Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Netcode elektriciteit

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202151, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Netcode elektriciteit)

De Autoriteit Consument en Markt,

Gelet op artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

1. Algemene bepalingen

1.1. Werkingssfeer en definities

1.1.1

Deze code bevat de voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop netbeheerders en afnemers zich gedragen ten aanzien van het in werking hebben van de netten, het voorzien van een aansluiting op het net en het uitvoeren van het transport van elektriciteit over het net.

1.1.2

In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan degene die om een aansluiting heeft verzocht.

1.1.3

In deze code wordt verstaan onder ‘de Wet’: de Elektriciteitswet 1998.

1.1.4

De in deze code gebruikte begrippen die ook in de Wet worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de Wet is toegekend.

1.1.5

Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de Begrippencode elektriciteit.

1.1.6

Indien de beheerder van een gesloten distributiesysteem gebruik maakt van het elektronisch berichtenverkeer wordt in paragraaf 2.1.3 en paragraaf 5.1 van de Netcode elektriciteit, onder netbeheerder tevens beheerder van een gesloten distributiesysteem verstaan, met uitzondering van artikel 2.1.3.2 Netcode elektriciteit.

2. Voorwaarden met betrekking tot de aansluiting

2.1. Voorwaarden voor alle aangeslotenen

2.1.1. De aansluiting

2.1.1.1

Op basis van tabel 1 bepaalt de netbeheerder, rekening houdend met het bepaalde in 2.2.1 alsmede met de aard en de omvang van de elektrische installatie, in welke vorm van de in 3.1.2 genoemde vormen de transportcapaciteit op de aansluiting ter beschikking wordt gesteld. Het is de netbeheerder toegestaan om voor zijn gebied afwijkende tabelwaarden voor de aansluitcapaciteit vast te stellen. Deze afwijkende waarden liggen ter inzage bij de netbeheerder en worden, ook bij wijzigingen ervan, schriftelijk gemeld bij de Autoriteit Consument en Markt.

Tabel 1

Aansluitcapaciteit

Nominale aansluitspanning

Opmerkingen

< 5,5 kVA

0,23 kV

 

> 5,5 kVA en t/m 60 kVA

0,4 kV

 

> 60 kVA en t/m 0,3 MVA af secundaire zijde LS- transformator

0,4 kV

 

> 0,3 MVA en t/m 3,0 MVA

> 1 kV en < 25kV

 

> 3,0 MVA en t/m 100 MVA

25 kV tot en met 50 kV

In gebieden waar geen spanning van 25 kV tot en met 50 kV voorhanden is wordt op het naast hogere of lagere spanningsniveau aangesloten. De netbeheerder dient daartoe de waarden voor de aansluitcapaciteit aan te passen

>100 MVA

> 50 kV

 

2.1.1.2

Slechts indien de aangeslotene zich schriftelijk bij de netbeheerder akkoord heeft verklaard, is het de netbeheerder toegestaan af te wijken van het spanningsniveau in de tabel (bij afwijkingen vanaf het 25 kV spanningsniveau is het mogelijk dat de aangeslotene daardoor voor het transporttarief in een andere klasse terechtkomt).

2.1.1.3

Bij aangeslotenen op laagspanningsnetten alsmede bij aangeslotenen op hoogspanningsnetten met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld vermogen kleiner dan 2 MW, dan wel een ander door de netbeheerder te bepalen vermogen, wordt ten behoeve van de netbeheerder eenmalig bij aansluiting een belastingkarakteristiek vastgesteld, die kenmerkend is voor de categorie waartoe de aangesloten installatie behoort en wordt voorts het gecontracteerde en beschikbaar gesteld vermogen voor de desbetreffende aansluiting vastgelegd.

2.1.1.4

Wanneer de aard van de in 2.1.1.3 bedoelde installatie zodanig wijzigt, dat zij tot een andere categorie gaat behoren, meldt de aangeslotene zulks aan de netbeheerder en stelt de netbeheerder een nieuwe belastingkarakteristiek vast.

2.1.1.5

Het verbinden van de elektrische installatie met de aansluiting en met het primaire gedeelte van de meetinrichting of de daartoe behorende stroomtransformatoren dan wel de energietransformator(en) door middel waarvan de elektrische installatie op een net van hoge spanning wordt aangesloten, geschiedt door of vanwege de netbeheerder.

2.1.1.6

Het verbinden van het primaire gedeelte van de meetinrichting met het secundaire gedeelte van de meetinrichting geschiedt door de netbeheerder of een derde die conform de Meetcode elektriciteit een erkenning heeft als meetverantwoordelijke.

2.1.2. De omgeving van de aansluiting

2.1.2.1

De aangeslotene heeft de plicht ervoor te zorgen dat de aansluiting goed bereikbaar blijft.

2.1.2.2

De toegang tot de ruimte waarin zich de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur bevinden, wordt niet op een naar het oordeel van de netbeheerder ontoelaatbare wijze belemmerd.

2.1.2.3

Verzegelingen die door of vanwege de netbeheerder zijn aangebracht op de meetinrichting of op delen van de aansluiting worden niet geschonden of verbroken tenzij de netbeheerder uitdrukkelijk toestemming geeft tot het verbreken van de verzegeling.

2.1.2.4

De aangeslotene is gehouden alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting te voorkomen.

2.1.2.5

De meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur worden niet opgesteld in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar en ruimten met brandgevaar.

2.1.2.6

Boven of in de onmiddellijke nabijheid van de meetinrichting komen geen water-, stoom- of soortgelijke leidingen voor, tenzij, ter beoordeling van de netbeheerder, passende voorzieningen zijn getroffen voor de bescherming van de meetinrichting.

2.1.3. De comptabele meting

2.1.3.1

Tenzij op grond van deze code anders is bepaald, heeft de aangeslotene de plicht te zorgen voor comptabele meting bij het overdrachtspunt van de aansluiting met inachtneming van de Meetcode elektriciteit.

2.1.3.2

De plaats van de comptabele meetinrichting wordt bepaald door de netbeheerder in overleg met de aangeslotene en, indien de aangeslotene een grootverbruiker is en hij zijn meetverantwoordelijkheid heeft overgedragen, met de door hem op grond van de Meetcode elektriciteit aangewezen meetverantwoordelijke.

2.1.3.3

De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in het aansluitcontract.

2.1.3.4

De comptabele meetinrichting registreert de grootheden in het overdrachtspunt van de aansluiting.

2.1.3.5

In afwijking van het bepaalde in 2.1.3.1, hoeft een aangeslotene met een aansluiting met doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A niet te zorgen voor comptabele meting indien:

  • a. het een zogenaamde “onbemande” installatie betreft waarvan het verbruik van tevoren voor onbepaalde tijd door de aangeslotene wordt ingesteld of geprogrammeerd en het verbruik mitsdien niet door externe omstandigheden zoals temperatuur, vochtigheid en waterstand, menselijke aanwezigheid, beïnvloed kan worden en;

  • b. de netbeheerder op basis van de in 2.1.3.6 bedoelde gegevens de in een jaar te transporteren hoeveelheid elektriciteit goed kan berekenen en de aangeslotene ermee instemt dat op basis van het aldus berekende verbruik de door hem verschuldigde transportkosten berekend worden.

2.1.3.6

Ingeval van een aansluiting als bedoeld in 2.1.3.5 is de aangeslotene verplicht ervoor te zorgen dat de netbeheerder altijd over de meest actuele informatie beschikt ten aanzien van:

  • a. het geïnstalleerde vermogen van de installatie;

  • b. de in- en uitschakeltijden van de installatie;

  • c. de tijden dat niet het volledige vermogen van de installatie wordt benut en de omvang van het dan ingeschakelde vermogen en

  • d. voor zover het een installatie voor openbare verlichting of een verkeersregelinstallatie betreft, de overige gegevens als bedoeld in bijlage 2 bij de Informatiecode elektriciteit en gas.

2.1.3.7

Indien de netbeheerder twijfelt aan de juistheid of de volledigheid van de hem conform 2.1.3.6 verstrekte gegevens of niet in staat blijkt te zijn de hoeveelheid te transporteren elektriciteit conform 2.1.3.5 sub b goed te berekenen, kan hij de aangeslotene opdragen tijdelijk te zorgen voor comptabele meting conform 2.1.3.1. Onverminderd hetgeen bepaald is in de aansluit- en transportovereenkomst is de netbeheerder gerechtigd tijdelijk een meetinrichting te plaatsen en metingen te (laten) verrichten indien de aangeslotene aan een verzoek als bedoeld in de eerste volzin geen gehoor geeft.

2.1.3.8

In afwijking van artikel 2.1.3.1 hoeft een aangeslotene met een aansluiting met een doorlaatwaarde groter dan 3x25A niet te zorgen voor comptabele meting, indien:

  • a. het een in artikel 2.1.3.5 sub a bedoelde installatie betreft en

  • b. de netbeheerder de in een jaar te transporteren hoeveelheid elektriciteit goed kan berekenen en de aangeslotene er mee instemt dat op basis van het aldus berekende verbruik de door hem verschuldigde transportkosten berekend worden en

  • c. voor deze installatie kan worden volstaan met een aansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A, gelet op het geïnstalleerde vermogen van de installatie en

  • d. de aangeslotene bij de netbeheerder een verzoek heeft ingediend tot verlaging van de doorlaatwaarde van de aansluiting tot een waarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A.

2.1.3.9

De artikelen 2.1.3.6 en 2.1.3.7 zijn van overeenkomstige toepassing op een installatie, bedoeld in artikel 2.1.3.8.

2.1.4. De beveiliging

2.1.4.1

De beveiliging van elektrische installaties en onderdelen daarvan is selectief ten opzichte van de beveiliging die de netbeheerder in de aansluiting van de elektrische installatie of in het voedende net toepast.

2.1.4.2

Bij de dimensionering van de elektrische installatie wordt rekening gehouden met de door de netbeheerder toe te passen beveiliging.

2.1.4.3

De netbeheerder informeert de aangeslotene en overlegt met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijzigingen van het net omtrent:

  • a. de beveiligingsfilosofie;

  • b. de minimum en maximum waarde van het kortsluitvermogen tijdens de normale bedrijfstoestand;

  • c. de wijze van sterpuntsbehandeling;

  • d. de isolatiecoördinatie;

  • e. de netconfiguratie;

  • f. de bedrijfsvoering.

Voor zover de bovengenoemde gegevens nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de aangeslotene worden deze in het aansluitcontract vastgelegd. Zowel de aangeslotene als de netbeheerder kunnen het vastgelegde maximale kortsluitvermogen slechts in overleg met elkaar aanpassen.

2.1.5. De elektrische installatie

2.1.5.1

De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot invoeding in het net van de netbeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor productie-eenheden zoals opgenomen in 2.4 of 2.5 wordt voldaan. De aangeslotene stelt de netbeheerder tijdig op de hoogte van zijn voornemen tot invoeding, opdat de netbeheerder eventueel noodzakelijke wijzigingen in het net kan doorvoeren.

