Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015[Regeling materieel uitgewerkt per 13-01-2018.]

Geldend van 13-01-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 3 januari 2016, nr. 4684293, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015)

Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ

Het protocol voor de controle door de accountant over het jaar 2015 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling.

Artikel 2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

Artikel 3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

Bijlage bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015

Versie 25 november 2015

Inleiding

1 december 2014

Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015, hierna te noemen accountantsprotocol

In het accountantsprotocol wordt aangesloten op de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

De verschillen tussen de juliversie en de decemberversie worden grotendeels veroorzaakt door in de tweede helft van het jaar gepubliceerde wijzigingen in wet- en regelgeving.

Bij elk onderwerp is de datum vermeld waarop de tekst voor het laatst is gewijzigd. Deze datum wordt niet gewijzigd als het een verhoging betreft van de jaartallen in de tekst met 1 ten opzichte van het definitieve accountantsprotocol van het voorgaande jaar.

Inhoud

Inleiding 0

1

Algemene uitgangspunten

0

1.1

Algemeen

0

1.1.1

Doelstelling van het accountantsprotocol

0

1.1.2

Indeling van het accountantsprotocol

0

1.1.3

Accountantsproducten / Rapportering

0

1.2

Definities

0

1.2.1

Onderwijssectoren

0

1.2.2

Referentiekader 1 juli 2014

0

1.2.3

Minimale controlewerkzaamheden

0

1.2.4

Rechtmatigheid

0

1.3

Procedures

0

1.4

Wijzigingen

0

1.5

Dossiervorming

0

1.6

Informatie/documentatie

0

2

Controle op de jaarstukken

0

2.1

Algemeen

0

2.1.1

Doelstelling controle op de jaarstukken

0

2.1.2

Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningcontrole

0

2.1.3

Materialiteitstabel

0

2.1.4

Omgaan met fouten (foutdefinities)

0

2.1.5

Algemeen referentiekader

0

2.1.6

Afhandelingscorrespondentie voorgaande jaren

0

2.1.7

Steunen op de werkzaamheden van een AK

0

2.2

Getrouwheid

0

2.2.1

Verslaggevingscriteria

0

2.2.2

Rijksgegarandeerde leningen

0

2.2.3

Jaarverslag

0

2.3

Financiële rechtmatigheid

0

2.3.1

Referentiekader

0

2.3.2

Treasurybeleid

0

2.3.3

Huisvesting PO

0

2.3.4

Samenwerking universiteit en academisch ziekenhuis

0

2.3.5

Geoormerkte aanvullende subsidies met een bestedingsverplichting

0

2.3.6

Overige baten

0

2.3.7

Personele lasten

0

2.3.8

Overige instellingslasten sector PO en VO

0

2.3.9

Declaraties sector HO

0

2.4

Overige rechtmatigheid

0

2.4.1

Treasurybeleid

0

2.4.2

Verklaring omtrent het gedrag PO, VO en MBO

0

2.4.3

Studenten die opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen ingeschreven bij een opleidingsschool

0

2.4.4

Declaratiereglement sector HO

0

2.4.5

IGBO PO

0

2.5

Controleverklaring inzake de jaarrekening

0

3

Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens

0

3.1

Inleiding

0

3.2

Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector PO

0

3.2.1

Algemeen

0

3.2.2

Onderzoek bekostigingsgegevens

0

3.2.3

Assurance-rapport

0

3.3

Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector VO

0

3.3.1

Algemeen

0

3.3.2

Onderzoek bekostigingsgegevens

0

3.3.3

Assurance-rapport

0

3.4

Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector MBO

0

3.4.1

Algemeen

0

3.4.2

Onderzoek bekostigingsgegevens

0

3.4.3

Assurance-rapporten

0

3.5

Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector HO

0

3.5.1

Algemeen

0

3.5.2

Onderzoek bekostigingsgegevens

0

3.5.3

Assurance-rapport

0

3.6

Onderzoeksprocedure prestatiebekostiging sector HO

0

3.6.1

Algemeen

0

3.6.2

Onderzoek prestatie indicatoren 2015

0

3.6.3

Assurance-rapport

0

4

Controle FSR

0

4.1

Algemeen

0

4.2

Controlewerkzaamheden per regeling

0

4.3

Controleverklaring bij FSR

0

5

Onderwijslinks

0

6

Lijst met afkortingen

0

Bijlage 1: Kader financiële rechtmatigheid OCW/EZ Wet- en regelgeving 2015 0

1. Algemene uitgangspunten

1.1. Algemeen

  • Doelstelling van het accountantsprotocol

  • Indeling van het accountantsprotocol

  • Accountantsproducten / Rapportering

1.1.1. Doelstelling van het accountantsprotocol

1 juli 2014

Voor elke onderwijssector is geregeld dat bepaalde informatie (jaarrekening en opgave van bekostigingsgegevens of over besteding van bekostiging) moet zijn voorzien van een verklaring van de accountant. Ook is geregeld dat de minister via een ministeriële regeling aanwijzingen of voorschriften kan geven voor de controle door de instellingsaccountant. Hier is invulling aan gegeven met het accountantsprotocol. Het accountantsprotocol vormt daarmee de schakel tussen enerzijds de wet- en regelgeving en anderzijds de uit te voeren werkzaamheden door instellingsaccountants. Het geeft een toelichting op het te hanteren referentiekader, het accountantsonderzoek en de gewenste accountantsproducten.

Het accountantsprotocol is opgesteld naar analogie van de door de NBA uitgegeven ‘Schrijfwijzer Accountantsprotocollen’. De daarin opgenomen uitgangspunten zijn specifiek gemaakt voor de OCW-situatie. Waar mogelijk zijn tekstpassages uit de handreiking in dit accountantsprotocol overgenomen.

1.1.2. Indeling van het accountantsprotocol

1 juli 2014

Het accountantsprotocol heeft betrekking op het volgende controleobject en onderzoeksobject:

  • controle op de jaarstukken:

    • de inrichting van de jaarstukken*) en de inhoudelijke controle daarop;

    • controle op de rechtmatige besteding van de rijksbijdrage;

  • onderzoek naar de bekostigingsgegevens:

    • onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de rijksbijdrage.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de gegevens zoals bedoeld in artikel 3, lid l van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs niet vallen onder de reikwijdte van de accountantscontrole.

*) De jaarstukken bestaan uit de jaarrekening, jaarverslag en overige gegevens, zoals bedoeld in artikel 1, lid c van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

1.1.3. Accountantsproducten / Rapportering

1 december 2015

De accountantscontrole op de jaarstukken mondt uit in een controleverklaring. Het onderzoek naar de bekostigingsverantwoording, waaronder de leerlingentelling, leidt tot een assurance-rapport. Deze aanduidingen worden in het accountantsprotocol gehanteerd, hoewel de term ‘accountantsverklaring’ (nog) in de OCW-wet- en regelgeving staat vermeld. De instellingsaccountant maakt voor beide producten gebruik van de in het accountantsprotocol opgenomen modelteksten. De instellingsaccountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de instellingsaccountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De originele ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de instellingsaccountant moet in het archief van de school/instelling worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van de NBA).

Ten aanzien van de in het accountantsprotocol opgenomen werkzaamheden geldt een rapportagetolerantie. De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het accountantsprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra deze afwijkt van het standaardpercentage van 0,1%. Omdat het uitgangspunt wordt gehanteerd dat geconstateerde fouten zoveel mogelijk moeten worden gecorrigeerd, beperkt de instellingsaccountant zich tot een uitzonderingsrapportage. Hiervoor gebruikt hij een rapport van bevindingen, waarin hij de aard en omvang van de geconstateerde fouten vermeldt. Het rapport van bevindingen is vormvrij. Op het aanbiedingsformulier geeft de instellingsaccountant aan dat er sprake is van een rapport van bevindingen. Het bevoegd gezag/bestuur van de school/instelling stuurt in een dergelijk geval het rapport van bevindingen samen met de controleverklaring en verantwoording naar DUO. Het bevoegd gezag/bestuur kan daarbij aangeven hoe het heeft ge(re)ageerd op de geconstateerde bevindingen. Voor wat betreft het omgaan met geconstateerde fouten wordt verwezen naar de in de hoofdstukken jaarstukken (2) en bekostigingsonderzoek (3) daarover opgenomen toelichting.

Tabel accountantsproducten

Soort controle

Product

Ontvanger

Jaarrekeningcontrole

• Controleverklaring

• Rapport van bevindingen

(uitzonderingsrapportage)

DUO vestiging Zoetermeer

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

     
Bekostigingsonderzoek

Sector PO

• Assurance-rapport

• Rapport van bevindingen

(uitzonderingsrapportage)

DUO vestiging Zoetermeer

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

 

Sectoren VO en MBO

• Assurance-rapport

• Rapport van bevindingen

(uitzonderingsrapportage)

DUO vestiging Groningen

Afdeling OS/Onderwijsnummer

Digitaal via de beveiligde site van DUO of

Schriftelijk via

Postbus 30152

9700 LC Groningen

 

Sector HO (ook voor prestatiebekostiging)

• Assurance-rapport

• Rapport van bevindingen

(uitzonderingsrapportage)

DUO vestiging Groningen

Afdeling OS/Onderwijsnummer /BRON HO

Digitaal via de beveiligde site van DUO of

Schriftelijk via

Postbus 30152

9700 LC Groningen

     
FSR

Sector HO

• Controleverklaring

• Rapport van bevindingen (uitzonderingsrapportage)

DUO vestiging Zoetermeer

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

     
NWO-subsidies

Sector HO

• Rapport van bevindingen (uitzonderingsrapportage)

NWO

Postbus 93138

2509 AC Den Haag

1.2. Definities

  • Onderwijssectoren

  • Referentiekader

  • Minimale controle werkzaamheden

  • Rechtmatigheid

1.2.1. Onderwijssectoren

1 juli 2014

Het accountantsprotocol is van toepassing op de door de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Economische Zaken (EZ) bekostigde rechtspersonen in de onderwijssectoren Primair Onderwijs (PO), Voortgezet Onderwijs (VO), Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en Hoger Onderwijs (HO).

Het accountantsprotocol geldt ook voor subsidies die door EZ aan instellingen worden verstrekt vanuit het vakdepartementaal onderwijsbeleid. Deze subsidies worden eventueel ook verantwoord volgens hiervoor binnen EZ geldende en met de betreffende scholen en instellingen gecommuniceerde aanvullende voorwaarden.

Sector PO

1 juli 2014

Voor rechtspersonen (waaronder samenwerkingsverbanden) bekostigd op grond van de WPO en WEC is het accountantsprotocol een leidraad/regeling als bedoeld in artikel 171, lid 4 van de WPO en in artikel 157, lid 4 van de WEC.

Sector VO

1 juli 2015

Voor rechtspersonen bekostigd op grond van de WVO is het accountantsprotocol een leidraad die ingevolge de artikel 14a, lid 3 en artikel 18, lid 6 van het Bekostigingsbesluit W.V.O. in een ministeriële regeling wordt vastgesteld. De WVO vermeldt in de hoofdstukken I, III en IV de bekostigingsvoorwaarden van een school.

Sector MBO

1 juli 2014

Voor rechtspersonen bekostigd op grond van de WEB is het accountantsprotocol een leidraad, die ingevolge artikel 5.2.5, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit WEB in een ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Sector HO

1 juli 2015

Voor rechtspersonen bekostigd op grond van de WHW is het accountantsprotocol een leidraad, die ingevolge van artikel 4.4, lid 2 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in een ministeriële regeling wordt vastgesteld. Het accountantsprotocol voor deze sector (ex artikel 2.10a van de WHW) bevat aanwijzingen voor de controle die ten grondslag liggen aan het afgeven van de controleverklaring (RJO artikel 2, en daarmee artikel 393 van Boek 2 van het burgerlijk wetboek).

1.2.2. Referentiekader

1 juli 2014

Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het accountantsprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving.

1.2.3. Minimale controlewerkzaamheden

1 juli 2014

Per onderdeel van het controleobject zijn aanwijzingen opgenomen:

  • een omschrijving van het object (of onderdeel daarvan);

  • het referentiekader: controle- en verslaggevingscriteria;

  • reikwijdte en diepgang van de accountantscontrole:

    • betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

    • de minimaal uit te voeren controles.

Voor de controle van de jaarstukken en het onderzoek naar de bekostigingsgegevens zijn verplichte teksten voor de controleverklaring(en) en assurance-rapport(en) opgenomen.

Het accountantsprotocol bevat:

  • minimale controlewerkzaamheden, die vetgedrukt zijn opgenomen en

  • niet vetgedrukte toelichtingen op deze werkzaamheden.

De beschreven (minimale) controlewerkzaamheden zijn bedoeld als aanvulling op de ’Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden’ (NV COS).

Voor de sector PO en VO wordt de instellingsaccountant verzocht in zijn controle en bekostigingsonderzoek over 2015 rekening te houden met de Handreiking controle en onderzoek sector PO en VO 2010.

1.2.4. Rechtmatigheid

1 december 2014

De instellingsaccountant moet controleren of de rijksbijdrage rechtmatig is verkregen (onderzoek bekostigingsverantwoording) en besteed (controle jaarrekening).

Ten aanzien van de verkrijging van de rijksbijdrage stelt hij vast dat de in de bekostigingsverantwoording van de school of instelling opgenomen gegevens voldoen aan de eisen van rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze gegevens in overeenstemming zijn met de in de wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het gaat hier om rechtmatigheid van niet-financiële informatie. De instellingsaccountant geeft een assurance-rapport bij de bekostigingsverantwoording af.

Ten aanzien van de in de jaarstukken van de school of instelling verantwoorde baten, lasten en balansmutaties stelt de instellingsaccountant vast dat deze voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. De financiële rechtmatigheid heeft betrekking op publieke middelen. Financiële rechtmatigheid in het algemeen houdt in dat een financiële transactie betrekking hebbende op publieke middelen waarvan de uitkomst in de jaarrekening dient te worden verantwoord in overeenstemming is met de in internationale regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van de financiële transactie beïnvloeden. De definitie en het kader van de financiële rechtmatigheid ligt in detail vast in hoofdstuk 2.3 van dit protocol.

1.3. Procedures

1 juli 2014

Het accountantsprotocol wordt jaarlijks opgesteld en in juli en december beschikbaar gesteld.

De juliversie is uitsluitend bedoeld voor planningsdoeleinden. De decemberversie is de definitieve versie van het accountantsprotocol, die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Deze publicatie geschiedt niet dan nadat het concept is besproken met vertegenwoordigers van alle betrokken partijen: accountantskantoren, NBA en koepelorganisaties. Bespreking van het concept-accountantsprotocol met sectororganisaties c.q. hun koepelorganisaties is mede bedoeld ter voorkoming van formuleringen die onbedoeld in het nadeel van de scholen en instellingen kunnen worden uitgelegd. Op de derde woensdag van de maand november vindt het jaarlijkse afstemmingsoverleg plaats met alle betrokkenen over de uiteindelijke tekst, die de op dat moment meest actuele stand van zaken weergeeft.

Nieuwe versies van het definitieve accountantsprotocol worden bij ministeriële regeling vastgesteld. De regeling wordt met de bijlage, het accountantsprotocol, in de Staatscourant geplaatst en wordt ook bekendgemaakt op de internetsite van de Inspectie van het Onderwijs en DUO.

De publicatie van het definitieve accountantsprotocol OCW/EZ 2015 vindt plaats in december 2015.

1.4. Wijzigingen

1 juli 2014

Als het nodig blijkt en het gaat om taalkundige onvolkomenheden zal OCW gaande het jaar snel aanpassingen aanbrengen in de tekst van het accountantsprotocol. Voor overige aanpassingen van meer ingrijpende aard wordt rekening gehouden met het feit dat het accountantsprotocol een stabiel document moet zijn. Deze aanpassingen worden daarom pas verwerkt in de juli- en decemberversie van het accountantsprotocol van het betreffende jaar.

1.5. Dossiervorming

1 juli 2014

Voor de documentatie van verrichte controlewerkzaamheden, de bevindingen en de conclusie daarbij gelden de eisen zoals genoemd in Standaard 230. Tijdens reviews is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de implicatie van deze richtlijn op de aard en omvang van de documentatie van verrichte werkzaamheden bij de controle van de bekostigingsgegevens en jaarstukken van scholen en instellingen. In het controledossier van de instellingsaccountant dient per aandachtspunt van het accountantsprotocol minimaal aanwezig te zijn: de uitgevoerde werkzaamheden, de identificatie van het gecontroleerde stuk (opschrift, totaalsaldo) of een kopie van de laatste pagina, de bevindingen en de conclusie. Indien bijvoorbeeld proceduretests zijn uitgevoerd, dan zijn niet kopieën van de inkoopfacturen in het dossier aanwezig, maar wel een lijst met factuurnummers en van items waarop de facturen zijn gecontroleerd.

1.6. Informatie/documentatie

1 december 2015

Hier vindt u (aanvullende) informatie die bij de controle en het onderzoek door de instellingsaccountant relevant is.

Wet- en regelgeving onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ

Notities Helderheid in bekostiging

  • Notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2004’

  • De oorspronkelijk in 2003 uitgebrachte notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het Hoger Onderwijs’

  • De aanvulling in 2004 op de notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs’

  • Handreiking voor de inrichting van onderwijskundige publiek-private arrangementen

Handreikingen t.b.v. de instellingsaccountant

  • Handreiking controle en onderzoek sector PO en VO 2010

Brieven

  • Brief HO/CBV/05/22162 van 20 juli 2005 over de verantwoording inzet publieke middelen

  • Brief BVE/Stelsel/104878 van 24 februari 2009 over scholing werklozen en met werkloosheid bedreigde werkenden in het licht van de economische crisis

  • Brief PO/B&S/ 121802 van 12 mei 2009 over huisvestingsuitgaven en accountantsverklaringen

  • Brief AD/113787 van 15 mei 2009 over jaarverslaggeving zorginstellingen met een onderwijscomponent

  • Brief BVE/I&I/171783 van 6 januari 2010 over in- en doorstroomklassen

  • Brief BVE/I&I/198334 van 23 maart 2010 over specifieke informatie over in- en doorstroomklassen

  • Brief PO/B&S/198180 van 1 april 2010 over onderzoek uitgaven huisvesting door scholen

  • Brief PO/B&S/214997 (ongedateerd) huisvestingsuitgaven door schoolbestuur

  • Brief 255958 van 6 december 2010 over ontslagvergoedingen VO-scholen

  • Brief 257165 van 14 januari 2011 over de topinkomens van onderwijsbestuurders

  • Brief 259228 van 25 januari 2011 over de beloningen van onderwijsbestuurders

  • Brief 269642 van 25 februari 2011 over beloning onderwijsbestuurders

  • Brief 3045679 van 2 maart 2011 over het handhavingsbeleid VOG’s

  • Brief 307660 van 21 juni 2011 over de bekostiging van ontslagvergoedingen

  • Brief 337429 van 25 november 2011 over transparantie declaraties en declaratievoorschriften

  • Brief 357173 van 23 december 2011 over het gebruik van de FSR-tabel als bijlage bij de jaarrekening

  • Brief 373939 van 9 februari 2012 over beloning onderwijsbestuurders

  • Brief 387623 van 12 maart 2012 over het onderwijsaccountantsprotocol in relatie tot de ontslagvergoedingen

  • Brief 389858 van 25 april 2012 over de onderwijscomponent in de jaarverslaggeving bij instellingen voor Jeugd & Opvoedhulp

  • Brief 424771 van 12 juli 2012 over oneigenlijk gebruik crebolicentie

  • Brief 476260 van 14 januari 2013 over voorlichting wet normering topinkomens

  • Brief 584386 van 19 februari 2014 over nadere afspraken gebruik FSR-tabel

  • Brief 669204 van 5 september 2014 over onderwijsovereenkomsten

  • Brief 675771 van 25 september 2014 over onderwijsovereenkomsten

  • Brief 765408 van 8 juni 2015 over afschaffing vierde handtekening op BPV van bbl-opleidingen

  • Brief 795647 van 18 augustus 2015 over afschaffing vierde handtekening

  • Brief 794047 van 21 september 2015 over accountantscontrole prestatieafspraken HO

  • Brief 821641 van 30 september 2015 over onderwijsovereenkomst

Diversen

  • Procedure ontoereikende accountantscontrole

  • Informatie van Gemeenschappelijk procesmanagement over inschrijving en registratie van deelnemers

  • Convenant lastenreductie doelsubsidies instellingen (SISA FSR)

  • Rapport ‘Univers(ele) vereenvoudiging (SISA FSR)

  • Voor alle informatie over de Wet normering Topinkomens: http://www.topinkomens.nl

2. Controle op de jaarstukken

2.1. Algemeen

  • Doelstelling controle op de jaarstukken

  • Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningcontrole

  • Materialiteitstabel

  • Omgaan met fouten (foutdefinities)

  • Algemeen referentiekader

  • Afhandelingscorrespondentie voorgaande jaren

  • Steunen op de werkzaamheden van een AK

2.1.1. Doelstelling controle op de jaarstukken

1 juli 2014

In dit deel van het accountantsprotocol staan de jaarstukken 2015 centraal. Met ‘jaarstukken’ wordt in dit accountantsprotocol bedoeld: de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens (artikel 1, lid c van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs).

De controleverklaring van de instellingsaccountant bij de jaarrekening betreft de getrouwheid van de grootte en de samenstelling van het vermogen en het resultaat, evenals de naleving van de wet- en regelgeving. Het oordeel omtrent de naleving van wet- en regelgeving vloeit voort uit het voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. De instellingsaccountant stelt verder vast dat het jaarverslag verenigbaar is met de jaarrekening.

2.1.2. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningcontrole

1 juli 2014

Het begrip omvangsbasis geeft aan tegen welke omvang (bedrag) het percentage goedkeuringsmaterialiteit moet worden afgezet, bijvoorbeeld een bepaalde geldstroom of post in de verantwoording. De te hanteren omvangsbases bij de controle van de jaarstukken zijn afhankelijk van de te controleren massa: de totale publieke middelen en bestedingen van de (geoormerkte) aanvullende subsidies/bekostiging.

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de wet- en regelgeving streeft de instellingsaccountant naar een hoge mate van zekerheid. De instellingsaccountant richt zijn controle daartoe zodanig in, dat hij met een redelijke mate van zekerheid kan verklaren dat in de jaarrekening geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen met een materieel belang.

Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95 procent.

2.1.3. Materialiteitstabel

1 juli 2015

Een verklaring met een goedkeurende strekking impliceert, dat gegeven de bovengenoemde betrouwbaarheid, in de verantwoording geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen, die groter zijn dan de percentages in de hieronder opgenomen materialiteitstabel.

 

Onjuistheden (in de verantwoording

Onzekerheden (in de controle)

Beperking

Afkeuring

Beperking

Oordeelonthouding

Rechtmatigheid        

Rechtmatigheid besteding (% van de totale publieke middelen)

>3 en <5

≥5

>5 en <10

≥10

De materialiteit is van toepassing op het oordeel over de financiële rechtmatigheid en de overige rechtmatigheid, tenzij sprake is van een specifieke controletolerantie.

In het accountantsprotocol wordt geen materialiteit meer voorgeschreven voor de getrouwheid. Vanuit OCW is een maximale materialiteit van 2% van het totaal van de baten en 5% van het balanstotaal aanvaardbaar. Het is de verantwoordelijkheid van de instellingsaccountant om deze te bepalen met inachtneming van hetgeen hierover in de standaarden is opgenomen.

Voor elke post gelden voor de foutevaluatie bij de oordeelvorming de goedkeuringsmaterialiteit op jaarrekeningniveau zoals opgenomen in de materialiteitstabel.

Voor alle in het accountantsprotocol genoemde posten, exclusief de hieronder opgenomen posten, geldt een standaard rapportagetolerantie van 0,1% (van de totale publieke middelen). De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden aan OCW in het Rapport van Bevindingen. Zie verder omgaan met fouten.

Voor de volgende posten/onderwerpen geldt een specifieke controletolerantie (CT) en rapportagetolerantie (RT):

  • Treasurybeleid (0% CT, 0% RT)

  • Afhandelingscorrespondentie voorgaande jaren (0% CT, 0% RT)

  • Geoormerkte aanvullende subsidies / bekostiging met een bestedingsverplichting (3% CT, 0% RT)

  • Verklaring omtrent het gedrag (1% CT, 0% RT)

  • Wachtgelden PO (0% CT, 0% RT)

  • Studenten die opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen ingeschreven bij opleidingsscholen (1% CT, 0% RT)

  • Declaraties HO (5% CT, 1% RT)

  • Declaratiereglement HO (0% CT, 0% RT)

  • IGBO PO (1% CT, 0% RT)

De fouten die bij deze controlewerkzaamheden worden geconstateerd worden door de instellingsaccountant ook betrokken in de foutevaluatie bij de oordeelvorming bij de jaarrekening als geheel.

In geval op grond van RJO artikel 3h geconsolideerde jaarverslaggeving van meerdere bevoegde gezagen gezamenlijk plaatsvindt dienen alle controle en rapportage toleranties in dit hoofdstuk toegepast te worden op de enkelvoudige/gesegmenteerde verslaglegging van het instandhoudingniveau (d.w.z. op het niveau van één bevoegd gezag).

2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)

1 december 2010

Van een fout in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van de uitgevoerde controle is gebleken dat een (gedeelte van een) post niet in overeenstemming is met één of meer aspecten van de wet- en regelgeving. Fouten worden in absolute zin opgevat, voor zover het de naleving van de wet- en regelgeving betreft. Saldering van fouten is daarom niet toegestaan.

Van een onzekerheid in het onderzoek is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om een (gedeelte van een) post als goed of fout aan te merken. Bijvoorbeeld als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de wet- en regelgeving. Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de instellingsaccountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert.

Het uitgangspunt is dat geconstateerde fouten zoveel mogelijk door de school/instelling moeten worden gecorrigeerd. Ten aanzien van fouten, die betrekking hebben op rechtmatigheid geldt dat correctie veelal niet mogelijk is omdat de besteding reeds plaats heeft gevonden.

Voor wat betreft het omgaan met geconstateerde fouten geldt voor de accountantscontrole van de jaarstukken:

  • Ten aanzien van het getrouwe beeld van de jaarrekening hoeven scholen en instellingen fouten met een gezamenlijk financieel belang beneden de goedkeuringstolerantie niet te corrigeren en de instellingsaccountant hoeft ze niet te rapporteren. Het effect op de vermogenspositie (de belangrijkste informatievraag voor OCW) is namelijk gering.

  • Met betrekking tot de financiële rechtmatigheid wordt onderscheid gemaakt tussen materiële en niet-materiële fouten. De school/instelling corrigeert voor zover mogelijk geconstateerde fouten. De school/ instelling kan echter dergelijke fouten meestal niet corrigeren. De instellingsaccountant informeert het bestuur en het interne toezichthoudende orgaan hierover conform de geldende beroepsvoorschriften. Materiële fouten (dwz fouten groter dan de goedkeuringstolerantie) hebben invloed op de strekking van de controleverklaring en worden uit dien hoofde in de controleverklaring toegelicht. Ten aanzien van niet-materiële fouten (dwz fouten kleiner dan de goedkeuringstolerantie) stelt de instellingsaccountant een rapport van bevindingen op zoals opgenomen in Accountantsproducten / Rapportering met inachtneming van de geldende rapportagetolerantie.

2.1.5. Algemeen referentiekader

1 juli 2014

In het accountantsprotocol is op het hoogste niveau het referentiekader opgenomen. Met betrekking tot een aantal posten en/of stromen is in dit accountantsprotocol ook een aantal specifieke criteria opgenomen die voortvloeien uit de wet- en regelgeving.

De beroepsvoorschriften voor instellingsaccountants zoals opgenomen in de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS) zijn altijd onderdeel van de controlecriteria.

2.1.6. Afhandelingscorrespondentie voorgaande jaren

1 december 2014

De instellingsaccountant stelt vast dat de school of de instelling de aanwijzingen heeft verwerkt en/of de correcties heeft opgevolgd waarover DUO of de Inspectie van het Onderwijs eerder met de school of de instelling heeft gecorrespondeerd in een jaarlijkse brief. Indien de aanwijzingen niet zijn verwerkt en/of de correcties niet zijn opgevolgd dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Accountantsproducten / rapportering.

Door de Inspectie van het Onderwijs wordt alleen een brief verstuurd met aanwijzingen voor de controle indien in voorgaande controlejaren (2013 en 2014) door de instelling een niet goedkeurende controleverklaring en/of een rapport van bevindingen van de instellingsaccountant bij DUO is ingediend.

2.1.7. Steunen op de werkzaamheden van een AK

1 december 2015

Schoolbesturen in het PO hebben in veel gevallen hun administratie uitbesteed aan een administratiekantoor (AK). In mindere mate geldt dit ook voor VO-scholen. De AK’s verrichten ten behoeve van deze schoolbesturen en de onder hen ressorterende scholen veelal de financiële, personele en salarisadministratie en vervaardigen de jaarrekening van de besturen. De scholen leveren daartoe hun primaire vastleggingen (inkoopfacturen, mutaties ten aanzien van in- en uitdiensttredingen en andere mutaties in salarissen) aan de AK’s. De AK’s verrichten hierop controle op o.a. deugdelijkheid en autorisatie en verwerken deze. Op onder andere deze controles en op verwerkingscontroles van AK’s steunen instellingsaccountants bij de controle van de bekostigingsgegevens en de jaarstukken.

Bij de toepassing van risicoanalyse bij de accountantscontrole dient de instellingsaccountant voor het bepalen van de aard en omvang van het risico van een afwijking van materieel belang onder andere kennis te verkrijgen van de entiteit en haar omgeving. Onder de entiteit wordt hier, ook in geval van een AK-gerichte aanpak, de organisatie van de school en het schoolbestuur verstaan. De interne beheersingsomgeving wordt in geval van een AK-gerichte aanpak op het niveau van een administratiekantoor (en niet per afzonderlijk schoolbestuur) ingericht. De instellingsaccountant toetst daarom op dit niveau of hij kan steunen op de getroffen maatregelen van interne beheersing. (Een en ander hoeft niet te betekenen dat iedere afzonderlijke school in de systeemcontrole dient te worden betrokken). Bij de toetsing van de maatregelen van IB dient hij rekening te houden met verschillen in de zogenaamde ‘service level agreement’ tussen het AK en de individuele besturen. Ook dient hij na te gaan of de controle van het AK alle rechtmatigheidsaspecten van het accountantsprotocol raakt. Indien dit niet het geval is zal de instellingsaccountant ook andere controles (dan gericht op het AK) moeten verrichten.

Ongeacht het ingeschat risico van een afwijking van materieel belang en ongeacht de keuze voor hetzij een bestuur-gerichte, hetzij een AK-gerichte controleaanpak dient de instellingsaccountant gegevensgerichte werkzaamheden op te zetten en uit te voeren voor elke transactiestroom, post van de jaarrekening en elk onderdeel van de toelichting op de jaarrekening van materieel belang.

2.2. Getrouwheid

  • Verslaggevingscriteria

  • Rijksgegarandeerde leningen

  • Jaarverslag

2.2.1. Verslaggevingscriteria

1 december 2014

De verslaggevingscriteria vloeien voornamelijk voort uit de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, maar in een aantal gevallen kan ook andere wet- en regelgeving (zoals de WNT) bepalingen bevatten over de wijze waarop een school/instelling verslag doet. De rechtspersoon richt de jaarstukken in op basis van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Voor de instellingsaccountant vormt de regeling een verslaggevingscriterium. De instellingsaccountant stelt vast dat de jaarstukken aan de Regeling jaarverslaggeving onderwijs voldoen.

Voor de zorginstellingen met onderwijscomponent zijn de afspraken uit de brief van 15 mei 2009 met kenmerk 113787 ten aanzien van de jaarverslaggeving van toepassing. Voor instellingen voor Jeugd en Opvoedhulp waaraan bekostigd onderwijs vanuit het ministerie van OCW is verbonden zijn de afspraken uit de brief van 25 april 2012 met kenmerk 389858 van toepassing.

Ook stelt de instellingsaccountant vast dat de jaarstukken aan de WNT(en de daarmee samenhangende wet- en regelgeving) voldoen. Hierbij volgt de accountant het door BZK opgestelde controleprotocol WNT.

2.2.2. Rijksgegarandeerde leningen

1 juli 2014

Op de balanspost Vreemd Vermogen op lange termijn kunnen in de onderwijssectoren VO, MBO en HO ook Rijksgegarandeerde leningen voorkomen. De scholen/instellingen die ultimo 2015 rijksgegarandeerde leningen hadden, ontvangen begin 2016 een geactualiseerde specificatie van de rijksgegarandeerde leningen ultimo 2015.

Op nieuwe leningen wordt geen rijksgarantie verleend, in verband met de decentralisatie van de huisvestingsverantwoordelijkheid. De instellingsaccountant controleert de juistheid en volledigheid van de specificatie van rijksgegarandeerde leningen ultimo 2015 (die van DUO is ontvangen) en de mutaties gedurende 2015. Eventuele correcties worden aangebracht op de specificatie van DUO. Correcties voor Wageningen Universiteit dienen op de specificatie van EZ te worden aangebracht. De specificatie wordt gewaarmerkt door de instellingsaccountant en meegezonden met het formulier ‘Aanbieding jaarstukken 2015’. De wijzigingen die de instellingsaccountant heeft aangebracht, brengt DUO tot uitdrukking op het overzicht ultimo 2016. Daarnaast stelt de instellingsaccountant vast of in de jaarrekening 2015 een correcte specificatie is opgenomen van de rijksgegarandeerde geldleningen ultimo 2015.

2.2.3. Jaarverslag

1 juli 2015

Aanvullende verslaggevingscriteria:

Notities Helderheid (Helderheid in bekostiging BVE 2004, Helderheid in bekostiging HO 2003 en Helderheid in bekostiging HO 2004 (aanvulling), Handreiking voor de inrichting van onderwijskundige publiek-private arrangementen (d.d. 25 maart 2011, kenmerk 285339 sector bve en kenmerk 282532 sector ho); Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 artikel 2; WPO artikel 17c, lid 1 onder e en artikel 171, lid 1 onder a; WEC artikel 28i, lid 1 onder e en artikel 157, lid 1 onder a; WVO artikel 24 e1, lid 1 onder e en artikel 103, lid 1 onder a; WEB artikel 2.5.4 en artikel 7.2.7 lid 3 en 4; WHW artikel 9.8, lid 1, 9.51, lid 2, 10.3d en 11.6.

  • Algemeen

  • Specifieke elementen

  • Rapportering

Algemeen

1 juli 2015

Met betrekking tot het jaarverslag stelt de instellingsaccountant vast dat:
  • het jaarverslag aan de wettelijke bepalingen voldoet, waaronder de RJO (bevat alle relevante informatie);

  • het jaarverslag bevat geen materiële tegenstrijdigheden met de jaarrekening (consistentie met de jaarrekening) en

  • het jaarverslag bevat geen materiële tegenstrijdigheden met de uitkomsten van de jaarrekeningcontrole, waaronder de bevindingen over de interne beheersing (consistentie met de controlebevindingen).

Ten aanzien van rapportering is hetgeen aan het einde van deze paragraaf is opgenomen ook op voorgaande bepalingen van toepassing.

WPO artikel 17c, lid 1 onder a , WEC artikel 28i, lid 1 onder a , WVO artikel 24e1, lid 1 onder a , WEB artikel 9.1.4, lid 3 onder c en WHW artikel 9.8 lid 1 onder c , artikel 10.3d lid 2 onder c of artikel 11.6 lid 1 onder c .

In bijlage 3 van de RJO is de set van gegevens ten behoeve van de continuïteitsparagraaf als onderdeel van het jaarverslag opgenomen. Voor dit onderdeel van het jaarverslag wordt, in aanvulling op bovenstaande werkzaamheden nog specifiek van de instellingsaccountant gevraagd vast te stellen dat:

  • de meerjarenbegroting is ontleend aan de planning & control cyclus en

  • de meerjarenbegroting is goedgekeurd door de Raad van Toezicht.

Met de Raad van Toezicht wordt in de sectoren primair en voortgezet onderwijs bedoeld de intern toezichthouder of het intern toezichthoudende orgaan, zoals beschreven in de WPO artikel 17c, WEC artikel 28i en WVO artikel 24e1

Indien de accountant vaststelt dat de meerjarenbegroting hieraan niet voldoet, dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Accountantsproducten / rapportering.

Specifieke elementen

1 juli 2015

  • Helderheid MBO en HO

    De instellingsaccountant stelt vast dat aan de in de helderheidsnotitie opgenomen verslaggevingseisen is voldaan. Voor het MBO gaat het om thema 1,2, 4, 5, 6 en 7 en voor het HO om thema 1,2,4 en 8.

  • Handreiking voor de inrichting van onderwijskundige publiek-private arrangementen (sector mbo en ho)

    De instellingsaccountant stelt vast dat aan de in de handreiking opgenomen verslaggevingseis is voldaan. Dit betekent dat de accountant vaststelt dat de instelling in het jaarverslag aandacht besteedt aan de ratio achter publiek-private arrangementen, de risico’s en risicobeheer van publiek-private arrangementen en de feitelijke resultaten van de publiek-private arrangementen in relatie tot de beoogde resultaten (innovatie, kwaliteit etc.) en de missie c.q. lange termijn doelstelling van de instelling.
  • Artikel 2 van de regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 (Treasurybeleid)

    De instellingsaccountant stelt vast dat de instelling in de jaarverslaggeving ten aanzien van de publieke middelen ten minste verslag doet van:
    • het beleid en de uitvoering ten aanzien van het beleggen en belenen;

    • de soorten en omvang van de beleggingen en beleningen;

    • de looptijden van de beleggingen en beleningen.

  • Sector PO en VO ( WPO artikel 17c, lid 1 onder e en artikel 171, lid 1 onder a ; WEC artikel 28i, lid 1 onder e en artikel 157, lid 1 onder a ; WVO artikel 24 e1 , lid 1 onder e en artikel 103, lid 1 onder a)

    De instellingsaccountant stelt vast dat het bevoegd gezag van de school of het samenwerkingsverband in het jaarverslag:
    • een verslag van de interne toezichthouder of het interne toezichthoudende orgaan heeft opgenomen, waarin deze verantwoording aflegt over de uitvoering van haar taken en bevoegdheden;

    • de gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld, alsmede verantwoording over afwijkingen van die code voor goed bestuur.

  • Branche code Goed bestuur in de mbo sector ( artikel 2.5.4. WEB )

    De instellingsaccountant stelt vast dat de instelling in het jaarverslag:
    • verantwoording aflegt over het omgaan met de branche code;

    • als de instelling afwijkt van het hoofdmodel RvT/CvB dan zijn de redenen daarvoor verantwoord in het jaarverslag.

  • Sector MBO Verantwoording onderwijsprogramma met minder uren (WEB artikel 7.2.7 lid 3 en 4)

    De instellingsaccountant stelt vast dat voldaan is aan de verslaggevingseisen WEB artikel 7.2.7 lid 3 en 4.

  • Sector HO ( WHW artikel 9.8, lid 1 , artikel 9.51, lid 2 en artikel 10.3d en artikel 11.6 )

    De instellingsaccountant stelt vast dat de instelling in het jaarverslag:
    • een verslag van de Raad van Toezicht heeft opgenomen, waarin deze verantwoording aflegt over de uitvoering van haar taken en bevoegdheden;

    • als de instelling afwijkt van het hoofdmodel RvT/CvB dan zijn de redenen daarvoor verantwoord in het jaarverslag.

Rapportering

1 juli 2014

De instellingsaccountant neemt, indien niet voldaan is aan de wettelijke bepalingen een tekstpassage hieromtrent op in de controleverklaring onder de ‘Verklaring betreffende het jaarverslag en de overige gegevens’.

2.3. Financiële rechtmatigheid

  • Referentiekader

  • Treasurybeleid

  • Huisvesting PO

  • Samenwerking universiteit en academisch ziekenhuis

  • Geoormerkte aanvullende subsidies met een bestedingsverplichting

  • Overige baten

  • Personele lasten

  • Overige instellingslasten sector PO en VO

  • Declaraties sector HO

2.3.1. Referentiekader

1 juli 2015

De volgende wet- en regelgeving valt onder de reikwijdte van het oordeel van de instellingsaccountant over de financiële rechtmatigheid:

  • de relevante bepalingen in de onderwijswet- en regelgeving, deze zijn in detail opgenomen in bijlage 1 van dit protocol;

  • de relevante bepalingen in (onderwijs) wet- en regelgeving, zoals die als controlecriteria zijn opgenomen in hoofdstuk 2.3;

  • aanbestedingswetgeving (zowel Europees, als nationaal: Aanbestedingswet 2012, Aanbestedingsbesluit en Gids Proportionaliteit) en

  • individuele subsidiebeschikkingen waaruit blijkt dat deze verantwoord moeten worden in model G onder 2 (zie ook paragraaf 2.3.7).

De overige van toepassing zijnde wet- en regelgeving, zoals de belastingwetgeving valt dus buiten het kader voor de financiële rechtmatigheid. Deze overige wet- en regelgeving neemt de instellingsaccountant wel mee in zijn werkzaamheden ten aanzien van de getrouw beeld verklaring in het kader van Standaard 250. Het belang van wet- en regelgeving bij de controle van financiële overzichten.

Voor aanbestedingen die boven de Europese drempelbedragen vallen gelden de gebruikelijke controle- en rapportage toleranties.

Voor de definiëring van de fout moet in het eerste jaar worden uitgegaan van de volledige contractwaarde. Indien geen contract aanwezig is wordt de fout bepaald door de in dat jaar opgenomen kosten. Deze fout komt bij overschrijding van de gebruikelijke controle- en rapportage toleranties dan tot uitdrukking in de controleverklaring en/of de uitzonderingsrapportage.

Voor de aanbestedingen onder de Europese drempelbedragen geldt een groeimodel. Voor 2015 geldt een kwalitatieve tolerantie voor aanbestedingen onder de Europese drempelbedragen. Hiermee wordt bedoeld dat de instellingsaccountant de AO/IB rondom deze aanbestedingen beoordeelt en daarover rapporteert in de management letter en/of het accountantsrapport (dit is niet de uitzonderingsrapportage, zoals in paragraaf 1.1.3 genoemd) aan de RvT en/of het bestuur.

Toelichting Kader Financiële Rechtmatigheid OCW/EZ wet- en regelgeving

Het kader, als opgenomen in bijlage 1 van dit protocol, bevat bepalingen (gehele regelingen of individuele (delen van) artikelen) uit de wet- en regelgeving van OCW en EZ voor onderwijsinstellingen.

Opgenomen zijn bepalingen die de uitkomsten van de financiële transactie beïnvloeden. Deze bepalingen geven aan welke uitgaven (en incidenteel: inkomsten) zijn toegestaan.

Het kader vervangt voor de scholen en instellingen niet de gehele wet- en regelgeving. Beoogd is om volledig te zijn, maar het abusievelijk niet opnemen van een bepaling betekent niet dat een school of instelling zich er niet aan hoeft te houden. Wel betekent het dat de instellingsaccountant bij zijn controle kan uitgaan van het kader. Slechts als de instellingsaccountant kennis krijgt van het niet naleven van relevante en materiële, niet opgenomen, bepalingen dient de instellingsaccountant in overeenstemming met de beroepsvoorschriften (Standaard 240 en Standaard 250) te handelen.

Het kader bevat dus niet:

  • bepalingen voor de inrichting van het onderwijs;

  • bepalingen voor het verkrijgen van bekostiging (bekostigingsparameters, aanvragen, termijnen etc.) tenzij deze specifiek zijn opgenomen in hoofdstuk 2.3;

  • bepalingen voor derden zoals gemeenten;

  • bepalingen over hoe OCW om moet gaan met de (rechten van) scholen en instellingen;

  • bepalingen voor het afleggen van verantwoording (voor jaarrekening, jaarverslag, specifieke subsidieverantwoordingen);

  • bepalingen voor het inrichten van administraties.

De bepalingen vallen uiteen in de volgende categorieën:

  • de activiteiten waarvoor kosten mogen worden gemaakt;

  • de toegestane kostensoorten;

  • de maximale hoogte van bepaalde uitgaven;

  • de maximale en minimale hoogte van bepaalde inkomsten;

  • invloed op balansmutaties.

