Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling [...] Zaken 2006 (Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019)[Regeling vervalt per 01-01-2020.]

Geldend van 09-07-2016 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 mei 2016, nr. MINBUZA-2016.242245, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019).

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2019 een subsidieplafond van € 15.000.000.

Artikel 3

Aanvragen om in aanmerking te komen voor een subsidie in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 15 augustus 2016 aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 4

De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor subsidie in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2020 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

De plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Bijlage 1. Beleidskader vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019

Hoofdstuk 1. Inleiding

In de beleidsagenda’s van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking staan veiligheid en rechtvaardigheid centraal. Onze veiligheid staat onder druk. Het meest evident en relevant voor Nederland zijn de oplaaiende conflicten in de ring rond Europa. Conflicten vormen een bedreiging voor mensenrechten en internationaal recht. Rechtvaardigheid gaat onder andere over rechten van vrouwen en gendergelijkheid, ofwel ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, maar ook om ongelijkheid in sociaal, politiek, religieus of etnisch opzicht of vanwege sekse of seksuele geaardheid. Een structureel veranderende wereld vraagt om keuzes en innovatief gebruik van de bestaande middelen; het beleidskader Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 beoogt daartoe een bijdrage te leveren. Dit beleidskader is een nadere uitwerking van het internationale genderbeleid zoals onder andere verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 20113, het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 en de Kamerbrief Vrouwen, vrede en veiligheid van maart 2016.4

Dit document is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden de beleidstheorie, de uitgangspunten, de reikwijdte en de prioriteitsgebieden van de Vrouwen, vrede en veiligheid agenda omschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de beoordelingsprocedure en bepaalt welke organisaties in aanmerking kunnen komen voor een subsidie in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019. Hoofdstuk 4 beschrijft de criteria die worden gehanteerd om de aanvragen te selecteren die in aanmerking komen voor subsidie. Hoofdstuk 5 gaat over monitoring en evaluatie.

Hoofdstuk 2. Beleidstheorie

2.1. Achtergrond

Op 31 oktober 2000 nam de VN-Veiligheidsraad (‘de Raad’) resolutie 1325 aan over Vrouwen, vrede en veiligheid. Voor het eerst erkende de Raad expliciet de waardevolle rol die vrouwen spelen bij het voorkomen en oplossen van conflicten. Er volgden op resolutie 1325 nog verschillende resoluties over deelonderwerpen. Deze resoluties roepen VN-lidstaten en strijdende partijen op om deelname van vrouwen aan vredesprocessen zeker te stellen, vrouwenrechten in de context van conflict te respecteren, (seksueel) geweld tegen vrouwen in conflictsituaties te voorkomen en te bestraffen en vrouwen te betrekken bij het ontwikkelen van strategieën om terrorisme en gewelddadig extremisme te bestrijden.

Er is de afgelopen 15 jaar veel bereikt aan normstelling, maar de uitvoering moet beter. De ambities van de verschillende resoluties staan in schril contrast met de werkelijkheid. In conflictgebieden is de situatie van vrouwen nauwelijks verbeterd en soms zelfs verslechterd. Vrouwen vormen in toenemende mate het doelwit van extremistische ideologieën, die burgerrechten en vrijheden, vooral die van vrouwen en meisjes, verder inperken. Seksueel geweld en de slavernij van vrouwen en meisjes wordt niet alleen ingezet als oorlogswapen door groepen als ISIS, maar tevens gebruikt om gemeenschappen te ontwrichten alsook als propagandamiddel om hun extremistische ideologie te verspreiden.

Nederland draagt bij aan de uitvoering van de Vrouwen, vrede en veiligheid agenda via diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, vredesmissies en operaties. Het kabinet werkt langs twee sporen. Het eerste spoor is samenwerking met maatschappelijke partners in het Nationaal Actieplan (NAP) Vrouwen, vrede en veiligheid. Het tweede spoor is de systematische integratie in alle aspecten van het buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals verwoord in de Kamerbrief Vrouwen, vrede en veiligheid.