2.1.5.2

Alle productie-eenheden van de aangeslotene, die niet direct op het net van de netbeheerder zijn aangesloten, maar die wel parallel met dat net draaien, voldoen aan de aanvullende voorwaarden voor productie-eenheden, genoemd in 2.4 of 2.5.

2.1.5.3

Onverminderd het in of krachtens deze code bepaalde voldoen alle bedrijfsmiddelen en toestellen in of aangesloten op de elektrische installaties aan de op deze bedrijfsmiddelen en toestellen van toepassing zijnde normen.

2.1.5.4

De elektrische installatie is bestand tegen het door de netbeheerder ter plaatse verwachte kortsluitvermogen.

2.1.5.5

Elektrische installaties en de daarop aangesloten toestellen veroorzaken via het net van de netbeheerder geen ontoelaatbare hinder. In afwijking van het in 2.1.5.7, 2.1.5.8, 2.2.4.16 en 2.2.4.17 bepaalde kan de netbeheerder de aangeslotene aanschrijven tot het treffen van zodanige voorzieningen dat de ontoelaatbare hinder ophoudt, dan wel voor een door hem te bepalen aantal uren de aangeslotene verbieden om door hem aan te wijzen toestellen en motoren te gebruiken.

2.1.5.6

Indien de aangeslotene geen nadere contractuele afspraken heeft gemaakt met de netbeheerder daaromtrent, varieert de arbeidsfactor in het overdrachtspunt tussen 0,85 (inductief) en 1,0, tenzij sprake is van kortstondige afwijkingen en van perioden met zeer lage belasting.

2.1.5.6a

In afwijking van het bepaalde in 2.1.5.6 mag de arbeidsfactor van een productie-eenheid die is aangesloten op een net met een spanningsniveau van meer dan 1 kV, maar minder dan 110 kV, eventueel in combinatie met de vermogenselektronische netkoppeling, in het overdrachtspunt liggen tussen 0,98 (capacitief) of 0,98 (inductief).

2.1.5.7

De in een elektrische installatie opgenomen machines, toestellen, materialen en onderdelen voldoen aan de voor de handel daarin of het gebruik daarvan vastgestelde wettelijke voorschriften.

2.1.5.8

De aangeslotene toont aan dat bij machines, toestellen, materialen en onderdelen in elektrische installaties of aangesloten op elektrische installaties waarvan de elektromagnetische comptabiliteit niet is vastgelegd in een wettelijke regeling, op het netaansluitpunt wordt voldaan aan de voorschriften ter zake van elektromagnetische compatibiliteit die door de netbeheerder zijn vastgesteld.

  • a. Voor apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA zijn de "Richtlijnen voor toelaatbare harmonische stromen geproduceerd door apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA" d.d. januari 1996 uitgegeven door EnergieNed van toepassing.

  • b. Voor de aansluiting van éénfasige tractievoedingen op hoogspanningsnetten is de “Richtlijn voor harmonische stromen en netspanningsasymmetrie bij éénfasige 25 kV-voedingen” d.d. maart 1999, uitgegeven door EnergieNed van toepassing.

2.2. Aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnetten aangeslotenen

2.2.1. De aansluiting

2.2.1.1

Voor de toepassing van de in 2.2.1.2 bedoelde voorschriften of bepalingen geldt dat de netbeheerder zal aangeven of het laagspanningsnet van de netbeheerder al dan niet is aangelegd volgens een systeem waarbij voldoende is verzekerd, dat de nul onder normale omstandigheden ongeveer aardpotentiaal houdt.

2.2.1.2

De netbeheerder bepaalt of het net, of een gedeelte ervan, in aanmerking komt als TN-stelsel te worden gebruikt ten behoeve van de aardingsvoorziening van elektrische installaties en welke aanvullende voorwaarden daartoe op de aansluiting van toepassing zijn.

2.2.1.3

Het gebruik van objecten van de netbeheerder als aardingsvoorziening voor elektrische installaties of gedeelten daarvan is niet toegestaan, tenzij anders met de netbeheerder is overeengekomen.

2.2.1.3a

In afwijking van 2.2.1.1 tot en met 2.2.1.3 wordt bij nieuwe aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x80A altijd een TN-systeem toegepast en biedt de netbeheerder de aangeslotene een aardingsvoorziening aan.

2.2.1.4

Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in 2.2.1.7, 2.2.1.8 en 2.2.1.9 op drie fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.

2.2.1.5

Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de netbeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.

2.2.1.6

Voor de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting op een aansluiting wordt het schijnbare vermogen per aansluitpunt gesteld op de werkelijke waarde of, indien deze niet bekend is, op een minimum van 50 VA per lichtpunt en 200 VA per contactdoos. Een meervoudige contactdoos wordt als één contactdoos aangemerkt. Bij de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting wordt rekening gehouden met de te verwachten gelijktijdigheidfactor.

2.2.1.7

Machines met een nominaal vermogen groter dan 2 kW, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn in de regel op drie fasen aangesloten.

2.2.1.8

Vermogenselektronische omzetters met een nominaal vermogen groter dan 5 kW, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn in de regel op drie fasen aangesloten.

2.2.1.9

Lastoestellen met een schijnbaar vermogen groter dan 2,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, worden tussen twee fasen aangesloten en zijn derhalve ingericht voor een nominale spanning van 400V.

2.2.2. De omgeving van de aansluiting

2.2.2.1

In percelen waar de elektrische installatie door middel van een in de grond gelegde kabel wordt aangesloten, worden voorzieningen getroffen voor het gemakkelijk en gasbelemmerend binnenleiden van deze kabel, waaronder in ieder geval een beschermbuis waarvan de netbeheerder het materiaal en de afmetingen bepaalt, tenzij de netbeheerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zulks niet noodzakelijk te achten. In het geval een leidinginvoerput wordt aangebracht, voldoet deze aan NEN 2768:1998 “Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen".

2.2.2.2

In woonhuizen met individuele meting wordt voor het onderbrengen van alle tot de aansluiting en meetinrichting behorende apparatuur een kast ter beschikking gesteld, die voldoet aan de eisen, gesteld in NEN 2768:1998 “Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen". In geval de meteropname van buitenaf kan geschieden of het overdrachtspunt van buitenaf bereikbaar is, kan de netbeheerder ten aanzien van deze kast nadere eisen stellen.

2.2.2.3

Bij andere aansluitingen dan bedoeld in 2.2.2.2 wijst de netbeheerder, na overleg met de aangeslotene de ter beschikking te stellen ruimten aan voor het onderbrengen van de tot de aansluiting en de meetinrichting behorende apparatuur. De netbeheerder stelt de eisen vast waaraan deze ruimten moeten voldoen.

2.2.2.4

De aangeslotene stelt voor de aansluiting van een tijdelijke installatie een stevige, deugdelijk afsluitbare kast of ruimte ter beschikking aan de netbeheerder, waarvan de netbeheerder de afmetingen en constructie bepaalt, voor het opstellen van de tot de aansluiting behorende apparatuur.

2.2.3. De beveiliging

2.2.3.1

Behoudens in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de netbeheerder, bedraagt het gezamenlijke nominale vermogen van motoren in een installatie die niet van afzonderlijke of gemeenschappelijke nulspanningsbeveiliging zijn voorzien niet meer dan 10 kW, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde. De netbeheerder kan in gevallen van gemeenschappelijke nulspanningsbeveiligingen verlangen dat inschakeling niet kan plaatsvinden dan nadat alle desbetreffende motoren zijn uitgeschakeld.

2.2.4. De elektrische installatie

2.2.4.1

[Vervallen]

2.2.4.2

[Vervallen]

2.2.4.3

[Vervallen]

2.2.4.4

[Vervallen]

2.2.4.5

[Vervallen]

2.2.4.6

[Vervallen]

2.2.4.7

[Vervallen]

2.2.4.8

Bij aanleg van nieuwe elektrische installaties, alsmede bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van bestaande elektrische installaties waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, geeft de aangeslotene de netbeheerder zo spoedig mogelijk schriftelijk, op de door de netbeheerder aangegeven wijze, op:

  • a. zijn naam, volledige adres en telefoonnummer;

  • b. het volledige adres en de bestemming van het perceel, waarin of waarop de werkzaamheden zullen worden verricht;

  • c. de naam, het volledige adres en het telefoonnummer van degene die de werkzaamheden verricht.

2.2.4.9

Indien naar het oordeel van de netbeheerder redelijke twijfel bestaat of een elektrische installatie voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van de technische voorwaarden, toont de aangeslotene aan dat zijn elektrische installatie aan deze bepalingen voldoet. Wanneer de aangeslotene in gebreke blijft is de netbeheerder bevoegd om de elektrische installatie zelf te onderzoeken of te laten onderzoeken. Indien een elektrische installatie naar het oordeel van de netbeheerder niet voldoet aan het bepaalde in deze code, herstelt de aangeslotene de gebreken, zo nodig onmiddellijk. De netbeheerder kan door de aangeslotene daarbij in acht te nemen aanwijzingen geven. De netbeheerder heeft echter geen verplichting om na te gaan of aan het in de regeling bepaalde is voldaan.

2.2.4.10

De netbeheerder mag een elektrische installatie of een uitbreiding van een elektrische installatie die niet voldoet aan de voorwaarden neergelegd in dit hoofdstuk als een tijdelijke installatie aanvaarden en de tijdsduur van de aansluiting daarvan bepalen. Behoudens bijzondere gevallen, bedraagt deze tijdsduur niet meer dan één jaar.

2.2.4.11

De netbeheerder kan met betrekking tot een tijdelijke installatie nadere eisen stellen.

2.2.4.12

Tussen de elektrische installatie achter een meetinrichting en de elektrische installatie achter een andere meetinrichting mag geen verbinding bestaan, tenzij de netbeheerder anders bepaalt.

2.2.4.13

De netbeheerder behoudt zich het recht voor een nieuwe elektrische installatie slechts aan te sluiten en bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een bestaande elektrische installatie de transportdienst slechts dan te handhaven indien de aanleg, uitbreiding, wijziging of vernieuwing voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen in de technische voorwaarden.

2.2.4.14

Ten minste drie volle werkdagen voor het gereedkomen van een nieuwe elektrische installatie respectievelijk van de uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een bestaande elektrische installatie waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, moet de aangeslotene hiervan de netbeheerder schriftelijk op de door de netbeheerder aangegeven wijze in kennis stellen.

2.2.4.15

Onverminderd het bepaalde in 2.2.4.14 worden uitbreidingen, wijzigingen of vernieuwingen van een elektrische installatie geacht gereed te zijn, indien deze geheel of gedeeltelijk is aangesloten.

2.2.4.16

De aangeslotene onderhoudt de elektrische installatie naar behoren.