Als er sprake is van algemene bepalingen voor toegestane uitgaven, dan zijn ook de bepalingen opgenomen die de algemene bepalingen beperken, doch niet de bepalingen die een verruiming bieden. Als een instellingsaccountant vast kan stellen (positieve controle) dat de verruimende bepaling van toepassing is, kan hij de uitgaven of inkomsten alsnog goedkeuren.

Soms wordt in een opgenomen bepaling verwezen naar een andere bepaling (artikel). Die is voor de overzichtelijkheid van het kader dan niet opgenomen.

Niet voor alle bepalingen die zijn opgenomen in het kader zijn expliciet minimale werkzaamheden opgenomen. Van de instellingsaccountant wordt verwacht dat hij zijn controle in het kader van de financiële rechtmatigheid zo inricht, dat hij met inachtneming van de gegeven controletolerantie tot een oordeel over de financiële rechtmatigheid kan komen.

2.3.2. Treasurybeleid

1 juli 2010

Aanvullend controlecriterium: Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010.

De instellingsaccountant stelt vast dat aan artikel 3, lid 2, 3 en 4 van de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 is voldaan.

2.3.3. Huisvesting PO

1 juli 2015

De instellingsaccountant stelt vast dat er geen rijksmiddelen zijn gebruikt voor huisvestingsvoorzieningen waar de gemeente verantwoordelijk voor is, tenzij de uitgave aan een huisvestingsvoorziening aanvullend is en bekostigd is uit de reserve die vóór invoering van lumpsum (1 augustus 2006) is opgebouwd.

Met ingang van 1 januari 2015 is het groot (buiten) onderhoud overgeheveld van de gemeente(n) naar de instellingen.

Zie ook de brieven PO/B&S/121802, PO/B&S/198180 en PO/B&S/214997.

2.3.4. Samenwerking universiteit en academisch ziekenhuis

1 juli 2010

Aanvullend controlecriterium: academische ziekenhuizen: artikel 2.12 van de WHW.

Dit controlepunt geldt alleen voor universiteiten, waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden. De universiteit die ondersteund wordt door het academisch ziekenhuis bij het verzorgen van geneeskundig onderwijs en onderzoek, krijgt hiervoor een rijksbijdrage toegekend. De instellingsaccountant controleert of deze bijdrage onverwijld aan het academisch ziekenhuis is doorbetaald.

2.3.5. Geoormerkte aanvullende subsidies met een bestedingsverplichting

  • Algemeen

  • NWO-subsidies

Algemeen

1 juli 2015

De instellingsaccountant stelt op grond van de bekostigings/subsidievoorwaarden/subsidieverplichtingen vast dat de (geoormerkte) aanvullende bekostiging/subsidie met bestedingsverplichting rechtmatig is besteed. Dit betreft de in model G onder G2 verantwoorde subsidies. Voor nog te besteden (geoormerkte) aanvullende bekostiging/subsidies uit voorgaande jaren blijven de aanwijzingen uit voorgaande accountantsprotocollen van kracht (overzicht wet- en regelgeving). In alle gevallen zijn de aanwijzingen in de individuele subsidiebeschikkingen ten aanzien van verantwoorden leidend.

Voor deze post geldt een specifieke controle- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie).

Het totaalbedrag van de bestedingen (in het controlejaar) van de geoormerkte aanvullende bekostiging/subsidies vormt een afzonderlijke massa waarop de toleranties voor de controle van de bestedingen moeten worden toegepast. De instellingsaccountant richt zijn controle zodanig in dat hij een redelijke mate van zekerheid kan verkrijgen dat geen onrechtmatige bestedingen voorkomen met een belang dat groter is dan 3% van de totale bestedingen van de (geoormerkte) aanvullende bekostiging/subsidies in het betreffende controlejaar.

Als deze tolerantie wordt overschreden, maar de tolerantiegrens voor de jaarrekeningcontrole niet, dan heeft dit geen invloed op de controleverklaring bij de jaarrekening. Zie voor een nadere toelichting Algemeen. Het kan eventueel voor de school/instelling wel consequenties hebben voor terugbetalingsverplichtingen, zoals uit de desbetreffende regeling blijkt.

Als de instellingsaccountant bestedingen constateert die in strijd zijn met de subsidievoorwaarden dan wel bekostigingsvoorwaarden/subsidieverplichtingen en deze hebben mogelijk invloed op de totale omvang van de (geoormerkte) aanvullende subsidies/bekostiging, dan moet de school/instelling deze corrigeren. Indien de instellingsaccountant constateert dat de bekostiging niet rechtmatig is, dan ziet de instellingsaccountant erop toe dat de school/instelling dit corrigeert.

Indien de correctie niet plaatsvindt dan neemt de instellingsaccountant dat op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Omgaan met fouten.

Ten aanzien van onderstaande geoormerkte subsidies schrijft het accountantsprotocol specifieke minimale controlewerkzaamheden voor.

NWO-subsidies

1 juli 2010

Naast OCW verstrekt ook de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) subsidies aan de universiteiten. Onder deze subsidies worden ook begrepen de subsidies van Technologiestichting STW (STW) en ZonMw. De financiële verantwoording over deze subsidies vindt plaats via de jaarrekening van de universiteit. Op grond van een akkoord gesloten tussen VSNU, NWO en de vereniging Sectie Gezondheidsfondsen (SGF) kunnen ook de subsidies van de gezondheidsfondsen aangesloten bij deze vereniging op deze wijze worden verantwoord. Bij de controle van deze subsidies gelden dezelfde bepalingen en controletoleranties, zoals vermeld in deze paragraaf voor de besteding van geoormerkte aanvullende subsidies. De controlecriteria vloeien voort uit de afzonderlijke subsidiebeschikkingen.

De instellingsaccountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van deze subsidiegelden. In afwijking van hetgeen is opgenomen in Accountantsproducten / rapportering , stuurt de instelling, indien van toepassing, een rapport van bevindingen naar de NWO.

2.3.6. Overige baten

  • Uitbesteding en contractactiviteiten voor derden

Uitbesteding en contractactiviteiten voor derden

1 juli 2010

Aanvullend controlecriterium: EU verdrag oneerlijke concurrentie.

Uitbesteding

De instellingsaccountant stelt vast dat bij de uitbesteding de kosten en tegenprestatie schriftelijk zijn vastgelegd in een contract/overeenkomst. Tevens stelt de instellingsaccountant vast dat de uitbestede activiteit(en) passen binnen de wettelijke taakuitvoering van de instelling.

Contractactiviteiten voor derden

Overheidsgelden mogen niet zodanig worden aangewend dat er oneerlijke concurrentie ontstaat. Van de instellingsaccountant wordt geen marktonderzoek verlangd. Wel stelt hij vast dat minimaal een kostendekkend tarief is berekend.

2.3.7. Personele lasten

  • Omvang werkzaamheden in de sector PO en VO

  • Wachtgelden PO

Omvang werkzaamheden in de sector PO en VO

1 december 2015

De instellingsaccountant voert een risicoanalyse uit en legt zijn bevindingen en conclusie vast in zijn dossier.

Bij de uitvoering van de risicoanalyse neemt de instellingsaccountant in acht hetgeen is opgenomen in het onderwerp ‘Steunen op de werkzaamheden van een AK.’

De instellingsaccountant betrekt in deze risicoanalyse onder andere de Standaard 240. In de hierna beschreven controleaanpak wordt uitgegaan van een voor een school of REC normaal laag inherent risico. Als er sprake is van verhoogd inherent risico past de instellingsaccountant de omvang van de werkzaamheden aan. Daarnaast heeft de risicoanalyse als doel om tot een uitspraak te komen of de instellingsaccountant bij zijn verdere werkzaamheden kan steunen op de aanwezige interne beheersingsmaatregelen (IB).

De werkzaamheden verricht door een administratiekantoor kunnen niet de door de instellingsaccountant te verrichten werkzaamheden vervangen. De werkzaamheden van het administratiekantoor maken onderdeel uit van de interne beheersingsstructuur van het onderzoeksobject.

Om tot een uitspraak over de kwaliteit van de IB te komen dient de instellingsaccountant werkzaamheden te verrichten. Deze werkzaamheden bestaan uit:

  • minimaal 25 proceduretesten; of

  • werkzaamheden, op grond waarvan de instellingsaccountant een uitspraak kan doen over de kwaliteit van de interne beheersing (van het administratiekantoor).

Bovenstaande werkzaamheden sluiten niet uit hetgeen in Standaard 330 (De wijze van inspelen door de accountant op ingeschatte risico’s) is opgenomen ten aanzien van gebruikmaken van controle-informatie die tijdens vorige controles is verkregen.

Indien de instellingsaccountant naar aanleiding van de risicoanalyse en de uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de werking van de IB tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de goede werking van de IB, dient in het onderzoeksdossier vast te liggen op grond waarvan de instellingsaccountant tot deze conclusie komt.

Indien de instellingsaccountant tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de goede werking van de IB verricht hij daarnaast nog de volgende minimale werkzaamheden:

  • De instellingsaccountant analyseert de formatieoverzichten en de verzamelloonstaat van de scholen ressorterend onder het bestuur. In deze analyse wordt betrokken: salarisschalen, de omvang en samenstelling van eventuele niet norm-functies binnen de formatie, de betrekkingsomvang van de dienstbetrekkingen en ongebruikelijke beloningen. Deze analyse wordt door de instellingsaccountant uitgevoerd op bestuursniveau.

  • Daarnaast voert de instellingsaccountant een cijferbeoordeling uit op de personele kosten, in relatie tot de begroting en de jaarrekening van het voorgaande jaar. Bij sterke fluctuaties en ongebruikelijke saldi controleert de instellingsaccountant met detailstukken. De cijferbeoordeling vindt plaats op bestuursniveau.

De instellingsaccountant moet het gestelde in Standaard 520 Cijferanalyses in bovenstaande werkzaamheden betrekken.

Wachtgelden PO

1 juli 2015

Specifieke controlecriteria: artikel 137, 138 en 139 van de WPO en artikel 131, 132 en 133 van de WEC, Regeling achterwege laten vermindering van de bekostiging bij niet-herbenoeming ontslaguitkeringsgerechtigde ex-werknemers primair onderwijs, Regeling betreffende aftrekposten WBO, ISOVSO en WVO.

Voor deze post geldt een specifieke controle- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie).

De instellingsaccountant controleert of het bevoegd gezag de bepalingen over voorrang bij benoemingen (eigenwachtgelderbepalingen) naleeft. Als deze bepalingen niet worden nageleefd controleert de instellingsaccountant of op de bekostiging in mindering gebracht is: de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan aan de eigenwachtgelderbepalingen of aan personeel dat gebruik maakt van een regeling voor onvrijwillige werkloosheid of taakvermindering. De instellingsaccountant stelt in geval van vacatures waarvoor een (toekomstige) ontslaguitkeringsgerechtigde ex-werknemer (‘eigen wachtgelder’) beschikbaar is, vast dat:
  • geen nieuw personeel is aangesteld;

  • van geen enkel personeelslid de betrekkingsomvang is uitgebreid;

  • van geen enkel personeelslid de tijdelijke aanstelling is verlengd;

  • van geen enkel personeelslid de tijdelijke aanstelling is omgezet in een vast dienstverband.

De instellingsaccountant controleert of het bevoegd gezag de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat langer dan 1 jaar anders dan wegens vervanging onafgebroken, met een onderbreking van een week of minder, dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag op de bekostiging in mindering heeft gebracht. De instellingsaccountant controleert of het bevoegd gezag rekening houdt met de vermindering op de bekostiging van de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, die DUO Zoetermeer uitvoert in het kader van de instroom van de werkloosheidsuitkeringen. Deze vermindering op de bekostiging is niet van toepassing, indien het Participatiefonds heeft ingestemd met het ten laste van het Participatiefonds brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

De instellingsaccountant moet de toepassing van bovenstaande procedures jaarlijks integraal controleren. Als blijkt dat een bevoegd gezag zich niet aan de wachtgeldregelgeving heeft gehouden, neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Accountantsproducten / rapportering. De instellingsaccountant vermeldt de financiële gevolgen van het niet-naleven van de wachtgeldbepalingen.

Documenten:

De Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds (email helpdesk@vfpf.nl of telefoon: 045 579 3953) kan op verzoek een overzicht verstrekken van voormalig personeel dat een ontslaguitkering geniet. Dit overzicht kan als hulpmiddel dienen de uitkeringsgenietenden te traceren die langer dan een jaar direct voorafgaand aan hun uitkering onafgebroken in dienst waren bij het bestuur.

2.3.8. Overige instellingslasten sector PO en VO

1 december 2010

De instellingsaccountant voert een cijferbeoordeling uit op de materiële kosten, in relatie tot de begroting en de jaarrekening van het voorgaande jaar. Bij sterke fluctuaties en ongebruikelijke saldi controleert de instellingsaccountant met detailstukken. De cijferbeoordeling vindt plaats op bestuursniveau. Bij bovenstaande werkzaamheden moet de instellingsaccountant hetgeen in Standaard 520 Cijferanalyses is opgenomen betrekken.

2.3.9. Declaraties sector HO

1 juli 2015

Aanvullend controlecriterium: Brief Transparantie declaraties en declaratievoorschriften van 25 november 2011 met kenmerk 337429.

Voor deze post geldt een specifieke controle- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie).

Het totaalbedrag van de declaraties (voor de gehele organisatie) vormt een afzonderlijke massa waarop de toleranties voor de controle van de declaraties moeten worden toegepast. De instellingsaccountant richt zijn controle zodanig in dat hij een redelijke mate van zekerheid kan verkrijgen dat geen vergoedingen voorkomen met een belang dat groter is dan 5% van de totale omvang van de declaraties(vergoedingen), die niet in overeenstemming zijn met de voor de gehele organisatie geldende declaratievoorschriften.

Als deze tolerantie wordt overschreden, maar de tolerantiegrens voor de jaarrekeningcontrole niet, dan heeft dit geen invloed op de controleverklaring bij de jaarrekening. Zie voor een nadere toelichting Algemeen.

2.4. Overige rechtmatigheid

  • Treasurybeleid

  • Verklaring omtrent het gedrag PO, VO en MBO

  • Studenten die opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen ingeschreven bij opleidingsscholen

  • Declaratiereglement sector HO

  • IGBO PO

2.4.1. Treasurybeleid

1 juli 2010

Aanvullend controlecriterium: Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010.

Voor het onderwerp ao/ib geldt een specifieke controle- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting). Het voorschrijven van een controle- en rapportagetolerantie verhoudt zich lastig tot werkzaamheden van de instellingsaccountant die zijn gericht op het vaststellen van elementen van administratieve organisatie en interne beheersing. In dit geval wordt hiermee bedoeld dat de instellingsaccountant ongeacht de materialiteit vaststelt dat de school/instelling de hieronder bedoelde vastlegging toereikend heeft uitgevoerd. Indien dit niet het geval is dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld inAccountantsproducten / rapportering.

De instellingsaccountant stelt vast dat aan artikel 3, lid 1 van de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 is voldaan.

2.4.2. Verklaring omtrent het gedrag PO, VO en MBO

1 december 2015

Aanvullende controlecriteria:

Voor dit onderwerp geldt een specifieke rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie). De instellingsaccountant stelt vast dat de verklaring omtrent het gedrag (die voldoet aan de wettelijke eisen) -met inachtneming van de controletolerantie- is opgenomen in het personeelsdossier voor alle personeelsleden in loondienst bij het bevoegd gezag of de instelling, waarvoor dit wettelijk vereist is. Indien dit niet het geval is dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld inAccountantsproducten/rapportering. Hierin vermeldt de instellingsaccountant het aantal ontbrekende verklaringen omtrent het gedrag per categorie personeel (directie in de sector PO,EC en VO), onderwijsgevend personeel (alle sectoren), onderwijsondersteunend personeel (alle sectoren) en overig personeel (sector MBO) per school of onderwijsinstelling(BRIN-nummer) en de reden voor het ontbreken van de verklaringen.

2.4.3. Studenten die opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen ingeschreven bij een opleidingsschool

1 juli 2015

Aanvullend controlecriterium: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Voor dit onderwerp geldt een specifieke rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie).

De instellingsaccountant stelt, aan de hand van de op 1 oktober 2015 verstrekte opgave vast dat de hierin opgenomen gegevens ten aanzien van het aantal studenten zoals bedoeld in artikel 2, lid 2 juist zijn. Indien dit niet het geval is dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Accountantsproducten/rapportering.

2.4.4. Declaratiereglement sector HO

1 juli 2012

Aanvullend controlecriterium: Brief Transparantie declaraties en declaratievoorschriften van 25 november 2011 met kenmerk 337429.

Voor dit onderwerp geldt een specifieke controle- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting). Het voorschrijven van een controle- en rapportagetolerantie verhoudt zich lastig tot werkzaamheden van de instellingsaccountant die zijn gericht op het vaststellen van elementen van administratieve organisatie en interne beheersing. In dit geval wordt hiermee bedoeld dat de instellingsaccountant ongeacht de materialiteit vaststelt dat de school/instelling de hieronder bedoelde vastlegging toereikend heeft uitgevoerd. Indien dit niet het geval is dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld inAccountantsproducten / rapportering.

De instellingsaccountant stelt vast dat de instelling voor de gehele organisatie geldende voorschriften heeft met betrekking tot te declareren vergoedingen.

2.4.5. IGBO PO

1 december 2015

Aanvullend controlecriterium: Regeling bekostiging personeel PO 2016–2017 (verwachte publicatie van deze regeling is maart/april 2016), Besluit bekostiging WPO (besluit 10185)

Voor dit onderwerp geldt een specifieke rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting en zie Materialiteitstabel voor de betreffende specifieke controle- en rapportagetolerantie).

De instellingsaccountant stelt vast dat het aantal leerlingen in de aanvraag Internationaal Georiënteerd Basis Onderwijs (IGBO) PO met teldatum 1 oktober 2015 overeenkomt met het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2015 staat ingeschreven als leerling van de afdeling IGBO van de school. Indien dit niet het geval is dan neemt de instellingsaccountant dit op in een rapport van bevindingen zoals vermeld in Accountantsproducten/rapportering.

2.5. Controleverklaring inzake de jaarrekening

  • Algemeen

  • Voorbeeld 1 goedkeurende uitgebreide controleverklaring

  • Voorbeeld 2 goedkeurende controleverklaring

Algemeen

1 december 2015

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een andere dan een goedkeurende verklaring afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Het feit dat hij een andere dan een goedkeurende verklaring heeft afgegeven of gebruik maakt van een paragraaf ter benadrukking van aangelegenheden of paragraaf inzake overige aangelegenheden moet hij vermelden op het zogenoemde Aanbiedingsformulier, dat bij de indiening van de jaarrekening bij DUO moet worden gebruikt.

Ook geeft de instellingsaccountant op het Aanbiedingsformulier aan of er een afzonderlijk rapport van bevindingen (zie paragraaf 1.1.3) is opgesteld.

Als de instellingsaccountant een andere dan een goedkeurende verklaring afgeeft, dan sluit hij voor wat betreft de oordeelsparagraaf aan bij de teksten van deel 3 van de HRA (deel Voorbeeldteksten), uitgegeven door de NBA. Daarnaast is de NBA nog bezig met het opstellen van diverse varianten voor de uitgebreide controleverklaring, inclusief de andere dan goedkeurende verklaringen, zie hiervoor te zijner tijd de publicatie en website van de NBA.

Indien het bevoegd gezag rijksbekostiging ontvangt voor meerdere sectoren op grond van meerdere onderwijswetten, dan wordt in de controleverklaring verwezen naar de wetten (zie ook ***), op grond waarvan dan een jaarrekening aan het Ministerie wordt verstrekt.

Accountants kunnen vrijwillig gebruik maken van de uitgebreide controleverklaring in overleg met de betreffende instelling.

De uitgebreide controleverklaring is als voorbeeld 1 opgenomen. De opgenomen voorbeeld tekst is ontleend aan Standaard 702N ‘Aanvullingen met betrekking tot het rapporteren bij een volledige set van financiële overzichten voor algemene doeleinden bij een organisatie van openbaar belang’ en aangepast voor de onderwijssector. Dit is mogelijk op basis van paragraaf 4 van de Standaard. Voor de onderwijssector zijn de vrijstellingen in de paragrafen 16, 17, 18 t/m 24 en 29 van toepassing, deze kunnen echter wel vrijwillig toegepast worden.

Meer informatie over de uitgebreide controleverklaring is te vinden op de website van het NBA: https://www.nba.nl/Wet-en-regelgeving/Adviescollege-Beroepsreglementering1/Naar-een-uitgebreidere-controleverklaring/

Door wijziging van de beroepsvoorschriften is 2015 het laatste jaar dat nog gebruik gemaakt kan worden van voorbeeld verklaring 2.

Voorbeeld 1 goedkeurende uitgebreide controleverklaring

In deze verklaring zijn elementen (zoals onderdeel materialiteit, groepscontrole en kernpunten) opgenomen, die specifiek gemaakt moeten worden voor de betreffende entiteit conform Standaard 702N paragraaf 6c.

1 december 2015

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: Opdrachtgever (indien van toepassing raad van toezicht noemen)

Verklaring over de jaarrekening 2015

Ons oordeel

Wij hebben de jaarrekening 2015 van ... (naam entiteit)**) te ... (statutaire vestigingsplaats) gecontroleerd.

Naar ons oordeel*):

  • geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en samenstelling van het vermogen van ... (naam entiteit)**) op 31 december 2015 en van het resultaat over 2015 in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs;

  • voldoen de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over 2015 in alle van materieel belang zijnde aspecten aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat de bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals vermeld in paragraaf 2.3.1. Referentiekader van het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

De jaarrekening bestaat uit:

  • (1) de (geconsolideerde en enkelvoudige) balans per 31 december 2015;

  • (2) de (geconsolideerde en enkelvoudige) staat van baten en lasten over 2015; en

  • (3) de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en overige toelichtingen.

De basis voor ons oordeel

Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden en het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’.

Wij zijn onafhankelijk van ... (naam entiteit)**), zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijksregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Materialiteit

Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.