Het Nationaal Actieplan Vrouwen, Vrede en Veiligheid is opgesteld en wordt uitgevoerd door de overheid (de ministeries van BZ, Defensie, OCW en V&J en de Politie), ruim 50 Nederlandse maatschappelijke organisaties (ontwikkelingsorganisaties, diaspora organisaties en vrouwenrechtenorganisaties) en kennisinstellingen. Deze samenwerking is in die vorm uniek in de wereld. De meerwaarde van samenwerking is het netwerk van partnerorganisaties wereldwijd. Het partnerschap is een goede bron van informatie, ideeën en nieuwe initiatieven. Door de activiteiten van overheid en maatschappelijk middenveld op elkaar af te stemmen, versterken ze elkaar en behalen we meer en duurzamer resultaat. Het subsidiekader Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 financiert activiteiten in doellanden in het kader van het Nationaal Actieplan.

2.2. Uitgangspunten

Dit beleidskader richt zich op de aanpak van genderongelijkheid en de onderliggende ongelijke machtsverhoudingen. Integratie van de relevante resoluties in het buitenlands beleid betekent dat we ons bewust zijn van deze verhoudingen. De impact van conflict is voor mannen en vrouwen vaak niet gelijk. Vrouwen hebben vaak minder zeggenschap over vraagstukken van vrede en veiligheid. Bevorderen van gelijkwaardige deelname van vrouwen is een kwestie van rechtvaardigheid. Het leidt bovendien tot duurzame vrede en inclusieve wederopbouw na conflict.

Het uitgangspunt is dat vrouwen niet alleen slachtoffer zijn in conflicten, maar een waardevolle bijdrage leveren aan alle aspecten van vrede en veiligheid, zoals het voorkomen en oplossen van gewelddadige conflicten en het voorkomen en aanpakken van radicalisering en extremisme. Door onderdeel uit te maken van leger en politie en door deel te nemen aan vredesonderhandelingen en politieke besluitvorming op alle niveaus kunnen vrouwen hun eigen positie en die van hun gemeenschap verbeteren en bijdragen aan duurzame vrede en stabiliteit. Er zijn echter nog talrijke structurele belemmeringen voor gelijkwaardige en betekenisvolle participatie van vrouwen bij alle aspecten van vrede en veiligheid.

2.3. Doelstelling

De doelstelling van dit beleidskader is gelijk aan de doelstelling in het Nationaal Actieplan: het stimuleren van structurele verandering van normen, wetten en instituties, zodat vrouwen en mannen gelijke kansen en rechten hebben en volwaardig kunnen deelnemen aan het voorkomen van conflicten, conflictresolutie, vredesopbouw en wederopbouw. De inspanningen dragen bij aan het realiseren van de voorwaarden voor vrouwen in conflictgebieden om zelf hun belangen te behartigen.

2.4. Subdoelstelling, benadering en activiteiten

Het kader financiert interventies van ondertekenaars van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid (en hun partners) die via een specifieke, strategische, context- en resultaatgerichte landenbenadering bijdragen aan gelijke kansen, rechten en veiligheid voor vrouwen en meisjes in de acht doellanden.

De inhoudelijke focus van de te financieren programma’s dient te zijn gerelateerd aan de beleidstheorie in het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid. Het kader richt zich op drie onderling samenhangende subdoelen: (1) bescherming van vrouwen en meisjes in conflict- en post-conflictsituaties, (2) het bestrijden van gender normen, die obstakels voor duurzame vrede zijn en (3) het creëren van gelijke deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, hulpverlening en wederopbouw.

Resultaten worden bereikt door drie benaderingen waaronder verschillende activiteiten mogelijk zijn: (1) het faciliteren van capaciteitsontwikkeling5 en het bieden van middelen om de emancipatie en participatie van vrouwen en mannen die streven naar genderbewuste benaderingen van vredesprocessen te ondersteunen, (2) het bestrijden van attitudes en overtuigingen die uitsluiting van vrouwen bestendigen en (3) het beïnvloeden van de uitvoering van wetten en beleid die belemmeringen voor de participatie en de bescherming van vrouwen vergroten. Deze drie benaderingen zijn nauw met elkaar verbonden. Bijvoorbeeld subdoelstelling (3) kan worden bereikt door specifieke kennis, vaardigheden en toegang tot voldoende middelen te bieden aan vrouwen om deel te nemen aan vredesbesprekingen. Subdoelstelling (1) kan worden bereikt door invloed uit te oefenen op de ontwikkeling en uitvoering van wetten en beleid dat gericht is op het voorkomen van (seksueel) geweld in (post) conflictsituaties.

