Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing opsporing en vervolging bij melding van voorvallen in de burgerluchtvaart

Geldend van 01-12-2006 t/m heden

Aanwijzing opsporing en vervolging bij melding van voorvallen in de burgerluchtvaart

Achtergrond

Op 13 juni 2003 is Richtlijn 2003/42/EG inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart1 in werking getreden. Het doel van de Richtlijn is bij te dragen tot verhoging van de luchtverkeersveiligheid door ervoor te zorgen dat voor de veiligheid relevante informatie wordt gemeld, verzameld, opgeslagen, beschermd en verspreid. De achterliggende reden is dat de ervaring leert dat, voordat een ongeval plaatsvindt, dikwijls al incidenten of tal van andere tekortkomingen op het bestaan van veiligheidsrisico’s wijzen. Voor verhoging van de veiligheid van de burgerluchtvaart wordt derhalve meer kennis over deze voorvallen nodig geacht om zo corrigerende maatregelen te kunnen nemen. De Richtlijn voorziet, onder meer, in de verplichting voor de lidstaten tot het opzetten van een systeem voor verplichte melding van voorvallen voor een aantal nader genoemde natuurlijke personen en rechtspersonen. De Richtlijn beoogt de meldingsbereidheid te verhogen door de lidstaten te verplichten om melders van voorvallen in de burgerluchtvaart, onder voorwaarden, te vrijwaren van bestuursrechtelijke sancties.

Deze EG-richtlijn is geïmplementeerd bij de wet van 2 november 2006 houdende wijziging van de Wet luchtvaart ter implementatie van richtlijn nr. 2003/42/EG inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart2. Bij AMvB worden natuurlijke personen of rechtspersonen aangewezen die verplicht zijn tot het melden van een voorval. Voorts worden bij regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat nadere regels gesteld met betrekking tot de melding van voorvallen.

In navolging van Richtlijn 2003/42/EG definieert de Wet luchtvaart3 het begrip voorval als: een operationele onderbreking, defect, fout of andere onregelmatigheid, waardoor de vliegveiligheid wordt of kan worden beïnvloed, zonder dat sprake is van een ongeval4 of ernstig incident5, als bedoeld in artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994, houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319).

Artikel 7.1, eerste lid, Wet luchtvaart bepaalt dat voorvallen worden gemeld aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Art. 11.23 Wet luchtvaart regelt de bescherming van melders tegen bestuursrechtelijke sancties: De Staat zal geen vorderingen uit burgerlijk recht instellen en een bestuursorgaan zal, in afwijking van de bepalingen in dit hoofdstuk, geen bestuurlijke sanctie instellen naar aanleiding van overtredingen van een wettelijk overschrift onopzettelijk of uit onachtzaamheid begaan, op grond van feiten die hen alleen ter kennis zijn gekomen door een melding als bedoeld in artikel 7.1. Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van grove nalatigheid met betrekking tot het voorval.

Het beschermingsregiem van Richtlijn 2003/42/EG, zoals geïmplementeerd in de Wet luchtvaart, ziet niet op strafrechtelijke procedures. Ter zekerstelling van de meldingsbereidheid is het echter wenselijk ook te voorzien in bescherming, onder voorwaarden, van melders van voorvallen in de burgerluchtvaart tegen strafrechtelijke sancties.

Samenvatting

Deze aanwijzing bevat voorschriften met betrekking tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten naar aanleiding van de melding van een voorval in de burgerluchtvaart.

Opsporing

Artikel 7.1, eerste lid, Wet luchtvaart, bepaalt dat voorvallen worden gemeld aan de minister van Verkeer en Waterstaat. De Inspectie Verkeer en Waterstaat (hierna te noemen IVW) zal fungeren als meldpunt. Vooropgesteld moet worden dat de betrokken ambtenaren ingevolge art. 162 WvSv een aangifteplicht hebben met betrekking tot misdrijven en, desgevraagd, een informatieplicht jegens het OM met betrekking tot strafbare feiten in het algemeen.

Met de directeur-hoofdinspecteur luchtvaart van de IVW is overeengekomen dat de IVW verantwoordelijk is voor de doorgifte aan het OM van de meldingen, die voldoen aan de hieronder genoemde vervolgingscriteria. Ten behoeve van de toetsing aan de criteria zal regelmatig overleg plaatsvinden tussen de IVW en de landelijk coördinerend officier van justitie voor de luchtvaart. De doorgifte van een melding door de IVW aan het OM is een advies ten aanzien van het vermoeden van aanwezigheid van opzet of grove nalatigheid. Het betreft uitdrukkelijk geen verplichting tot vervolging. Vervolging kan door het OM immers niet opportuun geacht worden. Bovendien kan uit nader strafrechtelijk onderzoek blijken dat er bij het voorval geen sprake is geweest van opzet of grove nalatigheid.

Bijlage 256639.png

Vervolging

Algemeen vervolgingsbeleid t.a.v. de luchtvaart In beginsel wordt alleen vervolging ingesteld bij ongevallen, ernstige incidenten (bijna-ongevallen), ernstige gevaarzetting en stelselmatige overtredingen, veroorzaakt door opzet of grove nalatigheid.