Op basis van onze professionele oordeelsvorming hebben wij de materialiteit voor de getrouwheid van de jaarrekening als geheel bepaald op € ... . De materialiteit is gebaseerd op ...(nader in te vullen % van de relevante benchmark b.v. winst, omzet of andere criteria). De materialiteit voor de financiële rechtmatigheid is bepaald op €, deze materialiteit is gebaseerd op 3% van de totale publieke middelen, zoals voorgeschreven in paragraaf 2.1.3. van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015. In deze paragraaf van het accountantsprotocol zijn tevens een aantal specifieke controle- en rapportagetoleranties opgenomen, die wij hebben toegepast. Wij houden ook rekening met afwijkingen en/of mogelijke afwijkingen die naar onze mening voor de gebruikers van de jaarrekening om kwalitatieve redenen materieel zijn. Wij zijn met de raad van toezicht overeengekomen dat wij aan de raad tijdens onze controle geconstateerde afwijkingen boven de € ... rapporteren alsmede kleinere afwijkingen, die naar onze mening om kwalitatieve redenen relevant zijn.

Reikwijdte van de groepscontrole

... (naam entiteit) staat aan het hoofd van een groep van entiteiten. De financiële informatie van deze groep is opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van ... (naam entiteit).

Gegeven onze eindverantwoordelijkheid voor het oordeel zijn wij verantwoordelijk voor de aansturing van, het toezicht op en de uitvoering van de groepscontrole. In dit kader hebben wij de aard en omvang bepaald van de uit te voeren werkzaamheden voor de groepsonderdelen. Bepalend hierbij zijn de omvang en/of het risicoprofiel van de groepsonderdelen of de activiteiten. Op grond hiervan hebben wij de groepsonderdelen geselecteerd waarbij een controle of beoordeling van de volledige financiële informatie of specifieke posten noodzakelijk was.

De groepscontrole heeft zich met name gericht op de significante onderdelen ... (uitleggen wat dit betreft: significante onderdelen zoals bedoeld op grond van Standaard 600. Bijvoorbeeld groepsonderdelen in specifieke landen, groepsonderdelen met significante risico’s inzake waardering of complexe activiteiten). Bij de onderdelen ... (benoemen) hebben wij zelf controlewerkzaamheden uitgevoerd. Wij hebben gebruik gemaakt van andere accountants bij de controle van ... (benoemen). Bij andere onderdelen hebben wij beoordelingswerkzaamheden of specifieke controlewerkzaamheden uitgevoerd.

Door bovengenoemde werkzaamheden bij (groeps)onderdelen, gecombineerd met aanvullende werkzaamheden op groepsniveau, hebben wij voldoende en geschikte controle-informatie met betrekking tot de financiële informatie van de groep verkregen om een oordeel te geven over de geconsolideerde jaarrekening.

De kernpunten van onze controle

In de kernpunten van onze controle beschrijven wij zaken die naar ons professionele oordeel het meest belangrijk waren tijdens onze controle van de jaarrekening. De kernpunten van onze controle hebben wij met de raad van toezicht*****) gecommuniceerd, maar vormen geen volledige weergave van alles wat is besproken.

Wij hebben onze controlewerkzaamheden met betrekking tot deze kernpunten bepaald in het kader van de jaarrekeningcontrole als geheel. Onze bevindingen ten aanzien van de individuele kernpunten moeten in dat kader worden bezien en niet als afzonderlijke oordelen over deze kernpunten.

De beschrijving van een kernpunt bevat de volgende elementen:
  • een beschrijving van het kernpunt;

  • een samenvatting van de uitgevoerde controlewerkzaamheden;

  • indien relevant, belangrijke opmerkingen met betrekking tot de kernpunten; en

  • indien relevant, een verwijzing naar de toelichting of vermelding in de jaarstukken.

Verantwoordelijkheden van het bestuur****) en de raad van toezicht*****) voor de jaarrekening

Het bestuur****) is verantwoordelijk voor het opmaken en het getrouw weergeven van de jaarrekening, in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, alsmede het opstellen van het jaarverslag, in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Het bestuur****) is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen.

In dit kader is het bestuur****) verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het bestuur****) noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Bij het opmaken van de jaarrekening moet het bestuur****) afwegen of de onderwijsinstelling in staat is om haar activiteiten in continuïteit voort te zetten. Op grond van de regeling jaarverslaggeving onderwijs moet het bestuur****) de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling, tenzij het bestuur****) het voornemen heeft om de onderwijsinstelling**) te liquideren of de activiteiten te beëindigen of als beëindiging het enige realistische alternatief is. Het bestuur****) moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de onderwijsinstelling haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten toelichten in de jaarrekening.

De raad van toezicht*****) is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van ... (naam entiteit)**)

Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening

Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht, dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle fouten en fraude ontdekken.

Verklaring betreffende overige door wet- of regelgeving gestelde vereisten

Verklaring betreffende het jaarverslag en de overige gegevens

Wij vermelden op basis van de wettelijke verplichtingen onder de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (betreffende onze verantwoordelijkheid om te rapporteren over het jaarverslag en de overige gegevens):

  • dat wij geen tekortkomingen hebben geconstateerd naar aanleiding van het onderzoek of het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en paragraaf 2.2.3. Jaarverslag van het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 is opgesteld en of de door de Regeling jaarverslaggeving onderwijs vereiste overige gegevens zijn toegevoegd.

  • dat het jaarverslag voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening.

Benoeming

Wij zijn door de raad van toezicht*****) op dd-mm-jjjj benoemd als accountant van ... (naam entiteit) **) vanaf de controle van het boekjaar XXXX en zijn sinds die datum tot op heden de externe accountant.

Plaats, datum

.... (naam accountantspraktijk)

.... (naam accountant)

Bijlage bij de controleverklaring

Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen. Onze controle bestond onder andere uit:

  • het identificeren en inschatten van de risico’s dat de jaarrekening afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten, het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;

  • het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle van de jaarrekening en de financiële rechtmatigheid met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de onderwijsinstelling;

  • het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving, de gebruikte financiële rechtmatigheidscriteria en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het bestuur en de toelichtingen die daarover in de jaarrekening staan;

  • het vaststellen dat de door het bestuur****) gehanteerde continuïteitsveronderstelling aanvaardbaar is. Tevens het op basis van de verkregen controle-informatie vaststellen of er gebeurtenissen en omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de onderwijsinstelling haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten. Als wij concluderen dat er een onzekerheid van materieel belang bestaat, zijn wij verplicht om aandacht in onze controleverklaring te vestigen op de relevante gerelateerde toelichtingen in de jaarrekening. Als de toelichtingen inadequaat zijn, moeten wij onze verklaring aanpassen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de controle-informatie die verkregen is tot de datum van onze controleverklaring. Toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat een instelling haar continuïteit niet langer kan handhaven;

  • het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de jaarrekening en de daarin opgenomen toelichtingen, en

  • het evalueren of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de onderliggende transacties en gebeurtenissen en dat de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid.

Wij communiceren met de raad van toezicht*****) onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.

Wij bevestigen aan de raad van toezicht*****) dat wij de relevante ethische voorschriften over onafhankelijkheid hebben nageleefd. Wij communiceren ook met de raad over alle relaties en andere zaken die redelijkerwijs onze afhankelijkheid kunnen beïnvloeden en over de daarmee verband houdende maatregelen om onze onafhankelijkheid te waarborgen.

Wij bepalen de kernpunten van onze controle van de jaarrekening op basis van alle zaken die wij met de raad van toezicht*****) hebben besproken. Wij beschrijven deze kernpunten in onze controleverklaring, tenzij dit is verboden door wet- of regelgeving of in buitengewoon zeldzame omstandigheden wanneer het niet vermelden in het belang van het maatschappelijk verkeer is.

*) Indien niet wordt voldaan aan de WNT/RJ660.406 vervalt de optie van een goedkeurend getrouwheidsoordeel. **) Ingeval van een school zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid in de sector PO of een gemeentelijke school in de sector VO vervangen door ‘de gemeentelijke scho(o)l(en) voor (primair)(voortgezet) onderwijs zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid van de gemeente .. (naam gemeente)’ ****) Ingeval van een school zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid in de sector PO ’bestuur’ vervangen door ‘College van Burgemeester en Wethouders’ (eenmaal met de toevoeging ‘van gemeente ... (naam gemeente)’) Ingeval van een zelfstandige of gemeentelijke school in de sector VO ‘bestuur’ vervangen door ‘bevoegd gezag’. *****) Voor een instelling op grond van WPO, WEC of WVO raad van toezicht vervangen door intern toezichthouder of intern toezichthoudend orgaan (zoals bedoeld in WPO artikel 17a, 17b en 17c, WEC artikel 28g, 28h en 28i en WVO artikel 24d, 24e en 24e1)

Voorbeeld 2 goedkeurende controleverklaring

1 juli 2015

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: Opdrachtgever (indien van toepassing raad van toezicht noemen)

Verklaring betreffende de jaarrekening

Wij hebben de (in dit verslag/rapport opgenomen) jaarrekening ******)2015 van ... (naam entiteit) **) te ... (statutaire vestigingsplaats) gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december 2015 en de staat van baten en lasten over 2015 met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

Verantwoordelijkheid van het bestuur****)

Het bestuur****) van de entiteit**) is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en resultaat getrouw dient weer te geven in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, alsmede voor het opstellen van het jaarverslag, in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Het bestuur****) is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen.

Het bestuur****) is voorts verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede in het kader van de financiële rechtmatigheid voor de naleving van die relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur****) van de entiteit gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel betreffende de jaarrekening

Naar ons oordeel*) geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van ... (naam entiteit) **) per 31 december 2015 en van het resultaat over 2015 in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over 2015 in alle van materieel belang zijnde aspecten voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat de bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals vermeld in paragraaf 2.3.1. Referentiekader van het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Ingevolge artikel 393, lid 5 onder e en f van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en paragraaf 2.2.3 Jaarverslag van het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 is opgesteld, en of de in artikel 392, lid 1 onder b tot en met h van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vereiste gegevens zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het jaarverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 391, lid 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Plaats, datum

.... (naam accountantspraktijk)

.... (naam accountant)

*) Indien niet wordt voldaan aan de WNT/RJ660.406 vervalt de optie van een goedkeurend getrouwheidsoordeel. **) Ingeval van een school zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid in de sector PO of een gemeentelijke school in de sector VO vervangen door ‘de gemeentelijke scho(o)l(en) voor (primair)(voortgezet) onderwijs zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid van de gemeente .. (naam gemeente)’ ****) Ingeval van een school zonder zelfstandige rechtspersoonlijkheid in de sector PO ’bestuur’ vervangen door ‘College van Burgemeester en Wethouders’ (eenmaal met de toevoeging ‘van gemeente ... (naam gemeente)’) Ingeval van een zelfstandige of gemeentelijke school in de sector VO ‘bestuur’ vervangen door ‘bevoegd gezag’. *****) Voor een instelling op grond van WPO, WEC of WVO raad van toezicht vervangen door intern toezichthouder of intern toezichthoudend orgaan (zoals bedoeld in WPO artikel 17a, 17b en 17c, WEC artikel 28g, 28h en 28i en WVO artikel 24d, 24e en 24e1) ******) Indien van toepassing aanpassen naar geconsolideerd en enkelvoudig conform de beroepsvoorschriften

3. Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens

3.1. Inleiding

1 december 2015

De bekostigingsgegevens bepalen in belangrijke mate de hoogte van de bekostiging/rijksbijdrage en zijn in de sectoren MBO en HO ook van belang bij het verstrekken van studiefinanciering. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van deze bekostigingsgegevens vaststelt. Hij geeft daarover een afzonderlijk assurance-rapport af.

Krachtens de onderwijswetgeving wordt een accountantsverklaring bij de bekostigingsgegevens gevraagd. Door de wijziging van het verklaringenstelsel geeft de instellingsaccountant vanaf 2007 echter niet langer een accountantsverklaring af bij de bekostigingsgegevens maar een assurance-rapport. Deze rapportagevorm wordt gebruikt als andere aspecten dan alleen de getrouwheid van de financiële informatie moeten worden getoetst en als het andere informatie dan historische financiële informatie betreft, zoals bij de bekostigingsgegevens het geval is. Voor een assurance-rapport is Standaard 3000 leidend, waarbij OCW bepaalt dat het assurance-rapport hetzelfde zekerheidsniveau dient te verschaffen als voorheen de accountantsverklaring. Assurance-opdrachten die leiden tot een assurance-rapport moeten aan vergelijkbare kwaliteitseisen voldoen als assurance-opdrachten die leiden tot een controleverklaring.

In dit accountantsprotocol wordt voor elke sector in een afzonderlijk gedeelte in gegaan op de meest relevante wet- en regelgeving en het onderzoek van de bekostigingsgegevens. Aan het einde van elk onderdeel is de tekst van het af te geven goedkeurende assurance-rapport opgenomen.

Voor het omgaan met geconstateerde fouten met betrekking tot de rechtmatigheid geldt voor het accountantsonderzoek van de bekostigingsgegevens dat fouten die invloed kunnen hebben op de hoogte van de rijksbijdrage OCW/EZ moeten worden gecorrigeerd door de school/instelling. Als deze fouten niet door de school/instelling (kunnen) worden gecorrigeerd dan informeert de instellingsaccountant het bevoegd gezag/bestuur en het interne toezichthoudende orgaan hierover conform de geldende beroepsvoorschriften en handelt als volgt:

  • bij materiële fouten (≥ 2% van de rijksbijdrage): materiële fouten hebben invloed op de strekking van het assurance-rapport en worden uit dien hoofde in het assurance-rapport toegelicht;

  • bij niet-materiële fouten (< 2% van de rijksbijdrage): niet-materiële fouten worden opgenomen in een rapport van bevindingen zoals uiteengezet in Accountantsproducten / rapportering. Omdat OCW het uitgangspunt hanteert dat fouten door de school/instelling worden gecorrigeerd is dit rapport een uitzonderingsrapportage. Voor de sectoren VO, MBO(exclusief de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven) en HO wordt het rapport van bevindingen door de DUO vestiging Groningen doorgezonden aan de DUO vestiging Zoetermeer. Laatstgenoemde vestiging van DUO ontvangt van de besturen van de PO-scholen de rapporten rechtstreeks. DUO zal indien nodig op basis van het rapport overgaan tot bijstelling van de rijksbijdrage van de school/instelling.

Het is de verantwoordelijkheid van de school/instelling in de sectoren VO, MBO en HO om de bekostigingsgegevens voorzien van een goedkeurend assurance-rapport bij DUO vestiging Groningen in te dienen. DUO vestiging Groningen accepteert alleen goedkeurende assurance-rapporten. DUO vestiging Groningen kan en zal geen interpretatie doen van de gestuurde gegevens. Niet-goedkeurende assurance-rapporten en/of die niet voldoen aan de eisen van dit accountantsprotocol, worden door DUO vestiging Groningen teruggestuurd naar de school/instelling. De school/instelling is ervoor verantwoordelijk dat er alsnog binnen de gestelde termijn een assurance-rapport wordt ingestuurd dat voldoet aan de eisen van dit accountantsprotocol.

De scholen in de sector PO sturen het assurance-rapport naar DUO vestiging Zoetermeer.

Als de instellingsaccountant een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft of een eventueel separaat rapport van bevindingen moet hij dat duidelijk aangeven op de aanbiedingsbrief bij het assurance-rapport en het aanbiedingsformulier dat bij de indiening van de bekostigingsgegevens bij DUO moet worden gebruikt. Daarbij worden alle fouten, onjuistheden en onzekerheden opgenomen die van invloed (kunnen) zijn op de totale omvang van de door OCW dan wel EZ verstrekte en/of te verstrekken bijdragen. Indien van toepassing, dan dient per bevinding het burgerservicenummer (of onderwijsnummer), correspondentienummer, de opleidingscode (element-, CREBO- of CROHO code) en een toelichting te worden opgenomen.

Tot slot wordt opgemerkt dat bij het ontbreken van een tijdig of onvolledig ingediend goedkeurend assurance-rapport voor de betreffende scholen/instellingen het sanctiebeleid van toepassing is.

3.2. Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector PO

3.2.1. Algemeen

1 juli 2014

Het accountantsprotocol PO is een leidraad/regeling als bedoeld in artikel 171, lid 4 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en in artikel 157, lid 4 van de Wet op de Expertisecentra (WEC).

Het accountantsprotocol bevat de vertaalslag van de bekostigingsvoorwaarden uit de wet- en regelgeving naar de minimale onderzoekswerkzaamheden die ten grondslag liggen aan het afgeven van het assurance-rapport (voorheen accountantsverklaring), zoals genoemd in artikel 172, lid 1 van de WPO en artikel 158, lid 1 van de Wet op de Expertisecentra. Voor de tekst van het assurance-rapport is een format opgenomen dat door de instellingsaccountant moet worden gebruikt. Hiermee wordt tevens het sluitstuk van het toezicht verankerd. Het onderzoek betreft de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de rijksbijdrage conform de WPO en de WEC; deze gegevens kunnen ook voor andere beleidsdoeleinden worden gebruikt.

Het onderdeel onderzoek bekostigingsgegevens PO is van toepassing op (artikel 1 van de WPO):

  • basisscholen;

  • speciale scholen voor basisonderwijs;

  • scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs;

De voor het onderzoek van de bekostigingsgegevens relevante wet- en regelgeving bestaat uit:

De wet- en regelgeving is terug te vinden op: www.overheid.nl

In februari 2016 ontvangt het bevoegd gezag van een school een brief van DUO over de informatie-uitwisseling met DUO. Het is noodzakelijk dat de instellingsaccountant op de hoogte is van de inhoud van deze brief.

3.2.2. Onderzoek bekostigingsgegevens

3.2.2.1. Object van onderzoek

1 juli 2015

De bekostigingsgegevens bepalen in belangrijke mate de hoogte van de rijksbijdrage. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van de definitieve bekostigingsgegevens vaststelt. De instellingsaccountant geeft daarover een assurance-rapport af.

De instellingsaccountant richt het onderzoek zodanig in dat onjuistheden groter dan 2% (per soort gegevens) worden ontdekt. Uiteraard moeten alle geconstateerde fouten, ongeacht het materiële belang, worden gecorrigeerd.

Het voor de bekostiging relevante soort gegeven betreft de gewogen gemiddelde leeftijd (GGL) van de leraren per 1 oktober 2015.

Voor zijn onderzoek maakt de instellingsaccountant gebruik van de volgende informatie:

  • het formulier ‘Gewogen Gemiddelde Leeftijd per 1 oktober 2015 (onderdeel van de aanbiedingsbrief)’.

3.2.2.2. Minimale werkzaamheden

1 juli 2015

Gewogen Gemiddelde Leeftijd leraren 1-10-2015

Bij het onderzoek op de juistheid van de geregistreerde leeftijden en betrekkingsomvang van de leraren die voor de GGL van belang zijn, stelt de instellingsaccountant op niveau van het bevoegd gezag vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

GGL

de personeelsleden die zijn uitgezonderd op het begrip leraar buiten de gegevens voor de berekening zijn gelaten;

alle personeelsleden die bij de berekening betrokken moeten worden ook daadwerkelijk in de berekeningen zijn opgenomen;

de leraar op de teldatum ook daadwerkelijk les geeft op de school (BRIN) waar hij voor de berekening van de GGL is opgenomen. De werkelijke inzet van de leraar op een BRIN is vast te stellen aan de hand van een op de teldatum geldend lesrooster. Indien de accountant gebruik maakt van een ander controlemiddel moet in elk geval het vaststellen van de werkelijke combinatie leraar- BRIN op de teldatum zijn inbegrepen;

direct voor de teldatum leraren zijn ontslagen c.q. direct na de teldatum leraren zijn aangesteld. Als de instellingsaccountant hierbij acties constateert die uitsluitend de bedoeling hebben om de GGL positief te beïnvloeden of bij twijfel hierover, dan neemt de instellingsaccountant dat op in een rapport van bevindingen;

de leeftijd (rekening houdend met minimum en maximum leeftijd) juist is opgenomen;

de berekeningen rekenkundig juist zijn;

eventuele correcties uit voorgaande jaren door DUO juist zijn verwerkt.

Overzicht GGL

het overzicht is ondertekend door het bevoegd gezag van de school.

Naast bovengenoemde werkzaamheden zal de instellingsaccountant ook werkzaamheden moeten verrichten om de juistheid van de betrekkingsomvang en de juistheid van de opgenomen leeftijd vast te stellen. Hiervoor kan de instellingsaccountant steunen op werkzaamheden, die hij al verricht heeft in het kader van de jaarrekeningcontrole, waarbij wel rekening gehouden moet worden met de specifieke onderzoekseisen voor de bekostiging en de afwijkende controletolerantie.

Het bevoegd gezag van de school kan ervoor kiezen om het onderzoek op de juistheid van de berekening van de GGL door de instellingsaccountant te laten ondersteunen door een third party mededeling (TPM) over de juistheid van de berekening door het salarispakket.

Op basis van de bevindingen van de instellingsaccountant brengt het bevoegd bezag op het formulier ‘Overzicht gewogen gemiddelde leeftijd’ voor de peildatum 1 oktober 2015 correcties aan. De gegevens over de gewogen gemiddelde leeftijd worden begin 2016 op de site van DUO vestiging Zoetermeer onder instellingsinformatie bij bekostigingsinformatie beschikbaar gesteld. De instellingsaccountant ondertekent het formulier waarin alle overzichten GGL van alle scholen ressorterend onder het bevoegd gezag zijn weergegeven. Het bevoegd gezag zendt enkel de aanbiedingsbrief (inclusief het formulier ‘Overzicht gewogen gemiddelde leeftijd’) en het assurance-rapport uiterlijk 1 juli 2016 in.

3.2.3. Assurance-rapport

  • Algemeen

  • Assurance-rapport PO

Algemeen

1 juli 2014

De assurance-rapporten voor PO worden opgesteld op bestuursniveau (niveau bevoegd gezag). De aan het oordeel ten grondslag liggende bevindingen moeten echter herleidbaar zijn tot op schoolniveau.

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Zie hiervoor Standaard 3000 vanaf paragraaf 51 van de ‘Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS)’ van de NBA.

Goedkeurend assurance-rapport PO

1 december 2014

Voorgeschreven tekst voor het goedkeurende assurance-rapport over de juistheid van de bekostigingsgegevens voor scholen voor Primair Onderwijs (1c)

Assurance-rapport bij de bekostigingsgegevens ten behoeve van de rijksbijdrage 2016, afgegeven ten behoeve van Dienst Uitvoering Onderwijs en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aan: Opdrachtgever

Opdracht en verantwoordelijkheden

Wij hebben onderzocht of de opgave (waarvan bijgevoegd en gewaarmerkt) van de bekostigingsgegevens van ... (naam bevoegd gezag) te ... (zetel bevoegd gezag) de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van de rijksbijdrage 2016, als bedoeld in artikel 69, lid 1 van de wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 70, lid 1 van de Wet op de expertisecentra *) juist weergeeft (weergeven). Deze bekostigingsgegevens betreffen de gegevens van leraren vermeld op het formulier ‘Overzicht Gewogen Gemiddelde Leeftijd’ per 1 oktober 2015. De opgave is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de scho(o)l(en). Het is onze verantwoordelijkheid een assurance-rapport inzake de juistheid van de opgave te verstrekken.

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 en Standaard 3000 Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie. Dienovereenkomstig dienen wij ons onderzoek zodanig te plannen en uit te voeren, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de opgave geen afwijkingen van materieel belang bevat. Een assurance-opdracht omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van assurance-informatie over de bekostigingsgegevens.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de opgave van de bekostigingsgegevens, de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van de rijksbijdrage 2016 in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Overige aspecten – beperking in gebruik en verspreidingskring

Ons assurance-rapport is uitsluitend bestemd voor de school, DUO en het Ministerie van OCW en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats, datum

Naam accountantsorganisatie

Naam accountant

Paraaf voor waarmerkingsdoeleinden:

*) Opnemen in de verklaring hetgeen van toepassing is op het betreffende bestuur.

3.3. Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector VO

3.3.1. Algemeen

1 december 2015

Het accountantsprotocol VO wordt conform artikel 14a, lid 3 en artikel 18, lid 6 van het Bekostigingsbesluit WVO vastgesteld bij ministeriële regeling. Het accountantsprotocol bevat de vertaalslag van de bekostigingsvoorwaarden uit de wet- en regelgeving naar de minimale onderzoekswerkzaamheden die ten grondslag liggen aan het afgeven van het assurance-rapport (voorheen accountantsverklaring), zoals genoemd in artikel 14a, lid 2 van het Bekostigingsbesluit WVO. Voor de tekst van het assurance-rapport is een format opgenomen dat door de instellingsaccountant moet worden gebruikt. Hiermee wordt tevens het sluitstuk van het toezicht verankerd. Het onderzoek betreft de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de rijksbijdrage conform de WVO; deze gegevens kunnen ook voor andere beleidsdoeleinden worden gebruikt.

Het onderdeel onderzoek bekostigingsgegevens VO is van toepassing op de in artikel 5 van de WVO vermelde schoolsoorten:

  • een school voor praktijkonderwijs;

  • een school voor vbo;

  • een school voor mavo;

  • een school voor havo;

  • een school voor vwo;

  • andere vormen van voortgezet onderwijs, zoals een afdeling lwoo;

  • een scholengemeenschap waarin twee of meer van deze scholen zijn samengevoegd;

  • een cursus ingevolge artikel 73 van de WVO.

De voor het onderzoek van de bekostigingsgegevens relevante wet- en regelgeving bestaat uit:

De wet en regelgeving is terug te vinden op www.overheid.nl

De procedure ten aanzien van de bekostigingsgegevens en de uitwisseling van informatie met DUO is beschreven in de ‘Handleiding BRON Voortgezet Onderwijs’ en in het ‘stappenplan assurance-rapport ‘, deze zijn te vinden op de website van DUO.

In februari 2016 ontvangt het bevoegd gezag van een school een brief van DUO over de informatie-uitwisseling met DUO. Het is wenselijk dat de instellingsaccountant op de hoogte is van de inhoud van deze brief.

Bij onderzoeken bekostigingsgegevens van AOC’s.

Het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) in een AOC wordt geheel bekostigd op grond van de WEB, overeenkomstig artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB. In tegenstelling tot het MBO wordt voor het vbo in een AOC uitgegaan van de teldatum t-1. Voor het onderzoek van de gegevens van een vbo en mavo binnen een AOC gelden de onderzoeksitems van de sector VO.

3.3.2. Onderzoek bekostigingsgegevens

3.3.2.1. Object van onderzoek

1 juli 2010

De bekostigingsgegevens bepalen in belangrijke mate de hoogte van de rijksbijdrage. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van de definitieve bekostigingsgegevens vaststelt. De instellingsaccountant geeft daarover een assurance-rapport af.

De instellingsaccountant richt het onderzoek zodanig in dat onjuistheden groter dan 2% (per soort gegevens) worden ontdekt. Uiteraard moeten alle geconstateerde fouten, ongeacht het materiële belang, worden gecorrigeerd.

Het voor de bekostiging relevante soort gegeven van de scholen betreft:

  • ingeschreven aantal leerlingen per 1 oktober 2015.

Voor zijn onderzoek maakt de instellingsaccountant gebruik van de volgende informatie:

Bij de scholen

  • (leerlingen)administratie van de te onderzoeken school;

  • de actuele BRON-foto van DUO vestiging Groningen: dit is een afslag van BRON voor de betreffende school inclusief de mutaties die de school heeft aangebracht tot de mutatiestop.

  • Voor de betekenis van de door DUO vestiging Groningen uitgevoerde controles en eventuele signalen wordt verwezen naar de handleiding BRON die op de school aanwezig is (of beschikbaar via de site van DUO);

  • het overzicht geregistreerde leerlingen per 1 oktober 2015 afkomstig van DUO vestiging Zoetermeer;

  • een lijst van accountantsmutaties;

  • de goedkeuringsbrief van OCW voor het gebruik van een nevenvestiging en het onderwijsaanbod op die vestiging.

3.3.2.2. Omvang werkzaamheden van de instellingsaccountant

1 december 2010

De instellingsaccountant voert een risicoanalyse uit en legt zijn bevindingen en conclusie vast in zijn dossier.

De instellingsaccountant betrekt in deze risicoanalyse onder andere de Standaard 240. In de hierna beschreven onderzoeksaanpak wordt uitgegaan van een voor een school normaal laag inherent risico. Als er sprake is van verhoogd inherent risico past de instellingsaccountant de omvang van de werkzaamheden aan. Daarnaast heeft de risicoanalyse als doel om tot een uitspraak te komen of de instellingsaccountant bij zijn verdere werkzaamheden kan steunen op de aanwezige interne beheersingsmaatregelen (IB).

De werkzaamheden verricht door een administratiekantoor of een interne controle-afdeling van de school kunnen niet de door de instellingsaccountant te verrichten werkzaamheden vervangen. De werkzaamheden van het administratiekantoor of de interne controle- afdeling maken onderdeel uit van de interne beheersingsstructuur van het onderzoeksobject.

Om tot een uitspraak over de kwaliteit van de IB te komen dient de instellingsaccountant werkzaamheden te verrichten.

Deze werkzaamheden bestaan uit:
  • minimaal 20 proceduretesten; of

  • werkzaamheden, op grond waarvan de instellingsaccountant een uitspraak kan doen over de kwaliteit van de interne beheersing van het administratiekantoor of een interne controle-afdeling.

Indien de instellingsaccountant naar aanleiding van de risicoanalyse en de uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de werking van de IB tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de goede werking van de IB, dient in het onderzoeksdossier vast te liggen op grond waarvan de instellingsaccountant tot deze conclusie komt.

Steunen op IB

Indien de instellingsaccountant op grond van zijn verrichte werkzaamheden tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de aanwezige IB, kan de instellingsaccountant zijn gegevensgerichte werkzaamheden (per soort gegevens) beperken tot:

Aantal records

Omvang gegevensgerichte werkzaamheden

< 101

5 deelwaarnemingen

> 100 en < 501

10 deelwaarnemingen

> 500 en < 1.001

15 deelwaarnemingen

> 1.000 en < 5.001

20 deelwaarnemingen

> 5.000

25 deelwaarnemingen

Tot de gegevensgerichte werkzaamheden worden NIET de bij de toetsing van de werking van de IB uitgevoerde werkzaamheden gerekend.

Als bij de beperkte gegevensgerichte werkzaamheden fouten door de instellingsaccountant worden geconstateerd, wordt het onderzoek uitgebreid naar een onderzoek met een omvang op grond waarvan een uitspraak over de gehele massa kan worden gedaan (statistisch bepaalde steekproef omvang).

Niet steunen op IB

Indien de uitkomst van de risicoanalyse aangeeft dat de instellingsaccountant NIET kan steunen op de aanwezige IB of bij een gegevensgerichte onderzoeksaanpak, wordt gebruik gemaakt van een statistisch bepaalde steekproef omvang.

In geval van een statistische steekproef dient minimaal in het onderzoeksdossier van de instellingsaccountant aanwezig te zijn:

  • bepaling van de massa;

  • bepaling van de steekproefomvang, waaronder een inschatting van de verwachte fout en een onderbouwing van deze inschatting;

  • wijze van selectie van de posten;

  • een foutenevaluatie.

3.3.2.3. Minimale werkzaamheden

1 december 2015

Algemene werkzaamheden scholen

De instellingsaccountant stelt vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Aansluiting actuele foto op leerlingenadministratie

– het controlegetal en het aantal leerlingen per 1 oktober 2015 volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens zoals opgenomen in de te onderzoeken leerlingenadministratie.

Voldoen leerlingen- administratie (artikel 3 t/m 6 van het bekostigingsbesluit WVO)

– de leerlingenadministratie voldoet aan de minimaal daaraan te stellen eisen en aan de bewaartermijn (de gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven).

Vaststellen ongeoorloofd verzuim. (artikel 7, lid 1, lid 2 en lid 3 van het bekostigingsbesluit WVO)

alle leerlingen die vanaf het begin van het schooljaar (de eerste werkelijke schooldag) tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd niet mee tellen voor de bekostiging.

De instelling gebruikt voor deze meldingen het registratieformulier verzuim of ontbrekende (tijdige)indicatiestelling.

Verplichte melding ongeoorloofd verzuim aan DUO vestiging Groningen (artikel 27a, lid 5 van de WVO)

het bevoegd gezag een procedure omtrent de verplichte melding aan DUO vestiging Groningen volgt en indien noodzakelijk meldingen doet over alle leerlingen (van 18 jaar en ouder) die zonder opgave van geldige reden gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken niet aan het onderwijs hebben deelgenomen.

De instelling gebruikt voor deze meldingen het formulier melding afwezigheid scholier/student.

Licenties (artikel 65 t/m 68 en art 72 van de WVO)

– het bevoegd gezag op de vestigingen van de school alleen onderwijs aanbiedt zoals per vestiging is geregistreerd in de basisregistratie instellingen. Dit doet de instellingsaccountant aan de hand van informatie waaruit de daadwerkelijk aangeboden onderwijssoort per vestiging blijkt; zoals de schoolgids en de internetsite van de school.
Leerplusarrangement VO en Nieuwkomers VO Artikel 4, lid 5 – de Nieuwkomersgegevens waarvan de opgave van de school afwijkt van de BRP en de school daarvoor een signaal heeft gekregen van DUO vestiging Groningen juist zijn opgegeven. Daar waar de opgave van de school afwijkt van de BRP moet een document in de administratie aanwezig zijn waaruit de juistheid blijkt. Het gaat om de gegevens ‘nationaliteit’ en ‘datum van vestiging in Nederland’; – de postcode juist is indien sprake is van opgave door de school, omdat de betreffende leerling nog niet in de BRP geregistreerd staat. Dit doet de instellingsaccountant aan de hand van documenten in de administratie van de school.

Leerlingen per 1-10-2015

Van de ingeschreven leerlingen per 1 oktober 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Daadwerkelijk schoolgaand (artikel 7, lid 1 van het Bekostigingsbesluit W.V.O en de regeling bekostiging leerlingen die tijdelijk buiten de school worden geplaatst)

– leerlingen alleen meetellen als ze daadwerkelijk schoolgaand zijn op de school (brinnummer/vestiging) of met toepassing van de regelgeving tijdelijk buiten de school waar ze zijn ingeschreven, zijn geplaatst.

Licenties (artikel 65 t/m 68 en artikel 72 van de WVO)

– de voor de leerling gebruikte elementcode overeenstemt met het door de leerling daadwerkelijk gevolgde onderwijs (indien van toepassing de leerweg, sector, afdeling of profiel) op de vestiging.

Daadwerkelijk schoolgaand leerlingen samenwerkingsverbanden VO/BVE (artikel 25a van de W.V.O)

– VO-leerlingen die onderwijs volgen aan een andere school of instelling op basis van een samenwerkingsovereenkomst daadwerkelijk schoolgaand zijn.

Datum in- en uitschrijving (artikel 14a, lid 2 van het Bekostigingsbesluit W.V.O)

– de in- en uitschrijfdatum juist in de leerlingenadministratie is opgenomen.

Leerjaar (artikel 14a, lid 2 van het Bekostigingsbesluit W.V.O).

– de leerling in het juiste leerjaar (bij praktijkonderwijs inschrijvingsjaar genoemd) is ingeschreven.

Praktijkonderwijs/LWOO (artikel 7a van het Bekostigingsbesluit W.V.O).

– de regionale verwijzingscommissie voor leerlingen praktijkonderwijs (pro) en leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) die per 1 oktober 2015 voor het eerst als leerling pro of lwoo staan ingeschreven, voor 15 november 2015 een beschikking heeft afgegeven waaruit blijkt dat betrokkene toelaatbaar is; – de leerling rechtmatig is ingeschreven op het praktijkonderwijs.

Afronding van het onderzoek en bepaling van het controlegetal

Indien de school elektronische accountantsmutaties heeft aangeleverd moet het assurance-rapport zijn voorzien van het ‘aanbiedingsformulier accountantsmutaties VO’, zie de website van DUO. Indien van toepassing waarmerkt de instellingsaccountant ook het ‘registratieformulier ‘verzuim en/of ontbrekende (tijdige) indicatiestelling’.

Het wordt aan de instellingsaccountant overgelaten in welke mate de accountantsmutaties worden onderzocht. Hij zal hierbij de normen die voor dit werk bestaan, dienen te volgen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat hij, als het aantal mutaties in de honderden loopt, deze niet allemaal onderzoekt, maar alleen een steekproef. Hij dient zelf te bepalen hoe groot die moet zijn, hierbij rekening houdend met de tolerantie van 2% per soort bekostigingsgegeven. De instellingsaccountant stelt de juiste en volledige verwerking vast van de mutaties die hij zelf heeft opgedragen. Daarnaast stelt de instellingsaccountant de juistheid van het controlegetal vast.

Het controlegetal is op te vatten als een soort waarmerk van het bestand met inschrijvingsgegevens. Het wordt berekend door het totaliseren van de inhoud van de bekostigingsrelevante gegevens van alle inschrijvingen voortgezet onderwijs in het schooljaar 2015/2016 (van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016) die in de BRON-foto aanwezig zijn.

De berekening van het controlegetal is beschreven in het programma van eisen (PVE), dat u kunt vinden op de website van DUO.

3.3.3. Assurance-rapport

  • Algemeen

  • Goedkeurend assurance-rapport VO

Algemeen

1 december 2010

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Zie hiervoor Standaard 3000 vanaf paragraaf 51 van de ‘Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS)’ van de NBA.

Goedkeurend assurance-rapport VO

1 december 2014

Voorgeschreven tekst voor het goedkeurende assurance-rapport over de juistheid van de bekostigingsgegevens (2c)

Assurance-rapport bij de bekostigingsgegevens ten behoeve van de rijksbijdrage 2016 afgegeven ten behoeve van Dienst Uitvoering Onderwijs en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aan: Opdrachtgever

Opdracht en verantwoordelijkheden

Wij hebben onderzocht of de opgave van de controletotalen van ... (naam vo-school met brinnummer) ... te ... (zetel) de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van de rijksbijdrage 2016, als bedoeld in artikel 96d van de WVO juist weergeeft. Deze bekostigingsgegevens zijn op de datum van het assurance-rapport opgenomen in BRON en betreffen de stand op 1 oktober 2015. De opgave is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De opgave sluit met een controlegetal van ......... betreffende de actuele BRON-foto (nummer ...) van DUO. Het is onze verantwoordelijkheid een assurance-rapport inzake de juistheid van de opgave te verstrekken.

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 en Standaard 3000 Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie. Dienovereenkomstig dienen wij ons onderzoek zodanig te plannen en uit te voeren, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de opgave geen afwijkingen van materieel belang bevat. Een assurance-opdracht omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van assurance-informatie over de controletotalen in de opgave.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de opgave van de controletotalen de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van de rijksbijdrage 2016 in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Overige aspecten – beperking in gebruik en verspreidingskring

Ons assurance-rapport is uitsluitend bestemd voor de school, DUO en het Ministerie van OCW en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats, datum

Naam accountantsorganisatie

Naam accountant

3.4. Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector MBO

3.4.1. Algemeen

1 december 2015

Het accountantsprotocol mbo wordt conform artikel 2.5.7a van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)en krachtens artikel 5.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB vastgesteld bij ministeriële regeling. Het accountantsprotocol bevat de vertaalslag van de bekostigingsvoorwaarden uit de wet- en regelgeving naar de minimale onderzoekswerkzaamheden die ten grondslag liggen aan het afgeven van het assurance-rapport (voorheen accountantsverklaring), zoals genoemd in artikel 2.2.4, lid 5 van de WEB. Voor de tekst van het assurance-rapport is een format opgenomen dat door de instellingsaccountant moet worden gebruikt. Hiermee wordt tevens het sluitstuk van het toezicht verankerd. Het onderzoek betreft de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de rijksbijdrage conform het Uitvoeringsbesluit WEB; deze gegevens kunnen ook voor andere beleidsdoeleinden worden gebruikt.

Het onderdeel onderzoek bekostigingsgegevens mbo is van toepassing op (artikel 1.1.1 van de WEB):

  • de regionale opleidingscentra (ROC’s);

  • de vakinstellingen;

  • de agrarische opleidingscentra (AOC’s).

Hierna worden deze categorieën ‘de onderwijsinstellingen’ genoemd.

De voor het onderzoek van de bekostigingsgegevens relevante wet- en regelgeving bestaat uit:

De wet- en regelgeving is terug te vinden op www.overheid.nl

De procedure ten aanzien van de bekostigingsgegevens en de uitwisseling van informatie is beschreven in de ‘Handleiding BRON Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie’, deze is te vinden op de website van DUO.

Bij onderzoeken bekostigingsgegevens van AOC’s

De hier beschreven werkwijze en onderzoeksitems gelden onverkort voor het MBO deel van de AOC’s.

Het voorbereidend beroepsonderwijs in een AOC wordt geheel bekostigd op grond van de WEB, overeenkomstig artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB. In tegenstelling tot het MBO wordt hier uitgegaan van de teldatum t-1.

Voor het onderzoek van de gegevens van een VMBO en MAVO binnen een scholengemeenschap AOC – VO, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de WEB, gelden de onderzoeksitems van de sector VO.

3.4.2. Onderzoek bekostigingsgegevens

3.4.2.1. Object van onderzoek

1 december 2015

De bekostigingsgegevens bepalen in belangrijke mate de hoogte van de rijksbijdrage. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van de definitieve bekostigingsgegevens vaststelt. De instellingsaccountant geeft daarover een assurance-rapport af.

De instellingsaccountant richt het onderzoek zodanig in dat onjuistheden groter dan 2% (per soort gegevens) worden ontdekt. Uiteraard moeten alle geconstateerde fouten, ongeacht het materiële belang, worden gecorrigeerd.

De voor de bekostiging relevante soorten gegevens van de onderwijsinstellingen betreffen:

  • aantal deelnemers per 1 oktober 2015 voor het beroepsonderwijs;

  • aantal deelnemers per 1 februari 2016 voor het beroepsonderwijs;

  • aantal afgegeven diploma’s in kalenderjaar 2015 voor het beroepsonderwijs;

  • aantal deelnemers per 1 oktober 2015 voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs(vavo);

  • aantal afgegeven diploma’s in het kalenderjaar 2015 voor het vavo;

  • aantal afgesloten (deel) eindexamenvakken ín het kalenderjaar 2015 met eindcijfer 6 of hoger, dan wel ‘voldoende’ of ‘goed voor het vavo.

Voor zijn onderzoek maakt de instellingsaccountant gebruik van de volgende informatie:

Bij de onderwijsinstellingen

  • (deelnemers)administratie van de te onderzoeken instelling;

  • de actuele BRON-foto van DUO: dit is een afslag van BRON voor de betreffende instelling inclusief de mutaties die de instelling heeft aangebracht tot de (flexibele) mutatiestop. Dit heeft ook betrekking op de mutaties van de beroepspraktijkvorming (BPV). Voor de betekenis van de door DUO uitgevoerde controles en eventuele signalen wordt verwezen naar de handleiding BRON die op de instelling aanwezig is (of beschikbaar via de site van DUO);

  • het voorlopige overzicht (bestand) aantallen te bekostigen inschrijvingen en diploma’s en terugmelding bekostigingsgrondslagen (TBG), afkomstig van DUO;

  • een lijst van accountantsmutaties;

  • de afgegeven signalen inzake niet bekostigde inschrijvingen en diploma’s op geaggregeerd en individueel niveau (als onderdeel van het voorlopige overzicht (bestand) van DUO).

3.4.2.2. Omvang werkzaamheden van de instellingsaccountant

1 juli 2015

De instellingsaccountant voert een risicoanalyse uit en legt zijn bevindingen en conclusie vast in zijn dossier.

De instellingsaccountant betrekt in deze risicoanalyse onder andere de Standaard 240 en de notitie ‘Helderheid in de bekostiging Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2004’. In de hierna beschreven onderzoeksaanpak wordt uitgegaan van een voor een onderwijsinstelling normaal laag inherent risico. Als er sprake is van verhoogd inherent risico past de instellingsaccountant de omvang van de werkzaamheden aan. Daarnaast heeft de risicoanalyse als doel om tot een uitspraak te komen of de instellingsaccountant bij zijn verdere werkzaamheden kan steunen op de aanwezige interne beheersingsmaatregelen (IB).

De werkzaamheden verricht door een interne controle afdeling van de instelling kunnen niet de door de instellingsaccountant te verrichten werkzaamheden vervangen. De werkzaamheden van de interne controle afdeling maken onderdeel uit van de interne beheersingsstructuur van het onderzoeksobject.

Bekostigde deelnemers aan maatwerktrajecten worden niet gezien als een homogene massa. De instellingsaccountant dient daarom bij instellingen die maatwerktrajecten verzorgen en materieel van omvang zijn hier specifiek aandacht aan te besteden.

Om tot een uitspraak over de kwaliteit van de IB te komen dient de instellingsaccountant werkzaamheden te verrichten.

Deze werkzaamheden bestaan uit:
  • minimaal 20 proceduretesten; of

  • werkzaamheden, op grond waarvan de instellingsaccountant een uitspraak kan doen over de kwaliteit van de werkzaamheden van een interne controle afdeling.

Indien de processen van inschrijven en diplomeren in het VAVO overeenkomen met die in het beroepsonderwijs kunnen de proceduretesten gecombineerd worden.

Indien de instellingsaccountant naar aanleiding van de risicoanalyse en de uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de werking van de IB tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de goede werking van de IB, dient in het onderzoeksdossier vast te liggen op grond waarvan de instellingsaccountant tot deze conclusie komt.

Steunen op IB

Indien de instellingsaccountant op grond van zijn verrichte werkzaamheden tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de aanwezige IB, kan de instellingsaccountant zijn gegevensgerichte werkzaamheden (per soort gegevens) beperken tot:

Aantal records

Omvang gegevensgerichte werkzaamheden

< 101

5 deelwaarnemingen

> 100 en < 501

10 deelwaarnemingen

> 500 en < 1.001

15 deelwaarnemingen

> 1.000 en < 5.001

20 deelwaarnemingen

> 5.000

25 deelwaarnemingen

Tot de gegevensgerichte werkzaamheden worden NIET de bij de toetsing van de werking van de IB uitgevoerde werkzaamheden gerekend.

Als bij de beperkte gegevensgerichte werkzaamheden fouten door de instellingsaccountant worden geconstateerd, wordt het onderzoek uitgebreid naar een onderzoek met een omvang op grond waarvan een uitspraak over de gehele massa kan worden gedaan (statistisch bepaalde steekproef omvang).

Niet steunen op IB

Indien de uitkomst van de risicoanalyse aangeeft dat de instellingsaccountant NIET kan steunen op de aanwezige IB of bij een gegevensgerichte onderzoeksaanpak, wordt gebruik gemaakt van een statistisch bepaalde steekproef omvang.

In geval van een statistische steekproef dient minimaal in het onderzoeksdossier van de instellingsaccountant aanwezig te zijn:

  • bepaling van de massa;

  • bepaling van de steekproefomvang, waaronder een inschatting van de verwachte fout en een onderbouwing van deze inschatting;

  • wijze van selectie van de posten;

  • een foutenevaluatie.

3.4.2.3. Minimale werkzaamheden

1 december 2015

Algemene werkzaamheden onderwijsinstellingen

De instellingsaccountant stelt vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– het aantal deelnemers beroepsonderwijs per 1 oktober 2015 volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie.

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– Het aantal deelnemers beroepsonderwijs per 1 februari 2016 volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– Het aantal diploma’s 2015 beroepsonderwijs volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie.

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– het aantal vavo deelnemers per 1 oktober 2015 volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie.

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– Het aantal diploma’s 2015 vavo volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie.

Aansluiting actuele foto op deelnemersadministratie

– Het aantal vakken 2015 vavo volgens de actuele BRON-foto aansluit op de gegevens volgens de te onderzoeken deelnemersadministratie.

Naleving van Koppelingswet

– de instelling een procedure heeft beschreven en hanteert voor de inschrijving van de deelnemers(beroepsonderwijs en vavo) die vallen onder de Koppelingswet (bij de inschrijving 18 jaar of ouder en niet over een Nederlandse Nationaliteit beschikken).

Naleving toelating entreeopleiding (artikel 8.1.1b lid 1 van de WEB)

– de instelling een procedure heeft beschreven en hanteert ten behoeve van de naleving van de toelating entreeopleidingen.

Systeem presentieregistratie voor o.a. de melding van langdurige afwezigheid in het kader van (artikel 8.1.7 van de WEB)

– de instelling een sluitend en controleerbaar systeem heeft voor de registratie van de presentie van elke BOL -, BBL- en vavo deelnemer; – de instelling voor deelnemers beroepsonderwijs die vallen onder de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, een procedure ten behoeve van de naleving van artikel 8.1.7 van de WEB heeft beschreven en hanteert.

Notitie Helderheid BVE 2004

– de door instelling verantwoorde informatie m.b.t. bekostigingsgegevens in het jaarverslag (thema 5 uitval na 1 oktober en thema 6 omzwaai na 1 oktober) juist en volledig is.

Procedure onderwijsovereenkomsten

Dit item is alleen van toepassing als de onderwijsinstelling – door gebruik te maken van het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ aangegeven procedure voor wijziging van het opleidingstraject – niet meer alle wijzigingen in de onderwijsovereenkomst door de deelnemer laat ondertekenen:

– de door de instelling ingerichte procedure voor wijzigingen tijdens de opleiding aan de minimale eisen voldoet zoals die in paragraaf 1.4. van het ‘ Servicedocument onderwijsovereenkomst’ met kenmerk HBE/227841/2013 zijn opgenomen.

Deelnemers beroepsonderwijs per 1-10-2015

Van de ingeschreven deelnemers per 1 oktober 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Onderwijsovereenkomst (artikel 8.1.3 van de WEB en

artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000)

voor elke geselecteerde BOL- en BBL-deelnemer een onderwijsovereenkomst aanwezig is;

– de onderwijsovereenkomst voldoet aan alle eisen van artikel 8.1.3 van de WEB en artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000; – de gegevens op de onderwijsovereenkomst overeenkomen met de gegevens in BRON.

Voor het onderzoek van de instellingsaccountant zijn de volgende gegevens van belang:

– de NAW- gegevens van de deelnemer;

– de naam van het opleidingsdomein of kwalificatiedossier (bij een inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier);

– de crebocode (van het opleidingsdomein, kwalificatiedossier of de kwalificatie, waarvoor een deelnemer staat ingeschreven);

– het niveau (bij een inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier);

– de leerweg;

– de startdatum van de opleiding;

– geplande datum uitschrijving, of werkelijke datum uitschrijving;

– de ondertekening door of namens het bevoegd gezag en de deelnemer of de wettelijke vertegenwoordiger (bij een minderjarige deelnemer).

– Bij een wijziging van het opleidingstraject en in het geval dat de instelling geen nieuwe onderwijsovereenkomst heeft opgesteld, maar gebruik heeft gemaakt van een nieuw opleidingsblad conform de procedure voor wijzigingen van het opleidingstraject zoals aangegeven in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ met kenmerk HBE/227841/2013 :

In de onderwijsovereenkomst is een procedure overeenkomen voor wijzigingen van het opleidingstraject, die voldoet aan de gestelde eisen in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ en

– De gegevens op het laatste opleidingsblad komen overeen met de inschrijving in BRON

Naleving van Koppelingswet (artikel 8.1.1, lid 1 onder c van de WEB).

– Indien de deelnemer als vreemdeling moet worden beschouwd ex artikel 8.1.1, lid 1 van de WEB: • de deelnemer jonger is dan 18 jaar, of • rechtmatig verblijf houdt in Nederland op basis van de Vreemdelingenwet 2000 (naleving koppelingswet). op basis van bij de instelling aanwezige kopieën van documenten of uit een verificatie door DUO; – bij nieuwe inschrijvingen van vreemdelingen 18 jaar en ouder een van de volgende gegevens beschikbaar is (voor zover geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden): • een definitieve verblijfsvergunning, of • een bewijs van een aanvraag tot verblijfsvergunning cq machtiging tot voorlopig verblijf, of-; • een bewijs van een verzoek tot verlenging van een verblijfsvergunning, of • een ontvangstbevestiging van de IND en tevens verzoek tot en betaling van de leges voor een verblijfsvergunning; – indien geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden op de verblijfstatus van de deelnemer, dat aan de hand van bewijsstukken die bij de instelling aanwezig zijn duidelijk is dat de deelnemer behoort tot een van de groepen studerenden, bedoeld in artikel 2.2, lid 1 van de Wet studiefinanciering 2000

Toetsing toelating entreeopleiding (artikel 8.1.1b lid 1 van de WEB)

bij een nieuwe inschrijving entreeopleiding: de deelnemer voldoet niet aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding.

De accountant maakt hierbij gebruik van de door de instelling uitgevoerde en vastgelegde werkzaamheden. Onderdeel hiervan kan zijn het gebruik van gegevens uit het diplomaregister en BRON van DUO via de voorziening ‘digitaal aanmelden MBO’. Indien het om een deelnemer gaat, die niet eerder aan bekostigd onderwijs in Nederland heeft deelgenomen, moet op andere wijze bij de instelling blijken dat de toelating is getoetst en in overeenstemming met de wet is.

Presentie van deelnemers (artikel 2.2.3 van het UWEB)

– de geselecteerde deelnemer op 1 oktober 2015 daadwerkelijk de opleiding volgt waarvoor hij is ingeschreven.

Melding van langdurige afwezigheid in het kader van (artikel 8.1.7 van de WEB)

– voor de geselecteerde deelnemers, indien noodzakelijk, meldingen zijn verricht aan DUO vestiging Groningen.

Toetsing maatwerktrajecten (notitie helderheid in het mbo)

in het geval een geselecteerde deelnemer aan een maatwerktraject deelneemt:

dat contractueel is vastgelegd wat de meerkosten van het maatwerktraject zijn ten opzichte van de kosten van een reguliere opleiding en de rijksbijdrage die voor deze opleiding wordt ontvangen.

Betaling van het Cursusgeld (artikel 11, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000 en artikel 6, lid 3 en lid 6 van de Les- en cursusgeldwet)

– van elke geselecteerde deelnemer van 18 jaar of ouder aan BBL het wettelijke cursusgeld is geïnd dan wel een betalingsregeling is vastgelegd. Bij betaling door derden een machtiging aanwezig is.

BPV bij BBL en entree BBL deelnemers (artikel 7.2.8 en 7.2.9 van de WEB en artikel 2.2.2 en 2.2.3 van het UWEB, brief d.d. 8 juni 2015 met kenmerk 765408, brief d.d. 18 augustus 2015 met kenmerk 795647)

voor elke geselecteerde BBL of entree BBL deelnemer uiterlijk op 31 december 2015 een praktijkovereenkomst voor de opleiding waarvoor de deelnemer in dat schooljaar is bekostigd, die uiterlijk op 31 december 2015 is ingegaan, is afgesloten en dat deze BPV overeenkomst op juiste wijze in BRON is geregistreerd.

Als de registratie in BRON niet juist is, moet de bekostiging van de deelnemer NIET op nee gezet worden, wel moeten de BPV gegevens in BRON gecorrigeerd worden.

Door het opgaan van de kbb’s in het SBB per 1 augustus 2015 is er sprake van een omzettingstabel van oude naar nieuwe codes. Deze informatie is van belang om de juistheid van de BPV gegevens is BRON vast te kunnen stellen. Hierbij de links naar de betreffende documenten en tabellen:

• Creboomzettingstabel en converter: http://kws.s-bb.nl/crebo_overzichten.html#omzettingstabel

• Omnummering leerbedrijven: https://stagedocenten.s-bb.nl/files/omnummertabel.csv

• De toelichtende brochure: https://www.s-bb.nl/herziening-en-bpv

Uitzondering geldt voor de opleidingen verpleging en verzorging, waarbij de praktijkovereenkomst moet zijn afgesloten uiterlijk op 31 december 2015 en moet zijn ingegaan uiterlijk op 1 juni 2016.Deze uitzondering is alleen van toepassing voor BBL (niet entree) deelnemers.

Deelnemers beroepsonderwijs per 1-2-2016

Van de ingeschreven deelnemers per 1 februari 2016, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Onderwijsovereenkomst (artikel 8.1.3 van de WEB en artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000)

voor elke geselecteerde BOL- en BBL-deelnemer een onderwijsovereenkomst aanwezig is;

– de onderwijsovereenkomst voldoet aan alle eisen van artikel 8.1.3 van de WEB en artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000;

de gegevens op de onderwijsovereenkomst overeenkomen met de gegevens in BRON.

Voor het onderzoek van de instellingsaccountant zijn de volgende gegevens van belang:

– de NAW- gegevens van de deelnemer;

– de naam van het opleidingsdomein of kwalificatiedossier (bij een inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier);

– de crebocode (van het opleidingsdomein, kwalificatiedossier of de kwalificatie, waarvoor een deelnemer staat ingeschreven)

– het niveau (bij een inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier);

– de leerweg;

– de startdatum van de opleiding;

– geplande datum uitschrijving, of werkelijke datum uitschrijving;

– de ondertekening door of namens het bevoegd gezag en de deelnemer of de wettelijke vertegenwoordiger (bij een minderjarige deelnemer).

Bij een wijziging van het opleidingstraject en in het geval dat de instelling geen nieuwe onderwijsovereenkomst heeft opgesteld, maar gebruik heeft gemaakt van een nieuw opleidingsblad conform de procedure voor wijzigingen van het opleidingstraject zoals aangegeven in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ met kenmerk HBE/227841/2013:

– In de onderwijsovereenkomst is een procedure overeenkomen voor wijzigingen van het opleidingstraject, die voldoet aan de gestelde eisen in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ en – De gegevens op het laatste opleidingsblad komen overeen met de inschrijving in BRON.

Presentie van deelnemers (artikel 2.2.3 van het UWEB)

– de geselecteerde deelnemer op 1 februari 2016 daadwerkelijk de opleiding volgt waarvoor hij is ingeschreven.

Toetsing maatwerktrajecten (notitie helderheid in het mbo)

in het geval een geselecteerde deelnemer aan een maatwerktraject deelneemt:

dat contractueel is vastgelegd wat de meerkosten van het maatwerktraject zijn ten opzichte van de kosten van een reguliere opleiding en de rijksbijdrage die voor deze opleiding wordt ontvangen.

Indien de geselecteerde deelnemer pas ná 1 oktober 2015 is ingeschreven of bij de telling 1 oktober 2015 niet mocht worden bekostigd, stelt de instellingsaccountant alsnog vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Naleving van Koppelingswet (artikel 8.1.1, lid 1 onder c van de WEB).

– Indien de deelnemer als vreemdeling moet worden beschouwd ex artikel 8.1.1, lid 1 van de WEB: • de deelnemer jonger is dan 18 jaar, of • rechtmatig verblijf houdt in Nederland op basis van de Vreemdelingenwet 2000 (naleving koppelingswet). op basis van bij de instelling aanwezige kopieën van documenten of uit een verificatie door DUO; – bij nieuwe inschrijvingen van vreemdelingen 18 jaar en ouder een van de volgende gegevens beschikbaar is (voor zover geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden): • een definitieve verblijfsvergunning, of • een bewijs van een aanvraag tot verblijfsvergunning cq machtiging tot voorlopig verblijf, of-; • een bewijs van een verzoek tot verlenging van een verblijfsvergunning, of • een ontvangstbevestiging van de IND en tevens verzoek tot en betaling van de leges voor een verblijfsvergunning; – indien geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden op de verblijfstatus van de deelnemer, dat aan de hand van bewijsstukken die bij de instelling aanwezig zijn duidelijk is dat de deelnemer behoort tot een van de groepen studerenden, bedoeld in artikel 2.2, lid 1 van de Wet studiefinanciering 2000.

Toetsing toelating entreeopleiding (artikel 8.1.1b lid 1 van de WEB)

bij een nieuwe inschrijving entreeopleiding: de deelnemer voldoet niet aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding.

De accountant maakt hierbij gebruik van de door de instelling uitgevoerde en vastgelegde werkzaamheden. Onderdeel hiervan kan zijn het gebruik van gegevens uit het diplomaregister en BRON van DUO via de voorziening ‘digitaal aanmelden MBO’. Indien het om een deelnemer gaat, die niet eerder aan bekostigd onderwijs in Nederland heeft deelgenomen, moet op andere wijze bij de instelling blijken dat de toelating is getoetst en in overeenstemming met de wet is.

Melding van langdurige afwezigheid in het kader van (artikel 8.1.7 van de WEB)

– voor de geselecteerde deelnemers, indien noodzakelijk, meldingen zijn verricht aan DUO vestiging Groningen.

Betaling van het Cursusgeld (artikel 11, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000 en artikel 6, lid 3 en lid 6 van de Les- en cursusgeldwet)

– van elke geselecteerde deelnemer van 18 jaar of ouder aan BBL het wettelijke cursusgeld is geïnd dan wel een betalingsregeling is vastgelegd. Bij betaling door derden, een machtiging aanwezig is.

Afgegeven diploma’s beroepsonderwijs in 2015

Van de afgegeven diploma’s in 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Inschrijvingseis (artikel 8.1.1, lid 1 van de WEB)

– de geselecteerde gediplomeerde deelnemer tijdens het examen is ingeschreven bij de instelling op basis van een onderwijs- of examenovereenkomst.

Tijdvak en examencommissie (artikel 7.4.6 van de WEB)

– het diploma in 2015 is afgegeven; – het diploma door een examencommissie is afgegeven.

Deelnemers vavo per 1-10-2015

Van de ingeschreven vavo deelnemers per 1 oktober 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Onderwijsovereenkomst (artikel 8.1.3 van de WEB en artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000)

voor elke geselecteerde vavo deelnemer een onderwijsovereenkomst aanwezig is;

– de onderwijsovereenkomst voldoet aan alle eisen van artikel 8.1.3 van de WEB en artikel 2, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000; – de gegevens op de onderwijsovereenkomst overeenkomen met de gegevens in BRON.

Voor het onderzoek van de instellingsaccountant zijn de volgende gegevens van belang:

– de NAW- gegevens van de deelnemer;

– de naam van de opleiding uit de opleidingentabel volwasseneneducatie;

– de code van de opleiding;

– de startdatum van de opleiding;

– geplande datum uitschrijving, of werkelijke datum uitschrijving;

– de ondertekening door of namens het bevoegd gezag en de deelnemer.

– Bij een wijziging van het opleidingstraject en in het geval dat de instelling geen nieuwe onderwijsovereenkomst heeft opgesteld, maar gebruik heeft gemaakt van een nieuw opleidingsblad conform de procedure voor wijzigingen van het opleidingstraject zoals aangegeven in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ met kenmerk HBE/227841/2013 : – In de onderwijsovereenkomst is een procedure overeenkomen voor wijzigingen van het opleidingstraject, die voldoet aan de gestelde eisen in het ‘Servicedocument onderwijsovereenkomst’ en – De gegevens op het laatste opleidingsblad komen overeen met de inschrijving in BRON.

Naleving van Koppelingswet (artikel 8.1.1, lid 1 onder c van de WEB).

– bij nieuwe inschrijvingen van vreemdelingen 18 jaar en ouder een van de volgende gegevens beschikbaar is (voor zover geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden): • een definitieve verblijfsvergunning, of • een bewijs van een aanvraag tot verblijfsvergunning cq machtiging tot voorlopig verblijf, of-; • een bewijs van een verzoek tot verlenging van een verblijfsvergunning, of • een ontvangstbevestiging van de IND en tevens verzoek tot en betaling van de leges voor een verblijfsvergunning; – indien geen verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden op de verblijfstatus van de vavo deelnemer dat aan de hand van bewijsstukken die bij de instelling aanwezig zijn duidelijk is dat de vavo deelnemer behoort tot een van de groepen studerenden, bedoeld in artikel 2.2, lid 1 van de Wet studiefinanciering 2000.

Presentie van deelnemers (artikel 2a.2.1 van het UWEB)

– de geselecteerde vavo deelnemer op 1 oktober 2015 daadwerkelijk de opleiding volgt waarvoor hij is ingeschreven.

Betaling van het Cursusgeld (artikel 11, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit LCW 2000 en artikel 6, lid 3 en lid 6 van de Les- en cursusgeldwet)

– van elke geselecteerde vavo deelnemer van 18 jaar of ouder het wettelijke cursusgeld is geïnd dan wel een betalingsregeling is vastgelegd. Bij betaling door derden een machtiging aanwezig is.

Afgegeven diploma’s vavo in 2015

Van de afgegeven diploma’s in 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Inschrijvingseis (artikel 8.1.1, lid 1 van de WEB en artikel 2.2a.2. lid 6 van de WEB)

– de geselecteerde gediplomeerde vavo deelnemer tijdens het examen is ingeschreven bij de instelling op basis van een onderwijsovereenkomst.

Tijdvak en examencommissie (artikel 7.4.6 van de WEB en artikel 1 van het Eindexamenbesluit VO)

– het diploma in 2015 is afgegeven; – het diploma door een examencommissie is afgegeven.

Afgesloten (deel) eindexamenvakken met eindcijfer 6 of hoger, dan wel ‘voldoende’of ‘goed’ vavo in 2015

Van de vakken, waarin de deelnemer met goed gevolg examen heeft afgelegd in 2015, stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Inschrijvingseis (artikel 8.1.1, lid 1 van de WEB en artikel 2.2a.2. lid 6 van de WEB)

– de geselecteerde vavo deelnemer tijdens het examen is ingeschreven bij de instelling op basis van een onderwijsovereenkomst.