De activiteiten onder de beleidstheorie in het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid kunnen worden ingedeeld in drie types van interventies: (1) het delen van kennis, (2) belangenbehartiging en (3) gezamenlijke programma’s. De samenhang tussen de drie types van interventies in een doelland wordt bewaakt in de landengroep. Dit kader richt zich op de financiering van deze activiteiten, met name de gezamenlijke programma’s. In de aanvraag dient per doelland de relatie tussen de subdoelstellingen en de benaderingen te worden toegelicht.

2.5. Wie komen voor subsidie in aanmerking?

Alle ondertekenaars van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid die voldoen aan de in dit kader genoemde drempelcriteria kunnen als penvoerder of als mede-indiener voor subsidie in aanmerking komen. Ondertekenaars van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid zijn Nederlandse organisaties actief op het terrein van Ontwikkelingssamenwerking. Zij voeren specifieke activiteiten uit op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten. Mede-indieners zijn ofwel ondertekenaars van het Nationaal Actieplan, ofwel ngo’s uit het doelland of de regio.

Ondertekenaars kunnen niet zelfstandig een aanvraag indienen, maar alleen samen met ten minste twee mede-indieners, namens welke een penvoerder een aanvraag indient voor het programma als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, jegens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma.

Een organisatie kan slechts éénmaal als penvoerder in aanmerking komen voor een subsidie in het kader van dit subsidiekader. Een penvoerder kan daarnaast slechts éénmaal in een andere alliantie – waar een andere organisatie als penvoerder optreedt – participeren als mede-indiener. Een mede-indiener die in geen enkele aanvraag als penvoerder optreedt, kan maximaal in twee allianties als mede-indiener optreden.

2.6. Onze aanpak

Het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid wordt uitgevoerd in partnerschap met meerdere stakeholders, die vanuit verschillende mandaten en verschillende rollen bijdragen aan hetzelfde doel. De ondertekenaars van het Nationaal Actieplan en hun lokale partners zijn goed gepositioneerd om op te treden aan de basis, in (post)conflictsituaties waar ze programma’s uitvoeren, informatie delen en overheden op verschillende niveaus beïnvloeden. De overheidspartners zijn goed uitgerust om te werken op diplomatiek niveau, op missies en in samenwerkingsverbanden met het maatschappelijk middenveld in conflict en post-conflict landen. Kennisinstellingen zijn onmisbaar in het vullen van lacunes in de kennis over gender en conflict.

Binnen het Nationaal Actieplan is samenwerking een belangrijk middel om onze gezamenlijke doelstelling te bereiken, met respect voor elkaars onderscheidende functies, rollen en mandaten. Sociale verandering en gendergelijkheid kunnen niet worden bereikt door middel van een enkel programma of een activiteit met een kort tijdsbestek; het vereist een lange-termijn strategie en de inzet van alle ondertekenaars. Daarom zullen we ons werk in de meeste van de doellanden in ons tweede Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid voortzetten. De doellanden van het subsidiekader Vrouwen, vrede en veiligheid (2016–2019) zijn Afghanistan, Colombia, de Democratische Republiek Congo, Irak, Jemen, Libië, Syrië en Zuid-Sudan. Het ministerie zal maximaal één aanvraag per doelland honoreren. Bij de selectie van aanvragen is kwaliteit leidend. Alleen aanvragen die kwalitatief als voldoende worden gewaardeerd kunnen worden gefinancierd. Indien overhoopt alle aanvragen t.b.v. één bepaald doelland niet aan de minimale kwaliteitseisen voldoen, wordt er t.b.v. dat doelland geen subsidie verleend en wordt het beschikbare budget niet volledig uitgeput.

De doellanden vormen de kern van inzet van de samenwerking binnen het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid. Per doelland is een landengroep actief. In deze landengroepen werken ondertekenaars samen met lokale partners en ambassades in de betreffende landen. Onafhankelijk van dit subsidiekader wordt in de landengroep een gendersensitieve context, actor en conflictanalyse opgesteld. Deze analyse identificeert de verschillende veiligheidsbehoeften van mannen en vrouwen, de diepere oorzaken van conflicten en hun relatie met genderongelijkheid, alsook de machtsverhoudingen binnen het land. Per landengroep wordt een strategie uitgewerkt om de doelstellingen van de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan te bewerkstelligen. De ambassades zijn nauw betrokken bij het werk in de landengroepen, zowel bij het uitwerken als bij het uitvoeren van de landenstrategie. Daarnaast zijn de ambassades betrokken bij het monitoren en waar relevant ondersteunen van de uitvoering van de geselecteerde programma’s.

