Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie [...] Zaken 2006 (Mine Action en Clustermunitie 2016–2020)[Regeling vervalt per 01-09-2020.]

Geldend van 31-03-2016 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 22 maart 2016, nr. MINBUZA-2016.171478, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mine Action en Clustermunitie 2016–2020)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van ontmijnen en het verwijderen van clustermunitie, die strekken tot het bevorderen van vrede en veiligheid na afloop van een gewapend conflict (Mine Action en Clustermunitie 2016–2020), gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van Mine Action en Clustermunitie 2016–2020 geldt voor de periode vanaf 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2020 een subsidieplafond van € 35 miljoen.

Artikel 3

  • 1 Aanvragen voor een subsidie in het kader van Mine Action en Clustermunitie 2016–2020 worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 26 mei 2016, 16.30 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2020, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, uitgezonderd annex 3A en 3B, in de Staatscourant worden geplaatst. De annexen 3A en 3B bij de bijlage zullen op internet, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties, worden geplaatst.

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

A.C.C. Rebergen

Bijlage

Inhoudsopgave

1.

Algemeen

 

1.1

Inleiding en achtergrond

 

1.2

Beleidsrelevantie

 

1.3

Doelstelling en geografische prioriteiten

     

2.

Procedure

 

2.1

Voor wie zijn de subsidies bestemd?

 

2.2

Beoordelingscriteria

 

2.3

Beoordeling

 

2.4

Verdeling beschikbare middelen

     

3.

Eisen aan de aanvraag en indiening

 

3.1

Instructies voor het opstellen van aanvragen

 

3.2

Instructies voor het indienen van aanvragen

 

3.3

Procedure voorafgaand aan de besluitvorming

     

4.

Beoordelingscriteria

 

4.1

Drempelcriteria

 

4.2

Track record criteria

 

4.3

Programmavoorstel criteria

 

4.4

Overige

     

Annex 1: Lijst van prioritaire landen

Annex 2: BZ Corporate Rates

Annex 3A: Theory of Change

Annex 3B: Diagram Theory of Change

1. Algemeen

1.1. Inleiding en achtergrond

Na afloop van een gewapend conflict leiden achtergebleven explosieve oorlogsresten (ERW) zoals landmijnen en clustermunitie vaak tot langdurige onveiligheid voor burgers.2 Ook belemmert dit het op gang komen van de nodige humanitaire hulp en de toegang van burgers tot voedsel, water en andere basisbehoeften. Onveiligheid door explosieve oorlogsresten vormt tevens een belemmering voor vluchtelingen en ontheemden om terug te keren naar huis. Stabilisatie, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling lopen gevaar zolang explosieve oorlogsresten als landmijnen, clustermunitie en Improviced Explosive Devices (IED’s) niet zijn geruimd en de bevolking niet op de hoogte is van de risico’s.

De afgelopen jaren is veel vordering gemaakt met het ruimen van ERW. Helaas zijn landmijnen en ERW nog een groot probleem in 57 landen en 4 andere gebieden. Ook in de meest recente conflicten zijn veiligheidsrisico’s voor burgers door ERW groot. Daarom is ook voor de komende jaren een grote inspanning nodig om ERW te ruimen. Een grote uitdaging is met name het gebruik van landmijnen door non-state armed actors in landen als Afghanistan, Colombia, Irak, Libië, Myanmar, Pakistan, Syrië, Tunesië, Oekraïne en Jemen. Daarnaast worden door de overheden van Syrië, Noord-Korea en Myanmar (allen geen lid van het Ottowa-verdrag) nog landmijnen gebruikt. 3

Nederland is een van de aanjagers om internationaal krachten te bundelen om tot een mijnvrije wereld te komen voor 2025 als onderdeel van het Nederlandse geïntegreerde beleid op het gebied van veiligheid, stabiliteit en wederopbouw na conflict. Nederland is een belangrijke donor op dit gebied en streeft er naar jaarlijks € 15 miljoen beschikbaar te stellen voor ontmijning. 4 Naast het financieren van NGO’s via het mine action en cluster munitie programma draagt Nederland bij aan het Voluntary Trust Fund van UNMAS via ongeoormerkte bijdragen. Ook financierde Nederland buiten het programma om emergency respons projecten in landen waar een urgente behoefte ontstond aan inzet op mine action. Met Nederlandse financiering hebben NGO’s tussen 2012 en 2014, 42.618.091 m2 land ontmijnd en hebben 458.908 mensen voorlichting gehad over de gevaren en risico’s van ERW.5

Mine action wordt gedefinieerd als het uitvoeren van activiteiten met als doel de sociale, economische en ecologische impact van landmijnen en andere explosieve oorlogsresten, inclusief niet-geëxplodeerde sub-munitie te verminderen. Mine action gaat niet alleen over ontmijning. Het gaat ook over mensen en samenlevingen en hoe zij getroffen worden door aanwezigheid van ERW. 6

Mine action richt zich op vijf categorieën activiteiten:

  • 1. Mine Risk Educatie: voorlichting en bewustwording lokale bevolking over risico’s van EWR.

  • 2. Ontmijning: activiteiten gericht op het bruikbaar maken van besmette grond door middel van in kaart brengen (survey), detecteren, markeren en ruimen.

  • 3. Slachtofferhulp: hulp aan slachtoffers en families, inclusief rehabilitatie en re-integratie

  • 4. Voorraadvernietiging: vernietiging van voorraden landmijnen en ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten.

  • 5. Advocacy – lobby tegen het gebruik van anti-persoonsmijnen en clustermunitie.