2.2.4.17

De bijdrage aan de snelle spanningsveranderingen door de aangeslotene op het aansluitpunt wordt beperkt door een maximale bijdrage aan de Pst en de Plt door de eis: ∆Pst ≤ 1,0 en ∆Plt ≤ 0,8 (Zref = 283 mΩ conform IEC 61000-3-3)

2.2.5. Aanvullende voorwaarden voor door derden uit te voeren aansluitingswerkzaamheden

2.2.5.1

Het bepaalde in 2.3.4 is van overeenkomstige toepassing op laagspanningsaansluitingen indien deze deel uitmaken van aansluitingen zoals bedoeld in artikel 16c, lid 2 van de Wet.

2.2.5.2

Indien de aansluitingswerkzaamheden met betrekking tot het verbreken van het laagspanningsnet, om een fysieke verbinding van de installatie van de aangeslotene met dat laagspanningsnet tot stand te brengen, ten behoeve van de handhaving van de ongestoorde levering van de transportdienst aan andere aangeslotenen, onder spanning dient plaats te vinden, toont het bedrijf dat de aansluitingswerkzaamheden verricht aan dat de personen die de bedoelde werkzaamheden uitvoeren in aanvulling op de in 2.3.4.4 bedoelde aanwijzing tevens beschikken over de voor het onder spanning werken vereiste aanvullende opleidingen en bevoegdheden en dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met voor onder spanning werken geëigende materialen en gereedschappen.

2.2.5.3

Met de in 2.2.5.2 bedoelde materialen en gereedschappen worden gelijkgesteld materialen en gereedschappen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2.3. Aanvullende voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangeslotenen

2.3.1. De omgeving van de aansluiting

2.3.1.1

Indien een elektrische installatie op een net van hoge spanning wordt aangesloten:

  • a. stelt de aangeslotene een locatie ter beschikking aan de netbeheerder ten behoeve van de plaatsing van een compact-station, of

  • b. stelt de aangeslotene een ruimte ter beschikking aan de netbeheerder ten behoeve van door de netbeheerder op te stellen apparatuur. Deze ruimte, waarvan de plaats na overleg met de aanvrager door de netbeheerder wordt vastgesteld, voldoet qua afmeting, constructie en inrichting aan de door de netbeheerder gestelde eisen. De ruimte is vanaf de openbare weg toegankelijk. De ruimte is afgesloten door een of meerdere deuren en een door een door de netbeheerder ter beschikking gesteld slot.

2.3.1.2

De ruimte waarin de meetinrichting is opgesteld, is voorzien van een doeltreffende verlichtingsinstallatie.

2.3.2. De beveiliging

2.3.2.1

De aangeslotene dient bij de netbeheerder in drievoud een staffelplan met betrekking tot de beveiligingsmiddelen in. De netbeheerder stelt na beoordeling en indien noodzakelijk na aanpassing één gewaarmerkt exemplaar aan de aangeslotene of diens installateur ter beschikking.

2.3.3. De elektrische installatie

2.3.3.1

[Vervallen]

2.3.3.2

De hoogspanningsinstallatie is bestand tegen het ter plaatse optredende kortsluitvermogen.

2.3.4. Aanvullende voorwaarden voor door derden uit te voeren aansluitingswerkzaamheden

2.3.4.1

Indien aansluitingswerkzaamheden ten behoeve van een aansluiting zoals bedoeld in artikel 16c van de Wet in opdracht van de aangeslotene worden uitgevoerd door een ander dan de netbeheerder, dient voorafgaand aan de uitvoering van deze aansluitingswerkzaamheden een overeenkomst te zijn gesloten tussen de aangeslotene en de netbeheerder waarin vastgelegd wordt welke aansluitingswerkzaamheden de aangeslotene openbaar zal aanbesteden (aanleg, onderhoud, wijziging en/of verwijdering van de aansluiting). In deze overeenkomst wordt voor de openbaar aan te besteden aansluitingswerkzaamheden in elk geval datgene geregeld dat noodzakelijk is voor de waarborging van de veiligheid en betrouwbaarheid van het net.

2.3.4.2

Het bedrijf dat de in 2.3.4.1 bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert, werkt overeenkomstig het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 3.4 en 3.5 en de daarbij behorende beleidsregels en de daarin aangewezen normen:

  • a. NEN-EN 50110-1: 1998 “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Algemene bepalingen” en

  • b. NEN 3140:1998 “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Aanvullende Nederlandse bepalingen voor laagspanningsinstallaties” of

  • c. NEN 3840:1998 “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Aanvullende Nederlandse bepalingen voor hoogspanningsinstallaties”.

2.3.4.3

Het bedrijf dat de in 2.3.4.1 bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert draagt er zorg voor dat zijn personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de desbetreffende aansluitingswerkzaamheden beschikt over de op grond van de in 2.3.4.2 genoemde normen benodigde aanwijzingen, rekening houdend met het volgende:

  • a. de in 3.2.1 tot en met 3.2.4 van de NEN-EN 50110-1:1998 en de in 3.2.101 van de NEN 3140:1998 en de in 3.2.201 en 3.2.202 van de NEN 3840:1998 genoemde personen moeten door of namens de hoogst verantwoordelijke in de organisatie van de netbeheerder voor de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet schriftelijk worden aangewezen;

  • b. het bedrijf dat de aansluitingswerkzaamheden uitvoert en de desbetreffende netbeheerder maken schriftelijk vast te leggen sluitende afspraken over de aanwijzing van de genoemde personen en hun onderlinge gezagsrelatie;

  • c. eerst na de schriftelijke aanwijzing, zoals bedoeld bij sub a èn de schriftelijk vastgelegde afspraak, bedoeld bij sub b, worden de in 2.3.4.1 bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitgevoerd.

2.3.4.4

Het bedrijf dat de in 2.3.4.1 bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert, toont aan dat het beschikt over aantoonbare ervaring met het uitvoeren van desbetreffende aansluitingswerkzaamheden aan de desbetreffende installaties en met de daarin toegepaste materialen en bedrijfsmiddelen en op het desbetreffende spanningsniveau. Indien het bedrijf dat de in 2.3.4.1 bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert niet over de bedoelde ervaring beschikt, maar wel aan de overige voorwaarden uit 2.3.4.2 en 2.3.4.3 en eventueel 2.2.5.2 wordt voldaan, vinden de werkzaamheden plaats onder toezicht van de netbeheerder op kosten van het bedoelde bedrijf.

2.3.4.5

Het in 2.3.4.2 sub c bedoelde in bedrijf nemen van de (gewijzigde) aansluiting geschiedt pas na een door de aannemer afgegeven schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de acceptatietest succesvol is doorlopen en pas nadat afspraken omtrent het tijdstip van ingebruikname en omtrent de beveiligingsinstellingen zijn gemaakt en vastgelegd in de in 2.3.4.1 bedoelde overeenkomst. Indien dat voor de acceptatietest noodzakelijk is, wordt er een proefspanning aangelegd volgens specificatie van de netbeheerder.

2.3.4.6

Met de in deze paragraaf bedoelde materialen en/of producten worden gelijkgesteld materialen en/of producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2.4. Aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnetten aangesloten productie-eenheden

2.4.1. De aansluiting

2.4.1.1

Het parallel schakelen dient automatisch te verlopen.

2.4.1.2

In afwijking van het bepaalde in 2.1.5.6 mag de arbeidsfactor van de productie-eenheid, eventueel in combinatie met de vermogenselektronische netkoppeling, liggen tussen 0,9 capacitief en 0,9 inductief.

2.4.1.3

De generatorinstallatie met een aansluitwaarde groter dan 3x16 A is in ieder geval voorzien van:

a.

een meetinrichting voor de afgegeven stroom;

b.

een signalering of de generator al dan niet parallel is geschakeld met het openbare net.

2.4.1.4

In afwijking van 2.1.5.1 is het niet nodig de netbeheerder vooraf tijdig op de hoogte te brengen van het voornemen tot invoeding, indien sprake is van een productie-eenheid met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x16 A die rechtstreeks of als onderdeel van een elektrische installatie wordt aangesloten op een laagspanningsnet. In dat geval informeert de aangeslotene de netbeheerder binnen een maand na de inbedrijfname van de productie-eenheid.

2.4.1.5

De in 2.4.1.4 bedoelde afwijking is niet van toepassing indien sprake is van het op projectmatige basis gepland installeren van meerdere productie-eenheden met een aansluitwaarde van ten hoogste 3x16 A binnen een deelnet.

2.4.2. De beveiliging

2.4.2.1

De beveiligingen zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het net van de netbeheerder. De netbeheerder kan verlangen dat hiervan een berekening wordt gemaakt.

2.4.2.2

De beveiliging van de generator en een vermogenselektronische omzetter met een aansluitwaarde groter dan 3x16 A is in ieder geval op drie fasen voorzien van:

  • a. een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 80% van de nominale spanning én van 0,2 seconden bij 70% van de nominale spanning;

  • b. een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 110% van de nominale spanning;

  • c. een maximum-stroomtijdbeveiliging; bij een vermogenselektronische omzetter een overbelastingsbeveiliging;

  • d. een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 48 en 51 Hz; deze beveiliging mag éénfasig zijn;

  • e. een inschakelvertraging na uitschakeling: 2 minuten.

2.4.2.3

De beveiliging van een productie-eenheid met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x16 A is in ieder geval voorzien van:

  • a. een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 80% van de nominale spanning;

  • b. een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 110% van de nominale spanning;

  • c. een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 48 en 51 Hz.

2.4.2.4

De installatie met een synchrone generator is voorzien van een inrichting die binnen 0,2 seconden een scheiding met het openbare net bewerkstelligt in geval de netspanning daalt in één of meer fasen tot 70% van de nominale waarde, tenzij uit een berekening van de kritische kortsluittijd een snellere uitschakeling noodzakelijk blijkt.

2.4.3. Sterpuntsbehandeling

2.4.3.1

Het sterpunt van een generator die zowel in eilandbedrijf als in parallelbedrijf kan functioneren, is deugdelijk geaard.

2.4.3.2

Maatregelen worden in ieder geval genomen in geval door harmonischen in de installatie de grootte van de nulleiderstroom in dezelfde orde als die van de fasestroom zal komen.

2.4.4. Installaties met roterende machines, direct aangesloten op het net

2.4.4.1

Bij generatorinstallaties die slechts enkele malen per dag starten, respectievelijk parallel schakelen, dient de aanloopstroom zodanig te worden beperkt dat de spanningsdaling in het openbare net – ter plaatse van de meest nabij gesitueerde aangeslotene – ten hoogste 5% bedraagt.

2.4.4.2

De generator moet een stabiel gedrag vertonen. Als een plotselinge verandering van het mechanische aandrijfkoppel optreedt, mogen geen ontoelaatbare elektrische slingeringen plaatsvinden.

2.4.4.3

De aandrijvende machine moet een rustig gedrag vertonen.