Penvoerders dienen daarnaast als onderdeel van hun subsidieaanvraag ook een gendersensitieve context, actor en conflictanalyse op te nemen die al dan niet in samenspraak met de landengroep tot stand is gekomen.

Hoofdstuk 3. Beoordelingsprocedure

3.1. Criteria

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan bepaalde drempelcriteria en kwaliteitscriteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

  • 2. Kwaliteitscriteria: criteria met betrekking tot de kwaliteit van de beleidstheorie en de uitwerking daarvan in een programmavoorstel, inclusief criteria met betrekking tot de financiële effectiviteit (de verhouding tussen resultaten en budget).

3.2. Aanvragen voor financiering

Aanvragen voor een subsidie in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels tot en met 15 augustus 2016 aan de hand van het hiertoe door de Minister vastgestelde aanvraagstramien.6 Zie voor de vereisten aan de aanvraag in detail het aanvraagformulier.

Een aanvraag richt zich op één van de doellanden Afghanistan, Colombia, de Democratische Republiek Congo, Irak, Jemen, Libië, Syrië en Zuid-Sudan en bestaat uit:

  • A. Een beleidstheorie die in ieder geval de volgende elementen omvat:

    • 1. Een gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland, die de volgende vragen beantwoordt:

      • Wat zijn de sociale, economische en politieke factoren die de gendergelijkheid op de gekozen thema (s) in het doelland kunnen belemmeren of faciliteren, en wat zijn de belangrijkste problemen en onderliggende oorzaken die de aanleiding hiervoor vormen?

      • Op wat voor manier engageren lokale, regionale, nationale en internationale actoren zich met mannen, vrouwen en gender minderheden?

      • Proberen deze actoren positieve verandering in de probleemgebieden en de geselecteerde thema(s) te bewerkstelligen of blokkeren zij juist positieve verandering? Op welke wijze?

      • Beschrijf de invloed die actoren hebben om verandering te bewerkstelligen

      • Beoordeel de legitimiteit van de verschillende actoren.

      • Geef een oordeel over de specifieke rol (positief en negatief) die de verschillende actoren spelen.

      • Wat zijn de belangrijkste kwesties, diepere oorzaken en factoren die leiden tot het conflict? En in welke mate beïnvloeden deze hoofdoorzaken vrouwen, mannen, en genderminderheden verschillend?

      • Welke rol worden mannen, vrouwen en genderminderheden verwacht te spelen/ zijn in staat om te spelen in het ontwerpen, implementeren, monitoren en evalueren van interventies?

    • 2. Een landspecifieke uitwerking van de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan in de vorm van een korte- en middellange-termijn doelstelling(en) en een visie daarop, inclusief vooronderstellingen, en interventies voor de korte en middellange termijn.

    • 3. Een samenwerkingsovereenkomst tussen penvoerder en de mede-indieners met daarin een beschrijving van de diverse rollen en meerwaarde van penvoerder, mede-indieners en lokale organisaties binnen het programma, en een toelichting op de overeenkomst waarin duidelijk een gelijkwaardige en complementaire relatie blijkt tussen de verschillende alliantieleden. De overeenkomst bevat (in ieder geval) afspraken over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd en (v) de manier waarop de alliantie samenwerkt met de Nederlandse ambassade in het doelland en het de landengroep van het NAP.

    • 4. Meetbare outcome indicatoren ten behoeve van monitoring en bijstelling.

  • B. Een programmavoorstel dat in ieder geval de volgende elementen omvat:

    • 1. Een concrete, realistische uitwerking van de beleidstheorie in het gekozen doelland en een nauwkeurige beschrijving van de gekozen strategische interventies om het gewenste doel te bereiken (input, output en outcome), gerelateerd aan de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan en gebaseerd op de genderspecifieke context-, actor- en conflictanalyse van het land.

    • 2. Het voorstel laat zien wie penvoerend is, hoe de alliantie samenwerkt en welke lokale organisaties betrokken zullen worden bij de uitvoering van het programma.

    • 3. Een risico-analyse en maatregelen om de omschreven risico’s te mitigeren.