Nederland onderkent de noodzaak om de mine action sector te integreren in stabilisatie, wederopbouw en ontwikkelingssamenwerking. Met het ondertekenen en ratificeren van het Verdrag tegen Antipersoneelsmijnen (Ottawa-verdrag), het Verdrag over Clustermunitie (Oslo-verdrag) en Protocol V van de Convention on Certain Conventional Weapons (CCW) heeft Nederland zich gecommitteerd om landen te ondersteunen die zelf minder goed in staat zijn mine action activiteiten te ontplooien. Dit bevat ondersteuning bij het opruimen van ERW, vernietigen van voorraden landmijnen en cluster munitie en hulp aan slachtoffers van ERW.

1.2. Beleidsrelevantie

Explosieve oorlogsresten als landmijnen en clustermunitie vormen niet alleen een veiligheidsprobleem, maar ook een barrière voor sociaaleconomische ontwikkeling. In de nota ‘Wat de wereld verdient’7 maakt Nederland zich sterk voor het uitbannen van extreme armoede, genderongelijkheid en het bereiken van duurzame en inclusieve groei overal ter wereld. Echter, landen die te maken hebben met instabiliteit of gewapend conflict, tekortschietend bestuur en onderontwikkeling, vaak in een vicieuze cirkel, zijn grotendeels achtergebleven bij het behalen van de mondiale ontwikkelingsdoelen. Ook zien we in deze landen een toenemende concentratie van extreme armoede8 en een achteruitgang in de rechten en rechtsbescherming van vrouwen. 9 Niet alleen ontbreekt het burgers daar aan bestaansmiddelen en basisvoorzieningen, ook hun fysieke veiligheid wordt in situaties van wetteloosheid of gewapend conflict op vele manieren bedreigd.

Om een bijdrage te leveren aan het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie zet Nederland zich, via het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde (V&R) in op vijf beleidsdoelstellingen. Centraal uitgangspunt is dat de veiligheid van mensen voorop staat, dus niet die van staten. Dit perspectief vraagt om een overheid en rechtsorde die burgers centraal stelt, om sociale cohesie en om inclusieve processen. Het overkoepelende doel luidt dan ook: Het bevorderen van ‘legitieme’ stabiliteit in fragiele landen ter oplossing en voorkoming van gewelddadig conflict, voor de bescherming van mensen en als basis voor duurzame ontwikkeling.

Nederland onderschrijft hiermee de vijf doelstellingen op het gebied van staats- en vredesopbouw die tijdens het vierde High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (2011) internationaal zijn overeengekomen.10 Het speerpunt V&R is in 2015 verder uitgewerkt in een Theory of Change (zie Annex 3A en 3B) met onderstaande beleidsdoelstellingen:

  • 1. verbeterde veiligheid voor mensen,

  • 2. een functionerende rechtsorde,

  • 3. inclusieve politieke processen,

  • 4. legitieme en capabele overheden en

  • 5. gelijke toegang tot werkgelegenheid en basisvoorzieningen.

Hoewel de effecten van EWR indirect betrekking hebben op alle genoemde doelstellingen, valt Nederlandse inzet op humanitair ontmijnen het meest direct binnen de eerste doelstelling van het speerpunt V&R, verbeteren van veiligheid van mensen. Deze doelstelling is gebaseerd op de aanname dat de behoefte van mensen aan fysieke veiligheid een basisbehoefte is die alle andere behoeften overschaduwt (piramide van Maslov). Burgers die zich veilig voelen zullen zelf meer investeren in ontwikkeling en stabiliteit en minder prikkels ervaren om zich aan te sluiten bij extremistische partijen of te vluchten.

Het bevorderen van veiligheid en rechtsorde, onder meer in fragiele staten en conflictgebieden, is eveneens van belang voor het behalen van de onlangs internationaal overeengekomen Sustainable Development Goals (vooral doel 16), de bescherming van mensenrechten en het bredere veiligheidsbeleid (GVDB). In fragiele landen en conflictsituaties zullen dan ook eerst de voorwaarden, waaronder voldoende veiligheid, moeten worden geschapen voordat een effectieve bijdrage aan duurzame ontwikkeling geleverd kan worden.

De aanpak van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie maakt onderdeel uit van de integrale aanpak die het kabinet heeft voorgesteld in de aanpak van de Europese asielproblematiek.11 Tegelijkertijd draagt het bij aan het verbeteren van de opvang in de regio die in het kader van diezelfde aanpak door het kabinet is voorgesteld.12 De inzet op humanitair mine action draagt in dit kader bij aan veiligheid van ontheemden en het wegnemen van drempels voor sociaaleconomische ontwikkeling.

Nederland blijft zich inzetten voor een mijnvrije wereld en het creëren van een veilige basis voor ontwikkeling en presenteert daarom het Mine Action en Cluster Munitie Programma 2016–2020. Voor dit programma stelt de Minister van Buitenlandse Zaken voor de periode 2016–2020 maximaal € 45 miljoen beschikbaar vanuit het Stabiliteitsfonds. Hiervan is € 10 miljoen bestemd voor emergency respons projecten, deze middelen zullen in een later stadium aan de geselecteerde partners worden toegekend.

1.3. Doelstelling en geografische prioriteiten

Doelstelling

Het openstellen van het Mine Action en Cluster Munitie Programma 2016–2020 valt onder het beleidsspeerpunt Veiligheid en Rechtsorde; en specifiek onder de eerste en derde sub-doelstelling. De doelstellingen onder deze sub-doelstelling zijn:

  • 1.1. Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd.

  • 1.2. Instanties die verantwoordelijk zijn voor veiligheid voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de veiligheidsbehoefte van burgers en leggen verantwoording af.

  • 1.3. Lokale gemeenschappen en civil society dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en een cultuur van vreedzaamheid.