2.4.4.4

In ieder geval wanneer meer productie-eenheden op een beperkt gedeelte van het net parallel draaien, gaat de netbeheerder op basis van berekeningen na of en zo ja welke maatregelen nodig zijn teneinde de bijdrage van een draaistroommachine aan het kortsluitvermogen op het net waarop zij is aangesloten tot een minimum te beperken.

2.4.4.5

Wanneer compensatiecondensatoren worden toegepast, wordt de omvang daarvan, en het aantal stappen waarin deze worden geschakeld, in overleg met de beheerder van de productie-eenheid door de netbeheerder bepaald.

2.4.4.6

De installatie dient te zijn voorzien van een inrichting die na het wegvallen van de netspanning de installatie uitschakelt; het inschakelcommando moet met ten minste enkele minuten na terugkeer van deze spanning vertraagd worden. Installaties met een aansluitwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x16 A mogen direct weer worden ingeschakeld.

2.4.4.7

Generatoren voldoen ten aanzien van de productie van harmonische stromen aan de in NEN-EN 60034-1:2004: “Roterende elektrische machines – Deel 1: Kengegevens en eigenschappen” gestelde grenzen.

2.4.5. Installaties met vermogenselektronische netkoppelingen

2.4.5.1

Wanneer compensatiecondensatoren worden toegepast, wordt de omvang daarvan, en het aantal stappen waarin deze worden geschakeld, in overleg met de beheerder van de productie-eenheid door de netbeheerder bepaald.

2.4.5.2

Bij een piekvermogen kleiner dan 11 kVA mag, indien de netspanning buiten de gestelde grenzen genoemd in 2.4.2 komt en de omzetter zich van het elektriciteitsnet heeft vrijgeschakeld, de omzetter direct na het terugkeren van de spanning weer parallel schakelen.

2.4.5.3

Bij een piekvermogen groter dan 11 kVA mag parallelschakeling eerst enkele minuten nadat de netspanning weer aanwezig is, plaatsvinden.

2.5. Aanvullende voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangesloten productie-eenheden

2.5.1. Algemeen

2.5.1.1

Laagspanningsproductie-eenheden die via een machinetransformator verbonden zijn met het hoogspanningsnet worden gerekend te zijn aangesloten op dat hoogspanningsnet.

2.5.1.2

Bij opstelling van verscheidene productie-eenheden op één locatie gelden de in deze paragraaf genoemde voorwaarden voor elke productie-eenheid afzonderlijk.

2.5.1.3

De regeling geldt voor het gedrag van de productie-eenheid in zijn totaliteit en de eigen bedrijfsinstallatie van de productie-eenheid mag daar dan ook geen beperking aan opleggen. De aan de productie-eenheid gestelde eisen worden in acht genomen bij het ontwerp van de onderdelen van de productie-eenheid, zoals:

  • a. de ketel

  • b. de aandrijfmachine

  • c. de generator

  • d. de elektrotechnische voorzieningen

  • e. de meet- en regeltechnische voorzieningen

  • f. de beveiligingsvoorzieningen

  • g. de automatiseringsvoorzieningen.

2.5.1.4

Van de plicht tot het aanbieden van reservevermogen en blindvermogen zijn uitgezonderd productie-eenheden die uitsluitend afhankelijk zijn van één of meer niet-regelbare energiebronnen.

2.5.2. Bedrijfsmetingen

2.5.2.1

De productie-eenheden zijn voorzien van een bedrijfsmeting.

2.5.2.2

De vereiste nauwkeurigheid van alle metingen is klasse 2, tenzij anders met de netbeheerder is overeengekomen.

2.5.3. De beveiliging

2.5.3.1

De beveiligingen zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het net van de netbeheerder. De producenten dragen zorg en zijn verantwoordelijk voor adequate beveiligingen van de productie-eenheden tegen zowel storingen die ontstaan in het net als extreme afwijkingen van spanning en frequentie.

2.5.3.2

De netbeheerder stelt standmeldingen en spanning- en stroommetingen ter beschikking die voor een adequate beveiliging van de productie-installatie bij storingen vanuit het net noodzakelijk zijn

2.5.3.3

De netbeheerder stelt standmeldingen ter beschikking zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of een productie-eenheid met het net is verbonden.

2.5.4. De spanningsregeling

2.5.4.1

Alle productie-eenheden met synchrone generator(en) of vermogenselektronische netkoppelingen zijn voorzien van en worden bedreven met een primaire spanningsregeling waarvan de spanningsstatiek instelbaar is tussen 0% en 10%. De netbeheerder kan op basis van de locale situatie voor productie-eenheden een cos (phi)-regeling eisen of toestaan.

2.5.4.2

Productie-eenheden aangesloten op netten met een spanningsniveau van 50 kV en hoger kunnen bedrijf voeren met een arbeidsfactor tussen 1,0 en 0,8 (inductief) gemeten op de generatorklemmen.

2.5.4.3

Alle productie-eenheden aangesloten op netten met een spanningsniveau lager dan 50 kV kunnen bedrijf voeren met een arbeidsfactor tussen 1,0 en 0,85 (inductief) gemeten op de generatorklemmen.

2.5.4.4

Over de grenswaarden van de arbeidsfactor zoals genoemd in 2.5.4.2 en 2.5.4.3 vindt tijdig overleg plaats met de netbeheerder, zodat in overleg besloten kan worden tot afwijkende waarden, zodat ook capacitief draaien mogelijk is.

2.5.4.5

De beschikbare capaciteit aan blindvermogen op het aansluitpunt zowel voor het opnemen uit als het leveren aan het net wordt eenmalig vastgesteld.

2.5.4.6

De productie-eenheden zoals bedoeld in 2.5.4.2 en 2.5.4.3 dienen bij verlaagde netspanning de maximaal beschikbare hoeveelheid blindvermogen te kunnen leveren, gedurende de volgende tijdsperioden:

 

spanningsdaling

tijdsperiode

netten ≥ 110 kV

Un ≥ U ≥ 0,9 Un

0,9 Un > U ≥ 0,85 Un

0,85 Un > U ≥ 0,7 Un

onbeperkt

15 minuten

10 seconden

netten < 110 kV

Un ≥ U ≥ 0,95 Un

0,95 Un > U ≥ 0,85 Un

0,85 Un > U ≥ 0,8 Un

onbeperkt

15 minuten

10 seconden

2.5.5. Sterpuntsbehandeling

2.5.5.1

De behandeling van het sterpunt van de productie-eenheid wordt bepaald door de netbeheerder in overleg met de beheerder van de productie-eenheid.

2.5.6. Kortsluitvermogen

2.5.6.1

In overleg met de netbeheerder wordt door berekeningen nagegaan of en zo ja door welke maatregelen, de bijdrage aan het kortsluitvermogen door de productie-eenheid redelijkerwijs kan worden beperkt.

2.5.7. De uitvoering van de installatie

2.5.7.1

De aandrijvende machine vertoont een rustig gedrag.

2.5.7.2

Indien de productie-eenheid niet direct is aangesloten op het net van de netbeheerder, is de bij het ontwerp aan de generator of de machinetransformator toe te kennen spanning afgestemd op de te verwachten gemiddelde bedrijfsspanning op het aansluitpunt en het gemiddelde spanningsverlies tussen de generator en het aansluitpunt. De spanningsafwijking ter plaatse van de generator is een afgeleide van de spanningsafwijking op het aansluitpunt.

2.5.7.3

Indien door de netbeheerder wordt verwacht dat de gemiddelde bedrijfsspanning in de toekomst beduidend zal wijzigen wordt hiermede bij het ontwerp van de installatie rekening gehouden.

2.5.7.4

Ten behoeve van – eventueel toekomstige – stabiliteitsberekeningen worden de volgende gegevens van generatoren bij levering overgelegd:

  • a. het toegekende schijnbaar vermogen,

  • b. de toegekende spanning,

  • c. de toegekende arbeidsfactor.

2.5.7.5

Bij productie-eenheden met een vermogen groter dan 2 MW wordt daarenboven de volgende informatie ter beschikking gesteld:

  • a. de synchrone (langs- en dwars-) impedantie (alleen bij synchrone generatoren),

  • b. de transiënte impedantie(s) en bijbehorende tijdconstante(n),

  • c. de subtransiënte impedantie(s) en bijbehorende tijdconstante(n),

  • d. de statorstrooi-impedantie(s),

  • e. regelbereik en tijdconstanten van het bekrachtigingscircuit (alleen bij synchrone generatoren),

  • f. het traagheidsmoment (inclusief dat van de aandrijvende machine),

  • g. de overdrachtsfunctie en de instelparameters van de spanningsregeling,

  • h. de overdrachtsfunctie en de instelparameters van de turbineregeling.

2.6. Voorwaarden voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee

2.6.1

De Netcode elektriciteit is van toepassing voor een aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee met uitzondering van de volgende onderdelen:

2.6.2

In aanvulling op artikel 2.6.1 en met in achtneming van de artikelen 2.6.4 tot en met 2.6.11 zijn voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee de navolgende onderdelen van de Verordening (EU) 2016/631 van toepassing, waarbij de offshore-power park module als aangeslotene wordt beschouwd:

  • a. artikel 2, onderdeel 18: de begripsomschrijving van offshore-power park module;

  • b. hoofdstuk 4 van Titel II: Eisen voor offshore-power park modules;

  • c. hoofdstuk 4 van Titel IV: Conformiteitstests voor offshore-power park modules;

  • d. hoofdstuk 7 van Titel IV: Conformiteitssimulaties voor offshore-power park modules.

2.6.3

In geval van enige strijdigheid tussen de Netcode elektriciteit en de in artikel 2.6.2 genoemde onderdelen van de Verordening (EU) 2016/631, gelden de laatstgenoemde onderdelen.

2.6.4

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt tabel 2 bij artikel 13 van de Verordening (EU) 2016/631 vervangen door onderstaande tabel:

synchrone zone frequentieband bedrijfsperiode

Continentaal Europa

47,5 Hz – 48,5 Hz

30 minuten

48,5 Hz – 49,0 Hz

30 minuten

49,0 Hz – 51,0 Hz

onbeperkt

51,0 Hz – 51,5 Hz

30 minuten

2.6.5

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt tabel 10 bij artikel 25 van de Verordening (EU) 2016/631 vervangen door onderstaande tabel:

synchrone zone spanningsband bedrijfsperiode

Continentaal Europa

0,85 pu – 0,90 pu

60 minuten

0,9 pu – 1,118 pu

onbeperkt

1,118 pu – 1,15 pu

60 minuten

2.6.6

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/631 als volgt aangevuld:

  • a. Ingeval van een spanningsafwijking van meer dan 10% van de effectieve waarde op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module op het net op zee wordt additionele blindstroominjectie geactiveerd. De 10% afwijkingsspanning wordt de dode band genoemd. De spanningscontrole zorgt ervoor dat aanvoer van additionele blindstroom, afkomstig van de offshore-power park module, met minimaal 2% en maximaal 10% van de toegelaten stroom per percentage van de spanningsafwijking verzekerd is; zie figuur a.

