Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie [...] Zaken 2006 (Addressing Root Causes Fund 2016–2021)[Regeling vervalt per 01-01-2022.]

Geldend van 15-02-2017 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 januari 2016, nr. DHS_2016.18114, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Addressing Root Causes Fund 2016–2021)

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van het wegnemen grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1 Voor subsidieverlening in het kader van het Addressing Root Causes Fund 2016–2021 geldt voor de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2021 een subsidieplafond van € 126.154.485.

  • 2 De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat voor het deel van de subsidie dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

  • 1 Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Addressing Root Causes Fund 2016–2021 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.3

  • 2 Aanvragen voor een subsidie worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 4 maart 2016, 12.00 uur Nederlandse tijd.

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage inclusief annex 1 en annex 2 in de Staatscourant worden geplaatst. Het aanvraagformulier en bijbehorende verplichte bijlagen worden via internet bekend gemaakt. 4

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

de plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Inhoudsopgave

  • 0. Begrippenlijst

  • 1. Algemeen

  • 2. Procedure

  • 3. Eisen aan de aanvraag en indiening

  • 4. Beoordelingscriteria

Begrippenlijst

  • Beleidsdoelstelling(en): De beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde zijn de vijf doelstellingen zoals beschreven op pagina zes van dit beleidskader. Per ‘doelland’ is/zijn er één of meerdere beleidsdoelstelling(en) geselecteerd waarop aanvragen ingediend kunnen worden. De geselecteerde beleidsdoelstelling(en) zijn per doelland uitgesplitst in één of meerdere landendoelstelling(en).

  • Landendoelstelling(en): De subdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde geformuleerd per doelland in annex 1 bij dit beleidskader (bijvoorbeeld voor wat betreft Afghanistan zijn dat 5.1, 2.1, 2.2, etc.).

  • Doellanden: De landen waarvoor het Addressing Root Causes Fund openstaat.

  • Programma-outcomes: Door de aanvrager/alliantie geformuleerde middellange termijn effecten of consequenties van programma-outputs op de begunstigden van het programma, die binnen de duur van het project behaald kunnen worden.

Hoofdstuk 1. Algemeen

1.1. Inleiding en achtergrond

Meer en meer mensen verlaten huis en haard om een veilig onderkomen te vinden. In 2014 vluchtten ruim acht miljoen mannen en vrouwen als gevolg van gewapend conflict, bedreiging en vervolging. Het aantal vluchtelingen komt daarmee op een totaal van bijna zestig miljoen. Wereldwijd is nu één op de 122 mensen vluchteling, ontheemd of asielzoeker. Nooit eerder waren dat er zoveel.

Het overgrote deel van de vluchtelingen is ontheemd in eigen land (38 miljoen) en ongeveer een derde vindt een onderkomen in het buitenland. Meestal is dit één van de buurlanden, maar steeds meer vluchtelingen weten ook de weg naar Europa te vinden. Vluchtelingenorganisatie UNHCR schat dat ruim 750.000 vluchtelingen in 2015 via de Middellandse Zee Europa bereikten.5

Ook Nederland ondervindt in toenemende mate de effecten van de groei van het aantal vluchtelingen en migranten. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vroegen in 2014 24.000 mensen asiel aan in Nederland, een toename van 66 procent ten opzichte van 2013. Van januari tot november 2015 vroegen 54.000 mensen asiel aan in Nederland.6

Een groot deel van de mensen dat besluit te vertrekken komt uit herkomstlanden die gekenmerkt worden door gewapend conflict en/of repressie.

Een tweede groep komt uit landen die (momenteel) niet verwikkeld zijn in een gewapend conflict, maar die hoog op de Fragile States Index staan en vaak een lange geschiedenis van gewapend conflict of instabiliteit kennen. Deze landen worden gekenmerkt door een combinatie van o.a. geweld, politieke instabiliteit, gebrek aan onafhankelijke rechtspraak, slecht bestuur, hoge (jeugd)werkloosheid, ongelijke verdeling van rijkdom, hoge bevolkingsgroei en gebrek aan betaalbaar onderwijs.7

Bijna de helft van de wereldbevolking die onder de armoedegrens van 1.25 dollar per dag leeft, woont in een fragiele staat. De verwachting is dat de concentratie van mensen in extreme armoede en woonachtig in een fragiele staat aanzienlijk gaat toenemen: van 43 procent nu naar 62 procent in 2030.8 Daarnaast zijn fragiele staten over het algemeen aanzienlijk achtergebleven bij het behalen van de mondiale ontwikkelingsdoelen (MDG’s) in vergelijking met meer stabiele ontwikkelingslanden.9

Deze situatie doet mensen, die het zich kunnen veroorloven, er toe besluiten om te migreren naar landen waar zij denken een betere toekomst op te kunnen bouwen. Tegelijkertijd blijven veel mensen, die zich een vertrek niet kunnen permitteren, achter. Een deel van deze mensen, voornamelijk jongeren, vormt een doelwit voor criminele-, terroristische- en rebellengroeperingen. Dit zijn ontwikkelingen die in veel fragiele staten een grote bedreiging voor vrede en stabiliteit op de lange termijn vormen met mogelijkerwijs nieuwe stromen ontheemden en vluchtelingen tot gevolg.

Een derde groep bestaat uit vluchtelingen en irreguliere migranten die hun thuisland zijn ontvlucht en oorspronkelijk een onderkomen hadden gevonden in één van de buurlanden, maar die zich genoodzaakt voelen om door te trekken. Veel landen die zich nabij brandhaarden of instabiele landen bevinden en grote aantallen vluchtelingen en/of irreguliere migranten opnemen ondervinden daarvan in toenemende mate de gevolgen. De druk op basisvoorzieningen zoals onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg stijgt en de concurrentie op de – vaak al krappe – (informele) arbeidsmarkt neemt toe. Deze ontwikkelingen leiden tot meer spanningen in de samenleving. Veel vluchtelingen en/of irreguliere migranten zien geen mogelijkheden om in eigen levensonderhoud en dat van hun familie te voorzien en een toekomst op te bouwen in de opvanglanden waar zij oorspronkelijk een onderkomen hadden gevonden. Deze mensen trekken door. Tegelijkertijd sluiten burgers uit de opvanglanden, op zoek naar een betere toekomst, zich bij deze stroom richting o.a. Europa aan.

Nederland investeert in de opvang van vluchtelingen in Nederland en ondersteunt (lokale) autoriteiten en organisaties in het buitenland die vluchtelingen in de regio van herkomst opvangen. Echter, om mensen een veilig onderkomen en perspectief in eigen land te bieden en de druk op landen die veel vluchtelingen dan wel irreguliere migranten opnemen te verminderen, is het essentieel om de socio-economische en politieke grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie die deze grote stroom veroorzaakt bij de wortels aan te pakken.

1.2. Beleidsrelevantie

De nota ‘Wat de wereld verdient’10 maakt zich sterk voor het uitbannen van extreme armoede, genderongelijkheid en het bereiken van duurzame en inclusieve groei overal ter wereld. Echter, landen die te maken hebben met instabiliteit of gewapend conflict, tekortschietend bestuur en onderontwikkeling, vaak in een vicieuze cirkel, zijn grotendeels achtergebleven bij het behalen van de mondiale ontwikkelingsdoelen. Ook zien we in deze landen een toenemende concentratie van extreme armoede11 en een achteruitgang in de rechten en rechtsbescherming van vrouwen 12. Niet alleen ontbreekt het burgers aan bestaansmiddelen en basisvoorzieningen, ook hun fysieke veiligheid wordt in situaties van wetteloosheid of gewapend conflict op vele manieren bedreigd, waarbij vooral vrouwen, maar ook mannen het risico lopen om slachtoffer te worden van seksueel geweld.

Om een bijdrage te leveren aan het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie zet Nederland zich, via het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde (V&R), in op vijf beleidsdoelstellingen:

  • 1. verbeterde veiligheid voor mensen,

  • 2. een functionerende rechtsorde,

  • 3. inclusieve politieke processen,

  • 4. legitieme en capabele overheden en

  • 5. gelijke toegang tot werkgelegenheid en basisvoorzieningen.13

Nederland onderschrijft hiermee de vijf doelstellingen op het gebied van staats- en vredesopbouw die tijdens het vierde High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (2011) internationaal zijn overeengekomen.14

Het speerpunt V&R is in 2015 verder uitgewerkt in een verandertheorie waarin de vijf beleidsdoelstellingen zijn uitgewerkt in een aantal subdoelstellingen en de aannames onder de doelstellingen expliciet zijn gemaakt.15

De aanpak van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie maakt onderdeel uit van de integrale aanpak die het kabinet heeft voorgesteld in de aanpak van de Europese asielproblematiek.16 Tegelijkertijd draagt het bij aan het verbeteren van de opvang in de regio die in het kader van diezelfde aanpak door het kabinet is voorgesteld.17

In de afgelopen jaren droeg Nederland via verschillende kanalen al bij aan het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie. Via multilaterale en bilaterale programma’s, maar ook door diplomatieke, politieke en militaire inspanningen, zet Nederland op regionaal en nationaal niveau in op vredeshandhaving, het faciliteren van vredesprocessen, het versterken van de rechtsstaat en capaciteitsversterking van de (centrale) overheid. Tegelijkertijd wordt via subsidiëring van ngo’s (o.a. met Wederopbouwtender, de Strategische Partnerschappen Chronische Crises en Samenspraak & Tegenspraak) ‘bottom-up’ ingezet op het leveren van een bijdrage aan het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie door o.a. versterking van het maatschappelijk middenveld, het stimuleren van mogelijkheden tot vreedzame conflictbeslechting en het verbeteren van sociale cohesie tussen burgers onderling en het sociaal contract tussen burgers en overheid.

Nederland blijft zich hierop inzetten en presenteert daartoe een overkoepelend ngo-fonds, het Addressing Root Causes Fund (ARC-fonds). Voor dit fonds stelt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2016–2021 maximaal € 126.154,485 beschikbaar.

1.3. Territoriale reikwijdte en doelstellingen

1.3.1. Territoriale reikwijdte

De landen waarvoor het ARC-fonds openstaat zijn: Afghanistan, Pakistan, Jordanië, Libanon, Syrië, Ethiopië, Somalië, Sudan, Zuid-Sudan, Mali, Burundi en de Democratische Republiek Congo.

Deze landen ervaren alle grote uitdagingen op het gebied van migratie, vaak in combinatie met gewapend conflict en instabiliteit, en zijn grofweg op te delen in herkomst-, opvang- en/of doorreislanden (zie 1.3.2.).

Daarnaast is in al deze landen (1) een Nederlandse ambassade aanwezig18 en (2) (een zekere mate van) ruimte voor ngo’s om te opereren. Ambassades spelen een cruciale rol om in de bovengenoemde ‘doellanden’ deze verschillende initiatieven van Nederland en andere donoren bij elkaar te laten aansluiten zodat er een zogenaamd ‘multiplier effect’ bereikt wordt met meer en betere resultaten voor de mensen om wie het gaat als gevolg.

1.3.2. Doelstellingen

De overkoepelende doelstellingen van het ARC-fonds zijn het wegnemen van de politieke en sociaaleconomische grondoorzaken van (1) gewapend conflict en instabiliteit en (2) irreguliere (door)migratie.

Voor wat betreft gewapend conflict en instabiliteit gaat het om: Afghanistan, Pakistan, Syrië, Somalië, Zuid-Sudan, Mali, Burundi en de Democratische Republiek Congo. Voor wat betreft irreguliere (door)migratie gaat het om: Ethiopië, Jordanië en Libanon. Sudan valt in beide categorieën.

De aanpak van deze grondoorzaken is complex en vraagt om een geïntegreerde benadering. Dit fonds maakt onderdeel uit van een bredere aanpak van Nederland gericht op het aanpakken van grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en irreguliere migratie in deze twaalf landen.

De herkomstlanden – grondoorzaken van gewapend conflict en instabiliteit

Herkomstlanden zijn, ten eerste, landen die momenteel met een gewapend conflict te maken hebben dat grote stromen mensen op de been brengt: in het land zelf, richting de buurlanden en in een aantal gevallen ook richting Europa.

Ten tweede gaat het om landen waar momenteel geen (grootschalig) gewapend conflict aan de gang is, maar die vaak wel een lange geschiedenis van gewapende conflicten kennen en die hoog op de Fragile States Index staan. Stromen ontheemden19, vluchtelingen20- en irreguliere migranten zijn hier een symptoom van gewapend conflict of de instabiliteit.

De grondoorzaken van gewapend conflict en instabiliteit zijn divers en complex, maar in de kern worden deze landen gekenmerkt door ernstige maatschappelijke tegenstellingen (geringe sociale cohesie) die zich vertalen in, en aangewakkerd worden door, een verstoorde relatie tussen de overheid en de burger (gebrekkig sociaal contract). In fragiele staten is er tussen burgers vaak weinig vertrouwen in elkaar en weinig bereidheid tot vreedzaam samenwerken, bijvoorbeeld vanwege een complexe etnische of tribale bevolkingssamenstelling of als gevolg van een eerder conflict. Ook ontbreekt het aan vertrouwen in de overheid door gebrek aan een legitiem bestuur dat voor alle burgers veiligheid garandeert en eerlijke toegang reguleert tot werkgelegenheid, natuurlijke hulpbronnen, publieke diensten en welvaart.

Overheidsinstellingen, publieke middelen en natuurlijke hulpbronnen staan vaak in dienst van een kleine politiek-economische elite. Elites hebben weinig prikkels om zich te verantwoorden, mede door het ontbreken van een middenklasse of substantiële belastingbasis. In gebieden waar overheden geen effectief gezag hebben, worden kerntaken dikwijls overgenomen door traditionele en/of niet-statelijke actoren, maar kunnen ook wetteloosheid, criminaliteit en terroristische netwerken gedijen.

Ongelijke toegang tot basisvoorzieningen, bestaansmiddelen en rechten, alsook schaarste, mondden eerder uit in conflict als vreedzame sociale, politieke of juridische mechanismen voor conflictoplossing ontbraken.

In fragiele staten is de toegang tot functionerende rechtssystemen beperkt. Aspecten zoals geografische afstand, gebrekkige faciliteiten, traagheid en corruptie in de rechtsgang belemmeren het (formele) recht. Ook kunnen economische en politieke elites het rechtssysteem als instrument gebruiken voor machtsmisbruik en willekeur. Niet zelden zijn de politie of het leger in deze landen actief betrokken bij (grensoverschrijdende) criminaliteit.

De opvang- en doorreislanden in de regio – grondoorzaken van irreguliere (door)migratie

Opvang- en doorreislanden zijn landen die zich nabij brandhaarden en instabiele landen bevinden en die, als gevolg daarvan, veel vluchtelingen en migranten opvangen en/of doorreislanden zijn voor vluchtelingen en migranten die verder willen trekken naar andere landen.

Veel van deze opvang- en/of doorreislanden, uitzonderingen daargelaten, bezwijken haast onder de druk die het opnemen van grote aantallen mensen met zich meebrengt. De economie stagneert en publieke diensten zoals scholen en ziekenhuizen kunnen de enorme toename in vraag niet aan. Bovendien, veel van deze opvanglanden zijn zelf fragiele staten met hoge werkloosheidscijfers, gebrekkig bestuur en een geschiedenis van instabiliteit en gewapend conflict. Door de grote vluchtelingenstromen nemen spanningen toe en lopen deze landen het risico op (nieuwe) geweldsuitbarstingen.

Vluchtelingen die in deze landen aanvankelijk onderdak hebben gevonden trekken, indien zij zich dat kunnen veroorloven, verder vanwege de voortdurende afhankelijkheid van humanitaire hulp, geen of onvoldoende toegang tot onderwijs voor hun kinderen, toenemende spanningen tussen gastgemeenschappen en vluchtelingen en gebrek aan een toekomstperspectief in zowel eigen land vanwege het aanhoudende conflict als het land van opvang waar men verblijft vanwege beperkingen zoals verbod op werk. Deze redenen maken het ook voor ‘nieuwe’ vluchtelingen minder aantrekkelijk om zich in deze landen te vestigen en zij trekken daarom vaak gelijk verder naar andere bestemmingen.

Bovendien, bepaalde omstandigheden in opvang- en doorreislanden in de regio, zoals gebrekkige veiligheid, rechtszekerheid, behuizing en/of sanitaire voorzieningen, vergroten de risico’s voor meisjes en vrouwen om slachtoffer te worden van seksueel geweld, gedwongen kindhuwelijken en vrouwenhandel: een additionele reden om verder te reizen om zo de veiligheid en de eer van de familie te kunnen beschermen.