    • 4. Een M&E-raamwerk dat duidelijk verwijst naar de beleidstheorie en de daarin gepresenteerde indicatoren, inclusief een beschrijving van de geraamde benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E kader op landenniveau. De penvoerder geeft aan welke monitoring- en evaluatiemethodes worden gebruikt om voortgang op het behalen van de doelstellingen te monitoren en lessen te leren.

  • C. Een begroting voor de gehele looptijd van het programma, inclusief kostenraming voor de benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E-kader. De begroting is opgesteld conform het sjabloon in annex 4. In de begroting wordt een bedrag gereserveerd voor de reiskosten t.b.v. deelname van lokale partners aan het jaarlijkse beleidsoverleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De begroting is voorzien van een Memorie van Toelichting.

3.3. Beoordeling

De beoordeling vindt plaats in twee fasen, resulterend in een besluit over de selectie van programma’s die in aanmerking komen voor subsidie. De eerste fase bestaat uit een toets op de drempelcriteria. De tweede fase bestaat uit een inhoudelijke beoordeling van de beleidstheorie en van de uitwerking daarvan in het programmavoorstel.

De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en in overeenstemming met de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste in aanmerking voor subsidie. De Minister besluit tot subsidieverlening in overeenstemming met deze rangorde, volgens de verdelingswijze zoals nader uitgewerkt in paragraaf 3.5. De criteria worden beschreven in hoofdstuk 4.

3.4. Beschikbare middelen

Het gereserveerde bedrag bedraagt € 15 miljoen. Deze middelen zijn beschikbaar voor subsidiëring van activiteiten in de periode van 1 november 2016 tot en met 31 december 2019.

Het subsidiekader Vrouwen, vrede en veiligheid hanteert een programmatische aanpak waarbij de penvoerder en zijn mede-indieners ‘grants’ kan/kunnen doorgeven aan lokale organisaties in de doellanden op basis van vooraf goedgekeurde jaarplannen.

3.5. Verdeling van de beschikbare middelen

Om voor subsidie in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 in aanmerking te kunnen komen zal allereerst aan de drempelcriteria moeten worden voldaan en zal in voldoende mate moeten worden voldaan aan de maatstaven met betrekking tot de kwaliteit van de beleidstheorie en de kwaliteit van het programmavoorstel, inclusief de begroting.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een subsidietender: de kwaliteit van de subsidieaanvragen wordt inhoudelijk beoordeeld volgens de maatstaven van deze beleidsregels. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking, binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen volgens de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Het streven is om per doelland alleen de aanvraag die het beste voldoet aan de criteria te honoreren. Wanneer er voor één of meerdere landen geen voorstellen binnenkomen die minimaal voldoende scoren op beleidstheorie en/of programmavoorstel, behoudt de minister de mogelijkheid om geen activiteiten in de desbetreffende landen te financieren.

De subsidie per programma bedraagt € 2 miljoen voor de doellanden Afghanistan, Colombia, DRC, Libië, Irak en Syrië. De subsidie per programma bedraagt € 1,5 miljoen voor de doellanden Jemen en Zuid-Sudan.

3.6. Uitvoering en planning van de besluitvorming

Voor de beoordeling van de aanvragen stelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken een commissie samen met onafhankelijke experts van binnen en buiten het Ministerie. Experts die lid zijn van de commissie mogen niet zelf een aanvraag indienen of bij de opstelling van aanvragen betrokken zijn.

Besluitvorming over de tijdig ontvangen aanvragen vindt plaats op uiterlijk 15 oktober 2016.

Hoofdstuk 4. Criteria voor de beoordeling van de aanvragen

4.1. Drempelcriteria

  • D.1: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn een Nederlandse non-gouvernementele organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid.

    Onder Nederlandse organisatie wordt verstaan een organisatie die in Nederland is opgericht, volgens Nederlands recht en die statutair in Nederland is gevestigd. Onder ngo wordt verstaan: een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de ngo statutair gevestigd is.

  • D.2: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn op 15 mei 2016 ondertekenaar van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019.

  • D.3: Een mede-indiener is een Nederlandse of zuidelijke non-gouvernementele organisatie (ngo) zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Onder zuidelijke ngo wordt verstaan: een ngo die statutair is gevestigd in het land of regio waarin de beoogde activiteiten worden uitgevoerd (doelland). Vanwege conflicten in verschillende doellanden is het de afgelopen jaren lastig gebleken voor lokale ngo’s om zich statutair te vestigen in de doellanden. Daarom geldt voor lokale ngo’s werkzaam t.b.v. deze landen de volgende definitie: een organisatie die statutair is gevestigd in de regio en aantoonbaar activiteiten uitvoert t.b.v. de doellanden.