    Bijlage 257937.png
    figuur a: Principe van spanningsondersteuning door snelle blindstroominjectie tijdens storingen. De rode lijn geeft de vereiste additionele blindstroom aan, uitgedrukt door de verhouding tussen de additionele blindstroom en de toegelaten stroom per eenheid, ten opzichte van het spanningsverlies, uitgedrukt door de verhouding tussen de feitelijke spanningswaarde en de waarde voor de storing per eenheid op het overdrachtspunt. In deze figuur is: UN: toelaatbare spanning IN: toelaatbare stroom U: spanning tijdens storing DIB: additionele blindstroom tijdens storing, DIB = IB – IB0IB: reactieve stroom tijdens storing IB0: reactieve stroom voor de storing U0: spanning voor de storing (U-U0)/UN: spanningsverlies/toename k: additionele blindvermogen-droop, rode lijn: k = (DIB/IN)/((U-U0)/UN), aanpassingsbereik 2 ≤ k ≤ 10, aanpassingsstap minder of gelijk dan 0,01 pu.

    De volledige vereiste blindstroom moet beschikbaar zijn na 40 ms na de storingsaanvang in het net, met een stijgtijd van minder dan 30 ms tussen 10 en 90% van het spanningsniveau in stationaire toestand.

  • b. Additionele blindstroominjectie wordt geleverd met een spanningslimiet van ten minste 120% van de nominale op het overdrachtspunt van de offshore-power park module.

  • c. Nadat de storing voorbij is moet weer worden gestreefd naar een stabiele werking.

2.6.7

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt figuur 8 bij artikel 21, derde lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/631 als volgt nader gespecificeerd:

Bijlage 257938.png
figuur c: voorgeschreven U-Q/Pmax-profiel van een offshore-power park module op het overdrachtspunt

Waarbij geldt dat:

  • a. De voorschriften van artikel 21 van de Verordening (EU) 2016/631 verwijzen uitsluitend naar de stabiele staat van het energiesysteem en niet naar transiënte stabiliteit.

  • b. De coördinaten van de hoekpunten van het rood gestippelde profiel in figuur c zijn:

    Blindvermogen Q/Pmax [pu]

    Spanning V [pu]

    -0,40

    1,10

    -0,40

    1,00

    -0,10

    0,90

    0,35

    0,90

    0,35

    1,00

    0,00

    1,10

  • c. Als een offshore-power park module meer blindvermogen kan opwekken dan de minimum eisen, wordt het vermogen niet opzettelijk beperkt.

  • d. De offshore-power park module is in staat om automatisch blindvermogen te leveren in de spanningsregelmodus, blindvermogen-regelmodus of de arbeidsfactorregelmodus.

  • e. De ingestelde punten en het verval (spannings-droop) moeten gedurende normaal bedrijf aangepast kunnen worden.

  • f. Ingestelde puntwaarden hebben betrekking op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module naar het net op zee.

  • g. De parameters voor de regelsnelheid van de blindvermogen-regelaar worden ten minste zes maanden voor het op spanning brengen in onderling overleg afgesproken tussen de netbeheerder van het net op zee en de aangeslotene, met inachtneming van de feitelijke netkarakteristieken.

  • h. De blindvermogen-regelmodus spanning moet leiden tot stabiel en gedempt gedrag van de spanning op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module. Als de blindvermogen-regelmodus spanning is, moet het mogelijk zijn het werkpunt van de helling binnen 15 minuten aan te passen, om de uitwisseling van het blindvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting aan te passen.

  • i. Als de blindvermogen-regelmodus blindvermogen is, moet de aanpassing van het instelpunt binnen de definitie van frequentie en juistheid van de onshore spanningsregelaar vallen (die het blindvermogen instelpunt op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module vaststelt).

2.6.8

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt figuur 9 bij artikel 21, derde lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/631 als volgt nader gespecificeerd:

Bijlage 257939.png
figuur d: het vereiste P-Q/Pmax-profiel van een offshore-power park module op het overdrachtspunt via werkzaam vermogen

Waarbij geldt dat:

  • a. De voorschriften van artikel 21 van de Verordening (EU) 2016/631 verwijzen uitsluitend naar de stabiele staat van het energiesysteem en niet naar transiënte stabiliteit.

  • b. De coördinaten van de hoekpunten van het rood-gestippelde profiel van figuur d zijn:

    Blindvermogen Q/Pmax [pu]

    Vermogen P [pu]

    -0,40

    1,00

    -0,40

    0,10

    -0,10

    0,10

    -0,10

    0,00

    0,10

    0,00

    0,10

    0,10

    0,35

    0,20

    0,35

    1,00

  • c. Als een offshore-power park module meer blindvermogen kan opwekken dan het gespecificeerde spanningsbereik, dan wordt het niet opzettelijk beperkt.

  • d. Beperking van de mogelijkheid om blindvermogen op te wekken gebaseerd op het aantal actieve opwekkingseenheden mag niet van invloed zijn op het gedrag van de blindvermogen-regelaar binnen deze beperkte mogelijkheden.

2.6.9

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee wordt figuur 3 bij artikel 14, derde lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 als volgt nader gespecificeerd:

Bijlage 257940.png
figuur e: De fault-ride through capability van de Power Park Module

Waarbij geldt dat de coördinaten van de hoekpunten van de curve van figuur e zijn:

Time t [s]

Spanning V [pu]

0,00

1,00

0,00

0,05

0,25

0,05

3,00

0,85

2.6.10

Voor de aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee kan, in afwijking van artikel 27 jo. artikel 15, vijfde lid, van de Verordening (EU) 2016/631, de netbeheerder van het net op zee met de aangeslotene overeenkomen dat een blackstart-mogelijkheid niet vereist is.

2.6.11

In aanvulling op de artikelen 2.1.5.5, 2.1.5.7 en 2.1.5.8 gelden voor een aansluiting van een offshore-power park module op het net op zee de volgende eisen ten aanzien van harmonische emissielimieten:

  • a. Het compatibiliteitsniveau voor de totale harmonische vervorming (THD) op een (66 kV) overdrachtspunt van een aansluiting van een offshore-power park module bedraagt:

    • i. THD < 5% gedurende 95% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week;

    • ii. THD < 6% gedurende 99,9% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week.

  • b. Het planningsniveau voor de totale harmonische vervorming (THD) op een (66 kV) overdrachtspunt van een aansluiting van een offshore-power park module bedraagt:

    • i. THD < 3%, gedurende 95% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week;

    • ii. THD < 3,6%, gedurende 99,9% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week.

  • c. Indien er meer dan één offshore-power park module is aangesloten op één 66 kV railsysteem, wordt het geplande emissieniveau evenredig verdeeld over de offshore-power park modules naar rato van het vermogen dat aan elke offshore-power park module is toegekend.

2.7. Aanvullende voorwaarden voor gesloten distributiesystemen

2.7.1

Gesloten distributiesystemen aangesloten op hoogspanningsnetten voldoen ten minste aan de voorwaarden in 2.8, voor zover van toepassing op het spanningsniveau waarop het gesloten distributiesysteem aangesloten is op het net van de netbeheerder. In deze artikelen dient dan in plaats van ‘de netbeheerders’ gelezen te worden ‘de beheerder van het gesloten distributiesysteem en de netbeheerder’.

2.7.2

[Vervallen]

2.7.3

[Vervallen]

2.7.4

[Vervallen]

2.7.5

Indien:

zijn de volgende onderdelen van voorwaarden bedoeld in artikel 31, eerste lid, en artikel 54 van de Wet, van overeenkomstige toepassing op de beheerder van het gesloten distributiesysteem:

2.7.6

Een aangeslotene op een gesloten distributiesysteem, die duurzame elektriciteit of WKK-elektriciteit produceert, kan bij de netbeheerder in de desbetreffende regio een verzoek indienen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet. In dat geval zijn de artikelen 2.1.3.1 tot en met 2.1.3.4 van deze code van overeenkomstige toepassing op de aansluiting van deze aangeslotene op het gesloten distributiesysteem en dient bij het in 2.1.3.2 van deze code bedoelde overleg tevens de beheerder van het gesloten distributiesysteem te worden betrokken. Desgevraagd stelt de netbeheerder een EAN-code ter beschikking ter identificatie van de desbetreffende productie-installaties. De in artikel 16, eerste lid, onderdeel i, van de Wet bedoelde uitlezing van de meetinrichting kan de desbetreffende aangeslotene door de netbeheerder of door een meetverantwoordelijke laten uitvoeren.

2.7.7

Op een recreatienetnet is 2.7.5 van overeenkomstige toepassing.

2.8. Aanvullende voorwaarden voor netbeheerders onderling

2.8.1. Algemeen

2.8.1.1

De paragrafen 2.1.4 en 2.1.5 zijn niet van toepassing op aangesloten netbeheerders.

2.8.1.2

De netbeheerders bepalen in onderling overleg welke documentatie aan elkaar ter beschikking wordt gesteld.

2.8.1.3

De netbeheerders bepalen in onderling overleg op welke wijze toegang tot elkanders terrein of installatie geregeld wordt.

2.8.2. Metingen ten behoeve van de blindvermogenshuishouding

2.8.2.1

Op het aansluitpunt tussen twee netten wordt blindvermogen gemeten, tenzij de betrokken netbeheerders na onderling overleg anders overeenkomen.

2.8.2.2

Indien de gekoppelde netten van verschillend spanningsniveau zijn, wordt gemeten aan de laagspanningszijde van de transformator.

2.8.3. Bedrijfsmetingen

2.8.3.1

Op het aansluitpunt van twee netten van verschillend spanningsniveau is het transformatorveld voorzien van een bedrijfsmeting.

2.8.3.2

De vereiste nauwkeurigheid van alle metingen is klasse 0,5 tenzij anders door de netbeheerders is overeengekomen. De nauwkeurigheid is betrokken op de primaire meetwaarde. De MW en Mvar metingen moeten uitgevoerd zijn met een vierleider meetsysteem met ongelijk belaste fase.

2.8.4. Beveiliging

2.8.4.1

Bij onderlinge aansluiting van netten stellen de netbeheerders na onderling overleg de toe te passen beveiligingsconcepten vast.

2.8.4.2

Het beveiligingsconcept van de transformator wordt bepaald door de beheerder van de transformator. De netbeheerders stellen elkaar de uitschakelcommando’s voor het uitschakelen van de vermogenschakelaars aan weerszijden van de transformator ter beschikking. De voor het overbrengen van deze commando’s benodigde verbindingen met toebehoren zijn eigendom van de eigenaar van de transformator.

2.8.4.3

Instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden worden in de aansluitovereenkomst vastgelegd.

2.8.4.4

De inschakelvoorwaarden worden vastgelegd in het aansluitcontract.

2.8.5. Sterpuntsbehandeling

2.8.5.1

De behandeling van het sterpunt en de eventuele regeling van de blusspoelinstelling wordt door de betrokken netbeheerders in onderling overleg bepaald.

2.8.6. Standmeldingen en vergrendeling

2.8.6.1

Ter voorkoming van schade ten gevolge van bedieningsfouten worden elektrische of mechanische vergrendelingen tussen scheiders en aarders en de vermogenschakelaars aangebracht.

2.8.6.2

De netbeheerders stellen elkaar op verzoek alle benodigde standmeldingen voor het realiseren van de vergrendelingen beschikbaar.

2.8.7. Net op zee

2.8.7.1

In afwijking van de begripsomschrijving van "overdrachtspunt" in de Begrippencode elektriciteit, bevindt het overdrachtspunt van de aansluiting van het net op zee op het landelijk hoogspanningsnet zich aan de railzijde van de railscheider(s) van het desbetreffende afgaande veld in het station van het landelijk hoogspanningsnet.

2.9. Het onderzoek in het kader van artikel 16, lid 1, sub h van de Wet

2.9.1

Indien een aangeslotene beschikt over meer dan één aansluiting en die aangeslotene een verzoek doet zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, sub h van de Wet, wordt, indien van toepassing, per aansluiting een verzoek ingediend.

2.9.2

Een aangeslotene die duurzame elektriciteit of WKK-elektriciteit produceert én gebruik wil maken van de faciliteiten, zoals beschreven in de Regeling garanties van oorsprong respectievelijk de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling, meldt zich conform deze regeling bij zijn regionale netbeheerder met een verzoek conform de bijlage bij deze regelingen en bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor het openen van een rekening zoals bedoeld in artikel 77 van de Wet respectievelijk zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling.

2.9.2a

De netbeheerder verstrekt desgevraagd aan een aangeslotene die elektriciteit produceert per productie-installatie een EAN-code ter identificatie van de desbetreffende productie-installatie en legt deze vast in een register.

2.9.2b

Indien er zich achter een aansluiting slechts één productie-installatie bevindt, of, indien er zich achter een aansluiting meer dan één productie-installaties bevinden van hetzelfde type, kan, in afwijking van 2.9.2a, de in 2.9.2a bedoelde EAN-code dezelfde zijn als die waarmee op grond van 2.1.1 van de Informatiecode elektriciteit en gas de desbetreffende aansluiting wordt geïdentificeerd.

2.9.2c

Indien van een op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling reeds bestaande productie-installatie de EAN-code ter identificatie van de desbetreffende productie-installatie wordt gewijzigd, dient het op de identificatie betrekking hebbende deel van het in 2.9.1 bedoelde verzoek opnieuw te worden ingediend.

2.9.3

De netbeheerder die een verzoek ontvangt zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, sub h van de Wet:

2.9.4

Het onderzoek door de netbeheerder, zoals bedoeld in 2.9.3 onder a omvat het volgende:

  • a. De netbeheerder onderzoekt de volledigheid en de consistentie van het ingediende verzoek;

  • b. De netbeheerder toetst de inhoud van het verzoek aan de hand van de gegevens zoals die aanwezig zijn in archieven en/of systemen van de netbeheerder.

2.9.5

Indien de in 2.9.4 onder b bedoelde toets onvoldoende zekerheid geeft over de juistheid van de gegevens uit het verzoek, vraagt de netbeheerder aanvullende informatie over de productie-installatie op, aan de hand waarvan de bedoelde toets alsnog kan plaatsvinden, bijvoorbeeld:

  • a. gemeentelijke vergunning;

  • b. rekeningen van de aflevering / plaatsing en/of het onderhoud van/aan de installatie.

2.9.6

Indien ook de in 2.9.5 bedoelde informatie onvoldoende zekerheid geeft over de juistheid van de gegevens uit het verzoek, stelt de netbeheerder een aanvullend onderzoek in. De netbeheerder gaat pas over tot het instellen van dit aanvullend onderzoek na de groen- of WKK-producent hierover geïnformeerd te hebben en van hem vernomen te hebben dat hij zijn verzoek handhaaft.

2.9.7

In geval van zon/wind/water bestaat het aanvullende onderzoek zoals bedoeld in 2.9.6 uit het zich ter plekke vergewissen van de aanwezigheid en de aansluitwijze van de bedoelde installatie.

2.9.8

In geval van biomassa kan tevens aanvullend technisch onderzoek door een externe, onafhankelijke technische deskundige worden uitgevoerd.

2.9.9

Het aanvullende onderzoek zoals bedoeld in 2.9.6 zal plaatsvinden binnen drie weken nadat de netbeheerder conform 2.9.6 heeft vernomen dat de producent zijn verzoek handhaaft. Indien het aanvullende onderzoek niet binnen drie weken kan plaatsvinden, ontvangt de desbetreffende groen- of WKK-producent binnen vijf werkdagen nadat de netbeheerder conform 2.9.6 heeft vernomen dat de producent zijn verzoek handhaaft, bericht binnen welke termijn het aanvullende onderzoek zal plaatsvinden.

2.9.10

De kosten voor het in 2.9.6 tot en met 2.9.9 bedoelde aanvullende onderzoek zijn niet voor rekening van de groen- of WKK-producent, indien de netbeheerder het in 2.9.4 en 2.9.5 beschreven traject niet heeft doorlopen.

3. De transportdienst

3.1. Het recht op transport

3.1.1

De aangeslotene heeft recht op transport van elektriciteit door heel Nederland tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen.

3.1.2

Op de aansluiting stelt de netbeheerder transportcapaciteit ter beschikking in de vorm van:

  • a. éénfase-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen fase en nul of tussen twee fasen;

  • b. driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 400 volt tussen de fasen en van 230 volt tussen fasen en nul;

  • c. driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen de fasen;

  • d. éénfase-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Herz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.1.1.1 of 2.1.1.2 en wordt vastgelegd in het aansluitcontract;

  • e. driefasen-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.1.1.1 en 2.1.1.2 en wordt vastgelegd in het aansluitcontract.

3.2. De kwaliteit van de transportdienst

3.2.1

Voor aangeslotenen, niet zijnde netbeheerders, op netten in de normale bedrijfstoestand is de kwaliteit van de geleverde transportdienst tenminste zoals vermeld in onderstaande tabel en voor het overige zoals gesteld in de norm NEN-EN 50160:2010 “Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten”.

Kwaliteitsaspect

Criterium

Frequentie

• 50 Hz +/- 1% gedurende 99,9% van enig jaar

• 50 Hz +2 % / -4% gedurende 100% van de tijd

Langzame

spanningsvariatie

Voor netten Un ≤ 1kV:

• Un +/- 10% voor 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende 1 week

• Un +10 / -15% voor alle over 10 minuten gemiddelde waarden

Voor netten 1kV < Uc < 35 kV:

• Uc +/- 10% voor 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende 1 week

• Uc +10 / -15% voor alle over 10 minuten gemiddelde waarden

Voor netten Uc ≥ 35 kV:

• Uc +/- 10% voor 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Snelle spanningsvariatie

Voor netten Un ≤ 1 kV:

• ≤ 10% Un

• ≤ 3% Un in situatie zonder uitval van productie, grote afnemers of verbindingen

• PLT ≤ 1 gedurende 95% van de over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

• PLT ≤ 5 voor alle over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Voor netten 1kV < Uc < 35 kV:

• ≤ 10% Uc

• ≤ 3% Uc in situatie zonder uitval van productie, grote afnemers of verbindingen

• PLT ≤ 1 gedurende 95% van de over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

• PLT ≤ 5 voor alle over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Voor netten Uc ≥ 35 kV:

• ≤ 10% Uc

• ≤ 3% Uc in situatie zonder uitval van productie, grote afnemers of verbindingen

• PLT ≤ 1 gedurende 95% van de over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

• PLT ≤ 5 voor alle over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Asymmetrie

Voor netten Uc < 35 kV:

• De inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 2% van de normale component gedurende 95% van de 10 minuten meetperioden per week

• De inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 3% van de normale component voor alle meetperioden

Voor netten Uc ≥ 35 kV:

• Inverse component ≤ 1% van de normale component gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Harmonischen

Voor netten Uc < 35 kV:

• De relatieve spanning per harmonische is kleiner dan het in de norm genoemde percentage voor 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden. Voor harmonischen die niet vermeld zijn geldt de kleinst vermelde waarde uit de norm.

• THD ≤ 8% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 95% van de tijd.

• De relatieve spanning per harmonische is kleiner dan 11/2 x het in de norm genoemde percentage voor 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden.

• THD ≤ 12% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de tijd.

Voor netten 35 kV ≤ Uc ≤ 150 kV:

• THD ≤ 6% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

• THD ≤ 7% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

Voor netten Uc ≥ 220 kV:

• THD ≤ 5% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

• THD ≤ 6% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een beschouwingperiode van een week.

3.2.1a

In aanvulling op 3.2.1 geldt voor aangeslotenen op netten met een spanningsniveau van 35 kV of hoger in de normale bedrijfstoestand, dat het aantal opgetreden spanningsdips per categorie per aansluiting per jaar in de regel kleiner is dan of gelijk is aan de in onderstaande tabel vermelde waarden:

Restspanning U [%]

Duur t [ms]

10 < t ≤ 200

200 < t ≤ 500

500 < t ≤ 1.000

1.000 < t ≤ 5.000

90 > U ≤ 80

16

2

1

1

80 > U ≤ 70

8

2

1

0

70 > U ≤40

5

2

0

0

40 > U ≤ 5

2

1

0

0

5 > U

1

1

0

0

3.2.1b

Bij de registratie van en de rapportage over de spanningsdips zoals bedoeld in 3.2.1a, maakt de netbeheerder tenminste bij de hinderlijke spanningsdips onderscheid naar de volgende oorzaken:

  • a. handeling van een netbeheerder;

  • b. handeling van een aangeslotene;

  • c. kortsluiting in het net;

  • d. kortsluiting in de installatie van een aangeslotene;

  • e. externe invloeden, zoals weersomstandigheden;

  • f. overige en onbekende oorzaken.

3.2.2

De betrouwbaarheid van de geleverde transportdienst bij aangeslotenen op netten met een spanningsniveau hoger dan 50 kV wordt mede bepaald door de toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de planning van hoogspanningsnetten, beschreven in 4.1.4.

3.3. De bewaking van de kwaliteit van de transportdienst

3.3.1

De netbeheerder bewaakt de betrouwbaarheid van de transportdienst met behulp van een door de gezamenlijke netbeheerders onderling ontwikkeld en vastgesteld power quality monitoring systeem. Ten behoeve van de registratie van de kwaliteitsindicatoren, zoals bedoeld in de “Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas” past de netbeheerder de “Handleiding Nestor Elektriciteit” (versie 2.0 van september 2012) toe. Deze handleiding ligt ter inzage bij de regionale netbeheerder.

3.3.2

De gezamenlijke netbeheerders bepalen onderling welke van de in 3.2.1 genoemde kwaliteitsaspecten aanvullend bewaakt worden.