Daarnaast, de hierboven beschreven problemen in landen die vaak al kampen met hoge werkloosheids- en armoedecijfers doen ook het aantal migranten afkomstig uit de opvanglanden zelf richting o.a. Europa toenemen.

Ten slotte zijn er ook landen die herkomst-, opvang- en doorreisland tegelijkertijd zijn. In deze landen is er sprake van gewapend conflict of instabiliteit die stromen ontheemden, vluchtelingen en irreguliere migratie teweeg brengen terwijl deze landen tegelijkertijd ook vluchtelingen uit andere conflictlanden opnemen of als doorreisland voor deze vluchtelingen gelden.

Context-specifieke aanpak

De intensiteit van en de wijze waarop deze problemen zich manifesteren in de herkomst-, opvang- en doorreislanden verschilt sterk van land tot land en daarom kiest het ministerie binnen het ARC-fonds voor een context-specifieke aanpak gebaseerd op het speerpunt V&R. Daarbij is bekeken waar het ARC-fonds de grootst mogelijke toegevoegde waarde in de verschillende landen kan leveren.

Dit betekent dat er door het ministerie (inclusief ambassades) per land op basis van een contextanalyse een selectie in de (sub)doelstellingen van het speerpunt V&R (zie box 1 op pagina tien) is gemaakt waar dit fonds zich per land specifiek op richt.

Bij een aantal doellanden is er onderscheid gemaakt tussen prioritaire en secundaire landendoelstellingen en/of zijn er bepaalde prioritaire regio’s binnen een land aangemerkt.

De contextanalyses en doelstellingen voor de twaalf landen zijn te vinden in annex 1 van dit beleidskader.

Box 1: Doelstellingen verandertheorie veiligheid & rechtsorde in fragiele staten – Ministerie van Buitenlandse Zaken, september 2015.

1.

Veiligheid voor mensen

 

1.1

Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd.

 

1.2

Instanties die verantwoordelijk zijn voor veiligheid voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de veiligheidsbehoefte van burgers en leggen verantwoording af.

 

1.3

Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en een cultuur van vreedzaamheid.

 

1.4

Grensoverschrijdende oorzaken van conflict zoals georganiseerde misdaad en illegale geldstromen en handel in wapens en conflictgoederen worden teruggedrongen via een geïntegreerde benadering.

2.

Functionerende rechtsorde

 

2.1

Mannen en vrouwen uit alle groepen van de samenleving zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van formele en informele rechtspleging.

 

2.2

Instituties binnen het rechtssysteem voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en leggen verantwoording af.

 

2.3

Het rechtssysteem is onafhankelijk en bestrijdt machtsmisbruik door staatsinstellingen, gewapende actoren en machtige private actoren.

 

2.4

Formele en informele rechtsinstituties bieden gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen en misdrijven gepleegd tijdens gewapend conflict of dictaturen, en adresseren onderliggende oorzaken van conflict.

3.

Inclusieve politieke processen

 

3.1

Politieke besluitvorming op alle niveaus is participatief, representatief en inclusief voor alle bevolkingsgroepen.

 

3.2

Nationale en internationale actoren nemen verantwoordelijkheid voor effectieve en inclusieve mechanismen voor vredesopbouw en conflictpreventie op verschillende niveaus, met een actieve rol voor vrouwen.

4.

Legitieme en capabele overheid

 

4.1

Overheidsinstanties op alle niveaus voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling bevordert.

 

4.2

Overheidsinstanties op alle niveaus bieden ruimte voor inspraak van burgers en het maatschappelijk middenveld en leggen intern en extern verantwoording af.

 

4.3

Overheidsinstanties voeren een transparant beheer over nationale hulpbronnen en publieke financiën en zorgen voor effectieve mechanismen om corruptie te bestrijden en te voorkomen.

5.

Gelijke toegang tot werkgelegenheid en basisvoorzieningen; weerbaarheid

 

5.1

Overheidsinstellingen, het (lokale) maatschappelijk middenveld en de private sector vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.

 

5.2

Overheidsinstellingen, het (lokale) maatschappelijk middenveld en de private sector verbeteren (de eerlijke toegang tot) basisvoorzieningen op een wijze die bijdraagt aan legitimiteit van instituties en sociale cohesie.

 

5.3

In situaties van langdurige crisis helpen nationale en internationale actoren kwetsbare groepen (inclusief vluchtelingen, ontheemden en gastgemeenschappen) hun weerbaarheid te verhogen en duurzaam in hun eigen onderhoud te voorzien.

Werkgelegenheid

Waar subdoelstelling 5.1 van het speerpunt V&R (gericht op het vergroten van de toegang tot werkgelegenheid) onderdeel is van de landendoelstellingen zoals geformuleerd in annex 1 van dit beleidskader, is het van belang dat de voorgestelde programma-outcome(s) en strategie in de verandertheorie:

  • op een gedegen marktanalyse (uit betrouwbare bronnen) gestoeld zijn en (mede daardoor) evident vraaggestuurd zijn;

  • zich richten op de aanpak van specifieke, voor de context relevante tekortkomingen binnen de vraag (naar arbeid/diensten), het aanbod (bijv. een gebrek aan de juiste vaardigheden bij beoogde doelgroepen) en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod;

  • laten zien hoe (centrale en lagere) overheden worden gestimuleerd barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen; en

  • zich bewust zijn van hun impact op lokale markten (vanuit de doelstelling zo min mogelijk marktverstorend te werken) en complementair zijn aan relevante initiatieven van andere actoren.

NB: onder werkgelegenheid verstaat de minister in dit kader ook het bevorderen van zelfstandig ondernemerschap in de formele dan wel informele sector.

1.4. Doelgroep

Het ARC-fonds staat open voor aanvragen van Nederlandse, internationale en lokale ngo’s zonder winstoogmerk en in bezit van een rechtspersoonlijkheid of een alliantie van Nederlandse, internationale en/of lokale ngo’s. Zie hoofdstuk 4.1 voor de definities.

In geval van een alliantie dient de penvoerder namens de alliantie de aanvraag in. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de uitvoering van het programma door de alliantie en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen jegens de minister.

Het is van belang dat de aanvrager/penvoerder zelfstandig, via één of meerdere alliantiepartners of partnerorganisaties de beschikking heeft over een kantoor in het land waar de subsidieaanvraag zich op richt.

Om een integrale aanpak te bevorderen, moedigt het ministerie ngo’s aan om aanvragen in alliantieverband in te dienen. Deze zullen, indien van gelijkwaardige kwaliteit, voorrang genieten op aanvragen van afzonderlijke ngo’s.

Hoofdstuk 2. Procedure

De selectieprocedure bestaat uit twee fases, waarbij fase I (de beoordelingsfase, bestaande uit a en b) gericht is op het selecteren van aanvragen. Vervolgens stellen de geselecteerde indieners van deze aanvragen in fase II (consultatie- en opstartfase) in overleg met het ministerie op landenniveau een programmadocument op.

2.1. Fase I – de beoordelingsfase

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het ARC-fonds dienen in fase I organisaties/allianties een aanvraag in bestaande uit een aanvraagformulier m.b.t. de drempeltoets, met als verplichte bijlages een trackrecord en een conceptnotitie, op uiterlijk vrijdag 4 maart 2016 om 12.00 uur Nederlandse tijd. Dit betekent dat de aanvraag inclusief de bijbehorende bijlagen op dat moment dient te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Aanvragen die na 4 maart 2016 om 12.00 uur Nederlandse tijd zijn ontvangen worden afgewezen.

Aanvragen worden ingediend per doelland waarbij elke ngo maar één aanvraag per gekozen doelland mag indienen; een ngo kan maximaal voor subsidie voor éénvoorstelper land in aanmerking komen. Dat kan zijn een individuele subsidieaanvraag of een aanvraag in één alliantieverband waarbij geen onderscheidt wordt gemaakt in penvoerders en mede-indieners. Indien een aanvrager meerdere aanvragen indient voor één doelland, dan wel in meerdere aanvragen voor hetzelfde doelland participeert, hetzij als penvoerder, hetzij als mede-indiener, worden deze aanvragen alle afgewezen.

Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en in overeenstemming met de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

2.1.1. Fase Ia

Fase Ia bestaat uit een controle op ontvankelijkheidsvereisten, zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht waarbij aanvragers zich houden aan het voor het indienen van een aanvraag vastgestelde aanvraagformulier m.b.t. de drempelcriteria zoals vastgesteld in deze beleidsregels onder hoofdstuk 4.1.

Aan de drempelcriteria moeten de aanvragen voor een subsidie in het kader van het ARC-fonds zondermeer voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meer criteria volgt een afwijzing en worden trackrecord en conceptnotitie niet beoordeeld. Aanvragen die voldoen aan alle drempelcriteria worden in fase Ib beoordeeld op de kwaliteit van hun conceptnotitie en trackrecord.

2.1.2. Fase Ib

In fase Ib wordt de kwaliteit van het trackrecord en de conceptnotitie van de aanvrager/penvoerder beoordeeld door in ieder geval medewerkers van de Directie Stabiliteit en Humanitaire Hulp (DSH) en de betrokken ambassade.

Zie hoofdstuk drie voor de eisen aan de aanvraag en de indiening en hoofdstuk vier voor de beoordelingscriteria.

2.1.3. Selectie aanvragen en verdeling van de beschikbare middelen

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit het ARC-fonds dient de kwaliteit van zowel trackrecord als conceptnotitie van een aanvraag in elk geval voldoende te zijn, ten einde te kunnen worden geselecteerd als één van de aanvragen die in fase II nader mogen worden uitgewerkt. Wanneer er voor één of meerdere landen geen voorstellen binnenkomen die minimaal voldoende scoren op trackrecord en conceptnotitie, behoudt de minister de mogelijkheid om geen activiteiten in de desbetreffende landen te financieren.

De minister selecteert in fase I maximaal 36 aanvragen (al dan niet in alliantieverband). Aanvragen die het beste voldoen aan de criteria m.b.t. de kwaliteit van trackrecord en conceptnotitie komen hiervoor als eerste in aanmerking, waarbij rekening wordt gehouden met een evenwichtige spreiding van deze aanvragen en de beschikbare middelen over de landen en binnen de landen op de landendoelstellingen zoals per land geformuleerd in annex 1 van het beleidskader.

Indien er in annex 1 voor doellanden onderscheid is gemaakt in prioritaire en secundaire landendoelstellingen dan genieten aanvragen die zich op prioritaire landendoelstellingen richten voorrang op aanvragen die zich op secundaire landendoelstellingen richten.

Indien er in annex 1 binnen landen prioritaire regio’s zijn aangewezen en de aanvraag richt zich in het desbetreffende land op andere regio’s dan de prioritaire regio’s, dan genieten aanvragen die zich op de prioritaire regio’s richten voorrang.

Indien er voor een doelland onderscheid is gemaakt tussen prioritaire en secundaire landendoelstellingen en er prioritaire regio’s zijn aangewezen, dan genieten aanvragen voor prioritaire regio’s, maar gericht op secundaire landendoelstellingen, voorrang op aanvragen gericht op prioritaire landendoelstellingen in andere regio’s dan de prioritaire regio’s.

Dit geldt ook als de kwaliteit van de aanvragen gericht op de secundaire landendoelstellingen en niet-prioritaire regio’s hoger is dan de kwaliteit van de aanvragen die zich wel op de prioritaire landendoelstellingen en regio’s richten (mits wel van voldoende kwaliteit).

Bij gelijke kwaliteit genieten aanvragen van allianties voorrang boven aanvragen van zelfstandige aanvragers.

Dit betekent dat bij de selectie van de aanvragen en de verdeling van de middelen het mogelijk is dat een aanvraag voldoende scoort en toch wordt afgewezen omdat het budget niet toereikend is om alle aanvragen die van voldoende kwaliteit zijn gebleken te kunnen honoreren, en/of omdat er onvoldoende sprake was van een evenwichtige spreiding over de landen en binnen de landen over de landendoelstellingen, en/of omdat andere voorstellen voorrang kregen op grond van prioritaire doelstellingen, regio’s of alliantievorming.

Uiterlijk 13 mei 2016 neemt de minister een besluit over de aanvragen en wordt aan de aanvragers gecommuniceerd of zij al dan niet zijn geselecteerd voor fase II.

Aan aanvragers/allianties die geselecteerd zijn, wordt een maximum indicatief richtbedrag gemeld. Dit bedrag is gebaseerd op het aantal geselecteerde aanvragers, het aangevraagde subsidiebedrag, de kwaliteit van het trackrecord en de conceptnotitie, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin aan de criteria betreffende deze onderdelen van de aanvraag zal zijn voldaan, en de geografische en thematische verdeling van de aanvragen en de beschikbare middelen.

Op basis van dit bedrag werken geselecteerde aanvragers/allianties in fase II een programmadocument uit.

Voorafgaand aan de start van fase II publiceert het ministerie de richtlijnen voor de in fase II op te stellen programmadocumenten en de criteria waarop deze beoordeeld worden. Hoewel het de intentie is om alle aanvragers/allianties die voor fase II zijn geselecteerd aan het einde van fase II subsidie toe te kennen, zal eerst, in voldoende mate, aan de criteria voor het programmadocument moeten worden voldaan. Indien het opgestelde programmadocument er aanleiding toe geeft, kan ook het uiteindelijke verleende subsidiebedrag lager uitvallen dan het in fase I gecommuniceerde richtbedrag (naar boven bijstellen is niet mogelijk).21

2.2. Fase II – de consultatie- en opstartfase

2.2.1. Algemene startbijeenkomst

Als aftrap van fase II worden de geselecteerde organisaties in de periode mei/juni uitgenodigd voor een algemene startbijeenkomst georganiseerd door de directie Stabiliteit en Humanitaire Hulp (DSH) in Den Haag. Deze startbijeenkomst heeft de volgende doelstellingen: (1) inzicht geven aan geselecteerde organisaties over het verdere verloop van fase II, (2) het toelichten van de richtlijnen en de criteria zoals voorafgaand aan fase II gepubliceerd voor het te ontwikkelen programmadocument, (3) presenteren van de monitoring- en evaluatievereisten en de richtlijnen voor de verdere uitwerking daarvan.

2.2.2. Landelijke startbijeenkomst

Daarnaast worden er in de periode mei/juni startbijeenkomsten georganiseerd in de doellanden (of in één van de buurlanden) waarvoor het desbetreffende land geselecteerde organisaties bijeenkomen met DSH en de betrokken ambassade. Deze bijeenkomst heeft de volgende doelstellingen: (1) het vaststellen van een gezamenlijk denkkader in de vorm van een landen-specifieke verandertheorie en een leeragenda, (2) het bewerkstelligen van complementariteit en synergie tussen de organisaties onderling en met andere (door het ministerie gefinancierde) programma’s en (3) het maken van afspraken over de samenwerking.

Geselecteerde organisaties presenteren hun verandertheorie (zoals ingediend als onderdeel van de conceptnotitie) aan de deelnemers. Vervolgens werken de deelnemers gezamenlijk een denkkader uit in de vorm van een overkoepelende verandertheorie op landenniveau. De verandertheorieën van de geselecteerde organisaties en van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken (verandertheorie van het speerpunt V&R en, indien beschikbaar, van de ambassade) vormen hiervoor de basis.

Op basis van deze gezamenlijke verandertheorie werken de geselecteerde organisaties vervolgens een programmadocument uit volgens de richtlijnen zoals gepubliceerd voorafgaand aan fase II en toegelicht tijdens de algemene startbijeenkomst aan het begin van fase II.

Daarnaast wordt er een gezamenlijke leeragenda geformuleerd waarbij de focus ligt op (1) verder onderzoek om de grondoorzaken van gewapend conflict, instabiliteit en/of irreguliere migratie in de landen waar het ARC-fonds zich op richt beter in kaart te brengen en (2) het testen van de aannames die aan de verandertheorieën ten grondslag liggen. Hiervoor wordt financiering binnen het ARC-fonds beschikbaar gesteld.

Ten slotte worden er tijdens de startbijeenkomst afspraken gemaakt over de samenwerking tussen geselecteerde organisaties en het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. de ambassades). Deze afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

2.2.3. Uitwerking programmadocument

Na de startbijeenkomst werken de organisaties, indien van toepassing samen met lokale partners en landenkantoren, op basis van de conceptnotitie, gezamenlijke verandertheorie en afspraken daarover in een programmadocument (incl. budget) uit.