Tijdvak en examencommissie (artikel 7.4.6 van de WEB en artikel 1 van het Eindexamenbesluit VO, artikel 2a.2.1 van het UWEB)

– het certificaat of de cijferlijst in 2015 zijn afgegeven; – het certificaat of de cijferlijst door een examencommissie zijn afgegeven; – het vak is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger, dan wel ‘voldoende’of ‘goed.
Aanvullende werkzaamheden onderwijsovereenkomsten, derdenmachtigingen en BPV-overeenkomsten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat indien uit gegevens blijkt dat sprake is van overeenstemming gericht op het volgen van onderwijs of beroepspraktijkvorming (BPV) en daadwerkelijk het onderwijs of de BPV is genoten, bij het niet aanwezig zijn van een schriftelijke overeenkomst of het ontbreken van een handtekening daarop sprake is van het niet-naleven van de vormvoorschriften. Bij het niet-naleven van vormvoorschriften wordt de terugvordering van het volledige bedrag aan teveel betaalde bekostiging niet redelijk geacht. In dat kader is het niet passend om aan de instellingsaccountant te vragen een bekostigde inschrijving of diploma bij het niet tijdig aanwezig zijn van een ondertekende onderwijsovereenkomst, regeling met betrekking tot de betaling van het cursusgeld/derdenmachtiging en/of een BPV-overeenkomst per definitie als niet rechtmatig voor de bekostiging aan te laten merken. Daarom wordt in deze paragraaf aangegeven hoe de instellingsaccountant in een dergelijk geval moet handelen. In deze gevallen wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve tolerantie. Hiermee wordt bedoeld dat de instellingsaccountant bij het constateren van gebreken de procedures m.b.t. de tijdige en juiste totstandkoming van de onderwijsovereenkomsten, derdenmachtigingen en BPV-overeenkomsten bij de instelling beoordeelt en indien de procedure niet op orde is hierover in de vorm van een uitzonderingsrapportage aan DUO rapporteert. Voor indiening van deze uitzonderingsrapportage bij DUO en het aanbiedingsformulier wordt verwezen naar paragraaf 3.1.

Daarnaast treedt de instellingsaccountant in overleg met het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling over de benodigde aanpassingen in de procedures met het doel de onvolkomenheden daarin op te heffen.

De uitzonderingsrapportage is van belang, omdat een instelling alle wettelijke voorschriften moet naleven (artikel 1.1.3 van de WEB). Indien uit uitzonderingsrapportages herhaaldelijk blijkt dat een instelling niet aan de wettelijke eisen voldoet dan kan opschorting van de rijksbijdrage plaatsvinden tot het moment waarop alsnog aan de wettelijke eisen wordt voldaan of kan de rijksbijdrage geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.

Indien een tijdig ondertekende onderwijsovereenkomst, regeling met betrekking tot de betaling van het cursusgeld/derdenmachtiging of BPV-overeenkomst ontbreekt, dan hoeft de bekostigde inschrijving of het bekostigde diploma niet per definitie fout gerekend te worden. Hieronder wordt per gebrek aangegeven wat van de instellingsaccountant in zo’n geval wordt gevraagd. Deze tekstpassage is ook van toepassing op de bekostigde inschrijvingen, diploma’s en (deel)eindexamenvakken met een 6 of hoger in het VAVO en diploma’s in het beroepsonderwijs.

Niet tijdig ondertekende onderwijsovereenkomst

Indien de accountant niet met zekerheid kan vaststellen dat de onderwijsovereenkomst van een op 1 oktober en/of 1 februari voor bekostiging in aanmerking gebrachte deelnemer op de betreffende datum is gesloten en ondertekend, dan hoeft de bekostigde deelnemer niet als fout aangemerkt te worden als de instellingsaccountant heeft vastgesteld dat de betreffende deelnemer wel aan de overige bekostigingsvereisten voldoet. Er moet met name zekerheid zijn dat de betreffende deelnemer op de teldatum daadwerkelijk onderwijs volgde aan de instelling.

Niet tijdig ondertekende derdenmachtiging

Indien op 1 oktober of op 1 februari geen regeling met betrekking tot de betaling van het cursusgeld/derdenmachtiging aanwezig is, terwijl dit wel vereist is, dan hoeft de bekostigde deelnemer niet als fout aangemerkt te worden als de instellingsaccountant heeft vastgesteld dat de betreffende deelnemer wel aan de overige bekostigingsvereisten voldoet. Er moet met name zekerheid zijn dat het wettelijk cursusgeld niet door de instelling is betaald en de betreffende deelnemer op de teldatum daadwerkelijk onderwijs volgde aan de instelling.

Niet tijdig ondertekende BPV-overeenkomst

Indien voor een bekostigde BBL-deelnemer geen tijdig ondertekende BPV-overeenkomst aanwezig is, dan hoeft de bekostigde deelnemer niet als fout aangemerkt te worden als de instellingsaccountant op andere wijze heeft vastgesteld dat de betreffende deelnemer wel daadwerkelijk deelneemt aan de BPV en aan de overige bekostigingsvereisten voldoet.

Afronding van het onderzoek en bepaling van het controlegetal beroepsonderwijs

Indien de instelling elektronische accountantsmutaties heeft aangeleverd moet het assurance-rapport zijn voorzien van het ‘aanbiedingsformulier accountantsmutaties MBO’, zie de website van DUO.

Het wordt aan de instellingsaccountant overgelaten in welke mate de accountantsmutaties worden onderzocht. Hij zal hierbij de normen die voor dit werk bestaan, dienen te volgen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat hij, als het aantal mutaties in de honderden loopt, deze niet allemaal onderzoekt, maar steekproefsgewijs. Hij dient zelf te bepalen hoe groot die moet zijn, hierbij rekening houdend met de tolerantie van 2% per soort bekostigingsgegeven. De instellingsaccountant stelt de juiste en volledige verwerking vast van de mutaties die hij zelf heeft opgedragen. Daarnaast stelt de instellingsaccountant de juistheid van het controlegetal vast.

Het controlegetal beroepsonderwijs is op te vatten als een soort waarmerk van het bestand met inschrijvingsgegevens. Het wordt berekend door het totaliseren van de inhoud van de bekostigingsrelevante gegevens van alle inschrijvingen beroepsonderwijs in het studiejaar 2015/2016 (van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016) die in de BRON-foto aanwezig zijn.

De berekening van het controlegetal is beschreven in het programma van eisen (PVE), deze is te vinden op de website van DUO.

Afronding van het onderzoek vavo

Het vavo beschikt niet over elektronische accountantsmutaties en een controlegetal. De instellingsaccountant verricht voor het vavo de werkzaamheden zoals opgenomen in dit hoofdstuk van het accountantsprotocol.

In plaats van het controlegetal neemt de instellingsaccountant het nummer van de actuele BRON-foto, waarop het bekostigingsonderzoek is uitgevoerd op in het assurance-rapport, op de wijze zoals in de voorbeeld tekst is opgenomen.

3.4.3. Assurance-rapporten

  • Algemeen

  • Goedkeurend assurance-rapport MBO

Algemeen

1 december 2010

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Zie hiervoor Standaard 3000 vanaf paragraaf 51 van de ‘Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS)’ van de NBA.

Goedkeurend assurance-rapport MBO

1 december 2015

Voorgeschreven tekst voor het goedkeurende assurance-rapport over de juistheid van de bekostigingsgegevens van ROC’s, AOC’s, Vakinstellingen en de instituten voor doven (3b).

Assurance-rapport bij de bekostigingsgegevens ten behoeve van de rijksbijdrage beroepsonderwijs 2017(bij AOC’s toevoegen: voor het MBO en de rijksbijdrage 2016 voor het VO) (indien van toepassing toevoegen: en de rijksbijdrage vavo 2017) afgegeven ten behoeve van Dienst Uitvoering Onderwijs en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (bij AOC’s: het ministerie van Economische Zaken).

Aan: Opdrachtgever

Opdracht en verantwoordelijkheden

Wij hebben onderzocht of de opgave(n) van de controletotalen van ... (naam mbo-instelling) met brinnummer ... te ... (zetel) de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van de rijksbijdrage 2017 als bedoeld in artikel 2.2.1, lid 1 en artikel 2.2a.1 lid 1*) van de wet educatie en beroepsonderwijs, (bij AOC’s: en de rijksbijdrage 2016 voor het VO) juist weergeeft (weergeven). De bekostigingsgegevens beroepsonderwijs betreffende de deelnemersgegevens op de peildata 1 oktober 2015 en 1 februari 2016 evenals de diplomagegevens over het kalenderjaar 2014 zijn op de datum van het assurance-rapport opgenomen in BRON. De opgave(n) is (zijn) opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de instelling. De opgave(n) beroepsonderwijs sluiten met een controlegetal van ......... betreffende de actuele BRON-foto (nummer........) van DUO (bij AOC’s: voor het MBO en ........ voor het VO). De bekostigingsgegevens vavo*) betreffende de deelnemersgegevens op de peildatum 1 oktober 2015 evenals de diploma- en certificaatgegevens over het kalenderjaar 2015 zijn op de datum van het assurance-rapport opgenomen in BRON. De opgave(n) is (zijn) opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de instelling. De opgave(n) vavo*) sluit(en) aan bij de actuele BRON-foto (nummer........) van DUO. Het is onze verantwoordelijkheid een assurance-rapport inzake de juistheid van de opgave(n) te verstrekken.

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 en Standaard 3000 Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie. Dienovereenkomstig dienen wij ons onderzoek zodanig te plannen en uit te voeren, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de opgave(n) geen afwijkingen van materieel belang bevat(ten). Een assurance-opdracht omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van assurance-informatie over de controletotalen in de opgave(n).

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft(geven) de opgave(n) van de controletotalen de bekostigingsgegevens ten behoeve van de berekening van (bij AOC: respectievelijk de rijksbijdrage 2016 en) de rijksbijdrage beroepsonderwijs 2017 en de opgave(n) vavo in de actuele BRON-foto (nummer... van DUO) de bekostigingsgegevens ten behoeve van de rijksbijdrage vavo 2017*) in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Overige aspecten – beperking in gebruik en verspreidingskring

Ons assurance-rapport is uitsluitend bestemd voor de instelling, DUO en het Ministerie van OCW (bij AOC: en het Ministerie van EZ) en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door derden.

Plaats, datum

Naam accountantsorganisatie

Naam accountant

*) Alleen van toepassing in geval van vavo bekostiging.

3.5. Onderzoeksprocedure bekostigingsgegevens sector HO

3.5.1. Algemeen

1 juli 2015

Het accountantsprotocol HO wordt conform artikel 2.10a van de WHW en krachtens artikel 4.4 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 vastgesteld bij ministeriële regeling. Het accountantsprotocol bevat de vertaalslag van de bekostigingsvoorwaarden uit de wet- en regelgeving naar de minimale onderzoekswerkzaamheden die ten grondslag liggen aan het afgeven van het assurance-rapport (voorheen accountantsverklaring conform artikel 4.4, lid 1 van het UWHW 2008) bij de bekostigingsgegevens die nodig zijn voor uitvoering van de WHW, de WSF 2000, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Voor de tekst van het assurance-rapport is een format opgenomen dat door de instellingsaccountant moet worden gebruikt. Hiermee wordt tevens het sluitstuk van het toezicht verankerd. Het onderzoek betreft de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de rijksbijdrage conform het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, daarnaast worden gegevens in het onderzoek betrokken, die ook voor andere beleidsdoeleinden worden gebruikt.

Het onderdeel onderzoek bekostigingsgegevens sector HO is van toepassing op de in artikel 1.8 van de WHW genoemde bekostigde instellingen, waaronder begrepen de conform het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 bekostigde Transnationale Universiteit Limburg.

De voor het onderzoek van de bekostigingsgegevens relevante wet- en regelgeving bestaat uit:

De wet- en regelgeving is terug te vinden op www.overheid.nl

Een belangrijk deel van deze gegevens worden ontleend aan het BasisRegister onderwijs (BRON) dat wordt beheerd door DUO. De procedures ten aanzien van de levering en registratie van de gegevens in, en de uitwisseling van informatie hierover met DUO zijn beschreven in het ‘Programma van Eisen HO-instellingen’; deze is te vinden op de website van DUO.

De gegevens uit BRON van DUO die benodigd zijn voor het bekostigingsonderzoek worden door DUO geleverd in de vorm van een Overzicht BekostigingsOnderzoek (OBO). Deze wordt gemaakt op aanvraag (via het Zakelijk Portaal van DUO) van de instelling. Daags na de aanvraag wordt de OBO klaargezet op het zakelijk portaal. De instelling krijgt hiervan een bericht.

Indien de instellingsaccountant constateert dat er mutaties moeten worden uitgevoerd op de gegevens in BRON, dan moet de instelling deze via de reguliere weg aanleveren aan DUO.

Na het doorvoeren van alle gevraagde mutaties moet de instelling opnieuw een OBO opvragen. Deze wordt dan geleverd met een lijst met verschillen tussen de nieuwe en vorige OBO. De instellingsaccountant stelt vast dat de mutaties juist en volledig zijn doorgevoerd en keurt de nieuwe OBO goed. De goedkeuring wordt geleverd in de vorm van een assurance-rapport. Het assurance-rapport vermeldt welke OBO (van welke datum) is gebruikt.

Peilperiode

Het onderzoek naar de bekostigingsgegevens voor HO wordt uitgevoerd over de volgende peilperiode: 2 oktober 2014 tot en met 1 oktober 2015.

3.5.2. Onderzoek bekostigingsgegevens

3.5.2.1. Object van onderzoek

1 december 2015

De gegevens inzake inschrijvingen en graadverleningen bepalen in belangrijke mate de hoogte van de rijksbijdrage en zijn daarnaast van belang voor de uitvoering van de WHW, de WSF 2000 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van deze gegevens vaststelt. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel ontleend aan BRON; daarnaast wordt een aantal gegevens afzonderlijk door instellingen voor hoger onderwijs opgegeven. De instellingsaccountant geeft een assurance-rapport af over de registraties in BRON en de afzonderlijke opgaven door de instellingen.

De instellingsaccountant richt het onderzoek zodanig in dat onjuistheden groter dan 2% (per soort gegevens) worden ontdekt. Uiteraard moeten alle geconstateerde fouten, ongeacht het materiële belang, worden gecorrigeerd.

De relevante soorten gegevens voor instellingen voor hoger onderwijs betreffen:

  • het aantal inschrijvingen als student in de peilperiode;

  • het aantal studenten dat een graad (Bachelor, Master of Associate Degree) heeft gehaald in de peilperiode;

  • het aantal studenten dat het examen behorend bij een ongedeelde opleiding of een voortgezette opleiding met succes heeft afgerond in de peilperiode;

  • het aantal proefschriften leidend tot een promotie in het kalenderjaar 2015 en/of het aantal ontwerpcertificaten dat is uitgereikt in het kalenderjaar 2015.

Gelet op deze gegevens, vormt het object van onderzoek van de instellingsaccountant:

  • de gegevens over de deelname aan het hoger onderwijs zoals die zijn verstrekt door instellingen voor registratie in BRON dat wordt beheerd door DUO;

  • de afzonderlijke opgaven van inschrijvingen en behaalde graden in de peilperiode aan de Transnationale Universiteit Limburg (gelieerd aan de Universiteit Maastricht);

  • de afzonderlijke opgave van het aantal proefschriften leidend tot een promotie en ontwerperscertificaten door instellingen voor wetenschappelijk onderwijs (deze gegevens zijn niet opgenomen in BRON):

    • het aantal proefschriften leidend tot een promotie in het kalenderjaar 2015;

    • het aantal ontwerperscertificaten dat is uitgereikt in het kalenderjaar 2015;

Voor zijn onderzoek maakt de instellingsaccountant gebruik van de volgende informatie:

  • de studentenadministratie van de te onderzoeken instelling;

  • de in BRON geregistreerde studentgegevens;

  • het promotieregister dat volgens de WHW bij een instelling voor hoger onderwijs aanwezig moet zijn;

  • de afzonderlijke opgaven van het aantal proefschriften en/of ontwerperscertificaten van instellingen voor wetenschappelijk onderwijs;

  • voor de Transnationale Universiteit Limburg: de afzonderlijke opgaven van de hiervoor van deze instellingen genoemde gegevens;

  • het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO).

Voor de betekenis van de door DUO uitgevoerde controles en eventuele signalen bij de verwerking van de studentgegevens in BRON wordt verwezen naar het Programma van Eisen Instellingen HO (beschikbaar via de site van DUO).

Indien Studielink een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de maatregelen en procedures ter waarborging van de betrouwbaarheid en de continuïteit van de geautomatiseerde gegevensverwerking door of namens de Stichting Studielink voldoen aan de gestelde normen kan de instellingsaccountant, indien en voor zover aanmeld-, inschrijf- en betalingsgegevens via Studielink worden verstrekt aan de instelling, bij de beoordeling van de juistheid van de gegevens uitgaan van een correcte werking en aflevering van de gegevens door Studielink. Indien de bedoelde verklaring niet aanwezig is kan de instellingsaccountant volstaan met een disclaimer in het assurance-rapport.

In de foto van Studielink is het zichtbaar als de centrale verificatie van DUO is geleverd aan de instelling.

3.5.2.2. Omvang werkzaamheden van de instellingsaccountant

1 december 2010

De instellingsaccountant voert een risicoanalyse uit en legt zijn bevindingen en conclusie hierover vast in zijn dossier.

De instellingsaccountant betrekt in deze risicoanalyse onder andere de Standaard 240 en de notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs’. In de hierna beschreven onderzoeksaanpak wordt uitgegaan van een voor een onderwijsinstelling normaal laag inherent risico. Als er sprake is van verhoogd inherent risico past de instellingsaccountant de omvang van de werkzaamheden aan. Daarnaast heeft de risicoanalyse als doel om tot een uitspraak te komen over de vraag of de instellingsaccountant bij zijn verdere werkzaamheden kan steunen op de aanwezige interne beheersingsmaatregelen (IB).

De werkzaamheden verricht door een interne controle afdeling van de instelling kunnen niet de door de instellingsaccountant te verrichten werkzaamheden vervangen. De werkzaamheden van de interne controle afdeling maken onderdeel uit van de interne beheersingsstructuur van het onderzoeksobject.

Om tot een uitspraak over de kwaliteit van de IB te komen dient de instellingsaccountant werkzaamheden te verrichten.

Deze werkzaamheden bestaan uit:
  • minimaal 20 proceduretesten; of

  • werkzaamheden, op grond waarvan de instellingsaccountant een uitspraak kan doen over de kwaliteit van de werkzaamheden van een interne controle afdeling.

Indien de instellingsaccountant naar aanleiding van de risicoanalyse en de uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de werking van de IB tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de goede werking van de IB, dient in het onderzoeksdossier vast te liggen op grond waarvan de instellingsaccountant tot deze conclusie komt.

Steunen op IB

Indien de instellingsaccountant op grond van zijn verrichte werkzaamheden tot de conclusie komt dat hij kan steunen op de aanwezige IB, kan de instellingsaccountant zijn gegevensgerichte werkzaamheden (per soort gegevens) beperken tot:

Aantal records

Omvang gegevensgerichte werkzaamheden

< 101

5 deelwaarnemingen

> 100 en < 501

10 deelwaarnemingen

> 500 en < 1.001

15 deelwaarnemingen

> 1.000 en < 5.001

20 deelwaarnemingen

> 5.000

25 deelwaarnemingen

Tot de gegevensgerichte werkzaamheden worden NIET de bij de toetsing van de werking van de IB uitgevoerde werkzaamheden gerekend.

Als bij de beperkte gegevensgerichte werkzaamheden fouten door de instellingsaccountant worden geconstateerd, wordt het onderzoek uitgebreid naar een onderzoek met een omvang op grond waarvan een uitspraak over de gehele massa kan worden gedaan (statistisch bepaalde steekproef omvang).

Niet steunen op IB

Indien de uitkomst van de risicoanalyse aangeeft dat de instellingsaccountant NIET kan steunen op de aanwezige IB of in het geval de instellingsaccountant kiest voor een gegevensgerichte onderzoeksaanpak, wordt gebruik gemaakt van een statistisch bepaalde steekproef omvang.

In geval van een statistische steekproef dient minimaal in het onderzoeksdossier van de instellingsaccountant aanwezig te zijn:

  • bepaling van de massa;

  • bepaling van de steekproefomvang, waaronder een inschatting van de verwachte fout en een onderbouwing van deze inschatting;

  • wijze van selectie van de posten;

  • een foutenevaluatie.

3.5.2.3. Minimale werkzaamheden

1 december 2015

Algemene werkzaamheden

De instellingsaccountant stelt vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Aansluiting van de actuele OBO (of de afzonderlijke opgave van bekostigings-gegevens) op de administratie van de instelling

– de gegevens in BRON over de peilperiode aansluiten op de gegevens volgens de te onderzoeken studentenadministratie; – de opgaven van het aantal proefschriften leidend tot een promotie en het aantal ontwerperscertificaten aansluiten op het register dat hiervan wordt aangehouden door de instelling; – de overige afzonderlijke opgegeven bekostigingsgegevens aansluiten op de gegevens uit de administratie van de betreffende instelling.

Verificatie nationaliteitsgegevens

– de instelling een procedure heeft ingericht voor de verificatie van nationaliteitsgegevens voorzover deze gegevens niet zijn opgenomen in een basisregistratie personen (BRP) volgens de Wet Basisregistratie personen.

Naleving van Koppelingswet

– de instelling een procedure heeft beschreven en hanteert voor de inschrijving van studenten die vallen onder de Koppelingswet (bij de inschrijving 18 jaar of ouder en niet over een Nederlandse Nationaliteit beschikken).

Notitie Helderheid HO

– de door instelling m.b.t. bekostigingsgegevens in het jaarverslag verantwoorde informatie (thema 8 maatwerktrajecten, het aantal studenten dat hieraan deelneemt) juist en volledig is.

Afzonderlijke opgave van promoties WO (WHW artikel 7.18 en UWHW 2008 artikel 4.21)

– het aantal proefschriften dat in 2015 heeft geleid tot een promotie, onder verantwoordelijkheid van de instelling, overeenkomt met het aantal proefschriften dat is opgenomen in het promotieregister van de betreffende instelling wegens een in 2015 met goed gevolg verdedigd proefschrift. – het aantal proefschriften dat in 2015 heeft geleid tot een promotie, gezamenlijk verleend met Nederlandse instellingen, overeenkomt met het aantal proefschriften dat is opgenomen in het promotieregister van de betreffende instelling wegens een in 2015 met goed gevolg verdedigd proefschrift. – het aantal proefschriften dat in 2015 heeft geleid tot een promotie, gezamenlijk verleend met buitenlandse instellingen, ten overstaan van het college voor promoties of de commissie bedoeld in artikel 7.18, vierde lid, van de wet, overeenkomt met het aantal proefschriften dat is opgenomen in het promotieregister van de betreffende instelling wegens een in 2015 met goed gevolg verdedigd proefschrift.