3.3.3

De kwaliteitsbewaking bedoeld in 3.3.2 bevat voor netbeheerders die netten met een spanningsniveau van 35 kV en hoger beheren in elk geval metingen terzake de kwaliteitsaspecten als genoemd in de artikelen 3.2.1 en 3.2.1a in de desbetreffende netten.

3.3.4

Op de metingen als bedoeld in artikel 3.3.3 is IEC 61000-4-30:2008-10 “Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 4-30 Testing and measurement techniques – Power quality measurement methods” van toepassing.

3.3.5

De netbeheerder stelt de meetresultaten van de in 3.3.3 bedoelde metingen, betrekking hebbend op een bepaalde aansluiting, desgevraagd ter beschikking aan de desbetreffende aangeslotene.

3.3.6

[Vervallen]

3.3.6a

De netbeheerder evalueert na afloop van elk kwartaal per aansluiting het aantal opgetreden spanningsdips over de voorafgaande periode van vier aaneengesloten kwartalen en de oorzaken van deze spanningsdips. Indien het aantal opgetreden hinderlijke spanningsdips per categorie op een aansluiting per aaneengesloten periode van vier kwartalen hoger is dan het in 3.2.1a vermelde aantal voor de desbetreffende categorie, zal de netbeheerder een onafhankelijke deskundige partij opdracht geven onderzoek te laten doen naar de fysieke oorzaak van deze spanningsdips.

3.3.6b

Indien uit het in 3.3.6a bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van één onomstotelijk aanwijsbare oorzaak van de spanningsdips in een net of een elektrische installatie, worden de kosten van het onderzoek in rekening gebracht bij de beheerder van het desbetreffende net of van de desbetreffende elektrische installatie, tenzij dat disproportioneel is. In overige gevallen komen de kosten van het onderzoek voor rekening van de netbeheerder. De resultaten van het onderzoek worden openbaar gemaakt, behoudens informatie die tot een individuele aansluiting herleidbaar is.

3.3.6c

Ten behoeve van het in 3.3.6a bedoelde onderzoek naar spanningsdips zullen alle desbetreffende aangeslotenen meewerken met de netbeheerder om de oorsprong van de spanningsdips te achterhalen en, indien technisch mogelijk, zo nodig mogelijkheden bieden om meetapparatuur, spannings- en stroomopnemers voor het onderzoek naar de spanningsdips te plaatsen.

3.3.6d

Op basis van de resultaten van het in 3.3.6a bedoelde onderzoek zal de netbeheerder maatregelen voorstellen die nodig zijn om de in 3.2.1a vermelde criteria te kunnen realiseren. Indien uit het in 3.3.6a bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is geweest van spanningsdips afkomstig uit het net of uit een installatie van een aangeslotene, dan (zal)(zullen) de beheerder(s) van het desbetreffende net en/of de desbetreffende elektrische installatie(s) maatregelen treffen om deze spanningsdips te reduceren tot het niveau zoals aangegeven in 3.2.1a indien de maatregelen technisch, maatschappelijk en economisch verantwoord zijn.

3.3.6e

De gezamenlijke netbeheerders dienen op basis van de meetresultaten als bedoeld in 3.3.3 en met inachtneming van de artikelen 31 tot en met 36 van de Elektriciteitswet 1998 uiterlijk 1 januari 2018 een voorstel tot wijziging van de Netcode elektriciteit in bij ACM. Het wijzigingsvoorstel bevat voor netten met een spanningsniveau van 35 kV en hoger in elk geval criteria en een nalevingsverplichting ten aanzien van spanningsdips. De gezamenlijke netbeheerders houden bij het vaststellen van hun wijzigingsvoorstel rekening met relevante ontwikkelingen ter zake van criteria met betrekking tot spanningskwaliteit binnen Europa.

3.3.7

De metingen bedoeld in artikel 3.3.3 omvatten voor de aansluitingen bedoeld in de Bijlage bij het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 17 maart 2009 met kenmerk 102971_1/24 tevens de meting van transiënte overspanningen.

3.3.8 [Vervallen per 30-06-2016]

4. Voorwaarden met betrekking tot de planning

4.1. Lange termijn-planning

4.1.1. Voorwaarden voor verbruikers

4.1.1.1

Verbruikers, aangesloten op een spanningsniveau van 10 kV en hoger, met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld vermogen van meer dan 2 MW, stellen jaarlijks in de eerste week van de maand februari aan de netbeheerder voor de komende periode van zeven jaar vanaf het in werking treden van de regeling een zo goed mogelijke schatting van de volgende gegevens beschikbaar:

  • a. ontwikkeling van het maximaal af te nemen vermogen (MW/Mvar) op jaarbasis

  • b. beschrijving van het patroon van het af te nemen werkzaam vermogen

  • c. de verwachte trendbreuken.

4.1.2. Voorwaarden voor productie-eenheden

4.1.2.1

Beheerders van productie-eenheden met een vermogen van meer dan 2 MW stellen jaarlijks in de eerste week van de maand februari aan de netbeheerder voor de komende periode van zeven jaar een zo goed mogelijke schatting van de volgende gegevens ter beschikking:

  • a. plaats, capaciteit, technische gegevens, operationele grenzen en regelgedrag van de afzonderlijke productie-eenheden,

  • b. plaats, data, technische gegevens, operationele grenzen en regelgedrag van de in bedrijf te stellen productie-eenheden,

  • c. plaats van te amoveren productie-eenheden en de datum van amovering,

  • d. een revisieplanning per productie-eenheid (aan te geven periode en duur in weken).

4.1.2.2

Beheerders van productie-eenheden waarvan de productie-eenheden zijn aangesloten op een net met een spanningsniveau van 10 kV-niveau of hoger stellen bovendien jaarlijks in de eerste week van de maand februari aan de netbeheerder een zo goed mogelijke schatting van het verwachte draaiplan per productie-eenheid in tijdsperioden van minimaal 1 week voor de komende periode van zeven jaar ter beschikking in de vorm van een aanduiding hoe de productie-eenheid zal draaien, zoals:

  • a. basislast;

  • b. middenlast;

  • c. pieklast;

  • d. niet regelbaar vermogen;

  • e. draaiende reserve / regeleenheid;

  • f. stilstaande reserve;

  • g. stilstand.

4.1.3. Voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangesloten gesloten distributiesystemen

4.1.3.1

Het bepaalde in 4.1.4.1 is tevens van toepassing op gesloten distributiesystemen aangesloten op hoogspanningsniveau.

4.1.4. Voorwaarden voor de netbeheerders onderling

4.1.4.1

Bij gekoppelde netten stellen de desbetreffende netbeheerders jaarlijks in de maand april aan elkaar de in 4.1.4.2, 4.1.4.3 en 4.1.4.4 genoemde gegevens ter beschikking (bij parallel bedrijf voor het samenstel van de aansluitpunten).

4.1.4.2

De belastinggegevens:

  • a. de ontwikkeling van de wintermaxima, de zomermaxima en de dalbelasting op jaarbasis voor een periode van zeven jaar (MW/Mvar);

  • b. een beschrijving van het belastingpatroon (bijvoorbeeld standaard dagcurve voor een werkdag, zaterdag en zondag);

  • c. de verdeling over de relevante stations (MW/Mvar).

4.1.4.3

De productiegegevens:

  • a. de revisieplanning van de productie-eenheden groter dan 60 MW, die zijn aangesloten op het betreffende net;

  • b. het samengestelde draaiplan van de productie-eenheden, die zijn aangesloten op het betreffende net voor een periode van zeven jaar.

4.1.4.4

De netgegevens:

  • a. de technische gegevens en de transportcapaciteiten van de verbindingen en transformatoren van het 380/220/150/110 kV net;

  • b. opgesteld compensatievermogen;

  • c. invoedend kortsluitvermogen;

  • d. topologie en standaard schakeltoestand.

4.1.4.5

Het netontwerp van het 380/220 kV-net inclusief de hiermee verbonden transformatoren naar de 150/110 kV-netten wordt getoetst aan de hand van de volgende criteria:

  • a. Bij een volledig in bedrijf zijnd net moeten de door de aangeslotenen gewenste leveringen respectievelijk afnamen kunnen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve;

  • b. Bij het voor onderhoud niet beschikbaar zijn van een willekeurig circuit, dan wel een willekeurige transformator, dan wel een willekeurige productie-eenheid, dan wel een grote verbruiker, moeten de door de aangeslotenen gewenste leveringen dan wel afnamen kunnen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve. Hierbij hoeft alleen rekening te worden gehouden met de als gevolg van de leveringen dan wel afnamen optredende belastingen tijdens de onderhoudsperiode;

  • c. Bij de hoogste belasting en bij het uit bedrijf zijn van een willekeurig circuit, dan wel een willekeurige transformator, dan wel twee willekeurige productie-eenheden, dan wel een grote verbruiker, moet door een aangepaste productieverdeling of door andere (vooraf overeengekomen) maatregelen de enkelvoudige storingsreserve kunnen worden gewaarborgd.

4.1.4.6

Het netontwerp van hoogspanningsnetten met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV, inclusief de hiermee verbonden transformatoren naar netten met een spanningsniveau lager dan 110 kV, wordt getoetst aan de hand van de volgende criteria:

  • a. Bij een volledig in bedrijf zijnd net moeten de door de aangeslotenen gewenste leveringen dan wel afnamen kunnen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve. Bij een enkelvoudige storing is een onderbreking van maximaal 10 minuten met een maximale belasting van 100 MW toegestaan;

  • b. Bij het voor onderhoud niet beschikbaar zijn van een willekeurig circuit, dan wel een willekeurige transformator dan wel een willekeurige productie-eenheid kunnen de door de aangeslotenen gewenste leveringen dan wel afnamen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve. Hierbij hoeft alleen rekening te worden gehouden met de als gevolg van de leveringen dan wel afnamen optredende belastingen tijdens de onderhoudsperiode. Afwijking hiervan is toelaatbaar indien de onderbrekingsduur beperkt blijft tot 6 uur en 100 MW.

4.1.4.7

Het netontwerp van zowel het 380/220 kV-net als van de 110/150 kV-netten wordt bovendien getoetst aan de hand van het volgende criterium: Bij alle belastingstoestanden en bij een volledig in bedrijf zijnd net kan, na uitval van een willekeurige productie-eenheid, de dan benodigde bedrijfsreserve volledig worden ingezet onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve.

4.1.4.8

Het netontwerp wordt getoetst aan de criteria voor de kwaliteit van de netspanning, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 van de Netcode elektriciteit.

4.1.4.9

Bij het voorbereiden en realiseren van investeringen informeren netbeheerders elkaar en werken zij samen, teneinde de netten doelmatig en betrouwbaar met elkaar te verbinden.

4.1.4.10

Netbeheerders van netten aangesloten op netten die beheerd worden door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet informeren de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet omtrent de inhoud van hun tweejaarlijkse capaciteitsplannen.