Vervolgens worden deze programmadocumenten beoordeeld op basis van een aantal criteria zoals gepubliceerd voorafgaand aan fase II.

De minister is voornemens om alle aanvragers/allianties geselecteerd aan het einde van fase II te subsidiëren voor het ARC-fonds. Echter, indien het programmadocument van de aanvrager of de alliantie als onvoldoende wordt beoordeeld, komt de aanvraag niet in aanmerking voor subsidie uit het ARC-fonds en volgt een afwijzing. Mocht het programmadocument er aanleiding toe geven, dan kan het richtbedrag zoals hierboven vermeld naar beneden worden bijgesteld.

2.3. Monitoring en evaluatie

Voor het ARC-fonds wordt een resultatenraamwerk ontwikkeld gedurende fase II. Het ministerie zal hiervoor een raamwerk bestaande uit algemene ARC-resultaatgebieden en -indicatoren (gebaseerd op het resultatenraamwerk voor het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde22) presenteren tijdens de algemene startbijeenkomst. Vervolgens werken geselecteerde organisaties i.s.m. het ministerie op programmaniveau aan het opstellen van indicatoren waarop organisaties dienen te rapporteren.

De rapportage over de resultaten vindt plaats middels open data, conform de IATI-standaarden23, die vanaf 2016 gelden voor alle subsidie ontvangende partijen.24

Elke organisatie/alliantie dient een eindevaluatie van het programma uit te voeren die de effecten van het programma van de aanvrager/alliantie meet op de (1) overkoepelende doelstelling van het ARC-fonds en (2) de door de aanvrager/alliantie geselecteerde landendoelstelling(en). De aanvrager/alliantie zullen de programma-outcomes zoals opgenomen in het programmadocument ten behoeve van de evaluatie moeten voorzien van een baseline.

Hoofdstuk 3. Eisen aan de aanvraag en indiening

Organisaties die in aanmerking willen komen voor subsidie uit het ARC-fonds dienen de volgende stukken in: een aanvraagformulier m.b.t. de drempeltoets (inclusief een samenwerkingsovereenkomst in geval van een alliantie) met als verplichte bijlages een trackrecord en een conceptnotitie. Zie annex 1 en 2 van het aanvraagformulier voor de formats t.b.v. het trackrecord en de conceptnotitie.

3.1. Format

  • Aanvragers zijn verplicht om voor de informatie ten behoeve van de drempeltoets het aanvraagformulier25 te gebruiken. Hiervoor geldt geen maximum aantal pagina’s.

  • Het trackrecord en de conceptnotitie dienen te worden opgesteld aan de hand van de daarvoor beschikbaar gestelde formats (annex 1 en 2 bij het aanvraagformulier) en dienen zichtbaar ten minste in te gaan op alle onderdelen genoemd onder 3.3. Het trackrecord en de conceptnotitie dienen als verplichte bijlagen aan het aanvraagformulier toegevoegd te worden.

  • De conceptnotitie beslaat maximaal veertien pagina’s. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen en checklists en onderdeel vijf gericht op het subsidiebedrag in het format.

    • Voor de visualisatie van de verandertheorie maken aanvragers gebruik van het daarvoor beschikbaar gestelde figuur. Dit figuur, inclusief de handleiding, is te vinden in het format t.b.v. de conceptnotitie.

    • Indien de aanvraag zich (mede) richt op doelstelling 5.1 dan beslaat de conceptnotitie maximaal vijftien pagina’s, waarbij maximaal één pagina voor de marktanalyse mag worden uitgetrokken.

  • Het trackrecord beslaat niet meer dan zes pagina’s per casus. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen, checklists en onderdeel één (duur en intensiteit) in het format en de verplichte bijlages.

  • Aanvragers gebruiken enkele regelafstand, normale marges (2,54 cm aan alle kanten) en lettertype Verdana 9 (of een vergelijkbaar lettertype van vergelijkbare grootte).

  • Het trackrecord en de conceptnotitie dienen beide voorzien te zijn van een voorblad waarop in ieder geval de volgende informatie vermeld staat: de titel van het fonds (Addressing Root Causes Fund), de naam van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners, de contactpersoon van de aanvrager/penvoerder, de titel van het voorstel, naam van het land en de door de aanvrager/alliantie gekozen landendoelstelling(en).

  • Aanvragen, inclusief alle bijlagen, moeten in het Engels ingediend worden.

  • Het aangevraagde subsidiebedrag moet in euro’s ingediend worden. Er hoeft in fase I geen budget in te worden gediend. In de conceptnotitie (onderdeel vijf van het format) noemt de aanvrager/alliantie een minimaal subsidiebedrag per geformuleerde programma-outcome die de aanvrager/alliantie nodig denkt te hebben voor het behalen van de geformuleerde programma-outcomes, daarnaast noemt de aanvrager/alliantie het maximaal gewenste subsidiebedrag per programma-outcome. In het geval van een alliantie worden deze bedragen uitgesplitst over de indienende organisaties. De bovengrens van het aangevraagde subsidiebedrag is het maximum bedrag dat de aanvrager als subsidie toegewezen kan krijgen. Zie het format voor verdere toelichting.

  • Indien de aanvrager gebruik maakt van bijlages dient de aanvrager in het voorstel expliciet te verwijzen naar de betreffende bijlage en het paginanummer en alinea van de bijlage waar de informatie te vinden is. Alle informatie waarnaar gevraagd wordt in dit beleidskader dient zichtbaar en duidelijk vindbaar in de aangeleverde stukken betreffende uw aanvraag te staan. Verwijzingen naar websites zijn niet toegestaan.

3.2. Indiening

  • Aanvragen voor een subsidie dienen met gebruikmaking van het door de minister vastgestelde aanvraagformulier t.b.v. drempeltoets, met de formats t.b.v. het trackrecord en de conceptnotitie als verplichte bijlages toegevoegd, uiterlijk op vrijdag 4 maart 2016 om 12.00 uur Nederlandse tijd te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Aanvragen moeten of per-email als Adobe PDF26 worden ingediend via DSH-ARCFUND@minbuza.nl of per post naar Ministerie van Buitenlandse Zaken, t.a.v. DSH ARC Fund, Postbus 20061 EB Den Haag, Nederland. Indien de aanvraag per post wordt ingediend, dienen de bestanden ook digitaal op USB-stick meegeleverd te worden.

  • Aanvragen die later dan genoemde datum en tijdstip worden ingediend worden afgewezen. De aanvrager/penvoerder is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.

  • Indien de aanvraag per e-mail wordt ingediend, moet het onderwerp van de e-mail als volgt worden opgesteld: naam land _ naam aanvrager/penvoerder _ titel van het voorstel

  • Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • Indien het voorstel wordt ingediend door een alliantie dient de aanvraag voorzien te zijn van een, door alle leden getekende, samenwerkingsovereenkomst.

  • Mochten er vragen zijn naar aanleiding van het beleidskader en aanvraagformulier, dan kunt u deze uitsluitend per e-mail op het adres DSH-ARCFUND@minbuza.nl indienen in de volgende twee perioden:

    • Tot woensdag 20 januari 2016, 12:00 uur waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord en gepubliceerd worden op de website op uiterlijk woensdag 27 januari.

    • Tot vrijdag 5 februari 2016, 17:00 waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord en gepubliceerd worden op de website op uiterlijk vrijdag 12 februari.

  • Voorstellen die meerdere landen bestrijken worden afgewezen. Voor elk land waarvoor een aanvrager/alliantie subsidie wil aanvragen dient een afzonderlijke aanvraag, bestaande uit informatie ten behoeve van de drempeltoets met als verplichte bijlages een trackrecord en conceptnotitie, te worden ingediend.

  • De aanvrager komt voor maximaal één subsidieaanvraag in het gekozen doelland in aanmerking. Dat kan zijn een individuele subsidieaanvraag of een aanvraag in één alliantieverband waarbij geen onderscheidt wordt gemaakt in penvoerders en mede-indieners. Indien een aanvrager meerdere aanvragen indient voor één doelland, dan wel in meerdere aanvragen voor hetzelfde doelland participeert, hetzij als penvoerder, hetzij als mede-indiener, worden deze aanvragen alle afgewezen.

  • Er is geen maximum aan het aantal landen waarvoor een aanvrager een voorstel in mag dienen.

  • In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een voorstel onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om aanvulling. Als datum van ontvangst van het voorstel zal vervolgens gelden de datum waarop het voorstel is aangevuld. Indien een voorstel pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline van 4 maart 2016, 12:00 uur Nederlandse tijd wordt ingediend, loopt de indiener het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan haar bevoegdheid om de indiener een aanvulling te vragen, aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal het voorstel niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal het worden beoordeeld zoals het primair was ingediend.

3.3. Instructies

3.3.1. Drempeltoets

De criteria voor de drempeltoets zijn te vinden in hoofdstuk vier van dit beleidskader. Gebruik voor het aanleveren van de informatie ten behoeve van de drempeltoets het aanvraagformulier.

De drempeltoets bestaat uit twee onderdelen: (1) een toets m.b.t. de aanvrager/penvoerder en de mede-indieners en (2) een toets m.b.t. het voorstel. Het eerste onderdeel (D.1. t/m D.6.) hoeft de aanvrager/penvoerder slechts één keer in te dienen, ongeacht het aantal voorstellen ingediend door de aanvrager/penvoerder en mede-indieners. Het tweede onderdeel dient de aanvrager/penvoerder voor elk voorstel apart in.

3.3.2. Trackrecord

In het trackrecord dient de aanvrager/penvoerder via twee casussen van programma’s uitgevoerd in de afgelopen vijf jaar (2011–2015) de ervaring in het gekozen doelland gericht op de gekozen landendoelstelling(en) te specificeren (type A).

Indien de aanvrager/penvoerder niet beschikt over de gezochte combinatie van ervaring in het gekozen doelland op de gekozen landendoelstelling(en) in de afgelopen vijf jaar, dan dient de aanvrager/penvoerder programma’s als casus te selecteren waaruit blijkt dat de aanvrager/penvoerder ervaring heeft in de afgelopen vijf jaar met het uitvoeren van programma’s (type B – bestaande uit B1 en B2):

  • 1. In het gekozen doelland gericht op de beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde, niet zijnde de gekozen landendoelstelling(en) en;

  • 2. In een andere fragiele staat27, dan wel Jordanië of Libanon, niet zijnde het gekozen doelland, gericht op de gekozen landendoelstelling(en).28

Per type indiener staan de mogelijke combinaties van aangeleverde casussen hieronder schematisch weergeven:

Type indiener

Casus 1

Casus 2

Lokale ngo

A

A

 

A

B1

Internationale of Nederlandse ngo

A

A

 

A

B1

 

A

B2

 

B1

B2

In het geval van een alliantie mag er, naast in ieder geval één programma uitgevoerd door de penvoerder, ook een programma uitgevoerd door een mede-indiener als casus worden gebruikt.

Programma’s die als casus opgevoerd mogen worden:

  • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de moederorganisatie is, mogen de programma’s uitgevoerd door de gehele eigen organisatie als casus gebruikt worden.

  • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, dan mogen alleen programma’s als casus worden gebruikt die de desbetreffende aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) volledig in eigen beheer heeft en wordt uitgevoerd door (een combinatie van) eigen medewerkers, de lokale afdeling van de moederorganisatie en/of een lokale partnerorganisatie.

  • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, dan mogen programma’s als casus gebruikt worden waarbij de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) die als penvoerder van de uitvoerende alliantie fungeert verantwoordelijk is voor de resultaten.

Programma’s die niet als casus opgevoerd mogen worden:

  • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, mogen programma’s die de aanvrager samen met een andere dochter van de internationale ngo beheert niet als casus gebruikt worden.

  • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is of onderdeel uitmaakt van netwerk van organisaties, dan mogen programma’s die door andere dochterorganisaties of leden van het netwerk worden uitgevoerd niet als casus gebruikt worden.

  • In het geval de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) financiële middelen heeft geworven voor programma’s, zonder dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten bij de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) ligt, dan mogen deze programma’s niet als casus gebruikt worden.

Ten minste één van de twee casussen moet onderbouwd worden door een (intern dan wel extern uitgevoerde) (tussentijdse) evaluatie en moet voorzien zijn van het logical framework of de verandertheorie behorende bij het programma. Deze documenten dienen als bijlage met het trackrecord meegestuurd te worden.

De programma’s opgevoerd als casus kunnen gefinancierd zijn door zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als andere donoren. Echter, indien de aanvrager/penvoerder in de afgelopen vijf jaar financiering voor een programma heeft ontvangen uit de Wederopbouwtender 2012–2016 of de Strategische Partnerschappen Chronische Crises 2014–2016 in het land waarvoor het subsidie aanvraagt, dient de aanvrager/penvoerder dit programma op te nemen als één van de twee casussen. Indien de aanvrager/penvoerder uit beide fondsen financiering ontvangt, mag het zelf de keuze maken welk van de betrokken programma’s het als casus in het trackrecord opvoert; beide mag uiteraard ook.

Indien de aanvrager/penvoerder de afgelopen vijf jaar geen financiering heeft ontvangen uit één van beide fondsen, dan dient in ieder geval één van de door de aanvrager/penvoerder opgevoerde programma’s een budget van gemiddeld minimaal € 500.000 per jaar (in het geval van een Nederlandse of internationale ngo) of gemiddeld minimaal € 200.000 per jaar (in het geval van een lokale ngo) te betreffen, met een minimaal aaneengesloten implementatieperiode van twee jaar (24 maanden); maar bij voorkeur langer.

Voor het trackrecord maakt de aanvrager/penvoerder gebruik van het daarvoor als verplichte bijlage van het aanvraagformulier beschikbaar gestelde format. Het trackrecord beslaat niet meer dan zes pagina’s per casus. Dit is exclusief onderdeel 1 van het format (duur en intensiteit), de toelichtingen en checklists in het format en de verplichte bijlagen bij het trackrecord.

Het trackrecord moet in ieder geval (zichtbaar) onderstaande onderdelen bevatten:

  • Duur en intensiteit van voor het ARC-fonds relevante ervaring: Zie 3.3.2. en het format t.b.v. het trackrecord voor de toelichting hierover.

  • Context en relevantie: De aanvrager/penvoerder schetst de context waarin het programma werd uitgevoerd en de relevantie van het programma voor de doelgroep.

  • Effectiviteit: De aanvrager/penvoerder laat zien in welke mate het programma succesvol is geweest in het realiseren van resultaten (programma-outcomes29) in vergelijking met de vooraf geformuleerde doelstellingen. Geef daarbij aan hoe de gekozen interventiestrategie en daaraan gerelateerde activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van de resultaten. Staaf dit aan de hand van outcome-indicatoren en voor in ieder geval één casus door middel van een evaluatie. Indien resultaten niet (volledig) behaald werden, leg uit welke interne en externe factoren hieraan ten grondslag lagen, welke lessen hieruit getrokken en hoe deze lessen hebben geleid tot aanpassingen in de interventiestrategie.30

  • Duurzaamheid: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe de duurzaamheid van de behaalde resultaten is gewaarborgd. Specificeer daarbij op grond van welke indicatoren dit is aangetoond. Geef aan op welke manier (lokale) autoriteiten, lokale organisaties en de doelgroep onderdeel waren van (het opstellen van) een strategie gericht op duurzaamheid. Indien deze groepen geen onderdeel waren van de strategie gericht op duurzaamheid, leg uit waarom.31

  • Betrokkenheid partnerorganisaties: De aanvrager/penvoerder geeft aan op welke manier partners betrokken waren bij het programmaontwerp, de uitvoering, de monitoring en de verantwoording en hoe hun capaciteiten daarbij versterkt zijn. In casussen waarbij het niet haalbaar was om via partnerorganisaties te werken of het niet in het belang van het programma/de doelgroep beschouwde, leg uit waarom dat het geval was.32

  • Betrokkenheid doelgroep: De aanvrager/penvoerder geeft aan op welke manier de doelgroep betrokken was bij het programmaontwerp, de uitvoering, de monitoring en verantwoording. Indien van toepassing, geef aan welke concrete aanpassingen zijn gedaan op grond van de feedback van de doelgroep in vergelijking met de oorspronkelijke doelstellingen en/of interventiestrategie.

  • Monitoring en evaluatie: De aanvrager/penvoerder geeft aan welke monitoring- en evaluatiemethodes gebruikt zijn, inclusief het formuleren van een baseline, om voortgang op het behalen van de doelstellingen te monitoren en het leren van lessen. Ga daarbij specifiek in op hoe gemeten wordt of het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief is. Het is hierbij van belang dat de aanvrager aantoont dat de gebruikte monitoring- en evaluatiemethodes verandering in de bredere omgeving in kaart brengt en leidt tot korte feedback en ‘learning loops’. Indien van toepassing, leg uit hoe de onderliggende aannames van verandertheorie getest werden en of en hoe dit tot aanpassingen in de verandertheorie heeft geleid.

  • Complementariteit en toegevoegde waarde: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe het programma complementair was aan en van toegevoegde waarde op andere programma’s geïmplementeerd door de aanvrager en programma’s van andere organisaties in hetzelfde interventiegebied. Leg daarbij uit hoe de coördinatie en afstemming met andere relevante actoren verliep. Indien een programma niet complementair was, leg uit waarom.33

  • Gender: De aanvrager/penvoerder laat zien aan hoe het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief was (inclusief medewerkers, doelgroep en capaciteitsopbouw).

  • Conflict-sensitiviteit: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe de eigen rol en de rol van partners conflict-sensitief was op een manier dat de aanvrager begrijpt hoe de interventies en de context op elkaar inwerkten, zowel positief als negatief, en welke stappen genomen werden om de mogelijk negatieve effecten te mitigeren. Indien het programma bewust gericht was op activiteiten die spanningen en conflicten in de samenleving deden toenemen (bijvoorbeeld door het confronteren/doorbreken van bestaande machtsstructuren, ongelijkheid, corruptie en/of exploitatie), dan dient de aanvrager aan te geven op basis van welke legitimiteit het zulke activiteiten ondernam.

3.3.3. Conceptnotitie

De conceptnotitie bestaat uit vijf delen: (1) contextanalyse en actorenmapping, (2) verandertheorie, (3) toegevoegde waarde, (4) conflict-sensitiviteit en (5) het subsidiebedrag.

Voor de conceptnotitie maakt de aanvrager/penvoerder gebruik van het daarvoor beschikbaar gestelde format. De conceptnotitie beslaat niet meer dan veertien pagina’s. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen en checklists in het format en onderdeel vijf van het format (het subsidiebedrag).

Indien de aanvrager/alliantie zich richt op subdoelstelling 5.1, dan dient een marktanalyse onderdeel te zijn van onderdeel één van de conceptnotitie –de contextanalyse en actorenmapping. Hiervoor krijgt de aanvrager/alliantie maximaal één pagina extra waarmee het totaal uitkomt op maximaal vijftien pagina’s.

De conceptnotitie moet in ieder geval (zichtbaar) onderstaande onderdelen bevatten:

  • Contextanalyse en actorenmapping v.w.b. het/de beoogde interventiegebied(en): De aanvrager/alliantie geeft aan op welk(e) interventiegebied(en) (nationaal/provinciaal/lokaal – afhankelijk van het beoogde interventiegebied) de aanvraag zich richt. De aanvrager dient een adequate contextanalyse te schetsen uitvloeiend in een logische probleemstelling (de gedefinieerde grondoorzaken van het gewapende conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie) in het/de beoogde interventiegebied(en). Indien de aanvraag zich op doelstellingen 5.1 (werkgelegenheid) focust dient een marktanalyse onderdeel te zijn van de contextanalyse. Daarnaast geeft de aanvrager/alliantie een overzicht (mapping) van de actoren die van belang zijn voor de oplossing van het probleem, in zowel positieve als negatieve zin, en de onderlinge verhoudingen tussen deze actoren. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:

    • De politieke en socio-economische dynamiek.

    • De politieke en socio-economische machtsstructuren, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de relatie tussen mannen en vrouwen.

    • De invloed van de regionale/nationale context c.q. gebeurtenissen op de politieke en socio-economische dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en).

    • De formulering van een heldere probleemstelling, te weten de geïdentificeerde grondoorzaken van gewapend conflict of instabiliteit, dan wel irreguliere migratie, die voortvloeit uit bovenstaande analyse.

    • De actoren die invloed hebben op de mogelijke oplossing van het probleem; zowel in positieve als in negatieve zin; inclusief de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende actoren.

    • De rol van de aanvrager/alliantie en van partners in de context.

    • De bronnen die geraadpleegd zijn in de totstandkoming van deze context- en actorenmapping.

    • Indien van toepassing, een gedegen marktanalyse waarin beschreven wordt hoe de markt eruit ziet, wie de belangrijkste spelers zijn en wat de voornaamste kansen en belemmeringen in de markt zijn. Hierbij dient aangetoond te worden waarop de analyse is gebaseerd (ervaring en/of onderzoek) meegeleverd als bijlage(n).

  • Verandertheorie: De aanvrager/alliantie specifieert de verandertheorie in de vorm van een visualisatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het figuur in het format t.b.v. de conceptnotitie. Op grond van deze verandertheorie en de uitkomsten van het consultatieproces wordt in fase II (zie 2.2.) een programmadocument uitgewerkt. In de aanvraag gaat het daarom om een eerste opzet.

    • In de visualisatie dient de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen op te nemen:

      • De beoogde resultaatgebieden (programma-outcomes34) voor het in fase II uit te werken programmadocument die bijdragen aan de door de aanvrager/alliantie gekozen landendoelstelling(en) uit annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland. Hierbij dient de aanvrager/alliantie te streven naar maximaal drie programma-outcomes.

      • De aannames over de verbanden tussen de programma-outcomes en de landendoelstelling(en).

      • De verbanden tussen de verschillende programma-outcomes.

      • De strategie voor het bereiken van de programma-outcomes, inclusief de daaronder liggende aannames.

    • In de conceptnotitie licht de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen betreffende de verandertheorie toe:

      • Hoe de programma-outcomes bijdragen aan (1) de overkoepelende doelstellingen van het ARC-fonds en (2) de gekozen landendoelstelling(en) in annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland en beoogde interventiegebied(en).

      • Hoe de strategie beschreven in de visualisatie bijdraagt aan het behalen van de programma-outcomes.

      • Hoe de programma-outcomes complementair zijn aan andere activiteiten die in het desbetreffende land worden ondernomen door de aanvrager/alliantie en andere ngo’ s en multilaterale instellingen en aansluiten bij de prioriteiten van de overheid (indien relevant in een conflictsituatie). Indien de activiteiten niet complementair zijn, leg uit waarom.35

      • De basis voor de aannames (onderzoek, eigen ervaring, etc.) zoals geformuleerd in de visualisatie.

      • De wijze waarop de duurzaamheid van de programma-outcomes gegarandeerd wordt, waarbij specifiek wordt ingegaan op de rol van (lokale) autoriteiten, lokale partners en de doelgroep.

      • De wijze waarop de verandertheorie genderkwesties op een geïntegreerde en transformerende aanpakt.

      • Hoe de verandertheorie binnen de invloedsfeer van de aanvrager/alliantie ligt.

      • Indien van toepassing (landendoelstelling 5.1), de wijze waarop de programma-outcomes (1) gericht zijn op de aanpak van specifieke, voor de context-relevante tekortkomingen, binnen de vraag, het aanbod en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod op de markt en (2) de (centrale en lagere) overheden gestimuleerd worden om barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen.

  • Toegevoegde waarde en relevantie: De aanvrager/alliantie beschrijft waarom het in aanmerking dient te komen voor subsidie in het gekozen doelland. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:

    • De strategische relevantie van deze aanvraag voor het Nederlandse beleid op speerpunt Veiligheid & Rechtsorde.

    • De toegevoegde waarde van de aanvrager/alliantie ten opzichte van andere organisaties actief in het doelland op de gekozen landendoelstelling(en).

    • In het geval dat dit een aanvraag van een alliantie betreft, leg uit waarom er voor het werken in een alliantie is gekozen en wat de toegevoegde waarde van het werken in de alliantie is ten opzichte van de individuele alliantieleden.

  • Conflict sensitiviteit: De aanvrager/alliantie toont aan dat het over adequate kennis en expertise op het gebied van conflict-sensitiviteit beschikt en hoe het zorgdraagt dat medewerkers, lokale partners eventuele aannemers op een conflict-sensitieve manier opereren en rapporteren naar de aanvrager/alliantie over contextuele veranderingen en de wisselwerking tussen programma-activiteiten en de context.

  • Subsidiebedrag36: De aanvrager/alliantie noemt een minimaal subsidiebedrag die de aanvrager/alliantie nodig denkt te hebben voor het behalen van de geformuleerde programma-outcomes, daarnaast noemt de aanvrager/alliantie het maximaal gewenste subsidiebedrag. Zie criterium D.7. in hoofdstuk 4 voor het in dit beleidskader vastgestelde minimum en maximum bedrag voor subsidieaanvragen. De door de aanvrager/alliantie genoemde bedragen mogen niet onder of boven de in dit beleidskader vastgestelde bedragen per voorstel uitkomen. Deze twee bedragen dienen uitgesplitst te worden over de geformuleerde programma-outcomes en in geval van een alliantie over de indienende organisaties. Gebruik hiervoor het schema in het format t.b.v. de conceptnotitie. Daarnaast levert de aanvrager/alliantie de volgende informatie aan: de gewenste looptijd (minimaal 36 en maximaal 60 maanden), de gewenste startdatum (niet eerder dan 1 september 2016 en niet later dan 1 januari 2017) en het percentage van het budget dat naar verwachting via lokale partnerorganisaties uitgegeven gaat worden. Het subsidiebedrag hoeft niet onderbouwd te worden.

Hoofdstuk 4. Beoordelingscriteria

4.1. Drempelcriteria

4.1.1. Criteria m.b.t. de aanvrager

  • D.1. De aanvrager (of in het geval van een alliantie: de penvoerder) en eventuele mede- indieners is (zijn) een Nederlandse, internationale of lokale non-gouvernementele organisatie (ngo) zonder winstoogmerk en bezit(ten) rechtspersoonlijkheid.

    • Onder ngo wordt verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de ngo statutair gevestigd is.

    • Onder Nederlandse ngo wordt verstaan: opgericht in Nederland, volgens Nederlands recht en statutair in Nederland gevestigd.

    • Onder lokale ngo wordt verstaan: een organisatie die statutair is gevestigd in het land waarin de beoogde activiteiten worden uitgevoerd (doelland). Vanwege het conflict in Syrië is het de afgelopen jaren lastig gebleken voor lokale ngo’s om zich statutair te vestigen in Syrië. Daarom geldt voor lokale Syrische ngo’s de volgende definitie: een organisatie die statutair is gevestigd in Syrië, Jordanië, Libanon of Turkije en alleen activiteiten in Syrië uitvoert.

    • Onder internationale ngo wordt verstaan: een organisatie die statutair buiten de grenzen van Nederland en het gekozen doelland is gevestigd en in minimaal twee landen activiteiten implementeert, waarbij de ngo in de periode 2013-2015, of in geval het jaarverslag en/of de jaarrekening voor het jaar 2015 nog niet gereed zijn, de periode 2012–2014, minimaal € 500.000 per jaar buiten het land van vestiging heeft besteed.

    • In het geval van een alliantie omvat de aanvraag een, door alle alliantieleden, getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages.

  • D.2. De aanvrager of de penvoerder heeft in de periode 2011–2015, of in geval het jaarverslag en/of de jaarrekening voor het jaar 2015 nog niet gereed zijn, de periode 2010–2014, ten minste drie jaar ervaring met het uitvoeren van programma’s in het doelland voor een budget van:

    • in het geval van een Nederlandse of internationale ngo minimaal € 500.000 per jaar.

    • in het geval van een lokale ngo minimaal € 200.000 per jaar.

  • D.3. De aanvrager toont aan dat vanaf 1 januari 2016 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. ambassades). Subsidies verkregen uit het ARC-fonds zullen nooit meer dan 75% van de totale jaarlijkse inkomsten van de organisatie bedragen. De aannemelijkheid wordt onderbouwd aan de hand van de financiële verslaglegging over de periode 2012–2014.

    • In het geval van een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de alliantieleden minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit de alliantie.

    • Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten maar wel bij het bepalen van de omvang van de jaarlijkse inkomsten.

  • D.4.

    • A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in de EU bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor de subsidie wordt aangevraagd per kalenderjaar ten hoogste € 168.000 op grond van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, een 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a. Voor EU lidstaten die geen gebruik maken van de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de spotrates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De koerslijst van deze spotrates is toegevoegd als annex 2 bij het beleidskader.

    • B. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS)37 geldt voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners gevestigd in de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen38:

      • a. Noorwegen: NRK 2.153.538 – € 228.275

      • b. Zwitserland: SFR 227.547 – € 207.750

      • c. Japan: YEN 22.192.867 – € 168.000

      • d. VS/Canada: USD 207.205 – € 189.800

    • C. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in landen anders dan EU lidstaten, Noorwegen, Zwitserland, Japan, de VS en Canada staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.5. De aanvrager heeft de beschikking over een kantoor in het land waarvoor de subsidie wordt aangevraagd – al dan niet via partnerorganisaties. In het geval van een alliantie dienen één of meerdere alliantiepartners over een kantoor te beschikken.

  • D.6. De aanvrager/penvoerder is in staat tot adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

4.1.2. Criteria m.b.t. het voorstel

  • D.7. De subsidieaanvraag heeft een minimale looptijd van drie jaar (36 maanden) en maximale looptijd van vijf jaar (60 maanden) en het gevraagde subsidiebedrag betreft minimaal jaarlijks gemiddeld:

    • € 500.000 per jaar wanneer het een Nederlandse of internationale ngo betreft.

    • € 200.000 per jaar wanneer het een lokale ngo betreft.

    • € 1.000.000 per jaar wanneer het een alliantie betreft.

    Voor alle aanvragen geldt dat het aangevraagde subsidiebedrag een maximum heeft van € 10 miljoen per land bij een gehele looptijd van vijf jaar (2016–2021). Indien de aanvraag een kortere periode betreft bedraagt het gevraagde subsidiebedrag niet meer dan € 6 miljoen bij een looptijd van drie jaar en € 8 miljoen bij een looptijd van vier jaar.

  • D.8. De activiteiten starten niet eerder dan 1 september 2016 en niet later dan 1 januari 2017 en worden uiterlijk afgerond op 31 december 2021.

  • D.9. De aanvrager komt voor maximaal één subsidieaanvraag in het gekozen doelland in aanmerking. Dat kan zijn een individuele subsidieaanvraag of een aanvraag in één alliantieverband waarbij geen onderscheidt wordt gemaakt in penvoerders en mede-indieners. Indien een aanvrager meerdere aanvragen indient voor één doelland, dan wel in meerdere aanvragen voor hetzelfde doelland participeert, hetzij als penvoerder, hetzij als mede-indiener, worden deze aanvragen allen afgewezen.

  • D.10. De subsidieaanvraag richt zich op (1) de algemene doelstelling van het ARC-fonds, namelijk het wegnemen van grondoorzaken van instabiliteit/conflict en/of irreguliere migratie en (2) één of meerdere landendoelstellingen zoals geformuleerd in het beleidskader.

  • D.11. De subsidieaanvraag betreft geen:

    • initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

    • financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;

    • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

    • activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen.

    • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop de tender waarvoor een aanvraag wordt ingediend betrekking heeft.

  • D.12. De subsidieaanvraag betreft activiteiten die worden uitgevoerd in één van de doellanden Afghanistan, Pakistan, Jordanië, Libanon, Syrië, Ethiopië, Somalië, Sudan, Zuid-Sudan, Mali, Burundi en de Democratische Republiek Congo.

4.2. Trackrecord criteria

  • T.1. De mate waarin de geplande outcomes gerealiseerd zijn en dit gestaafd wordt door middel van onafhankelijk onderzoek.

  • T.2. De mate waarin de outcomes duurzaam waren.

  • T.3. De mate waarin de partners betrokken waren bij (1) de voorbereiding (= keuze doelstellingen), (2) de uitvoering en (3) monitoring van het programma, (4) de verantwoording over de resultaten van het programma richting begunstigden en (5) de mate waarin hun capaciteiten versterkt zijn.

  • T.4. De mate waarin de doelgroep betrokken was bij (1) de voorbereiding (= keuze doelstellingen) en (2) de uitvoering en (3) de monitoring van het programma en er (4) verantwoording over de resultaten aan de doelgroep werd afgelegd.

  • T.5. De mate waarin de gebruikte monitoring en evaluatiemethoden de (1) voortgang op de doelstellingen, (2) veranderingen in de bredere omgeving dan het programma, en (3) geleerde lessen in kaart brachten en er op basis van deze informatie wijzigingen in het huidige en toekomstige programma’s werden/zijn doorgevoerd.

  • T.6. De mate waarin het programma complementair was, en toegevoegde waarde had op andere in het doelland uitgevoerde programma’s van de aanvrager, andere organisaties en/of de overheid en er sprake was van coördinatie en afstemming met andere organisaties en/of de overheid.

  • T.7. De mate het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief was in alle aspecten van het programma.

  • T.8.

    • A. De mate waarin de rol van de aanvrager/alliantie en eventuele partners conflict-sensitief was.

      Indien het in de casus omschreven programma zich bewust richt op activiteiten die mogelijk de spanningen/conflicten in een samenleving doen toenemen (bijv. het confronteren en/of doorbreken van bestaande machtsverhoudingen, patronen van ongelijkheid in de samenleving, corruptie en/of exploitatie) dan is ook het volgende criterium van toepassing:
    • B. De mate waarin de aanvrager/alliantie zelf of via partners over legitimiteit beschikte om dergelijke activiteiten uit te voeren.

4.3. Conceptnotitie criteria

4.3.1. Criteria met betrekking tot de contextanalyse en actorenmapping

  • C.1. De mate waarin de aanvrager/alliantie de socio-economische en politieke dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt.

  • C.2. De mate waarin de aanvrager/alliantie de socio-economische en politieke machtsstructuren in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de gendermachtsrelaties tussen mannen en vrouwen.

  • C.3. De mate waarin de aanvrager/alliantie benoemt hoe de nationale en regionale context de socio-economische en politieke dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en) beïnvloedt.

  • C.4. De mate waarin de aanvrager/alliantie een heldere probleemstelling – de geïdentificeerde grondoorzaken van het gewapende conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie – formuleert die voortvloeit uit de contextanalyse en actorenmapping.

  • C.5. De mate waarin de aanvrager/alliantie de actoren die van belang zijn voor de oplossing van het probleem, zowel in positieve als in negatieve zin, en de onderlinge verhoudingen tussen de actoren in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt.

  • C.6. De mate waarin de aanvrager/alliantie benoemt welke posities de aanvrager/alliantie en de partners innemen in de context.

  • C.7. De mate waarin de contextanalyse en actorenmapping is gebaseerd op verschillende betrouwbare bronnen zowel binnen als buiten het/de beoogde interventiegebied(en).

  • C.8. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt: De mate waarin de marktanalyse:

    • A. de markt in het/de beoogde interventiegebied(en) beschrijft;

    • B. de belangrijkste spelers op de markt benoemt;

    • C. realistische kansen en belemmeringen benoemt;

    • D. de analyse gebaseerd is op betrouwbare bronnen (eigen ervaring en/of onderzoek) meegeleverd als bijlage(n).

4.3.2. Criteria met betrekking tot de verandertheorie

  • C.9. De mate waarin de verandertheorie bijdraagt aan het behalen van de (1) hoofddoelstelling van het ARC-fonds: het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie en (2) de gekozen landendoelstelling(en) in annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland.

  • C.10. De mate waarin de verandertheorie genderkwesties op een geïntegreerde en transformerende manier aanpakt.

  • C.11. De mate waarin de programma-outcomes (1) complementair zijn aan andere activiteiten die in het desbetreffende land worden ondernomen door de aanvrager/alliantie en andere ngo’s en multilaterale instellingen en (2) aansluiten bij de prioriteiten van de overheid in het betreffende land.

  • C.12. De mate waarin de voorgenomen strategie bijdraagt aan het behalen van de door de aanvrager omschreven programma-outcomes.

  • C.13. De mate waarin de onderliggende aannames expliciet zijn gemaakt en gebaseerd zijn op een solide analyse en/of ervaring van de aanvrager/alliantie.

  • C.14. De mate waarin de aanvrager/alliantie aannemelijk maakt dat de verandertheorie binnen de eigen invloedsfeer ligt.

  • C.15. De mate waarin de verandertheorie over een overtuigende strategie voor duurzaamheid (d.w.z. dat resultaten beklijven nadat het programma uiterlijk 2021 is afgelopen) beschikt, waarbij specifiek wordt in gegaan op de rol van (lokale) autoriteiten, lokale partners en de doelgroep.

  • C.16. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt:

    • A. De mate waarin de programma-outcomes gericht zijn op de aanpak van specifieke, voor de context relevante tekortkomingen binnen de vraag, het aanbod en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod;

    • B. De mate waarin de programma-outcomes gericht zijn op het stimuleren van (centrale en lagere) overheden om barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen;

4.3.3. Criteria met betrekking tot de toegevoegde waarde en relevantie

  • C.17. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert wat de toegevoegde waarde van de aanvrager/alliantie t.o.v. andere organisaties actief in het doelland op de gekozen landendoelstelling(en) in het doelland.

  • C.18. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert dat de aanvraag strategische relevant is voor het beleid van Nederland op het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde.

  • C.19. Alleen van toepassing indien het een aanvraag van een alliantie betreft: de mate waarin de alliantie overtuigend motiveert wat de toegevoegde waarde van het werken in een alliantie is t.o.v. de individuele alliantieleden.

4.3.4. Criteria met betrekking tot conflict-sensitiviteit

  • C.20. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert over adequate kennis en expertise op het gebied van conflict-sensitiviteit te beschikken.

  • C.21. De mate waarin de aanvrager/alliantie zeker stelt dat medewerkers, lokale partners en aannemers op een conflict-sensitieve manier opereren en rapporteren naar de aanvrager/alliantie over contextuele veranderingen en de wisselwerking tussen programma- activiteiten en de context.

  • C.22. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt: De mate waarin de aanvrager/alliantie aantoont zich bewust te zijn van de impact van de programma-outcomes op lokale markten (vanuit de doelstelling zo min mogelijk marktverstorend te werken).

Annex 1. : Landen en doelstellingen

Afghanistan

Eén op de vijf vluchtelingen wereldwijd komt uit Afghanistan.39 Het overgrote deel van hen vindt onderdak in buurlanden Iran en Pakistan. Toch reisden er in de eerste elf maanden van 2015 volgens schattingen van UNHCR ongeveer 170.000 Afghanen via de Middellandse Zee naar Europa40. In Nederland wonen momenteel bijna 44.000 Afghanen waarmee het, na Duitsland, de grootste Afghaanse populatie binnen de EU heeft.

De redenen waarom Afghanen besluiten te migreren zijn complex en divers. Ten eerste is de veiligheidssituatie in Afghanistan in de afgelopen jaren, mede door de recentelijke opmars van de Taliban in delen van het land, verder verslechterd.41 Ten tweede komen elk jaar ongeveer 400.000 jonge mensen de, toch al krappe, Afghaanse arbeidsmarkt op.42 Dit zorgt voor hoge werkloosheidscijfers en een gebrek aan economisch perspectief voor voornamelijk jongeren. Een gevoel van uitzichtloosheid overheerst en aansluiting bij de Taliban biedt voor veel jongeren een alternatieve bron van inkomsten. Ten derde is er een gebrek aan vertrouwen in de Afghaanse regering en in de toekomst. Er bestaat onder Afghanen de angst, mede door de recente overname van Kunduz door de Taliban, dat de situatie de komende tijd verder zal verslechteren. Ten slotte, blijft inspraak door de bevolking in besluitvorming beperkt en voelen veel mensen zich niet gehoord door het politieke leiderschap. Zowel door gebrek aan transparante en eerlijke rechtsorde en een bestuur waarin burgers zich herkennen en die een vertrouwensvol alternatief vormt voor de Taliban, als door gebrek aan economisch perspectief om een toekomst in Afghanistan op te bouwen in een fragiele en regelmatig onveilige context, besluiten steeds meer jonge Afghanen om de tocht naar Europa te wagen. Dit resulteert voor Afghanistan niet alleen in een brain drain, maar ook in een labour drain, wat wederopbouw van het land verder bemoeilijkt.

Op het gebied van gendergelijkheid heeft Afghanistan nog een lange weg te gaan. Vrouwen hebben minder economische mogelijkheden en zijn sterk ondervertegenwoordigd in lokale en nationale politieke systemen. Hun stem wordt veelal niet gehoord in besluitvormingsprocessen. Een goede genderstrategie gericht op het transformeren van de traditionele en ongelijke rolverdeling tussen mannen en vrouwen in Afghanistan is daarom cruciaal voor elke organisatie die in Afghanistan wil werken. Door een combinatie van onveiligheid en uitzichtloosheid zien veel Afghanen geen andere keuze dan het land ontvluchten en hun heil elders te zoeken.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Afghanistan staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende prioritaire landendoelstellingen.

Doel 5: Werkgelegenheid

  • 5.1 Ngo’s, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale of nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid voor met name jongeren en vrouwen op een conflict sensitieve wijze, die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie. Een sector waar veel kansen liggen is de landbouwsector. Echter, initiatieven op andere sectoren worden niet uitgesloten.

Daarnaast kunnen aanvragers ook voorstellen indienen op onderstaande landendoelstellingen. Echter, voorstellen op de doelstelling (5.1) hierboven zijn prioritair.

Doel 2: Functionerende rechtsorde

  • 2.1 Mannen en vrouwen uit alle groepen zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van transparant functionerende formele en informele rechtspleging.

  • 2.2 Instituties binnen het rechtssysteem voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en leggen verantwoording af. Kansen daarbij liggen met name in het verbeteren van bewijsgaring en betere functionering van ‘elimination of violence against women’ (EVAW)-units.

  • 2.3 Het rechtssysteem is onafhankelijk en bestrijdt machtsmisbruik en corruptie door staatsinstellingen en -vertegenwoordigers, gewapende actoren en machtige private actoren.

Doel 3: Inclusieve politieke processen

  • 3.1 Politieke besluitvorming op alle niveaus is participatief, representatief en inclusief voor alle bevolkingsgroepen.

  • 3.2 Nationale en internationale actoren nemen verantwoordelijkheid voor effectieve en inclusieve mechanismen voor vredesopbouw en conflictpreventie op verschillende niveaus, met een actieve rol voor vrouwen.

Burundi

Burundi kent een lange geschiedenis van instabiliteit, conflict en migratie. In 2008 kwam een eind aan een bloedige etnische burgeroorlog die rond de 300.000 mensen het leven kostte. Echter, onderliggende spanningen tussen bevolkingsgroepen in Burundi zijn blijven bestaan. Armoede en voedselonzekerheid leiden tot onvrede bij de, grotendeels jonge, bevolking. Meer dan 60 procent van de Burundezen is onder de 25 jaar oud.43 Door toegenomen bevolkingsdruk is ook een gebrek aan landbouwgrond een steeds groter wordend probleem. Daarbij komt dat het vertrouwen tussen de centrale overheid en burger (het sociale contract) laag is door corruptie en elites die voornamelijk uit zijn op het verkrijgen en het behouden van macht.

Dat de stabiliteit inderdaad fragiel was, bleek in april 2015 toen de aankondiging dat president Nkurunziza zich kandidaat stelde voor een derde termijn als leider van Burundi leidde tot hevige onlusten, voornamelijk in en rond Bujumbura. De rust is in delen van de stad nog altijd niet teruggekeerd. Sinds het begin van de onlusten ontvluchtten al meer dan 200.000 Burundezen het geweld en zochten zij een veilig heenkomen, voornamelijk in buurlanden Tanzania en Rwanda. Daarnaast kent Burundi circa 80.000 ontheemden.44

De recente uitbraak van geweld laat zien dat de grondoorzaken van de burgeroorlog nog niet voldoende zijn weggenomen en dat er nog veel ‘oud zeer’ bestaat tussen verschillende bevolkingsgroepen in het land. Oprechte verzoening met het verleden is nodig om mensen bij elkaar te brengen om een oplossing te vinden voor de huidige instabiliteit. Hoewel de Burundese bevolking in meerderheid geïnteresseerd lijkt om in vreedzame co-existentie te werken aan de (weder)opbouw van hun land, schromen machthebbers niet de huidige politieke spanningen aan te wakkeren door ook de etnische tegenstellingen weer scherper te stellen d.m.v. haatspeech. Het is daarom van belang in te zetten op transitional justice om Burundezen de mogelijkheid te geven om lessen te leren van de fouten uit het verleden en met een schonere lei vooruit te kijken. Daarnaast is inzet nodig om mensen een gevoel van veiligheid terug te geven, zodat zij zich minder genoodzaakt zullen voelen om op de vlucht te slaan. Jongeren dienen in beide benaderingen centraal te staan.

Organisaties die in Burundi willen werken dienen zich ervan bewust te zijn dat door opgelegde sancties naar aanleiding van de inhuldiging van president Nkurunziza voor een derde termijn, samenwerking met de (centrale) overheid tot een minimum beperkt dient te worden. De Nederlandse ambassade in Bujumbura kan adviseren over de actuele beperkingen voor het werken in Burundi.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Burundi staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 1: Veiligheid voor mensen

  • 1.1 Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd.

  • 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en, waar wenselijk, in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en sociale cohesie.

Doel 2: Functionerende rechtsorde

  • 2.1 Mannen en vrouwen uit alle groepen zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van formele en informele rechtspleging.

  • 2.4 Formele en informele rechtsinstituties bieden gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen en misdrijven gepleegd tijdens gewapend conflict of dictaturen, en adresseren onderliggende oorzaken van conflict.

Democratische Republiek Congo

Het oosten van Congo wordt al meer dan twintig jaar gekenmerkt door chronische instabiliteit. Dit heeft een enorme impact op de mens, ecologie en economie tot gevolg gehad. De regio wordt geplaagd door een grote hoeveelheid aan lokale en buitenlandse gewapende groeperingen, resulterend in meer dan twee miljoen ontheemden en een even groot aantal Congolezen die in het buitenland toevlucht hebben gezocht.45 De internationale gemeenschap heeft veel geïnvesteerd in vredes- en stabiliteitsprocessen, ook door de grootste VN vredesopbouwmissie, MONUSCO, op de been te zetten, bestaande uit 20.000 blauwhelmen die (voornamelijk) uitgezet zijn in Oost-Congo.46

Sinds 2009 is er een International Security & Stabilisation Strategy (I4S) opgezet en geïmplementeerd door MONUSCO’s Stabilisation Support Unit en de internationale gemeenschap. Deze strategie ondersteunt het Congolese overheidsprogramma voor stabiliteit in Oost-Congo (STAREC). De I4S definieert stabiliteit als volgt ‘(...) een geïntegreerd, holistisch, maar gericht proces dat de staat en de maatschappij in staat stelt om wederzijdse verantwoordelijkheid en capaciteit op te bouwen, zodat bestaande of opkomende drijvers van gewelddadig conflict gezamenlijk worden aangepakt. Het is een interventie die tussen noden en duurzame ontwikkeling in ligt’.47

De voornaamste oorzaak van instabiliteit en conflict in het oosten van Congo is het falen van de staat om zijn reguliere verantwoordelijkheden aan te nemen, het verzekeren van gelijke bescherming van burgers en het uitvoeren van een monopolie op geweld. Dit heeft geresulteerd in: (1) de proliferatie van gewapende groeperingen en geweld (inclusief seksueel en gender-gerelateerd geweld), (2) strijd over toegang en controle over land en andere natuurlijke bronnen (o.a. mineralen), binnen de context van een winner-takes-all-mentaliteit en manipulatie van etnische en tribale affiliatie, en (3) gebrek aan/ongelijkheid van economische kansen en perspectieven, met name voor vrouwen en jongeren, binnen een context van toenemende demografische druk.

Inspanningen van de internationale gemeenschap in het verleden waren te gefragmenteerd en hebben te vaak om conflictdynamiek heen gewerkt in plaats van het direct aan te pakken. Dit heeft de impact van deze investeringen aanzienlijk verkleind.

Nederland beoogt bij te dragen aan een Grote Meren regio die veiliger, stabieler en welvarender is, en waar mannen en vrouwen meer perspectieven hebben. Veiligheid is belangrijk vanwege het doordringende risico op gewelddadig conflict. Armoede en geweld zullen leiden tot grote aantallen vluchtelingen, slachtoffers en lijdende mensen. Nederland begrijpt hoe complex de geschiedenis van de regio de huidige situatie blijft beïnvloeden en zou graag een verschil maken door coherent gebruik te maken van beschikbare middelen. Dit wordt gereflecteerd in het Grote Meren Meerjarig Strategisch Plan, dat voor Oost-Congo op één lijn staat met het I4S. Het I4S zet in detail uiteen wat de voornaamste drijvers van conflict en kansen voor stabiliteit zijn in Oost-Congo (inclusief de behoefte-evaluatie en provinciale strategieën en plannen).

Nederland is op zoek naar een holistische interventie die de grondoorzaken van conflict aanpakt vanuit meerdere invalshoeken en die zal resulteren in tastbare impact op veiligheid en stabiliteit in de geselecteerde I4S-stabilisatie prioritaire zones: 1) Masisi-Rubaya-Katoyi-Luke en 2) Hauts Plateux de Kalehe (Noord-Kalehe).

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor DR Congo staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 4: Legitieme en capabele overheid

  • 4.1 Overheidsinstanties op lokaal en provinciaal niveau voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling van burgers.

  • 4.2 Overheidsinstanties staan open voor de behoeftes en meningen van burgers en hebben functionerende systemen voor interne en externe verantwoording.

  • 4.3 Overheidsinstanties voeren een transparant beheer over nationale hulpbronnen en publieke financiën en zorgen voor effectieve mechanismen om corruptie te bestrijden en te voorkomen.

Doel 5: Werkgelegenheid en basisvoorzieningen

  • 5.1 Ngo’s ondersteunen, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de gemeenschappen in het vergroten van de toegang tot duurzame werkgelegenheid, met name voor jongeren en gemarginaliseerde groepen, op een wijze die bijdraagt aan een vermindering in relevante conflict-gerelateerde grieven van de populatie.

  • 5.2 Ngo’s ondersteunen, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en/of de private sector, de gemeenschappen in het verbeteren van de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen, met name voor jongeren en gemarginaliseerde groepen, op een wijze die bijdraagt aan een vermindering in relevante conflict-gerelateerde grieven van de populatie.

Ethiopië

Ethiopië herbergt het grootste aantal vluchtelingen van Afrika, bijna 730.000 mensen.48 Ethiopië is een transit-, herkomst- en opvangland voor migranten en vluchtelingen. Verschillende migratiestromen gaan vanuit Ethiopië richting het Midden-Oosten, zuidelijk Afrika en Europa. De Ethiopische overheid heeft aangegeven dat het moeilijk is om de migratiestromen zelf tegen te gaan, maar dat er meer kan worden gedaan om migratie in goede banen te leiden en het aantal mensen, dat zich gedwongen voelt om te migreren, te verminderen. Door gebrek aan perspectief in Ethiopië vertrekken veel, voornamelijk Somalische en Eritrese vluchtelingen naar Europa, maar ook Ethiopische migranten richting het Midden-Oosten.

Ethiopië handhaaft een open-deur-beleid voor vluchtelingen. Vanwege de historische band met Eritrea is er sterke solidariteit in Ethiopië met Eritrese vluchtelingen. Eritrese vluchtelingen mogen onder bepaalde voorwaarden ook buiten de kampen wonen, studeren en werken in de informele sector. Desalniettemin kiezen grote groepen Eritreeërs, maar ook Ethiopische migranten vanuit de Shire regio, ervoor om irregulier te migreren vanwege een gebrek aan perspectief en een grote aanwezigheid van mensensmokkelaars. Bovendien is de situatie van veel Somalische vluchtelingen slechts te benaderen vanuit een lange termijnperspectief en daardoor hopeloos. Dit draagt bij aan de migratiedruk.

Ondanks dat de economie van Ethiopië sterk groeit, gemiddeld met 10.8 procent tussen 2003 en 201449, leven nog veel Ethiopiërs in armoede. Economische uitzichtloosheid maakt dat Ethiopiërs uit alle delen van het land zich genoodzaakt voelen om voornamelijk richting het Midden-Oosten, maar ook naar Europa te migreren. Door mensen meer kansen te bieden om een beter bestaan op te bouwen in Ethiopië, kan de push-factor om te vertrekken naar Europa en andere delen van de wereld afnemen. Economische factoren zoals kans op werk, lage inkomens en ongelijkheid zijn belangrijke grondoorzaken van doormigratie van deze groep vluchtelingen. Innovatieve projecten die alternatieven van duurzaam bestaan stimuleren zijn daarom nodig om resultaten te behalen op het wegnemen van grondoorzaken van migratie vanuit Ethiopië.

Ngo’s die een voorstel indienen voor Ethiopië dienen zich ervan bewust te zijn dat zij, of hun lokale partners, in Ethiopië alleen projecten mogen implementeren met een mandaat van de overheid. De Nederlandse ambassade in Addis Abeba kan op het vlak van regelgeving voor ngo’s in Ethiopië adviseren.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Ethiopië staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 4: Legitieme en capabele overheid

  • 4.1 Overheidsinstanties op alle niveaus voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling van vluchtelingen, gastgemeenschappen en (potentiële) Ethiopische migranten bevordert.

Doel 5: Werkgelegenheid en basisvoorzieningen

  • 5.1 Ngo’s vergroten, waar mogelijk, in samenwerking met lokale of nationale overheidsinstellingen, met het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de toegang tot duurzame werkgelegenheid voor vluchtelingen, migranten en gastgemeenschappen op een wijze die bijdraagt aan bredere economische ontwikkeling.

  • 5.2 Ngo’s verbeteren, waar mogelijk, in samenwerking met lokale en nationale overheidsinstellingen, met het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen op een wijze die bijdraagt aan het wegnemen van grondoorzaken van (gedwongen) migratie en instabiliteit.

Jordanië

Jordanië heeft momenteel te maken met een enorme vluchtelingencrisis. Er zijn 650.000 Syrische en 58.000 Iraakse vluchtelingen geregistreerd in Jordanië.50 Dit is in aanvulling op de 750.000 Syriërs die al in Jordanië woonachtig waren voor de crisis – de Iraakse vluchtelingen uit de twee Golfoorlogen en de Palestijnse vluchtelingen.

85 procent van deze vluchtelingen woont buiten de opvangkampen, in de armste delen van Jordanië en meer dan de helft van de vluchtelingen zijn kinderen. Veel vluchtelingen die buiten de opvangkampen in gemeenschappen wonen, hebben onvoldoende toegang tot basisvoorzieningen. In een aantal gemeenten, voornamelijk in het noorden, overtreffen de vluchtelingen de Jordaanse inwoners in aantallen. De impact die de vluchtelingencrisis op werkgelegenheid, toegang tot openbare diensten en middelen heeft, doet lokale spanningen ontstaan.

Het conflict in Syrië gaat ondertussen zijn vijfde jaar in. Het voorzien in de behoeften van de vluchtelingen heeft een grote impact op de publieke financiën, overheidsuitgaven, publieke diensten en veiligheid van Jordanië. Bovendien is de handel van Jordanië ernstig ontwricht door het verlies van trans-regionale handelsroutes door Syrië.

Naast een gelimiteerde toegang tot basisvoorzieningen hebben vluchtelingen geen perspectief om in de toekomst zelfvoorzienend te worden. Het aantal plekken in primair en secundair onderwijs en het aantal leraren is beperkt. Er is daarnaast gelimiteerde toegang tot scholing, beroepsopleidingen en inkomsten-genererende activiteiten, omdat scholen overvol zitten (en vaak al dubbele diensten draaien) en de overheid afwachtend is in het toelaten van grote groepen Syriërs om zo de banenkans van de Jordaniërs te beschermen (de jeugdwerkelijkheid staat in Jordanië op 34 procent51). Daarbij komt dat druk op de formele en informele arbeidsmarkt de (jeugd)werkloosheid heeft doen toenemen, ook onder Jordaniërs. Dit zorgt ervoor dat er weinig politieke wil is om vluchtelingen toe te staan om te werken.52 In de tussentijd lopen vluchtelingen die in de informele sector werken het risico op repercussies (zoals uitzetting) als zij gesnapt worden. Een gebrek aan rechtsbijstand (burgerdocumentatie, boetes, tijdslimieten) bij stateloosheid draagt verder bij aan de complexiteit waar de vluchtelingengemeenschap mee geconfronteerd wordt.

Voornamelijk door het gebrek aan perspectief beslissen sommige Syriërs terug te keren naar Syrië of door te reizen naar Europa. Het aantal vluchtelingen dat terugkeert naar Syrië is in augustus 2015 meer dan verdubbeld.53 Belangrijke push-factoren zijn de cumulatieve impact van het leven in ballingschap zonder perspectief op een verbetering van deze situatie, het gebrek aan toegang mogelijkheden om in eigen levensonderhoud te voorzien en een gebrek aan kansen voor een waardevolle toekomst voor kinderen, de recentelijke intrekking van gratis toegang tot basisdiensten zoals gezondheidszorg en kortingen op voedselhulp vanwege financieringstekorten. 54

Tijdens het recente Resilience Development Forum in november 2015, kondigde de Jordanese overheid een verandering aan in zijn benadering van de inzetbaarheid van Syrische vluchtelingen – van een 100 procent verbod naar de mogelijkheid om, ondanks een gebrek aan mogelijkheden, ‘extreem kwetsbare Jordaniërs en Syriërs’ te betrekken in inkomsten-genererende programma’s. Jordanië zal verder een quotum instellen voor Syriërs in bepaalde sectoren waar veel buitenlandse arbeidskrachten werken zoals de bouw, de landbouw en de textielsector. Bovendien presenteerde het Ministerie van Planning en Internationale Samenwerking op 23 november 2015 een eerste aanzet tot een plan – ontwikkeld in samenwerking met de Wereldbank en UK/DFID – om buitenlandse investeringen in Jordanië aan te trekken en om Syrische vluchtelingen toe te staan te werken in deze specifieke sectoren in economische zones en in de vluchtelingenkampen. Dit plan zal verder worden toegelicht en gepresenteerd tijdens de donorbijeenkomst op 4 februari 2016 in Londen.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Jordanië staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 2: Functionerende rechtsorde

  • 2.1 Mannen en vrouwen, vooral de meest kwetsbare vluchtelingen en Jordaniërs, zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van formele en informele rechtspleging.

Doel 5: Werkgelegenheid en basisvoorzieningen

  • 5.1 Ngo’s in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid, ten voordele van zowel Jordaniërs als Syrische vluchtelingen en ten behoeve van de Jordanese economie, op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.

  • 5.2 Ngo’s in samenwerking met overheidsinstellingen en dienstverleners verbeteren de eerlijke toegang tot kwalitatief goed onderwijs en (beroeps)training en/of water en sanitaire diensten op een wijze die bijdraagt aan sociale cohesie.

Libanon

Libanon heeft momenteel te maken met een enorme vluchtelingencrisis. De grootste groep vluchtelingen in het land bestaat uit Syriërs: volgens de UNHRC zijn er momenteel 1.1 miljoen Syrische vluchtelingen geregistreerd in Libanon.55 Naast de Syrische vluchtelingen is er een groep van 500.000 Palestijnse vluchtelingen aanwezig, van wie 450.000 al sinds 1948 in Libanon woonachtig zijn. Recentelijk arriveerden 55.000 Palestijnen in Syrië.56

Na bijna vijf jaar conflict in Syrië is er nog geen eind in zicht en is er een kritiek punt bereikt voor de situatie in Libanon. Publieke diensten zijn overbelast, economische groei is stil komen te staan en werkloosheid neemt sterk toe. Naar schatting is het arbeidsaanbod met bijna 50 procent toegenomen door de massale toestroom van Syrische vluchtelingen, aangezien de meerderheid van de Syriërs laag- tot semi-geschoolde werknemers zijn. Arbeidsconcurrentie is voornamelijk evident in de informele sector, die, tot op de dag van vandaag, meer dan 56 procent van de totale werkgelegenheid representeert. 57 Tegelijkertijd is 34 procent van de jeugd in Libanon werkloos. 58 Bovendien schat de ILO dat de helft van de jonge Syriërs (waaronder twee derde van de vrouwen) geen toegang tot inkomsten-genererende activiteiten heeft.59 Het aantal Syrische vluchtelingen voor wie het onmogelijk is om hun verblijf te regulariseren neemt toe tot rond de 80 procent. Dit resulteert in toenemende armoede in Libanon en een toename in sociale spanningen tussen de vluchtelingenpopulatie en de Libanese bevolking. Diegenen die het zich kunnen veroorloven vertrekken uit Libanon, op zoek naar een betere toekomst elders.

Teneinde deze problemen aan te pakken in het noodzakelijk dat (1) geïnvesteerd wordt in scholing en beroepsopleidingen die aansluiten bij de vraag op de Libanese arbeidsmarkt en op wat er benodigd is na het Syrische conflict (belangrijke sectoren in Libanon zijn landbouw, industrie en energie), (2) een platform gecreëerd wordt dat vertrouwen opbouwt en verschillen verkleint tussen actoren, zoals de private sector, overheid, opleidingsinstituties en arbeidsverenigingen en daarmee het gat tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt wordt overbrugd, (3) het opzetten van kleinschalige ondernemingen wordt gestimuleerd en banen gecreëerd worden, waardoor de mogelijkheid ontstaat om sociale cohesie tussen vluchtelingen en Libanese inwoners op te bouwen.

Het is van cruciaal belang om te focussen op gemarginaliseerde jongeren in Libanon (zowel de Libanese inwoners als de vluchtelingen) om stabiliteit in het land te garanderen. Dit is vooral belangrijk omdat er aanwijzingen zijn dat werkloosheid en de slechte financiële situatie bijdragen aan migratie alsook aan extremisme en vechtlust onder de jongeren. Tripoli in Noord-Libanon heeft bijvoorbeeld sporadisch te maken met gewapende conflicten als een spillover effect van het conflict in Syrië en is nu getuige van een aanzienlijke migratiestroom van hulpbehoevende vluchtelingen en Libanese families in ‘death boats’.

Migratie en redenen voor conflict bestaan in Libanon in het gehele land. Dat zorgt ervoor dat het aanpakken van werkloosheid en het focussen op jongeren een uitdaging blijft die afhankelijk is van het betrekken van verschillende actoren (maatschappelijk middenveld, overheidsinstituties en private sector) en van het opschalen van initiatieven die het gat tussen de behoeften van jongeren en initiatieven die op deze behoeften aansluiten.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Libanon staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 4: Legitieme en capabele overheid

  • 4.1 Overheidsinstanties werken met een participatieve aanpak op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling bevordert.

  • 4.2 Overheidsinstanties staan open voor de behoeftes en meningen van burgers en het maatschappelijk middenveld.

Doel 5: Werkgelegenheid en basisvoorzieningen

  • 5.1 Ngo’s vergroten, samen met de private sector, overheidsinstellingen, en het lokale en nationale maatschappelijk middenveld de mogelijkheden voor toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.

  • 5.2 Ngo’s verbeteren, samen met de private sector, overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de onderwijssector de eerlijke toegang tot onderwijsmogelijkheden die aansluiten op de vraag van de Libanese arbeidsmarkt.

Mali

In 2012 kreeg Mali te maken met twee coups die uitgevoerd werden door rebellen die het noorden van het land innamen. Het land was verwoest door de burgeroorlog en werd een voedingsbodem voor terroristen. Het begin van het jaar 2013 werd gekenmerkt door verscheidene militaire interventies. Frankrijk zond soldaten naar Mali om het Malinese overheidsleger te trainen en te ondersteunen. De Europese Unie sloot later aan met trainingsmissies. Op 29 juli 2013 werden verkiezingen gehouden en werd een nieuwe president gekozen. Ondanks de relatieve stabiliteit die terugkeerde onder het bewind van de nieuwe president verslechterde de veiligheidssituatie in augustus 2014 in verschillende delen van Noord-Mali. Een groot deel van de gewelddadige incidenten vond plaats in de regio Kidal.