  • D.4: De penvoerder dient de aanvraag in namens een alliantie die naast de penvoerder bestaat uit ten minste twee mede-indieners zoals bedoeld in criterium D.3.

  • D.5: De penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2016 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten van de alliantie afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. Subsidies in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016-2019 zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de alliantie.

    Omdat dit criterium voor de alliantie als geheel geldt, geldt dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door de mede-indieners in de alliantie. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de eigen inkomsten (maar wel bij het bepalen van de jaarlijkse inkomsten).

  • D.6:

    • A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de penvoerder en Nederlandse mede-indieners bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd per kalenderjaar ten hoogste EUR 168.000 bij een voltijds dienstverband. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a.

      Het bezoldigingsmaximum is afgeleid van het salaris van de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. DGIS valt onder de CAO voor Rijksambtenaren waarin een 36-urige werkweek als voltijds dienstverband wordt aangemerkt. Indien het dienstverband van een management-lid of bestuurder bij de betrokken organisatie minder dan 36 uur per week betreft, wordt het bezoldigingsmaximum van EUR 168.000 pro-rato verlaagd en gerelateerd aan de deeltijdfactor van het dienstverband (omvang aanstelling / 36 * EUR 168.000). Wanneer de organisatie de deeltijdfactor verstrekt in de subsidieaanvraag, is dit het uitgangspunt voor de berekening van het verlaagde bezoldigingsmaximum. Wanneer de deeltijdfactor niet wordt verstrekt, wordt uitgegaan van een omvang van een voltijds dienstverband van 36 uur.

    • B. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van mede-indieners gevestigd in één van de doellanden staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.7: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn in staat tot een adequaat financieel beheer. De penvoerder kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

  • D.8: Het programma betreft activiteiten gericht op één doelland: Afghanistan, Colombia, DRC, Irak, Jemen, Libië, Syrië of Zuid-Sudan.

  • D.9: De subsidieaanvraag heeft een looptijd van 1 november 2016 tot 31 december 2019. De subsidieaanvraag gericht op Afghanistan, Colombia, DRC, Irak, Libië of Syrië bedraagt € 2 miljoen voor de gehele looptijd. De subsidieaanvraag gericht op Jemen of Zuid-Sudan bedraagt € 1,5 miljoen voor de gehele looptijd.

  • D.10: De penvoerder en mede-indieners werken samen op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen penvoerder en de mede-indieners met daarin een beschrijving van de diverse rollen en meerwaarde van penvoerder, mede-indieners en lokale organisaties binnen het programma, en een toelichting op de overeenkomst waarin duidelijk een gelijkwaardige relatie blijkt tussen de verschillende alliantieleden. Uit de overeenkomst blijkt (in ieder geval) (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd, en (v) de manier waarop de alliantie samenwerkt met de Nederlandse ambassade in het doelland en het de landengroep van het NAP.

  • D.11: Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten.

4.2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de beleidstheorie

De kwaliteit van de beleidstheorie wordt bepaald aan de hand van de volgende maatstaven die betrekking hebben op de elementen die elke beleidstheorie in ieder geval dient te bevatten:

  • P.1: De mate waarin de beleidstheorie een adequate, gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland bevat.

  • P.2: De mate waarin de beleidstheorie een logische uitwerking is van de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan en gebaseerd is op de context-, actor- en conflictanalyse.

  • P.3: De mate waarin de beleidstheorie een adequaat systeem voor monitoring van inputs en outcomes bevat, inclusief indicatoren, dat aansluit bij de visie en doelen van de beleidstheorie.

  • P.4: De mate waarin a) de beleidstheorie expliciet de daaraan ten grondslag liggende vooronderstellingen benoemt en b) de alliantie in staat is tot aanpassing indien blijkt dat deze vooronderstellingen dienen te worden gewijzigd.

4.3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het voorgestelde programma

De kwaliteit van het programma wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria.

  • P.5: De mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld op grond van de volgende factoren:

    • (1) de mate waarin de activiteiten logisch voortvloeien uit de gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland.

    • (2) de mate waarin de activiteiten een logische uitwerking zijn van de beleidstheorie.