4.2. Middellange termijn-planning

4.2.1. Voorwaarden voor alle aangeslotenen

4.2.1.1

Verbruikers en producenten met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld transportvermogen van meer dan 60 MW zijn verplicht om tegen vooraf met de netbeheerder overeengekomen voorwaarden een bijdrage te leveren aan het oplossen van transportbeperkingen.

4.2.1.2

Indien er sprake is van een congestiegebied zoals bedoeld in 4.2.5.4, dan kan de netbeheerder de grens als genoemd in 4.2.1.1 verlagen. Deze verlaging wordt tenminste één maand van tevoren bekendgemaakt door middel van publicatie op de website van de desbetreffende netbeheerder(s).

4.2.2. Voorwaarden voor productie-eenheden

4.2.2.1

Met betrekking tot de in 4.1.2.1, sub d bedoelde revisieperioden houden de netbeheerders en producenten elkaar met een zichtperiode van één jaar schriftelijk op de hoogte van alle plannen en wijzigingen met betrekking tot het onderhoud en de revisie van hun bedrijfsmiddelen.

4.2.2.2

Afhankelijk van de netsituatie en de omvang van de productiecapaciteit zullen producenten en netbeheerders hun onderhoudsplannen schriftelijk afstemmen en wijzigen, waarbij beoogd wordt de voorzieningszekerheid te waarborgen.

4.2.2.3

Indien één of beide partijen onderhoudsplannen moeten gaan fixeren, bijvoorbeeld ten gevolge van een contractuele overeenkomst of afspraak met een derde partij, wordt een planning bindend verklaard vanaf de door die omstandigheden bepaalde datum en schriftelijk bevestigd naar de andere partij.

4.2.2.4

Indien een partij na een bindend verklaring alsnog van de planning wil afwijken zal de andere partij daar zoveel als mogelijk aan tegemoet komen, door bijvoorbeeld het verschuiven of verwisselen van reeds gepland onderhoud over andere productie-eenheden en transportnet-onderdelen.

4.2.2.5

Indien een afwijking van een bindende planning tot extra kosten leidt, zullen deze kosten gedragen worden door de veroorzakende partij, waarbij de andere partij al het mogelijke zal doen om de extra kosten te beperken.

4.2.3. Voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangesloten gesloten distributiesystemen

4.2.3.1

Het in 4.2.4 bepaalde is tevens van toepassing op gesloten distributiesystemen aangesloten op hoogspanningsniveau.

4.2.4. Voorwaarden voor netbeheerders onderling

4.2.4.1

De in 4.1.4.1 genoemde gegevens worden in onderling overleg beoordeeld en vastgelegd en zijn daarmee maatgevend voor de middellange termijn en de dagelijkse bedrijfsvoering.

4.2.5. Aanvullende voorwaarden voor congestiemanagement

4.2.5.1

Congestiemanagement, zoals beschreven in deze paragraaf, wordt uitsluitend toegepast ter voorkoming van een op artikel 24, tweede lid, van de Wet gebaseerde weigering van de netbeheerder om aan een of meer aangeslotene(n) transportcapaciteit beschikbaar te stellen in netten van 110 kV of hoger en in netten lager dan 110 kV indien dit, met inachtneming van artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, mogelijk is.

4.2.5.2

Toepassing van congestiemanagement, zoals beschreven in deze paragraaf, in netten lager dan 110 kV is mogelijk indien en voor zover:

  • a. de verwachte transportbeperking in deze netten geen relatie heeft met het overschrijden van het toegestane kortsluitvermogen in deze netten en;

  • b. de netten voor invoering van genoemde maatregelen technisch uitgerust zijn of kunnen worden, waaronder wordt verstaan de continu beschikbare mogelijkheid om de relevante netdelen en -componenten op afstand te bewaken en te bedienen en;

  • c. de benodigde systemen om de genoemde maatregelen effectief te kunnen uitvoeren beschikbaar zijn of dit zijn binnen maximaal 25% van de doorlooptijd van de uit te voeren netverzwaring, -wijziging of -uitbreiding zoals genoemd in 4.2.5.3.

4.2.5.3

Toepassing van congestiemanagement in een gebied dient uitsluitend ter overbrugging van de periode die resteert tot het moment waarop het (de) net(ten) zodanig verzwaard, gewijzigd of uitgebreid is (zijn) dat het gevraagde transport volledig beschikbaar gesteld kan worden.

4.2.5.4

Indien op een bepaald deelnet in een afgebakend en duidelijk gedefinieerd gebied het geheel van verzoeken om transport tot het beloop van het gecontracteerde en beschikbaar gestelde transportvermogen voorzienbaar in enige programmatijdseenheid niet volledig gehonoreerd kan worden, meldt de netbeheerder van het net waarvan dat deelnet onderdeel is, door middel van een vooraankondiging dat er sprake kan zijn van congestie. Indien de in de vorige volzin bedoelde situatie zich voordoet op de deelnetten van gekoppelde netten die door verschillende netbeheerders worden beheerd, doen de netbeheerders van die netten gezamenlijk de vooraankondiging dat er sprake kan zijn van congestie. Deze vooraankondiging zal ten minste de volgende gegevens bevatten:

  • a. het verwachte congestiegebied (geografische aanduiding) en;

  • b. de periode waarin congestie wordt verwacht in dat gebied en;

  • c. de oorzaak van de verwachte congestie en;

  • d. het in het verwachte congestiegebied totale gecontracteerde en beschikbaar opgestelde transportvermogen en;

  • e. een planning van de netverzwaring.

De vooraankondiging wordt gepubliceerd op de website(s) van de netbeheerder(s) die de melding heeft, dan wel hebben, gedaan en in alle gevallen tevens op de website van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De betrokken netbeheerders zenden een afschrift van de vooraankondiging aan de Autoriteit Consument en Markt.

4.2.5.5

De betrokken netbeheerder(s) start(en) voor een gebied waarvoor een vooraankondiging is afgegeven, een onderzoek naar de mogelijkheden voor de toepassing van congestiemanagement. Congestiemanagement zal worden toegepast indien uit het onderzoek blijkt dat:

  • a. de betrokken netbeheerder(s) het nettechnisch mogelijk acht(en) en;

  • b. de betrokken netbeheerder(s) het bedrijfsvoeringstechnisch mogelijk acht(en) en;

  • c. de periode van verwachte congestie langer duurt dan 1 jaar en korter dan 4 jaar en;

  • d. in het desbetreffende gebied voldoende potentiële deelnemers aanwezig zijn voor de uitvoering van congestiemanagement.

4.2.5.6

Indien uit het in 4.2.5.5 genoemde onderzoek blijkt dat congestiemanagement geen oplossing biedt of de in artikel 4.2.5.4 gemelde vooraankondiging, om wat voor reden dan ook, is komen te vervallen, doen de desbetreffende netbeheerders hiervan binnen één week na afronding van het onderzoek, of het bekend worden van elke andere reden, melding via hun website en in alle gevallen tevens op de website van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Deze melding zal tenminste bevatten:

  • a. het gebied waarop de melding betrekking heeft en;

  • b. een verklaring waarom de vooraankondiging is komen te vervallen, waarbij ten minste wordt aangegeven wat het actuele totale gecontracteerde en beschikbaar gestelde transportvermogen in het desbetreffende gebied is.

Voor het desbetreffende gebied zullen dan ook geen aanvullende eisen van toepassing worden verklaard.

4.2.5.7

Indien van toepassing, geschiedt de vooraankondiging door de in 4.2.5.4 of 4.2.5.6 bedoelde netbeheerder na overleg met eventuele andere betrokken netbeheerders.

4.2.5.8

Indien op basis van het in 4.2.5.5 genoemde onderzoek blijkt dat in het congestiegebied waarover een vooraankondiging is afgegeven congestiemanagement een oplossing biedt, zal de netbeheerder binnen één week na afronding van het onderzoek, of het bekend worden van elke andere reden, een melding doen aan de hierna in onderdeel a bedoelde aangeslotenen in het congestiegebied. De melding bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. een aanduiding van het congestiegebied door middel van een lijst van EAN-codes van aansluitingen met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld transportvermogen van 0,1 MW of hoger en een geografische beschrijving van het betrokken gebied met het desbetreffende deelnet of de desbetreffende deelnetten in dat gebied en;

  • b. de ingangsdatum van de verwachte congestie en;

  • c. de verwachte periode waarvoor het congestiegebied is aangewezen en;

  • d. een onderbouwing en motivering, op grond waarvan duidelijk blijkt dat er binnen het gestelde gebied sprake is van congestie en omvat in ieder geval de onder a. tot en met c. genoemde punten en;

  • e. een onderbouwing en motivering van de onmogelijkheid om de transportbeperkingen op andere wijze op te lossen dan het toepassen van congestiemanagement.

4.2.5.9

De netbeheerder bepaalt de grens als bedoeld in 4.2.1.2 op basis van de omvang van het congestiegebied en de hoeveelheid vermogen die minimaal aanvullend nodig is om de enkelvoudige storingsreserve tijdens de verwachte congestieperiode op een efficiënte wijze te handhaven.

4.2.5.10

De melding als bedoeld in 4.2.5.8, alsmede het in 4.2.5.8 bedoelde onderzoek en de uitkomsten daarvan, wordt binnen één week na afronding van het in 4.2.5.8 bedoelde onderzoek gepubliceerd op de website van de netbeheerder die de melding heeft gedaan of, in het geval bedoeld in de tweede volzin van 4.2.5.4, op de websites van de netbeheerders die de melding hebben gedaan en in alle gevallen tevens op de website van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

4.2.5.11

Indien de melding als bedoeld in 4.2.5.8 niet gedaan wordt door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, moet de netbeheerder die de melding heeft gedaan hiervan uiterlijk op de dag waarop publicatie volgens 4.2.5.10 plaatsvindt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet in kennis stellen, onder vermelding van in ieder geval de gegevens, genoemd in 4.2.5.8.

4.2.5.12

De melding als bedoeld in 4.2.5.8 wordt gestuurd aan alle aangeslotenen in het congestiegebied, met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld vermogen van 0,1 MW en meer.

4.2.5.13

Na publicatie van de melding, bedoeld in 4.2.5.8, verzoekt de netbeheerder alle aangeslotenen vanaf een door de netbeheerder te bepalen ondergrens, op basis van het opgesteld vermogen in het desbetreffende gebied ten opzichte van de maximaal mogelijke overschrijding van de transportcapaciteit per dag, zich vrijwillig voor de minimale periode van één maand te willen verplichten tot het doen van biedingen conform 5.1.2.3 overeenkomstig de specificaties die de netbeheerder dienaangaande heeft opgesteld en bekendgemaakt.

4.2.5.14

Indien de netbeheerder op enig moment op grond van 4.2.5.13 minder vermogen dan de maximaal mogelijke overschrijding ter beschikking heeft om de van toepassing zijnde netveiligheidseisen tijdens de verwachte congestieperiode te handhaven, dan kan d