  • 1.4. Grensoverschrijdende oorzaken van conflict zoals georganiseerde misdaad en illegale geldstromen en handel in wapens en conflictgoederen worden teruggedrongen via een geïntegreerde benadering.

Voorstellen dienen de subdoelstellingen 1.1 en 1.3 na te streven. De activiteiten moeten bijdragen aan veiligheid en stabiliteit voor inwoners van de gekozen landen, sociaal economische wederopbouw en lokale capaciteitsopbouw om te waarborgen dat activiteiten een blijvende impact houden.

Prioritaire landen

Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dienen activiteiten te worden uitgevoerd in de prioritaire regio’s (zie annex 1). De prioritaire regio’s vanuit het oogpunt van instabiliteit, human security en ontwikkeling zijn: het Midden Oosten en Noord-Afrika (MENA), Sahel, Hoorn van Afrika, het Grote Meren gebied en de volgende landen: Colombia, Afghanistan en Pakistan.

NGO’s zijn ertoe verplicht minimaal 80% van deze subsidie te besteden in deze voor Nederland prioritaire landen. Maximaal 20% van de financiering kan naar eigen inzicht worden ingezet in landen waar de landmijnenproblematiek een grote bedreiging vormt. Deze landen ervaren dat explosieve oorlogsresten als landmijnen en cluster munitie een belemmering vormen voor stabiliteit en een veilige terugkeer van ontheemden en vluchtelingen, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling. Voorstellen dienen betrekking te hebben op minimaal 2 landen.

Ottawa-verdrag en Oslo-verdrag

Nederland streeft ernaar dat de activiteiten worden uitgevoerd in landen die de Ottowa- en Oslo-verdragen hebben ondertekend en geratificeerd.13 Ook dient de lokale overheid zich verantwoordelijk te voelen voor het ruimen van landmijnen en clustermunitie dat zich tenminste vertaalt in het bestaan van een coördinatiemechanisme voor mine action, bij voorkeur ook in wetgeving op het gebied van mine action en idealiter in verankering in een nationale strategie voor mine action, ontwikkeling of armoedebestrijding, zoals een Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP).

Emergency response

Binnen het Mine Action en Cluster Munitie programma 2016–2020 zal er ruimte zijn voor het inzetten van Mine Action voor emergency response. Hiervoor zal € 10 miljoen (€ 2,5 miljoen per jaar) van het totale budget (€ 45 miljoen) gereserveerd worden. Met emergency response inzet kan het hoofd geboden worden aan plotselinge intensivering van de problematiek in een van de prioritaire landen of in een overig land, gerelateerd aan nieuwe geografische gebieden die in de toekomst beschikbaar komen voor mine action activiteiten. Het overeenkomende budget kan op twee verschillende manieren worden vrijgemaakt:

  • a) Op verzoek van de Minister, die een zogeheten flash-call for proposals kan doen ten behoeve van specifieke gebieden;

  • b) Op basis van suggesties gedaan door de geselecteerde partners, en als aanvulling op andere donoren (bijvoorbeeld de Europese Unie). In dergelijke gevallen zal de Minister het voorstel evalueren in het licht van zijn beleidsprioriteiten.

De overeenkomstige bijdragen worden administratief opgetopt binnen de reeds lopende subsidies.

Gender

De impact van conflict is voor mannen en vrouwen vaak niet gelijk. Vrouwen hebben vaak minder zeggenschap over vraagstukken van vrede en veiligheid. Om de fysieke veiligheid van mannen en vrouwen te vergroten is kennis over de onderscheidende perspectieven, behoeften en rollen van mannen en vrouwen onontbeerlijk. Veiligheid is namelijk niet gender-neutraal. Bevorderen van gelijkwaardige deelname van vrouwen aan ontmijningsprogramma’s is voor Nederland belangrijk.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen is dan ook van belang dat de positie van vrouwen als actor bij stabilisatie, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling wordt versterkt.14

2. Procedure

Aanvragen dienen opgesteld te worden op basis van dit beleidskader met gebruikmaking van het verplichte aanvraag formulier. Dit beleidskader vormt tevens de basis voor de beoordeling van de aanvragen.

Dit nieuwe programma is in opvolging van het Humanitair Ontmijnen en Cluster Munitie Programma 2012–2016 dat in oktober 2015 is geëvalueerd. Mede op basis van de aanbevelingen uit de evaluatie is besloten om weer een meerjarig programma op te zetten. De conclusies en aanbevelingen zijn meegenomen in dit beleidskader. Meerjarige programma’s geven NGO’s de mogelijkheid hun werk efficiënter en effectiever uit te voeren. Het programma zal starten op 1 september 2016 en loopt tot en met 31 augustus 2020. De duur van de subsidie dient tussen de 36 maanden (minimum) en 48 maanden (maximum) te liggen. Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dient het programma waarvoor subsidie wordt gevraagd niet eerder te starten dan 1 september 2016.

2.1. Voor wie zijn de subsidies bestemd?

In aanmerking voor subsidie komen zelfstandige maatschappelijke organisaties, met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die gespecialiseerd zijn in mine action en die op een resultaatgerichte manier bezig zijn met het bevorderen van menselijke veiligheid, stabilisatie, wederopbouw en sociaal-economische ontwikkeling15.

De aanvraag dient zich te richten op ten minste drie van de volgende vier categorieën van activiteiten:

  • 1. Clearance (door detecteren, in kaart brengen, markeren en ruimen) van landmijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie16;

  • 2. Vernietigen van voorraden mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (inclusief ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten);

  • 3. Hulp aan slachtoffers en families van landmijnen en ERW inclusief rehabilitatie en re-integratie;

  • 4. Mine Risk Education aan bevolking over risico van landmijnen en ERW, UXO, AXO en clustermunitie.

Nederland is een sterke voorstander van innovatie binnen mine action activiteiten, in thematische zin of door verbetering van de interventie strategie (verbeteren van de effectiviteit van het programma) of door verbeteren efficiëntie bij het implementeren van programma’s. Nederland moedigt NGO’s aan om hun kennis de delen via open-sources om bij te dragen aan innovatie en efficiëntie in de gehele mine action sector.

Organisaties kunnen zelfstandig een subsidievraag indienen of deel uitmaken van een alliantie van penvoerder en mede-indieners. De penvoerder dient in dat geval namens de alliantie een aanvraag voor het programma in. Als de aanvraag wordt goedgekeurd is de penvoerder verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de uitvoering van het programma van de alliantie en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. In een alliantie kunnen alleen maatschappelijke organisaties zoals eerder genoemd, deelnemen. Een organisatie kan één aanvraag indienen als penvoerder.

Organisaties welke betrokken zijn of waren bij de illegale handel in landmijnen of wapens, of de productie ervan, zijn uitgesloten van subsidieverlening binnen dit programma. Hetzelfde geldt voor commerciële ontmijningsbedrijven. Deze bedrijven kunnen zich rechtstreeks wenden tot UNMAS die in de landen waar zij werkzaam is gebruik maakt van aanbesteding.

2.2. Beoordelingscriteria

Organisaties die een subsidie aanvragen moeten aan bepaalde criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Er zijn twee soorten criteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria met betrekking tot de aanvrager en met betrekking tot het voorstel waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere van de drempelcriteria, wordt de aanvraag afgewezen (drempeltoets).

  • 2. Kwalitatieve criteria: criteria met betrekking tot de kwaliteit van het programma (programma toets) en het track record.

De eerste fase bestaat uit een controle op de drempelcriteria. Voor de tweede fase worden alleen de voorstellen bekeken die voldoen aan de drempelcriteria.

Een nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 4.

2.3. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die op basis van deze toets de meeste punten scoren, komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 12 juli 2016.

2.4. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats op basis van de uitkomsten van de kwalitatieve beoordeling van de aanvragen welke de drempeltoets zijn doorgekomen. Om voor een subsidie in aanmerking te kunnen komen zal een toetsing aan de criteria van dit beleidskader met een voldoende resultaat moeten zijn afgesloten.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen vervolgens plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen naar aanleiding van de uitkomsten van de Programma toets. Bij de uiteindelijke verdeling van de middelen zal de mate waarin een aanvraag wordt gehonoreerd gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de criteria wordt voldaan. Tevens zal bij de besteding van de beschikbare middelen rekening gehouden met geografische spreiding.

3. Eisen aan de aanvraag en indiening

Organisaties die in aanmerking willen komen voor subsidie binnen het Mine Action en Cluster Munitie Programma 2016–2020 dienen de volgende stukken in: (1) een aanvraagformulier, (2) een trackrecord en (3) een programmavoorstel. Alle delen moeten volgens voorgeschreven opzet worden aangeleverd.

3.1. Instructies voor het opstellen van aanvragen

  • Aanvragers zijn verplicht het aanvraagformulier17 volledig in te vullen om ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke informatie voor de drempeltoets wordt aangeleverd. Er is geen maximaal aantal pagina’s voor dit deel van de aanvraag. De drempeltoets bestaat uit twee delen: 1) een toets met betrekking tot de aanvrager/penvoerder en mede-indieners en 2) een toets met betrekking tot het voorstel. De criteria met betrekking tot de drempeltoets zijn te vinden in hoofdstuk 4.1 van dit beleidskader.

  • Het trackrecord dient te worden opgesteld aan de hand van daarvoor beschikbaar gestelde format18 en dient ten minste te refereren aan alle onderdelen genoemd onder 4.2 van dit beleidskader. Het track record mag per casus niet meer dan zes pagina’s bevatten, exclusief voorblad, toelichtingen, het eerste deel van het aanvraagformulier (duur en intensiteit), de checklists en verplichte bijlages bij het track record.

  • Het programmavoorstel moet een voorblad bevatten. Het beschikbare sjabloon moet gebruikt worden en moet alle onderdelen bevatten die beschreven staan in hoofdstuk 4.3 van dit beleidskader. Het programmavoorstel moet bestaan uit een gedetailleerde, meerjarige begroting en een liquiditeitsprognose voor de eerste 12 maanden van het programma. In het geval dat de aanvraag gedaan wordt door een alliantie dient uit de begroting duidelijk op te maken te zijn hoe het bedrag verdeeld wordt onder de leden van de alliantie.

  • Als onderdeel van het programmavoorstel dienen aanvragers/allianties voor elk betrokken land in het programmavoorstel een apart plan in te dienen.

  • Deze plannen voor specifieke landen mogen niet langer zijn dan 15 pagina’s. In totaal mag het programmavoorstel niet langer zijn dan 70 pagina’s, inclusief verduidelijkingen en checklists maar exlusief de landenplannen.

  • Aanvragen dienen op A4 formaat te worden aangeleverd in lettertype Verdana 9 (of een vergelijkbaar lettertype van vergelijkbare grootte), met enkele regelafstand en normale marges (2,54 cm aan alle kanten).

  • Aanvragen inclusief de bijbehorende bijlagen moeten in het Nederlands of Engels ingediend worden.

  • Stel het budget op in de (één) valuta waarin ook daadwerkelijk gerapporteerd wordt. Dit is over het algemeen de valuta waarin de jaarrekening van de organisatie wordt opgesteld. Het equivalent in Euro’s van deze valuta wordt bepaald op basis van de corporate rates van de Nederlandse overheid (zie annex 2).

  • Alle, in het kader van het beleidskader, gevraagde informatie dient duidelijk te worden opgenomen in de aanvraag of de bijlagen. In het laatste geval dient de aanvrager specifiek te refereren naar de relevante bijlage, pagina nummer en paragraaf waar de gevraagde informatie gevonden kan worden. Verwijzingen naar websites worden niet geaccepteerd.

3.2. Instructies voor het indienen van aanvragen

  • De aanvragen dienen volledig en definitief te zijn en moeten door een officieel tekenbevoegde persoon zijn ondertekend. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • De aanvragen, ingediend door een alliantie, dienen een samenwerkingsovereenkomst te bevatten, die door alle organisaties in de alliantie is ondertekend. De componenten, die minimaal moeten worden opgenomen in de overeenkomst, zijn vermeld in hoofdstuk 4.1. D.1.B.

  • De volledige aanvraag moet door het ministerie van Buitenlandse Zaken uiterlijk donderdag 26 mei 2016 om 16:30 (Nederlandse tijd) zijn ontvangen.

  • Aanvragen dienen digitaal ingediend te worden in Adobe PDF-bestandsformaat19 en per e-mail verzonden worden naar DHS-HMAPROGRAM@minbuza.nl. Het onderwerp van de e-mail dient als volgt worden opgesteld: naam aanvrager_ titel van het voorstel.

  • Aanvragen kunnen ook worden verzonden per post naar: DSH PROGRAM, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Postbus 20061 EB, Den Haag, Nederland. In geval aanvragen per post worden ingediend, dienen de documenten ook op een USB-stick te worden aangeleverd.

  • Vragen over het beleidskader en de aanvraagformulieren dienen per email naar DSH-HMAPROGRAM@minbuza.nl gestuurd te worden voor woensdag 13 april 2016, 12:00 uur, Nederlandse tijd. De geanonimiseerde vragen met antwoorden zullen online gepubliceerd worden voor vrijdag 29 april 2016 vóór 23:59, Nederlandse tijd.20

  • Met betrekking tot de aanvraagprocedure, wordt bijzondere aandacht gevestigd op artikel 7, paragraaf 3 van het regeringsbesluit (Decreet) voor subsidies van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Wanneer een onvolledige aanvraag is ingediend, kan de minister een supplement opvragen. In dit geval zal de datum van ontvangst van de aanvraag worden vastgesteld op de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien de aanvraag minder dan twee weken voor de deadline van 26 mei 2016, 16:30, Nederlandse tijd wordt ingediend, loopt de aanvrager het risico dat, wanneer de aanvraag niet compleet is, de minister zijn discretionaire bevoegdheid niet zal gebruiken, om een supplement op te vragen. Deze kan dan immers niet meer vóór de deadline worden ingediend. In dat geval zal de aanvraag moeten worden beoordeeld in zijn oorspronkelijk ingediende vorm.

3.3. Procedure voorafgaand aan de besluitvorming

De beoordeling van de aanvragen wordt op ambtelijk niveau uitgevoerd door een beoordelingscommissie, bestaande uit tenminste twee medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken en eventueel een externe consultant. De procedure is gebaseerd op de wetgeving inzake de toekenning van subsidies door de minister en dit subsidiebeleidskader. De minister zal uiterlijk 12 juli 2016 over de subsidieaanvragen beslissen.

4. Beoordeling van de aanvragen

4.1. De drempelcriteria

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder in behandeling genomen. Deze criteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

Drempelcriteria m.b.t. de aanvrager

  • D.1

    • A. De aanvrager (of in geval van een alliantie: de penvoerder) en mede-aanvragers zijn een maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid en gespecialiseerd in activiteiten op het gebied van mine action. De aanvrager/penvoerder dient de statuten van de organisaties bij te voegen, vertaald in het Engels of het Nederlands, om dit aan te tonen.

    • B. In het geval van een alliantie omvat de aanvraag een, door alle alliantieleden, getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop besluitvorming plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de penvoerder de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages.

  • D.2 De aanvrager/penvoerder heeft in de afgelopen vijf jaar (2011–2015) ten minste drie jaar ervaring met het uitvoeren van programma’s in het doelland of regio voor een budget van minimaal € 500,000 per jaar (gemiddeld).

  • D.3

    • a. De activiteiten van de penvoerder sluiten bij de uitvoering aan bij de National Mine Action Authority (NMAA) of equivalent, indien deze bestaat in het desbetreffende land.

    • b. Daarnaast voert de penvoerende organisatie mine action activiteiten uit in lijn met de internationaal geldende mine action standards (IMAS), inclusief de UN Gender guidelines voor ontmijningsprogramma’s.

  • D.4 De aanvrager/penvoerder maakt aannemelijk dat gedurende de periode 1 september 2016 – 1 september 2020 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen (incl. Ambassades). Subsidies in het kader van het programma ‘Mine Action en Clustermunistie 2016–2020’ zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de organisatie.

    • Indien de aanvrager penvoerder is voor een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere mede-indiener in de alliantie.

    • Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de eigen inkomsten (maar wel bij het bepalen van de jaarlijkse inkomsten). De aanvrager onderbouwt de aannemelijkheid hiervan aan de hand van de inkomsten over de periode 2012–2015.

  • D.5

    • A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in de EU bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor de subsidie wordt aangevraagd per kalenderjaar ten hoogste € 168,000 op grond van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, een 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a. Voor EU lidstaten die geen gebruik maken van de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De corporate rates zijn toegevoegd als annex 2 bij het beleidskader.

    • B. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS)21 geldt voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners gevestigd in de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen22:

      a.

      Noorwegen:

      NRK 2,153,538

      EUR 228,275

      b.

      Zwitserland:

      SFR 227,547

      EUR 207,750

      c.

      Japan:

      YEN 22,192,867

      EUR 168,000

      d.

      VS/Canada:

      USD 207,205

      EUR 189,800

    • C. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in landen anders dan EU lidstaten, Noorwegen, Zwitserland, Japan, de VS en Canada staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.6 De aanvrager/penvoerder is in staat tot adequaat financieel beheer en kan door ervaring met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

Drempelcriteria met betrekking tot het voorstel

  • D.7 De minimale looptijd van de subsidieaanvraag bedraagt 36 maanden en maximaal 48 maanden. De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 7 miljoen en maximaal € 12 miljoen en heeft een maximale looptijd van 4 jaar. Bij een kortere looptijd zijn het minimale en maximale bedrag van de subsidieaanvraag naar rato lager.

  • D.8 De activiteiten starten niet eerder dan 1 september 2016 en worden afgerond uiterlijk op 31 augustus 2020.

  • D.9 De activiteiten worden uitgevoerd in / zijn gericht op tenminste twee van de landen opgenomen in de bij deze beleidsregels behorende landenlijst (zie annex 1).

  • D.10 Minimaal 80% van de middelen die zijn aangevraagd voor de uitvoering van de activiteiten wordt besteed in minimaal twee gekozen landen van de landelijst uit annex 1.

  • D.11 De subsidieaanvraag richt zich op de algemene doelstelling van het ‘mine action en clustermunitie 2016–2020’-programma en de ontmijningsactiviteiten dragen bij aan human security, stabilisatie, wederopbouw en sociaal-economische ontwikkeling en het doelland. De activiteiten richten zich op ten minste drie van de volgende vier categorieën van activiteiten:

    • 1. Ruimen van mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (door detecteren, in kaart brengen, markeren en ruimen);

    • 2. Vernietigen van voorraden mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (inclusief ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten);

    • 3. Hulp aan slachtoffers en families, inclusief rehabilitatie en re-integratie;

    • 4. Activiteiten gericht op bewustwording en educatie van de lokale bevolking over risico van mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie.

  • D.12 Voor zover het programma activiteiten uit de eerste categorie, genoemd onder D.11, bevat wordt daarbij gewerkt met één van beide of beide volgende ontmijningstechnieken:

    • 1. Handmatige detectie, ondersteund door mechanische middelen. Het gaat daarbij om handmatige detectie (detector en prikstok) die wordt ondersteund door mechanische middelen zoals al dan niet gepantserde maai- en graafmachines, zogenaamde 'steel wheels', rollers, zeeftrommels, trilband- en vlegelmachines.

    • 2. Toolbox. Daarbij wordt het juiste instrument gekozen bij ieder specifiek probleem. De opleiding en inzet van detectiehonden (of -ratten) en andersoortige innovatieve elementen in het kader van een programma waarin mijnenruiming centraal staat kan eveneens in aanmerking komen voor subsidie.

  • D.13 De activiteiten betreffen geen:

    • Initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

    • Financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;

    • Organisatie van conferenties;

    • Activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

    • Activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen;

    • Activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop de tender waarvoor een aanvraag wordt ingediend betrekking heeft.

4.2. Track record criteria

Bij het trackrecord wordt de kwaliteit van de track record en het programmavoorstel beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria:

  • T.1 De mate waarin de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners:

    • beschikt over relevante ervaring t.a.v. het werken op thema humanitair ontmijnen en clustermunitie in de voorgestelde landen/regio’s.

    • in geval van een samenwerkingsverband: beschikt over relevante ervaring t.a.v. het werken in het samenwerkingsverband namens welke de aanvraag wordt ingediend.

  • T.2 Gebaseerd op de resultaten behaald in de laatste 3 jaar, de mate waarin:

    • 1. de aanvrager/penvoerder en mede-indieners in staat zijn geplande outputs en outcomes en interventiestrategie/interventielogica te realiseren en dit te staven door middel van onafhankelijk onderzoek;

    • 2. duurzaamheid is gewaarborgd binnen de programma’s;

    • 3. partners betrokken waren bij (1) de voorbereiding, (2) de uitvoering, (3) monitoring (4) de verantwoording richting begunstigden en (5) de mate waarin hun capaciteiten versterkt zijn;

    • 4. de doelgroep betrokken was bij (1) de voorbereiding, (2) de uitvoering en (3) de monitoring en (4) verantwoording aan de doelgroep;

    • 5. de aanvrager/penvoerder en mede-indieners de voortgang van de geplande resultaten hebben gemeten, veranderingen in de brede omgeving in kaart hebben gebracht en waar nodig activiteiten en/of strategie hebben bijgestuurd;

    • 6. het programma complementair was aan inspanningen van andere actoren, toegevoegde waarde had voor het doelland en coördinatie met andere organisaties en/of de overheid heeft plaatsgevonden;

    • 7. het programma gender-sensitief of gender-transformatief was;

    • 8. een conflict-sensitieve invulling is gegeven aan de rol die door de aanvrager/penvoerder vervuld werd.

4.3. Criteria m.b.t. Programmavoorstel

Bij de programmatoets wordt de kwaliteit van het programmavoorstel beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria:

A. Beleidsmatige criteria programmavoorstel

  • P.1 De mate waarin het voorgestelde programma bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de minister op het thema mine action en clustermunitie. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:

    • a) Ontwikkelingsrelevantie: De mate waarin de activiteiten bijdragen aan de stabiliteit en sociaal-economische ontwikkeling in prioritaire landen/regio’s (zie landenlijst annex 1).

    • b) Relevantie voor het doel van deze tender: de mate waarin de mine action activiteiten bijdragen aan vrede en veiligheid. In het bijzonder hoe door middel van mine action activiteiten en door het opruimen van cluster munitie bijgedragen wordt aan human security en stabiliteit voor mensen en het creëren van voorwaarden voor sociaaleconomische wederopbouw na afloop van een gewapend conflict.

    • c) Gender-sensitief; De mate waarin de activiteiten de positie van vrouwen als actor bij stabilisatie, wederopbouw en sociaal-economische ontwikkeling versterken.

    • d) Relevantie van de gekozen landen buiten de landenlijst (zie annex 1): de mate waarin het voorgestelde programma zich concentreert in die landen waar de problematiek rondom landmijnen en clustermunitie het grootst is.

    • e) Aansluiting: de mate waarin het voorgestelde programma aansluit op de voor mine action relevante onderdelen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde zoals neergelegd in de Theory of Change (zie annex 3A en 3B).

    • f) Meerwaarde: de mate waarin het voorgestelde programma een meerwaarde vormt ten opzichte van het ontwikkelingsbeleid van Nederland of andere donoren (organisaties of landen) in het betreffende land, en/of op activiteiten die in het betreffende land worden ondernomen door Nederland of andere donoren (organisaties of landen).

    • g) Indien het voorstel is ingediend door een samenwerkingsverband, toelichten waarom er gekozen is om in een samenwerkingsverband te werken en de toegevoegde waarde van het samenwerkingsverband ten opzicht van een individuele aanvraag.

  • P.2 Contextanalyses: De mate waarin het voorstel, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een analyse van de context in de voorgestelde regio en voor de voorgestelde doelgroep.

  • P.3 Geintegreede sociaal-economische planning. De aanvrager moet aantonen dat de activiteiten passen binnen de bestaande plannen voor sociaaleconomische rehabilitatie van de post-conflict gemeenschap (terugkeer van vluchtelingen en ontheemden, gezondheidszorg, landbouw, educatie, etc).

  • P.4 Positie en betrokkenheid van de partners binnen het voorstel. De mate waarin:

    • a) de activiteiten bijdragen aan de institutionele capaciteitsopbouw van de partners;

    • b) de partners effectieve invloed hebben gehad op de totstandkoming en inhoud van het voorstel;

    • c) de partners effectieve invloed hebben op de sturing van de activiteiten;

    • d) de partners in de doellanden een eigen bijdrage, financieel en/of inhoudelijk, leveren aan de activiteiten en beoogde resultaten.

  • P.5 Positie en betrokkenheid van de doelgroep binnen het voorstel. De mate waarin:

    • a) de activiteiten bijdragen aan de institutionele capaciteitsopbouw van de doelgroep;

    • b) de doelgroep effectieve invloed heeft gehad op de totstandkoming en inhoud van het voorstel;

    • c) de doelgroep effectieve invloed heeft op de sturing van de activiteiten;

    • d) de doelgroep een eigen bijdrage, financieel en/of inhoudelijk, levert aan de activiteiten en beoogde resultaten

  • P.6 De mate waarin de interventie toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de activiteiten van andere actoren (zoals NGO’s, andere donoren) op het thema van mine action en clustermunitie.

B. Technische criteria programmavoorstel

  • P.7 De mate waarin het voorstel is uitgewerkt in outcomes, outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en is voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen, tussen outcomes en outputs en tussen outcomes en impact.

  • P.8 De mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) zijn uitgewerkt.

  • P.9 De mate waarin het voorstel

    • a) duurzaam resultaat zal hebben voor de doelgroep en,

    • b) bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van partners.

  • P.10 De mate waarin een adequate analyse is gemaakt van de interne en externe risico’s voor de organisatie, activiteiten en resultaten, inclusief stappen die zijn gemaakt om de risico’s zoveel mogelijk te beperken, en de mate waarin er een adequaat systeem voor monitoring en, waar nodig, een adequaat systeem voor bijsturing.

  • P.11 Innovatief karakter

    • a. de mate waarin het voorstel vernieuwend is, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van de effectiviteit van de programma’s) en door efficiencywinst in de uitvoering van de programma’s;

    • b. de mate waarin kennis van innovaties wordt gedeeld via open sources waardoor een bijdrage geleverd wordt aan innovatie en efficiëntie van de gehele mine action sector;

    • c. de mate waarin de activiteiten met zo min mogelijk kosten, met inschakeling van lokale werknemers, bijdragen aan effectieve mijnenruimingsoperaties.

4.4. Overig

Monitoring en evaluatie

De geselecteerde organisaties zullen met het ministerie overleggen over de indicatoren op programmaniveau voor rapportage doeleinden.

De rapportage over de resultaten vindt plaats middels open data, conform de IATI-standaarden23, die vanaf 2016 gelden voor alle subsidie ontvangende partijen.24

Elke organisatie/alliantie dient een eindevaluatie van het programma uit te voeren die de effecten van het programma van de aanvrager/alliantie meet op de overkoepelende doelstelling van het van het Mine Action en Cluster Munitie programma 2016–2020. De aanvrager/alliantie zal de programma-outcomes zoals opgenomen in het programmadocument ten behoeve van de evaluatie moeten voorzien van een baseline.

Annex 1. Prioritaire landenlijst

De landen waarop deze tender is gericht zijn:

Azië
  • Afghanistan

  • Pakistan

MENA regio
  • Irak

  • Jemen

  • Jordanië

  • Libanon

  • Libië

  • Palestijnse Gebieden

  • Syrië

  • Tunesië

Sahel
  • Mali

Hoorn van Afrika:
  • Somalië

  • Zuid-Soedan

Grote Meren gebied:
  • Democratische Republiek Congo

Overig
  • Colombia

Annex 2. Corporate rates Ministerie van Buitenlandse Zaken

Country

Capital

 

Corporate Rate

USA

Washington

USD

0,92

UNITED KINGDOM

Londen

GBP

1,37

AUSTRALIE

Canberra

AUD

0,63

CANADA

Ottawa

CAD

0,672

COLOMBIA

Bogota

COP

0,000286

DENEMARKEN

Kopenhagen

DKK

0,135

IJSLAND

Oslo (Reijkjavik)

ISK

0,00699

JAPAN

Tokio

JPY

0,00744

NED. ANTILLEN

Willemstad

ANG

0,512

NIEUW ZEELAND

Wellington

NZD

0,572

NOORWEGEN

Oslo

NOK

0,105

POLEN

Warschau

PLN

0,237

RUSLAND

Moskou

RUB

0,0137

SERVIE

Belgrado

RSD

0,00848

TSJECHIE

Praag

CZK

0,0368

TURKIJE

Ankara

TRY

0,296

ZUID AFRIKA

Pretoria

ZAR

0,0648

ZWEDEN

Stockholm

SEK

0,106

ZWITSERLAND

Bern

CHF

0,913

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier met bijbehorende verplichte bijlagen is geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [2]

    Dit geldt ook voor Unexploded Ordnance (UXO) en Abandoned Explosive Ordnance (AXO); volgens Protocol V van de Convention on Certain Conventional Weapons (CCW) en het Verdrag over Clustermunitie (CCM).

  • ^ [3]

    Landmine Monitor 2015, http://www.the-monitor.org/media/2152583/Landmine-Monitor-2015_finalpdf.pdf

  • ^ [4]

    Amendement door Ardenne-van Der Hoeven en Apostolou (27 400 V Nr. 17) uit 2000; en toezegging in 2011 in de Eerste Kamer om jaarlijks € 15.000.000 aan ontmijning te besteden.

  • ^ [5]

    Cijfers gebaseerd op resultaten van 2012–2014, cijfers over 2015 zijn nog niet bekend.

  • ^ [6]

    International Mine Action Standards, http://www.mineactionstandards.org/standards/international-mine-action-standards-imas/imas-in-english/.

  • ^ [7]

    Behorend bij de Kamerbrief (Kamerstuk 33 625), 5 april 2013.

  • ^ [8]

    Volgens OESO/DAC woont momenteel 43% van de allerarmsten in de 50 landen op de OESO-lijst van fragiele staten.

  • ^ [9]

    Zie: Coomaraswamy, Radhika e.a., ‘Preventing Conflict, Transforming Justice, Securing the Peace, a Global Study of United Nations Security Council resolution 1325’,UN Women October 2015, http://wps.unwomen.org/en.

    Zie ook: het OECD/DAC rapport: Enhancing the Delivery of Justice and Security, 2005; and Do No Harm: International Support for Statebuilding, Conflict and Fragility Series, 2010.

  • ^ [10]

    De ‘New Deal on Engagement in Fragile States’ kent vijf Peace & Statebuilding goals: I. Legitimate and Inclusive Politics – Foster inclusive political settlements and conflict resolution; II. Security – Establish and strengthen people’s security; III. Justice – Address injustices and increase people’s access to justice; IV. Economic Foundations – Generate employment and improve livelihoods and V. Revenues & Services – Manage revenue and build capacity for accountable and fair service delivery.

  • ^ [11]

    Kamerbrief over de Europese Asielproblematiek, (Kamerstuk 682347), 8 september 2015. van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in samenwerking met de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, referentie 682 347.

  • ^ [12]

    Ibid.

  • ^ [13]

    Voor een overzicht van de huidige status van de Ottowa en Oslo conventies, zie International Campaign to Ban Landmines, ‘Treaty Status, http://www.icbl.org/en-gb/the-treaty/treaty-status.aspx en Cluster Munition Coalition, ‘Treaty Status’, http://www.stopclustermunitions.org/en-gb/the-treaty/treaty-status.aspx

  • ^ [14]

    Kamerbrief 8 maart 2016 van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer over Vrouwen, Vrede en Veiligheid; referentie MINBUZA-2016.41270.

  • ^ [15]

    Voor een definitie van mine action zie: http://www.mineactionstandards.org/fileadmin/user_upload/MAS/documents/imas-internationalstandards/

    english/series-04/IMAS-04-10-Ed2-Am3.pdf voor definities.

  • ^ [16]

    Zie http://www.mineactionstandards.org/fileadmin/user_upload/MAS/documents/imas-international-standards/english/series-04/IMAS-04-10-Ed2-Am3.pdf voor definities.

  • ^ [17]

    formulier beschikbaar via: https://www.government.nl/topics/grant-programmes/contents/humanitarian-mine-action-and-cluster-munitions-programme-2016–2020.

  • ^ [18]

    Ibid.

  • ^ [19]

    Maak geen gebruik van We Transfer of vergelijkbare websites voor het indienen van voorstellen. Het is toegestaan documenten in zip file aan te leveren.

  • ^ [20]

    Antwoorden komen beschikbaar via: https://www.government.nl/topics/grant-programmes/contents/humanitarian-mine-action-and-cluster-munitions-programme-2016–2020.

  • ^ [21]

    EUROSTAT, ‘GDP per capita in PPS’, http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tec00114&plugin=1.

  • ^ [22]

    Berekend aan de hand van de spotrates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De koerslijst van deze spotrates is toegevoegd als bijlage 2 van het beleidskader.

  • ^ [23]

    IATI, http://iatistandard.org/.

  • ^ [24]

    Rijksoverheid, ‘Richtlijnen Ministerie van Buitenlandse Zaken voor rapporteren in open data’: https://www.government.nl/topics/development-cooperation/documents/publications/2015/12/01/open-data-and-development-cooperation.