Het conflict in Mali heeft vele grondoorzaken. Het land heeft te maken met een hoog corruptie gehalte in de gehele maatschappij, er is een disfunctioneel sociaal contract tussen de staat en zijn burgers, en er is een gebrek aan goed bestuur. De Malinese overheid heeft geleidelijk zijn relevantie verloren onder de burgers vanwege uitsluiting op basis van kaste, etnische groep, klasse, gender en leeftijd.60 Terugkerende opstanden, de gangbare praktijk van het afkopen van belangengroepen en verminderende militaire aanwezigheid geeft criminele groeperingen de mogelijkheid om zich te vestigen in gebieden waar bestuur ontbreekt en waar zij kunnen doordringen in overheidsstructuren. Deze zwakke staatsstructuren en het feit dat criminele belangen zijn ontketend, worden in stand gehouden door een justitieel systeem gebaseerd op gevestigde belangen en straffeloosheid.61

Het noorden van Mali blijft het meest instabiele gedeelte van het land en vereist interventies die focussen op de volgende gebieden. De relatie tussen overheid en burgers moet worden versterkt, met andere woorden, het sociaal contract moet worden vernieuwd en versterkt. De diensten die verleend worden door de overheid moeten worden aangepast aan de behoeften van de burgers, iets wat momenteel niet het geval is. Daarnaast moeten burgers worden geïnformeerd over hoe zij op kunnen komen voor hun rechten en hoe zij hun behoeften kenbaar kunnen maken. Deze behoeften kunnen gerelateerd zijn aan rechtsorde en sociale basisvoorzieningen en vereisen innovatieve manieren van aanpak.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Mali staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 1: Veiligheid van mensen

  • 1.1 Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd (resultaten voor mensen).

  • 1.2 Instanties die verantwoordelijk zijn voor veiligheid voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de veiligheidsbehoefte van burgers en leggen verantwoording af. Dit geldt voornamelijk voor security and justice sector reform, inspelend op de behoeften van burgers zoals community policing.

  • 1.3 Gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en sociale cohesie.

Doel 3: Inclusieve politieke processen

  • 3.2 Nationale en internationale actoren nemen verantwoordelijkheid voor effectieve en inclusieve mechanismen voor vredesopbouw en conflictpreventie op verschillende niveaus, met een actieve rol voor vrouwen. Speciale aandacht gaat uit naar verzoening en transitional justice.

Pakistan

Pakistan heeft momenteel te maken met meerdere complexe, multi-dimensionele uitdagingen die zowel tot ontheemding en migratie als tot onveiligheid en sektarisch geweld leiden. De uitdagingen liggen op het gebied van rechtsorde (inclusief toegang tot rechtspraak en toepassing van het recht), socio-economische ontwikkelingen (inclusief snelle bevolkingsgroei en werkloosheid) en bescherming van mensenrechten. Vanwege deze uitdagingen zien veel van de meer dan 53 miljoen jonge Pakistanen, voornamelijk mannen, geen andere optie dan te migreren in de zoektocht naar werk en een betere toekomst. Degene die achterblijven en niet in staat zijn een duurzaam levensonderhoud op te bouwen, zouden een bron van instabiliteit kunnen vormen in Pakistan.

De grondoorzaken van onzekerheid en migratie zouden kunnen worden geadresseerd door het versterken van de rechtsorde en het creëren van werkgelegenheidskansen en inkomsten-genererende activiteiten voor jongeren.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Pakistan staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 2: Functionerende rechtsorde

  • 2.2 Instituties binnen het rechtssysteem voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en nemen verantwoordelijkheid voor hun acties.

  • 2.4 Formele en informele rechtsinstituties bieden gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen en misdrijven gepleegd tijdens gewapend conflict of dictaturen, en adresseren onderliggende oorzaken van conflict.

Doel 5: Werkgelegenheid

  • 5.1 Ngo’s vergroten, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector de toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.

Somalië

De problematiek in Somalië heeft een lange geschiedenis en diepe wortels. Het land is sinds 1991 toneel geworden van humanitaire crises, conflicten, vluchtelingencrises, piraterij en terrorisme. De meeste van deze problemen concentreren zich in Centraal- en Zuid-Somalië waar lange tijd wetteloosheid heerste en krijgsheren het voor het zeggen hadden. In het noorden van Somalië, in de (semi-)onafhankelijke staten Somaliland en Puntland, is er relatieve stabiliteit en enige vorm van effectieve overheidsstructuren. Somalië heeft sinds eind 2012 een internationaal erkende federale regering en een voorlopige federale Grondwet. Veel gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië zijn sindsdien heroverd op Al-Shabaab door de federale regering en vredestroepen van de AU-missie in Somalië (AMISOM).

Ondanks deze successen wordt de federale regering gekenmerkt door interne politieke spanningen, weinig legitimiteit onder de bevolking en lage capaciteit om basisvoorzieningen te leveren. De heroverde gebieden zelf kampen met een fragiele veiligheidssituatie, gebrek aan effectieve lokale overheidsstructuren en humanitaire noden (vooral voedselschaarste).

Bovenop deze uitdagingen moeten deze gebieden ook terugkerende Somalische vluchtelingen uit Kenia en Jemen opvangen. Volgens de VN zijn alleen al in de periode maart – oktober 2015 29,467 Somalische vluchtelingen teruggekeerd uit Jemen als gevolg van de oorlog daar.62 Van deze vluchtelingen is 76 procent afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië (46 procent uit Mogadishu alleen). De verwachting is dat dit aantal zal stijgen naar 111.000 vluchtelingen aan het einde van 2016. Met de dreigende sluiting van Dadaab vluchtelingenkamp in Kenia zullen er ook 333.137 Somalische vluchtelingen terug moeten keren naar voornamelijk Centraal- en Zuid-Somalië. Deze vluchtelingen zijn in het verleden gevlucht voor conflict en hongersnood (de droogte in 2011) en zijn vaak boer of agro-pastoralisten. In Somalië zelf leven 1.1 miljoen burgers in ontheemdenkampen. Door voortdurende conflicten, aanhoudende voedselonzekerheid en gebrek aan alternatieve bronnen van inkomsten trekken veel boeren en agro-pastoralisten weg uit hun (agrarische) gebieden.

De twee hoofdoorzaken voor grote groepen mensen om weg te trekken uit (delen van) Somalië zijn conflict en hongersnood. De perioden van intensieve conflicten laten een piek van ontheemden en vluchtelingen (naar de buurlanden) zien. Hetzelfde patroon is zichtbaar bij de voedselcrises in 2001, 2006 en 2011. Conflicten op hun beurt zijn het gevolg van groepen die geschillen met wapens beslechten in plaats van via vreedzame processen. Vaak worden deze conflicten uitgevochten door elites om controle over lucratieve inkomstenbronnen en/of voor politieke macht (bijv. Al-Shabaab). De hoge werkloosheid in het land (waar 70 procent onder de 30 jaar oud is) maakt het eenvoudig voor elites om jongeren te mobiliseren voor hun belangen. De anarchie en voortdurende conflicten sinds 1991 hebben er tevens toe geleid dat een hele generatie geen vrede of een cultuur van vreedzaamheid heeft gekend. De andere hoofdoorzaak (hongersnood) voor migratie is het gevolg van landbouwsystemen die erg verzwakt zijn in de afgelopen 25 jaar en die niet in staat zijn om externe schokken (droogte en overstromingen) op te vangen. Naast fragiele landbouwsystemen worden Somalische agrarische gemeenschappen gekenmerkt door een zeer lage organisatiegraad waardoor ze geen vuist kunnen maken tegen rovende elites en lokale autoriteiten niet ter verantwoording kunnen roepen. De sociale cohesie is bij deze groepen aanzienlijk zwakker dan bij pastorale gemeenschappen (de nomadische clans).

Het vergroten van de zelfredzaamheid van gemeenschappen, door versterking van het zelf-organiserend vermogen van burgers, zodat zij samen met lokale, nationale en internationale actoren zorg dragen voor verbeterde veiligheid voor alle burgers, vreedzame oplossing van conflicten (vredesdialoog), lokale economische ontwikkeling en betere relatie tussen staat en burgers (sterker sociaal contract) draagt bij aan het wegnemen van de grondoorzaken van conflict en migratie.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Somalië staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen. De bevrijde gebieden in Zuid en Centraal Somalië worden beschouwd als prioritair.

Doel 1: Veiligheid voor mensen

  • 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en een cultuur van vreedzaamheid via inclusieve mechanismen voor conflictpreventie- en resolutie.

Doel 5: Werkgelegenheid

  • 5.1 Ngo’s vergroten, bij voorkeur in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de toegang tot duurzame werkgelegenheid, specifiek voor jongeren en vrouwen, op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling, sociale cohesie en verminderde afhankelijkheid van humanitaire hulp. Prioritaire sectoren zijn sectoren waar een groot deel van de bevolking afhankelijk van is voor hun inkomen – landbouw, veeteelt, dienstverlening en handel.

In te dienen voorstellen kunnen elementen bevatten ten behoeve van de onderstaande landendoelstellingen (4.3, 5.2), mits die ondersteunend zijn aan de prioritaire landendoelstelling(en) hierboven. Echter, voorstellen op de doelstellingen hierboven (1.3, 5.1) zijn prioritair.

Doel 4: Legitieme en capabele overheid

  • 4.3 Overheidsinstanties voeren een transparant beheer over nationale hulpbronnen en publieke financiën en zorgen voor effectieve mechanismen om corruptie te bestrijden en te voorkomen waardoor vertrouwen tussen overheid en burger toeneemt.

Doel 5: Basisvoorzieningen

  • 5.2 Lokale overheidsinstellingen verbeteren de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen op een wijze die bijdraagt aan de legitimiteit van instituties en sociale cohesie en die het zelf-organiserend vermogen van de samenleving versterkt.

Sudan

Sudan is een zowel een land van herkomst als een doorvoerland als een bestemmingsland voor vluchtelingen. Elke maand komen er meer dan duizend Eritrese vluchtelingen het land binnen. De meeste van hen (circa 80 procent) reizen binnen één à twee maanden door richting Europa. Ongeveer 20 procent heeft echter niet de wil of de middelen om verder te reizen en wordt opgevangen in één van de kampen in het oosten van Sudan.63 Naast Eritreeërs leven er ook relatief grote groepen Ethiopische en Somalische vluchtelingen in oostelijk Sudan. Het is voor deze vluchtelingen moeilijk om een werkvergunning te krijgen. Meer economische kansen in de (informele) landbouwsector, gelinkt aan betere toegang tot de waardeketen, kan echter voor meer economisch perspectief zorgen en zo bijdragen aan het wegnemen van een reden van vertrek richting Europa.

UNHCR schatte dat er op 30 juni 2014 2.9 miljoen ontheemden in Darfur waren.64 Daarnaast loopt een belangrijke migratie- en vluchtelingenroute van West Afrika via Darfur richting de Golfstaten en Europa. De mogelijkheid bestaat dat deze route steeds vaker zal worden gebruikt door Sudanezen die de uitzichtloosheid en het geweld in Darfur ontvluchten. Sudan is momenteel al het vijfde herkomstland voor asielzoekers in het Verenigd Koninkrijk. Ook voor Darfur geldt dat meer economische mogelijkheden in de landbouwsector, gelinkt aan betere toegang tot de waardeketen, eraan kan bijdragen dat Darfuri meer economisch perspectief zien en daardoor minder genoodzaakt zijn om naar Europa te vertrekken. Werken aan community level security kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren, zodat ontheemden de kampen durven te verlaten en durven te werken aan een toekomst in Darfur zelf, zonder de constante angst dat het geweld om hen heen weer oplaait.

De Sudanese overheid heeft zich betrokken verklaard bij het terugdringen van mensenhandel. Sinds 2014 heeft het land een anti-mensenhandel wet. De grootste stromen worden echter gevormd door mensensmokkel, een onderwerp dat nog niet openlijk besproken wordt in Sudan en waar nog geen wettelijk kader voor bestaat.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Sudan staat het ARC-fonds open voor de volgende prioritaire beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen. De regio’s Oost-Sudan en Darfur worden beschouwd als prioritair.

Doel 1: Veiligheid voor mensen

  • 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en waar mogelijk in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en nemen zo een grondoorzaak van gedwongen migratie weg.

Doel 5: Weerbaarheid

  • 5.3 In situaties van langdurige crisis helpen nationale en internationale actoren, mogelijk in samenwerking met de private sector, kwetsbare groepen (inclusief vluchtelingen, ontheemden en gastgemeenschappen) hun weerbaarheid te verhogen en duurzaam in hun eigen onderhoud te voorzien en nemen zo een grondoorzaak van gedwongen migratie weg.

In te dienen voorstellen kunnen elementen bevatten ten behoeve van de onderstaande landendoelstelling (2.2), mits die ondersteunend is aan de prioritaire landendoelstelling(en). Echter, voorstellen op de doelstellingen (1.3, 5.3) hierboven zijn prioritair.

Doel 2: Functionerende rechtsorde

  • 2.2 Instituties binnen het rechtssysteem die werken op het gebied van mensenhandel en -smokkel voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en leggen verantwoording af.

Syrië

Hoewel de opstand tegen het regime van Bashar al-Assad in maart 2011 vreedzaam begon, heeft het regime dit met harde hand geprobeerd de kop in te drukken, waarna Syrië in de afgelopen vijf jaar is verworden tot een strijdtoneel waar een breed scala aan partijen met elkaar in een gewelddadig conflict verwikkeld zijn: gematigde oppositie en Koerden, regime met luchtsteun van Rusland, en ook extremistische groeperingen zoals ISIS en Jabhat al-Nusra. Het conflict heeft grote humanitaire consequenties voor de ruim 22 miljoen inwoners van Syrië. Het land telt inmiddels 7.6 miljoen ontheemden en ruim vier miljoen mensen zijn Syrië ontvlucht.65

De humanitaire respons die vier jaar geleden op gang kwam wordt georganiseerd vanuit verschillende zogeheten ‘hubs’ in Syrië (Damascus), Turkije (Gaziantep) en Jordanië (Amman). In september 2014 nam de VNVR in Resolutie 2165 de ‘Whole of Syria’ benadering aan waarbij deze verschillende operaties in één kader werden geplaatst opdat efficiëntie, complementariteit en verantwoording kunnen worden vergroot.66

Verschillende humanitaire actoren en bijvoorbeeld het Syria Recovery Trust Fund richten zich al op wederopbouw- en herstelwerkzaamheden en duurzame livelihoods-projecten. De financiering die de komende vijf jaar via het Addressing Root Causes-fonds beschikbaar wordt gesteld voor Syrië moet door middel van actieve coördinatie van de ontvangende organisatie duplicatie met deze actoren voorkomen. De mate van duurzaamheid, de gebruikmaking van de lange looptijd van de financiering en het versterken van bestaande systemen – waar mogelijk in synergie met andere wederopbouwinvesteringen – zullen zwaar wegen in de beoordeling van de projectvoorstellen.

Migratie als gevolg van het conflict in Syrië is momenteel een grote uitdaging voor de regio en Europa. Veel jongeren ontvluchten de regio vanwege het conflict en een nijpend gebrek aan kansen hun eigen toekomst op te bouwen. Dit heeft een ware brain drain in gang heeft gezet, terwijl juist deze mensen nodig zijn om Syrië na het conflict weer op te bouwen. Bovendien bestaat bij een gebrek aan kansen het risico dat jongeren zich aansluiten bij een extremistische groepering. Daarom is het van belang dat deze jongeren weer meer vertrouwen krijgen in de toekomst, bijvoorbeeld door ze inkomens-genererende activiteiten aan te bieden, zodat ze zich niet langer genoodzaakt voelen tot negatieve overlevingsstrategieën zoals vluchten of aansluiting bij gewapende groepen.

Daarnaast bestaan er spanningen in Syrië vanwege de interne migratiestromen naar de relatief veiligere en beter voorziene gebieden, bijvoorbeeld dichtbevolkte wijken in Damascus, relatief rustige gebieden in het noorden van Syrië, en de kustgebieden. Doordat hier grote groepen ontheemden samenkomen, nemen spanningen toe. Activiteiten gericht op het verbeteren van de sociale cohesie kunnen deze spanningen wegnemen.

Vanwege de complexe situatie in Syrië is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de oorlogseconomie, o.a. met de geldstromen die in verkeerde handen vallen, maar ook (wapen)smokkel, ontvoeringen, en uitbuiting door kunstmatig hooghouden van voedselprijzen. Door het conflict zijn gebruiksartikelen en voedsel schaars en duur geworden in Syrië. Tekorten aan brandstof dwingt de bevolking om dit op de zwarte markt te kopen, waarvan gewapende groeperingen profiteren. Doordat het regime beperkingen op toegang van humanitaire hulp heeft ingesteld, wordt in de belegerde gebieden geprofiteerd van de economische opbrengsten omdat de prijzen van bijvoorbeeld brood extreem hoog zijn.67

Een van de belangrijkste beoogde doelen in Syrië op dit moment, naast stabiliteit op de lange termijn, is toegang tot basisvoorzieningen. Veerkracht en duurzame oplossingen voor de bevolking om in hun eigen levensonderhoud te voorzien is hier een belangrijk onderdeel van. Door de vele gevechten en bombardementen zijn veel basisvoorzieningen, zoals water- en elektriciteitsvoorzieningen, vernietigd, is de werkloosheid enorm en zijn veel mensen voor hun voedselvoorziening afhankelijk van noodhulp.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Syrië staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 5: Werkgelegenheid, basisvoorzieningen en weerbaarheid

  • 5.1 Bestuurlijke instellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.