Vervolging naar aanleiding van de melding van een voorval

Geen vervolging zal worden ingesteld tegen natuurlijke personen met betrekking tot overtredingen die onopzettelijk of uit onachtzaamheid zijn begaan en waarvan het OM op de hoogte is alleen maar omdat er krachtens artikel 7.1 Wet luchtvaart verplicht melding van is gedaan.6 Wel zal, overeenkomstig artikel 8, derde lid, van de Richtlijn 2003/42/EG, strafrechtelijk kunnen worden opgetreden indien sprake is van opzet of grove nalatigheid.7 Tevens kan, indien sprake is van opzet of grove nalatigheid, strafrechtelijk worden opgetreden indien het OM uit anderen hoofde, bijvoorbeeld door een anonieme tip, op de hoogte geraakt van het desbetreffende voorval. Voorts moet ten aanzien van het hiervoor beschreven vervolgingsbeleid het voorbehoud worden gemaakt dat het terzake bevoegde gerechtshof, naar aanleiding van een beklag op de voet van artikel 12 WvSv, kan bevelen dat vervolging wordt ingesteld.

Indien op grond van het hiervorenstaande wel tot vervolging kan worden overgegaan geldt als beperking dat de melding zelf niet als bewijs mag worden gebruikt in een strafzaak tegen de melder.8 De melding mag dan echter wel als sturingsinformatie worden gebruikt en als bewijs in strafzaken tegen anderen dan de melder.

Coördinatie strafrechtelijke afdoening

De landelijk coördinerend officier van justitie voor de luchtvaart van het parket Haarlem, nevenvestiging Schiphol, beoordeelt alle luchtvaartzaken en voorziet deze van een afdoeningsadvies ten behoeve van het plaatselijke openbaar ministerie.

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

  • ^ [1]

    PbEG 2003 L 167/23.

  • ^ [2]

    Stb. 2006, 576.

  • ^ [3]

    Art. 1.1, eerste lid, onder v.

  • ^ [4]

    Ongeval: een met het gebruik van een luchtvaartuig verband houdend voorval dat plaatsvindt tussen het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en waarbij

    • 1. een persoon dodelijk of ernstig gewond raakt als gevolg van:

      • het zich in het luchtvaartuig bevinden, of

      • direct contact met een onderdeel van het luchtvaartuig, inclusief onderdelen die van het luchtvaartuig zijn losgeraakt, of

      • directe blootstelling aan de uitlaatstroom van de reactoren, behalve wanneer de letsels een natuurlijke oorzaak hebben, door de persoon zelf of door anderen zijn toegebracht, of wanneer de letsels verstekelingen treffien die zich buiten de normale voor de passagiers en het personeel bedoelde ruimten ophouden, of

    • 2. het luchtvaartuig schade of een structureel defect oploopt: – waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn soliditeit, prestaties of vluchtkenmerken en – die normaliter ingrijpende herstelwerkzaamheden of vervanging van het getroffien onderdeel noodzakelijk zouden maken, behalve wanneer het gaat om motorstoring of motorschade en de schade beperkt is tot de motor, de motorkap of motoronderdelen, dan wel om schade die beperkt is tot de propellers, de vleugelpunten, de antennes, de banden, de remmen, de stroomlijnkappen of tot deukjes of gaatjes in de vliegtuighuid, of

    • 3.

    het luchtvaartuig vermist wordt of volledig onbereikbaar is.

  • ^ [5]

    Ernstig incident: een incident dat zich voordoet onder omstandigheden die erop wijzen dat bijna een ongeval heeft plaatsgevonden.

  • ^ [6]

    Het gaat hier enkel om voorvallen, in de definitie als hierboven gegeven. Strafrechtelijk optreden is derhalve wel mogelijk ingeval van een ongeval of ernstig incident.

  • ^ [7]

    Bij overtredingen wordt bij bewezenverklaring van het feit de verwijtbaarheid aangenomen. Derhalve wordt hier als extra voorwaarde voor vervolging van overtredingen gesteld de aanwezigheid van het verzwarend element opzet of grove nalatigheid. Ingeval van misdrijven kan het OM altijd strafrechtelijk optreden, daar opzet of grove nalatigheid (culpa) daar per definitie bestanddeel van zijn.

  • ^ [8]

    Deze beperking kan worden afgeleid uit het arrest Saunders van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (NJ 1997, 699, in het bijzonder § 68-71). Volgens het Hof vereist artikel 6 EVRM, met name het daaraan ten grondslag liggende nemo tenetur beginsel, dat verklaringen die een burger gedwongen was af te leggen (in casu op grond van de meldingsplicht vervat in art. 7.1 Wet luchtvaart) niet in een strafproces tegen hem gebruikt worden. Daarbij maakt het niet uit of de melding al dan niet zelf-beschuldigend is. De meldingsplicht zelf is niet in strijd met het nemo tenetur beginsel, daar het zwijgrecht gebonden is aan een criminal charge. Op het moment van de melding is daarvan geen sprake en komt de melder, die dan (nog) geen verdachte is, geen verschoningsrecht toe. De beperking ligt dus enkel in het latere gebruik van de melding ten behoeve van de bewijsvoering in een strafzaak tegen de melder.