    • (3) de mate waarin a) de inhoudelijke focus van de activiteiten gerelateerd is aan de beleidstheorie in het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid en b) de activiteiten bijdragen aan de doelstelling of de subdoelstellingen van dit beleidskader. De doelstelling is: het stimuleren van structurele verandering van normen, wetten en instituties, zodat vrouwen en mannen gelijke kansen en rechten hebben en volwaardig kunnen deelnemen aan vredesopbouw en wederopbouw. Subdoelen zijn: de mate waarin de activiteiten zich richten op alle drie de onderling samenhangende subdoelen: (1) bescherming van vrouwen en meisjes in conflict- en post-conflictsituaties, (2) het bestrijden van gender normen, die obstakels voor duurzame vrede zijn en (3) het creëren van gelijke deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, hulpverlening en wederopbouw.

  • P.6: De mate waarin het programma complementair is aan andere activiteiten die in het doelland worden ondernomen door de alliantie, andere ngo’s en multilaterale instellingen.

  • P.7: De mate waarin het programma bijdraagt aan capaciteitsontwikkeling van de partners in het doelland. Capaciteitsontwikkeling richt zich op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer en op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen.

  • P.8: De mate waarin lokale partners effectieve invloed hebben op het programma. Dat blijkt uit deelname van de partners bij de ontwikkeling van het programma, deelname aan de implementatie van het programma en deelname aan evaluatie en bijsturing van het programma.

  • P.9: De mate waarin sprake is van een adequaat risicomanagement. Het risicomanagement bestaat uit een risicoanalyse, mitigerende maatregelen en een systeem van monitoring van risico’s.

  • P.10: De mate waarin het programma is uitgewerkt in SMART geformuleerde outcomes, beoogde outputs en voorgenomen activiteiten.

  • P.11: De mate waarin het programma is voorzien van een helder en realistisch verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen.

Hoofdstuk 5. Monitoring en evaluatie

Reguliere monitoring van de voortgang vindt plaats op basis van de goedgekeurde beleidstheorie en het programma inclusief de begroting. Het afleggen van verantwoording over de besteding van de verkregen middelen per programma vindt jaarlijks plaats op basis van open data conform de IATI-standaarden. Van de penvoerder wordt verwacht de IATI-ontwikkelingen te volgen en hun verantwoording conform in te richten. De penvoerder stelt jaarlijks een financiële rapportage op.

Meten, analyseren en monitoren van de outcome van het Nationaal Actieplan 1325 is een moeilijke taak en een belangrijke verantwoordelijkheid. Om de outcomes van de activiteiten in onze doellanden te evalueren, ontwikkelen de penvoerders een landenspecifieke monitoring en evaluatie (M&E) op basis van een aantal vooraf gedefinieerde specifiek, meetbaar, haalbaar, realistisch en tijdgebonden (SMART) indicatoren die aansluiten bij de beleidstheorie. In de begroting van het programma wordt door de penvoerders een reservering gemaakt voor monitoring en evaluatie op landenniveau.

Om te leren van ervaringen, om de wisselwerking met het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te versterken en om tussentijdse terugkoppeling van de resultaten van monitoring en evaluatie naar de uitvoering mogelijk te maken, vindt jaarlijks een beleidsoverleg plaats met alle penvoerders, alliantiepartners en hun lokale partners. Dit beleidsoverleg geeft organisaties ook de mogelijkheid om onderling ervaringen uit te wisselen. Tijdens dit overleg vinden per doelland ook landensessies plaats met de landengroepen van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid. De opzet en inhoud van dit overleg zal door het ministerie in nauwe samenwerking met de penvoerders worden uitgewerkt.

Bijlage 2. Annexen

  • 1. Aanvraagstramien

  • 2. COCA

  • 3. Verkorte COCA

  • 4. Sjabloon begroting

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier is geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [2]

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [3]

    Kamerstuk 2011–2012, 32 735, nr. 39

  • ^ [4]

    Kamerstuk 2015–2016, 26 150, nr. 150

  • ^ [5]

    Capaciteitsontwikkeling richt zich enerzijds op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer. Anderzijds richt deze zich op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen. Deze kernbekwaamheden zijn: zich verbinden aan een bepaald doel en daarnaar handelen, resultaten behalen, relaties aangaan met externe stakeholders, zich aanpassen wanneer nodig en coherent handelen.

  • ^ [6]

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties