elke aanvraagperiode in 2017, 2018 en 2019 is telkens € 300.000 gereserveerd voor haalbaarheidsprojecten en € 1.700.000 voor pilotprojecten.

  • 5 De Minister kan voor jaren 2020 en 2021 per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld.

Artikel 6. Aanvragers en aanvraagformulier

  • 1 Een aanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een onderneming, onderzoeksorganisatie, of non-gouvernementele organisatie.

  • 2 Ingeval van een samenwerkingsverband van ondernemingen, onderzoeksorganisaties of non-gouvernementele organisaties, kan een aanvraag worden ingediend door een aanvrager, bedoeld in het eerste lid, die optreedt als penvoerder van het samenwerkingsverband. Een waterschap handelend als ondernemer kan niet als penvoerder van het samenwerkingsverband een aanvraag indienen.

  • 3 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 4 Een aanvraag kan alleen worden ingediend nadat de aanvrager een intakegesprek met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft gehad.

Artikel 7. Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven

  • 1 Als subsidiabele kosten voor een pilotproject worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 2 Als subsidiabele kosten voor een haalbaarheidsproject worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 3 Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:

    • a. berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.

Artikel 8. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 9. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

    • a. vaste opslag voor indirecte kosten van 50% van de loonkosten;

    • b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • c. aan derden betaalde kosten.

  • 3 Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 60,– per uur.

Artikel 10. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 60,– per uur.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

    • a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • b. aan derden betaalde kosten.

Artikel 11. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie voor een pilotproject bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 25, vijfde en zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 De subsidie voor een haalbaarheidsproject bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 25, vijfde en zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Ten aanzien van een onderzoeksorganisatie bedraagt de subsidie voor een pilotproject ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten en voor een haalbaarheidsproject ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.

Artikel 12. Rangschikking haalbaarheidsprojecten en pilotprojecten

  • 1 De subsidieverdeling vindt plaats aan de hand van een separate rangschikking van de aanvragen voor haalbaarheidsprojecten en de aanvragen voor pilotprojecten die voor subsidieverstrekking in aanmerking komen, te beginnen met het hoogst gerangschikte project.

  • 2 De Minister rangschikt de aanvragen voor haalbaarheidsprojecten die voor subsidieverstrekking in aanmerking komen op basis van de volgende rangschikkingscriteria:

    • a. de mate waarin de haalbaarheidsstudie past in een ketenbenadering en bijdraagt aan mogelijkheden tot opschaling van de onderzochte oplossing voor waterveiligheid of waterzekerheid;

    • b. de mate waarin het project duurzaamheidsaspecten waarborgt op institutioneel, technisch, milieutechnisch gebied en, indien van toepassing, op het gebied van krachtenbundeling van de deelnemers van het samenwerkingsverband;

    • c. de mate waarin het project vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit;

    • d. de kwaliteit van de aanvraag ten aanzien van het activiteitenplan inclusief begroting en de toelichting daarop.

  • 3 De Minister rangschikt de aanvragen voor pilotprojecten die voor subsidieverstrekking in aanmerking komen op basis van de volgende rangschikkingscriteria:

    • a. de mate waarin gedemonstreerde technologie of methodologie in het project na opschaling de potentie heeft om een grote of grotere groep lokale begunstigden te bereiken;

    • b. de rangschikkingscriteria genoemd in het tweede lid, onderdeel b, c en d.

  • 4 Aan de rangschikkingscriteria, genoemd in het tweede en derde lid, worden punten toegekend, waarop de wegingsfactoren worden toegepast als vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling, wat leidt tot een totaal aantal punten van maximaal 100.

  • 5 In aanvulling op het vierde lid worden aan aanvragen voor projecten die worden uitgevoerd in een land uit de categorie A, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, 4 extra punten toegekend, indien op basis van de beoordeling van de aanvraag minimaal 65% punten zijn toegekend.

  • 6 Indien twee of meer aanvragen voor projecten op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen en deze plaats samenvalt met het op grond van artikel 4, voor die projecten beschikbare deel van het subsidieplafond, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

Artikel 13. Afwijzingsgronden

Een subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en artikel 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:

  • a. het project wordt uitgevoerd in een land uit de categorie C, als bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling;

  • b. al een subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere regeling voor eenzelfde of vergelijkbaar project;

  • c. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. geen sprake is van een duidelijke gebruiker of begunstigde van het project in het land waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • e. de subsidiabele kosten voor een pilotproject in totaal minder dan € 25.000 of meer dan € 600.000 bedragen;

  • f. de subsidiabele kosten voor een haalbaarheidsproject in totaal minder dan € 25.000 of meer dan € 250.000 bedragen;

  • g. het project, op een of meer van de in artikel 12, genoemde criteria, minder dan 65% van de te behalen punten haalt;

  • h. het voorstel niet voldoet aan één of meer van de minimaal benodigde punten per wegingsfactor; of

  • i. de uitvoering van het project naar verwachting langer zal duren dan twee jaar voor een pilotproject en een jaar voor een haalbaarheidsproject.

Artikel 14. Verplichting

Een onderneming die penvoerder is van een samenwerkingsverband en op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat zij voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft.

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016 en vervalt met ingang van 1 juli 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage 1. behorend bij de artikelen 3, 12, vijfde lid en 13, onderdeel a, van de Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's

Categorie A

Categorie B

Categorie C

Argentinië

Bangladesh

Chili

Colombia

Egypte

Filipijnen

India

Indonesië

Mexico

Mozambique

Myanmar

Polen

Roemenië

Singapore

Turkije

Verenigde Staten

Vietnam

Zuid-Afrika

Alle landen die niet vallen in categorie A of C.

Afghanistan

Bosnië & Herzegovina

Burundi

Centraal Afrikaanse Republiek

Tsjaad

Comoren

Democratische Republiek Congo

Eritrea

Guinee-Bissau

Irak

Haïti

Ivoorkust

Kiribati

Kosovo

Libië

Liberia

Madagaskar

Micronesia

Oost-Timor

Sierra Leone

Solomon Eilanden

Somalië

Zuid Soedan

Sudan

Syrië

Togo

Tuvalu

Jemen

West Bank & Gaza

Zimbabwe

Bijlage 2. behorend bij artikel 12, vierde lid, van de Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's

Rangschikkingscriteria

Puntenaantal beoordeling

Wegingsfactor

Uitkomst (maximaal)

Opschaling:

     
A: Haalbaarheidsproject:

maximaal 5

6

 

de mate waarin de haalbaarheidsstudie past in een ketenbenadering en bijdraagt aan mogelijkheden tot opschaling

B: Pilotproject:

de mate waarin na opschaling de potentie bestaat een grote of grotere groep lokale begunstigden te bereiken

minimaal 2

 

30

 

Duurzaamheid:

     

A: Institutioneel

maximaal 5

minimaal 2

2

10

B: Technisch

maximaal 5

minimaal 2

2

10

C: Milieutechnisch

maximaal 5

minimaal 2

2

10

D: Krachtenbundeling

maximaal 5

minimaal 2

2

10

De mate waarin het project vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit

maximaal 5

minimaal 2

4

20

Kwaliteit van de aanvraag:

maximaal 5

minimaal 2

2

10

Totaal: (100)

(Minimum score)

   

100

(65)