  • 5.2 Bestuurlijke instellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector verbeteren duurzame en eerlijke toegang tot basisvoorzieningen, water, elektriciteit en gezondheidszorg, op een wijze die bijdraagt aan legitimiteit van instituties en sociale cohesie.

  • 5.3 In situaties van langdurige crisis helpen nationale en internationale actoren kwetsbare groepen (inclusief vluchtelingen, ontheemden en gastgemeenschappen) hun weerbaarheid te verhogen en duurzaam in hun eigen onderhoud te voorzien.

Daarnaast kunnen aanvragers ook voorstellen indienen op onderstaande landendoelstelling, mits die ondersteunend is aan de prioritaire landendoelstelling(en). Echter, voorstellen op de doelstellingen (5.1, 5.2 en 5.3) hierboven zijn prioritair.

Doel 1: Veiligheid voor mensen

  • 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en een cultuur van vreedzaamheid.

Zuid-Sudan

De geweldsuitbarsting in december 2013 als gevolg van politieke meningsverschillen tussen aanhangers van president Kiir en vicepresident Machar legde de kwetsbaarheid van de nationale eenheid en de rivaliteit tussen verschillende stammen pijnlijk bloot. Het aanhoudend conflict polariseert meer en meer de verhoudingen tussen en binnen verschillende stammen. In augustus 2015 ondertekenden Kiir, Machar en Pagan een door internationale actoren opgelegd vredesakkoord. Echter, dit akkoord heeft vooralsnog geen einde gemaakt aan het geweld dat het land de afgelopen twee jaar teisterde. Het pad naar duurzame vrede zal allereerst een grote politieke wil van de strijdende partijen vragen. Daarnaast moet de Zuid-Sudanese bevolking de mogelijkheden krijgen zich in een vreedzame omgeving te ontwikkelen. Voortgezette druk van de internationale gemeenschap op de implementatie van een vredesproces is essentieel gebleken omdat er vooralsnog onvoldoende zelfregulerend vermogen bestaat in de politieke elite.

Op meer lokaal niveau zorgen ongelijke toegang tot land en/of water en conflicten over vee in delen van het land voor conflict in en tussen gemeenschappen. Gebrek aan effectief bestuur, een zeer zwakke rechtsstaat, een beperkte toegang tot recht, een overvloed aan wapens en gebrek aan goed functionerende mechanismen om conflicten vreedzaam te beslechten zorgen ervoor dat deze lokale conflicten steeds vaker tot geweldsuitbarstingen leiden. In een cultuur van wraak is het moeilijk om de cyclus van geweld te doorbreken zonder de grondoorzaken van de conflicten aan te pakken en sociale en traditionele en informele instituties te versterken.

De gevolgen van (het gevoel van) onveiligheid zijn groot voor de Zuid-Sudanese bevolking. Onveiligheid zorgt er bijvoorbeeld voor dat kleine boeren hun land minder goed kunnen bewerken. Bovendien zorgt onveiligheid op wegen voor beperkte toegang tot markten en is daarmee geen aanmoediging voor meer grootschalige landbouw voor commerciële doeleinden. Conflict, het gebrek aan effectief bestuur en zwakke rechtsstaat zijn daarnaast zowel oorzaak als gevolg van een gebrek aan inclusiviteit en economische kansen voor met name jongeren en kwetsbare groepen. Deze context zorgt voor een zekere uitzichtloosheid, gebrek aan bronnen van inkomen en een dalend vertrouwen in instellingen die boven de partijen zouden moeten staan en vreedzame oplossingen voor conflict zouden kunnen bieden.

Deze situatie van onveiligheid en conflict heeft geleid tot een humanitaire ramp met ruim 1.6 miljoen ontheemden en 616.000 vluchtelingen in de regio68 en bovendien zijn meer dan vier miljoen mensen voedsel onzeker. Het is de verwachting dat op de korte en middellange termijn de humanitaire crisis een belangrijk rol blijft spelen.

Het is dan ook cruciaal voor een pad naar duurzame vrede om stabiliteit in gemeenschappen, de relaties tussen gemeenschappen en de weerbaarheid van gemeenschappen te verbeteren. Daarbij dient de afhankelijkheid van humanitaire hulp verminderd te worden en de eigen ontwikkeling en economische weerbaarheid versterkt te worden.

Voortvloeiend uit bovenstaande contextanalyse voor Zuid-Sudan staat het ARC-fonds open voor de volgende beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde en bijbehorende landendoelstellingen.

Doel 5: Weerbaarheid

  • 5.3 De weerbaarheid van kwetsbare gemeenschappen wordt door relevante nationale en internationale actoren vergroot tegen de gevolgen van conflict en/of economische schokken in Zuid-Sudan. N.B. de weerbaarheid tegen milieu- of klimaatschokken valt dus buiten het bereik van deze doelstelling. Gemeenschappen kunnen hierdoor ook op een duurzame manier in hun eigen onderhoud voorzien en worden minder afhankelijk van humanitaire hulp. Dit proces draagt bij aan sociale cohesie, vreedzame oplossing van conflict en het creëren van economische kansen. Kwetsbare groepen (inclusief vrouwen, vluchtelingen, ontheemden en gastgemeenschappen) en jongeren krijgen hierbij, waar relevant, bijzondere aandacht.

In te dienen voorstellen kunnen elementen bevatten ten behoeve van de onderstaande landendoelstellingen (1.3, 3.2, 4.1), mits die ondersteunend zijn aan de prioritaire doelstelling hierboven (5.3). Echter, voorstellen op de doelstelling (5.3) hierboven zijn prioritair.

Doel 1: Veiligheid voor mensen

  • 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties op een directe en duurzame manier bij aan een cultuur van vreedzaamheid. Dit leidt tot verbeterde (economische) veiligheid en bevordering van werkgelegenheid voor kwetsbare groepen, jongeren, etc.

Doel 3: Inclusieve politieke processen

  • 3.2 Er zijn effectieve en inclusieve mechanismen, waaronder inclusieve politieke besluitvorming op lokaal niveau, voor verzoening en conflictpreventie op lokaal niveau, met een actieve rol voor vrouwen.

Doel 4: Legitieme en capabele overheid

  • 4.1 Overheidsinstanties op lokaal niveau voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling bevordert en vreedzame oplossingen van conflict voorstaat.

Annex 2. : spotrates

SPOTRATE Ministerie van Buitenlandse Zaken Nederland – geldig met ingang van 1 JANUARI 2016

Land

Hoofdstad

Valuta

Spot RATE

BULGARIJE

Sofia

BGN

0.51129

DENEMARKEN

Kopenhagen

DKK

0.135

HONGARIJE

Boedapest

HUF

0.00319

KROATIE

Zagreb

HRK

0.131

POLEN

Warschau

PLN

0.237

ROEMENIE

Boekarest

RON

0.222

TSJECHIE

Praag

CZK

0.0368

VERENIGD KONINKRIJK

Londen

GBP

1.36

ZWEDEN

Stockholm

SEK

0.108

  • ^ [1]

    Stb. 2005, 137.

  • ^ [2]

    Stcrt. 2005, 251.

  • ^ [3]

    Het aanvraagformulier met bijbehorende verplichte bijlagen is geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [4]

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [5]

    Refugees/Migrants Emergency Response. UNHCR, 2015. http://data.unhcr.org/mediterranean/regional.php

  • ^ [6]

    Cijfers Ministerie van Veiligheid en Justitie, 14 december 2015.

  • ^ [7]

    States of Fragility 2015 – Revised Edition. OECD, 2015.

  • ^ [8]

    Idem.

  • ^ [9]

    Idem.

  • ^ [10]

    Behorend bij de Kamerbrief (Kamerstuk 33 625), 5 april 2013.

  • ^ [11]

    Volgens OESO/DAC woont in 2015 43% van de allerarmsten in de 50 landen op de OESO-lijst van fragiele staten.

  • ^ [12]

    Rapport UN Women Preventing Conflict, Transforming Justice, Securing the Peace, a Global Study of United Nations Security Council resolution 1325 (Lead author Radhika Coomaraswamy, Oct. 2015, UN Women. http://wps.unwomen.org/en

    Ook het rapport van OECD/DAC: Enhancing the Delivery of Justice and Security 2005 en Conflict and Fragility Do No Harm, 2009

  • ^ [13]

    Kamerbrief (Kamerstuk 32 605 nr. 94) over het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde, 21 mei 2012.

  • ^ [14]

    De ‘New Deal on Engagement in Fragile States’ kent vijf Peace & Statebuilding goals: I. Legitimate and Inclusive Politics – Foster inclusive political settlements and conflict resolution; II. Security – Establish and strengthen people’s security; III. Justice – Address injustices and increase people’s access to justice; IV. Economic Foundations – Generate employment and improve livelihoods and V. Revenues & Services – Manage revenue and build capacity for accountable and fair service delivery.

  • ^ [15]

    Verandertheorie speerpunt Veiligheid & Rechtsorde: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2015/11/05/theory-of-change-veiligheid-en-rechtsorde-zomer-2015

  • ^ [16]

    Kamerbrief over de Europese Asielproblematiek, (Kamerstuk 682347), 8 september 2015.

  • ^ [17]

    Idem.

  • ^ [18]

    Nederland heeft in Somalië en Syrië geen ambassade, maar beschikt over een Somalië en Syrië desk die vanuit de buurlanden opereren.

  • ^ [19]

    Volgens de definitie van de 1998 Guiding Principles on Internal Displacement.

  • ^ [20]

    Volgens de definitie van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen (1951), artikel 1 (A).

  • ^ [21]

    Zie ook artikel 14 lid 1 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken: Subsidie wordt slechts verstrekt voor de noodzakelijke kosten van de voorgenomen activiteiten in het licht van de beoogde doelstellingen en resultaten voor zover redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat deze uit eigen middelen of anderszins bekostigd worden.

  • ^ [22]

    Annual Report 2014 Security and Rule of Law, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontwikkelingssamenwerking/documenten/rapporten/2015/11/06/bijlage-55-directie-dsh-security-and-rule-of-law-2014

  • ^ [23]

    IATI, http://iatistandard.org///

  • ^ [24]

    Richtlijnen Ministerie van Buitenlandse Zaken voor rapporteren in open data: https://www.government.nl/topics/development-cooperation/documents/publications/2015/12/01/open-data-and-development-cooperation

  • ^ [25]

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [26]

    Maak geen gebruik van We Transfer of vergelijkbare websites voor het indienen van voorstellen. Het is toegestaan om de documenten in zip file aan te leveren.

  • ^ [27]

    Dat wil in dit kader zeggen een land uit de top 40 van de Fragile States Index uit 2015 van het Fund for Peace: http://www.fsi.fundforpeace.org/rankings-2015.

  • ^ [28]

    Dit betekent bijv. dat als de aanvrager/penvoerder een aanvraag indient voor Afghanistan en daarbij kiest om zich te richten op de voor Afghanistan geselecteerde beleidsdoelstelling 2 (functionerende rechtsorde), maar in Afghanistan nog geen ervaring op die doelstelling heeft dat de volgende twee casussen aanlevert: (1) een programma op het gebied van functionerende rechtsorde in een andere fragiele staten dan wel Jordanië of Libanon (zie de lijst bij voetnoot 26) EN (2) een programma in Afghanistan op andere doelstellingen van het speerpunt V&R niet zijnde doelstelling 2 functionerende rechtsorde.

  • ^ [29]

    Met outcomes wordt bedoeld: de middellange termijn effecten of consequenties van programma-outputs op de begunstigden van het programma. Dit kan bijvoorbeeld inhouden: hun reacties op en tevredenheid met producten of diensten en gedrags- of andersoortige verandering op de korte tot middellange termijn die plaatsvinden onder de doelgroep. De tijdsplanning is zo dat de outcomes van het project bereikt kunnen worden binnen de duur van het project. Zie OECD/DAC: http://www.oecd.org/development/evaluation/1886527.pdf

  • ^ [30]

    Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T1 niet uitgesloten.

  • ^ [31]

    Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T2 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.

  • ^ [32]

    Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T3 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.

  • ^ [33]

    Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T6 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.

  • ^ [34]

    Zie voetnoot 29.

  • ^ [35]

    Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium C11 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.

  • ^ [36]

    Voor dit onderdeel worden geen punten toegekend. De aanvrager/alliantie volstaat met het invullen van het schema in het format.

  • ^ [37]

    * EUROSTAT, http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tec00114&plugin=1

  • ^ [38]

    Berekend aan de hand van de spotrates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De koerslijst van deze spotrates is toegevoegd als annex II van het beleidskader.

  • ^ [39]

    UNHCR, Solutions Strategy for Afghan Refugees, update 2015–2016 regional overview, 6.

  • ^ [40]

    http://data.unhcr.org/mediterranean/regional.php

  • ^ [41]

    UNHCR, Solutions Strategy for Afghan Refugees, update 2015–2016 regional overview, 6.

  • ^ [42]

    World Bank, Afghanistan Country Snapshot 2015, 2.

  • ^ [43]

    http://esa.un.org/unpd/wpp/DataQuery/

  • ^ [44]

    http://www.unhcr.org/pages/49e45c056.html

  • ^ [45]

    UNCHR 2015, DR Congo Factsheet, February 2015.

  • ^ [46]

    MONUSCO, 2015, http://www.un.org/en/peacekeeping/missions/monusco/mandate.shtml

  • ^ [47]

    The ISSS 2013–2017 for the Democratic Republic of Congo, p.19.

  • ^ [48]

    UNHRC, August 2015, Factsheet Ethiopia, United Nations High Commissioner for Refugees.

  • ^ [49]

    http://www.worldbank.org/en/country/ethiopia/overview

  • ^ [50]

    Jordan Response Plan for the Syria Crisis, 2015

  • ^ [51]

    World Bank, 2015.

  • ^ [52]

    ILO study on repercussions of informal employment of Syrian refugees to the labour market, http://www.ilo.org/beirut/media-centre/news/WCMS_369592/lang--en/index.htm

  • ^ [53]

    UNHCR, 2015, http://www.unhcr.org/54d87b279.pdf

  • ^ [54]

    UNHCR, October 2015, Jordan Factsheet – UN Refugee Agency.

  • ^ [55]

    UNHCR, 2015, Syria Regional Refugee Response, retrieved from http://data.unhcr.org/syrianrefugees/country.php?id=122

  • ^ [56]

    UNRWA, 2014, Lebanon, retrieved from http://www.unrwa.org/where-we-work/lebanon

  • ^ [57]

    World Bank, 2014.

  • ^ [58]

    World Bank and Government of Lebanon, 2013.

  • ^ [59]

    Assessment of the Impact of Syrian Refugees in Lebanon, ILO, 2014.

  • ^ [60]

    MASP (2014–2017), Multi-Annual Strategic Plan Mali, Kingdom of the Netherlands.

  • ^ [61]

    MASP (2014–2017), Multi-Annual Strategic Plan Mali, Kingdom of the Netherlands.

  • ^ [62]

    UNHCR Somalia donor briefing 16-10-2015.

  • ^ [63]

    UNHCR, 2015, Country Operations Profile – Sudan.

  • ^ [64]

    UNHCR, 2014, Sudan Factsheet, September 2014.

  • ^ [65]

    UNHCR (2015) country operations profile – Syrian Arab Republic,http://www.unhcr.org/cgi-bin/texis/vtx/page?page=49e486a76&submit=GO

  • ^ [66]

    Humanitarian Response (2015) Whole of Syria, https://www.humanitarianresponse.info/en/operations/whole-of-syria

  • ^ [67]

    LSE (2015) ISIL, JAN and the war economy in Syria – London School of Economics and Political Science, http://www.securityintransition.org/wp-content/uploads/2015/08/ISIL-JAN-and-the-war-economy-in-Syria1.pdf

  • ^ [68]

    UNHCR, 2015, Country Operations Profile – South Sudan.