Afzonderlijke opgave ontwerperscertificaten WO

– het aantal in 2015 uitgereikte ontwerperscertificaten overeenkomt met het aantal getuigschriften wegens het met goed gevolg afronden van onderwijs als bedoeld in bijlage 7 bij het UWHW 2008.

Beoordeling van inschrijvingen in de peilperiode (HO)

Voor wat betreft inschrijvingen gedurende de peilperiode (HO) stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Toetsing gegevens vooropleiding (hoofdstuk 7, titel 2 van de WHW)

bij een nieuwe inschrijving bacheloropleiding: de student voldoet aan de vooropleidingseisen ex hoofdstuk 7, titel 2, paragraaf 1 van de WHW op basis van digitale verificatie door DUO of afschriften van getuigschriften;

– bij een nieuwe inschrijving bacheloropleiding: de student aan een opleiding met een landelijke beperkte instroom is toegelaten op grond van een bewijs van DUO d.m.v. digitale registratie in studielink of de student heeft een schriftelijk bewijs namens DUO overhandigd van de toelating tot deze opleiding. Of voldoet de student aan de vooropleidingseisen op basis van digitale verificatie door DUO of zijn er afschriften van getuigschriften aanwezig bij de instelling; – bij een nieuwe inschrijving masteropleiding: de student voldoet aan de vooropleidingseisen ex hoofdstuk 7, titel 2, paragraaf 2 van de WHW op basis van digitale verificatie door DUO of afschriften van getuigschriften of een bewijs van toelating voor die opleiding ex artikel 7.30b, lid 3.

Digitale verificatie door DUO kan bijvoorbeeld aan de hand van de foto van Studielink worden vastgesteld. De Studielink foto laat zien dat centrale verificatie van de vooropleiding door DUO is geleverd aan de instelling.

Het voldoen aan de verplichting tot het betalen van collegegeld (artikelen 7.37 en 7.43 van de WHW)

– de student op het moment van inschrijving heeft voldaan aan de verplichting tot het voldoen van collegegeld ex artikel 7.37 en ex artikel 7.43 van de WHW, dat wil zeggen een betaling van het collegegeld ineens of op basis van een machtiging tot het innen van het collegegeld via een regeling tot gespreide betaling, zijnde het instellingscollegegeld of het wettelijk collegegeld; – bij het voldoen van het collegegeld voor de student door een derde, de student schriftelijk of via digitale mogelijkheid in Studielink heeft verklaard hiermee akkoord te zijn gegaan; – de student niet is vrijgesteld van het voldoen van collegegeld ex artikel 7.48, lid 1 of lid 2 van de WHW.

Toetsing inschrijving aan een opleiding (artikel 7.32 van de WHW)

– de volgende velden van de recordsoort inschrijving (ISG) in BRON juist zijn gevuld: • datum inschrijving • datum uitschrijving • opleidingscode • opleidingsfase • opleidingsvorm • inschrijvingsvorm • eerste inschrijving

Vooruitlopend op de aanpassing van de WHW is de datum inschrijving juist als een inschrijving gedurende de maand heeft plaatsgevonden en op de eerste van de betreffende maand in BRON is geregistreerd. Dit geldt echter niet voor de maand oktober vanwege de afgrenzing van de peilperiode tot en met 1 oktober 2015.

Toetsing inschrijving aan een opleiding (artikel 7.32 van de WHW, artikel 4.1 lid 4 van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs)

Indien GEEN verificatie door DUO heeft kunnen plaatsvinden op nationaliteit en verblijfstatus van de student, dienen de volgende werkzaamheden uitgevoerd te worden aan de hand van bewijsstukken, die bij de instelling aanwezig zijn.

Er is GEEN verificatie door DUO bij het ontbreken van BRP-relatie, de indicatie GBA-relatie (recordsoort PER) staat dan op N.

– de volgende velden in BRON juist zijn gevuld • Nationaliteit (recordsoort NAT) • Verblijfstitelcode (recordsoort VBT) • Omschrijving verblijfstitel (recordsoort VBT) • Type verblijfsvergunning (recordsoort VBV) • Omschrijving verblijfsvergunning (recordsoort VBV) – indien de student als vreemdeling moet worden beschouwd ex artikel 7.32, lid 5 van de WHW: • de student jonger is dan 18 jaar, of • rechtmatig verblijf houdt in Nederland op basis van de Vreemdelingenwet 2000 (naleving koppelingswet); – bij nieuwe inschrijvingen van vreemdelingen ouder dan 18 jaar een van de volgende gegevens beschikbaar is: • een definitieve verblijfsvergunning, of • een bewijs van een aanvraag tot verblijfsvergunning cq machtiging tot voorlopig verblijf, of-; • een bewijs van een verzoek tot verlenging van een verblijfsvergunning, of • een ontvangstbevestiging van de IND en tevens verzoek tot en betaling van de leges voor een verblijfsvergunning; – dat de student behoort tot een van de groepen studerenden, als bedoeld in artikel 2.2, lid 1 van de Wet studiefinanciering 2000. Hieronder valt ook het verifiëren van de specifieke redenen voor het opvoeren van type 1 verblijfsvergunningen en dat de daarmee verband houdende code verblijfsvergunningen juist is.

Aanvullende werkzaamheden derdenmachtigingen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder in de sector MBO geoordeeld dat indien uit gegevens blijkt dat sprake is van overeenstemming gericht op het volgen van onderwijs en daadwerkelijk het onderwijs is genoten, bij het niet aanwezig zijn van een schriftelijke overeenkomst of het ontbreken van een handtekening daarop sprake is van het niet-naleven van de vormvoorschriften. Bij het niet-naleven van vormvoorschriften wordt de terugvordering van het volledige bedrag aan teveel betaalde bekostiging niet redelijk geacht. In dat kader is het niet passend om aan de instellingsaccountant te vragen een bekostigde inschrijving bij het niet tijdig aanwezig zijn van een regeling met betrekking tot de betaling van het collegegeld/derdenmachtiging per definitie als niet rechtmatig voor de bekostiging aan te laten merken. Daarom wordt in deze paragraaf aangegeven hoe de instellingsaccountant in een dergelijk geval moet handelen. In deze gevallen wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve tolerantie. Hiermee wordt bedoeld dat de instellingsaccountant bij het constateren van gebreken de procedures m.b.t. de tijdige en juiste totstandkoming van de derdenmachtigingen bij de instelling beoordeelt en indien de procedure niet op orde is hierover in de vorm van een uitzonderingsrapportage aan DUO rapporteert. Voor indiening van deze uitzonderingsrapportage bij DUO en het aanbiedingsformulier wordt verwezen naar paragraaf 3.1.

Daarnaast treedt de instellingsaccountant in overleg met het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling over de benodigde aanpassingen in de procedures met het doel de onvolkomenheden daarin op te heffen.

De uitzonderingsrapportage is van belang, omdat een instelling alle wettelijke voorschriften moet naleven. Indien uit uitzonderingsrapportages herhaaldelijk blijkt dat een instelling niet aan de wettelijke eisen voldoet dan kan opschorting van de rijksbijdrage plaatsvinden tot het moment waarop alsnog aan de wettelijke eisen wordt voldaan of kan de rijksbijdrage geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.

Indien een regeling met betrekking tot de betaling van het collegegeld/derdenmachtiging ontbreekt, dan hoeft de bekostigde inschrijving niet per definitie fout gerekend te worden. Hieronder wordt aangegeven wat van de instellingsaccountant in zo’n geval wordt gevraagd.

Niet tijdig ondertekende derdenmachtiging

Indien op 1 oktober geen regeling met betrekking tot de betaling van het collegegeld/derdenmachtiging aanwezig is, terwijl dit wel vereist is, dan hoeft de bekostigde student niet als fout aangemerkt te worden als de instellingsaccountant heeft vastgesteld dat de betreffende student wel aan de overige bekostigingsvereisten voldoet. Er moet met name zekerheid zijn dat het wettelijk collegegeld niet door de instelling is betaald en de betreffende student op de teldatum daadwerkelijk onderwijs volgde aan de instelling.

Voor wat betreft de Transnationale Universiteit Limburg voert de instellingsaccountant deze onderzoeken uit op de opgave van inschrijvingen met een Nederlandse nationaliteit en op de inschrijvingen met de niet-Belgische nationaliteit. Conform het Verdrag tussen Nederland en Vlaanderen over de Transnationale Universiteit Limburg, wordt het aantal studenten dat niet over de Nederlandse of Belgische nationaliteit beschikt naar rato van de verhouding Nederlandse en Belgische studenten toegerekend aan Nederland. Voor dit aandeel stelt de instellingsaccountant vast dat de studenten voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden zoals die gelden onder de bepalingen van de WHW.

Verlening van graden in de peilperiode

Voor wat betreft de graden (bachelor, master, associate degree, ongedeeld) die aan een student zijn verleend in de peilperiode stelt de instellingsaccountant vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Toetsing velden datum diploma, eerste graad en opleidingsfase en ter validering van artikel 7.10a, artikel 18.15 en artikel 18.20 van de WHW en artikel 4.1, artikel 4.9 en artikel 4.20 van het UWHW 2008)

– het verlenen van de graad Bachelor en/of graad Master en/of de graad AD geschiedt na of op het moment dat sprake is van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen, zoals vastgesteld door de examencommissie; – het veld datum diploma(datum behalen graad) (recordsoort GRD) overeenkomt met de datum zoals vastgesteld door de examencommissie – het veld opleidingsfase en opleidingscode(recordsoort GRD) juist is ingevuld en overeenkomst met de graad, zoals die door de examencommissie is vastgesteld – het veld eerste graad (recordsoort GRD) juist is ingevuld in BRON

De waarneming bij de beoordeling van graden Bachelor, Master of AD (Associate Degree) of het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen is gericht op de velden ‘datum diploma’ (moet bij een graadverlening zijn ingevuld) en ‘opleidingsfase’

Voor wat betreft de Transnationale Universiteit Limburg voert de instellingsaccountant deze onderzoeken uit op de opgave van het aantal in deze periode verleende graden aan studenten met een Nederlandse nationaliteit en studenten met de niet-Belgische nationaliteit. Conform het Verdrag tussen Nederland en Vlaanderen over de Transnationale Universiteit Limburg, wordt het aantal studenten dat niet over de Nederlandse of Belgische nationaliteit beschikt naar rato van de verhouding Nederlandse en Belgische studenten toegerekend aan Nederland. Voor dit aandeel stelt de instellingsaccountant vast dat de studenten voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden zoals die gelden onder de bepalingen van de WHW.

Proefschriften leidend tot promoties en het verlenen van ontwerperscertificaten in 2015

De universiteiten doen afzonderlijk opgaven van het aantal proefschriften dat in 2015 heeft geleid tot een promotie en van het aantal ontwerperscertificaten dat in 2015 is uitgereikt wegens het met goed gevolg afronden van onderwijs als bedoeld in bijlage 7 bij het UWHW 2008.

De instellingsaccountant stelt vast dat:

Item

Te verrichten werkzaamheden

Vaststellen van de aanwezigheid van de getuigschriften en het succesvol verdedigde proefschrift

– in de administratie van de instelling de met succes verdedigde proefschriften en ontwerperscertificaten aanwezig zijn; – de promotiecommissie het promotieverslag heeft getekend en dat op het promotieverslag is aangegeven dat de kandidaat is gepromoveerd; – de getuigschriften zijn afgegeven door de instelling mede namens een promotiecommissie die aan de betreffende instelling is verbonden.

Werkzaamheden in verband met de te bepalen controlegetallen

Bij het accountantsonderzoek wordt vastgesteld dat de inhoud van de actuele OBO voldoet aan de eisen. Hierin moeten eventuele mutaties naar aanleiding van het accountantsonderzoek door de HO-instelling via de reguliere weg aan DUO worden geleverd. Na verwerking en terugmelding door DUO moet de instelling een actuele OBO opvragen. Deze wordt dan geleverd met een lijst met verschillen tussen de nieuwe en vorige OBO. De instellingsaccountant stelt vast dat de mutaties juist en volledig zijn doorgevoerd.

De instellingsaccountant stelt een assurance-rapport op bij deze actuele OBO.

In het Programma van Eisen Instellingen HO (PvE) van BRON is beschreven hoe de controlegetallen worden bepaald.

3.5.3. Assurance-rapport

  • Algemeen

  • Goedkeurend assurance-rapport HO

Algemeen

1 december 2010

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Zie hiervoor Standaard 3000 vanaf paragraaf 51 van de ‘Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS)’ van de NBA.

Goedkeurend assurance-rapport HO

1 juli 2015

Voorgeschreven tekst voor het goedkeurende assurance-rapport over de juistheid van de bekostigingsgegevens van HO-instellingen (4b).

Assurance-rapport bij de bekostigingsgegevens, afgegeven voor Dienst Uitvoering Onderwijs en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of indien van toepassing, de Minister van Economische Zaken.

Aan: Opdrachtgever

Opdracht en verantwoordelijkheden

Wij hebben onderzocht of de bijgevoegde, door ons gewaarmerkte*) opgave(n) van de gegevens van ... (naam ho-instelling) met brinnummer ... te ... (zetel) de gegevens inzake inschrijvingen, graadverleningen en afsluitend examen, proefschriften* en ontwerperscertificaten*, juist weergeeft (weergeven). Deze gegevens hebben betrekking op inschrijvingen, graadverleningen en afsluitende examens die zijn opgenomen in BRON en worden weergegeven via een opgave van controlegetallen en betreffen de stand over de onderzoeksperiode 2 oktober 2014 tot en met 1 oktober 2015. Deze gegevens kunnen tevens betreffen de afzonderlijke opgave van proefschriften leidend tot een promotie onder verantwoordelijkheid van de instelling of samen met andere (bekostigde) instellingen en ontwerperscertificaten in het kalenderjaar 2015**). De opgave(n) is (zijn) opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de instelling.

De opgave(n) sluit(en) met de volgende controlegetallen:

 

Controlegetal

Totaal opleidingscode

 

Totaal inschrijvingen

 

Totaal graden

 
Totaal generaal  

aan bij de actuele OBO (datum uit de bestandsnaam OBO) van DUO.

Het is onze verantwoordelijkheid een assurance-rapport inzake de juistheid van de opgave(n) te verstrekken.

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 en Standaard 3000 Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie. Dienovereenkomstig dienen wij ons onderzoek zodanig te plannen en uit te voeren, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de opgave geen afwijkingen van materieel belang bevat. Een assurance-opdracht omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van assurance-informatie over de controletotalen in de opgave(n).

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft(geven) de opgave(n) van de gegevens, de gegevens in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Overige aspecten – beperking in gebruik en verspreidingskring

Ons assurance-rapport is uitsluitend bestemd voor de instelling, DUO en het Ministerie van OCW of indien van toepassing, het Ministerie van EZ en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats, datum

Naam accountantsorganisatie

Naam accountant

Paraaf voor waarmerkingsdoeleinden:

*) Alleen waarmerking indien geen identificatie via de controlegetallen.

**) Alleen van toepassing voor universiteiten.

3.6. Onderzoeksprocedure prestatiebekostiging sector HO

3.6.1. Algemeen

1 december 2015

In artikel 12 van het Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs (hierna: het Besluit) is opgenomen dat de hogescholen en universiteiten waaraan voor de jaren 2013 tot en met 2016 prestatiebekostiging is toegekend verplicht zijn om de juistheid van de in de verantwoording over het jaar 2015 opgenomen verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces door de instellingsaccountant te laten valideren.In de toelichting (bij dit artikel) van het Besluit is opgenomen, dat hiertoe het controleprotocol wordt aangepast. Het controleprotocol bevat de vertaalslag van de bekostigingsvoorwaarden uit de wet- en regelgeving naar de minimale onderzoekswerkzaamheden die ten grondslag liggen aan het afgeven van het assurance-rapport bij de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces. Voor de tekst van het assurance-rapport is een format opgenomen dat door de instellingsaccountant moet worden gebruikt. Het onderzoek heeft betrekking op de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces, zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin van het Besluit. De grondslag voor de werkzaamheden van de instellingsaccountant ligt in artikel 12 lid 1 onder e van het Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs en de uitleg, die daaraan door het departement is gegeven in de brief d.d. 21-09-2015 met kenmerk 794047.

Het onderdeel onderzoeksprocedure prestatiebekostiging HO is van toepassing op alle bekostigde onderwijsinstellingen in de sector HO, aangezien alle bekostigde instellingen in de jaren 2013 tot en met 2016 prestatiebekostiging hebben ontvangen van de minister van OCW of EZ.

De voor het onderzoek van de bekostigingsgegevens relevante wet- en regelgeving bestaat uit:

De wet- en regelgeving is terug te vinden op www.overheid.nl

Overige relevante informatie ten aanzien van de prestatieafspraken betreft:

  • Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en wetenschap ‘Kwaliteit in verscheidenheid’ d.d.1 juli 2011 (Kamerstukken II 2010–2011, 31 288 nr. 194)

  • Hoofdlijnenakkoorden met VSNU en HBO-raad december 2011 (Kamerstukken II 2010–2011, 31 288, nr. 246 en nr. 247)

  • Brief OCW uitnodiging prestatieafspraken d.d. december 2011 (kenmerk 357913 WO en kenmerk 35707 HBO)

  • Brief OCW nadere informatie over de prestatieafspraken d.d. 5 maart 2012 (kenmerk 385991 WO en kenmerk 385994 HBO), brief EZ nadere informatie over de prestatieafspraken d.d. 7 maart 2012 (kenmerk 262772) en brief prestatieafspraken met hogescholen en universiteiten d.d. 7 maart 2012 aan de TK (kenmerk 386473)

  • Brief OCW verantwoording prestatieafspraken d.d. 3 juli 2013 (kenmerk 526628)

  • Brief OCW accountantscontrole prestatieafspraken d.d. 21 september 2015 (kenmerk 794047)

Voor vragen m.b.t. de inhoud van de prestatieafspraken of de regelgeving t.a.v. de prestatieafspraken heeft OCW een postbus met emailadres geopend. (prestatieafspraken-ho@minocw.nl)

3.6.2. Onderzoek prestatie indicatoren 2015

3.6.2.1. Object van onderzoek

1 december 2015

De realisatie van de afspraken voor de verplichte prestatie indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces in 2015 is voorwaarde voor de continuering van de middelen in een daaropvolgend tijdvak. Het is daarom van groot belang dat de instellingsaccountant primair de juistheid van deze gegevens vaststelt. Deze gegevens worden ontleend aan het jaarverslag van de instelling over het verslagjaar 2015. De instellingsaccountant geeft een assurance-rapport af over de realisatie van de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces in het jaarverslag over het verslagjaar 2015. De instellingsaccountant maakt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden op deze indicatoren het volgende onderscheid:

  • 1. Onderzoek van indicatoren die niet worden ontleend aan reeds gevalideerde externe informatiebronnen.

    De instellingsaccountant richt het onderzoek zodanig in dat onjuistheden groter dan 2% (per indicator) worden ontdekt. Uiteraard moeten alle geconstateerde fouten, ongeacht het materiële belang, worden gecorrigeerd.

    De instellingsaccountant richt zijn onderzoek daartoe zodanig in, dat hij met een redelijke mate van zekerheid kan verklaren dat in de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen met een materieel belang.

    Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95 procent.

  • 2. Beoordeling van indicatoren die worden ontleend aan reeds gevalideerde externe informatiebronnen.

    De instellingsaccountant richt de beoordeling op de gehanteerde systematiek en bron bij de berekening van de indicator. De instellingsaccountant onderzoekt voor deze indicatoren niet de betrouwbaarheid van de gehanteerde informatiebronnen. Dit resulteert in een beperking van de reikwijdte.

    De instellingsaccountant richt zijn onderzoek daartoe zodanig in, dat hij met een beperkte mate van zekerheid kan verklaren dat in deze indicatoren geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen met een materieel belang.

Voor zijn onderzoek maakt de instellingsaccountant gebruik van de volgende informatie:

  • het jaarverslag van de instelling over het verslagjaar 2015;

  • de beschikking van de gemaakte prestatieafspraak;

  • bijlage ‘Gebruikte definities verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces’ (bijlage van de brief met kenmerk 526628 die op 3 juli 2013 aan de instelling is verzonden);

  • eventuele brieven van OCW of EZ waarin daarop expliciet aanpassingen zijn toegestaan;

  • het advies van de reviewcommissie over het ingediende plan inclusief bijlage 1a ‘verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces’ (te vinden op de website van de reviewcommissie http://www.rcho.nl//asp/invado.asp?t=show&var=1038&fontsize=11);

  • voor de instellingen die de ‘deelname aan excellentie trajecten’-indicator als indicator voor kwaliteit/excellentie hebben gehanteerd: brieven van Sirius m.b.t. geaccordeerde excellentieprogramma’s;

  • voor de instellingen die de ‘studenten aan opleidingen met goed/excellent score NVAO’-indicator als indicator voor kwaliteit/excellentie hebben gehanteerd: de accreditatieoordelen van de NVAO;

  • de studiegids (indien deze in de gemaakte prestatie afspraak als bron is opgenomen);

  • de relevante gegevens voor de indicatoren uit 1 Cijfer ho;

  • voor de instellingen die de ‘studentenoordeel over de opleiding in het algemeen’-indicator als indicator voor kwaliteit/excellentie hebben gehanteerd: de relevante gegevens voor de indicatoren uit het algemeen studentenoordeel over de opleiding (NSE) en

  • de relevante gegevens voor de indicatoren uit de monitorinformatie van DUO (jaarlijks in maart beschikbaar voor de instellingen).

Voor de indicatoren, die ontleend worden aan reeds gevalideerde externe bronnen (niet de eigen administratie van de instelling), te weten: 1cijferHO, NSE en NVAO mag de accountant uitgaan van de juistheid van deze bronnen. De instellingsaccountant veronderstelt de studiegids, indien deze in de gemaakte prestatie afspraak als bron is opgenomen, als de bron voor de geprogrammeerde contacturen en onderzoekt niet de totstandkoming van de studiegids. Indien gewenst kan de accountant hiervoor een disclaimer opnemen in het assurance-rapport.

3.6.2.2. Minimale werkzaamheden

1 december 2015

De instellingsaccountant stelt voor alle verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces (per indicator) vast dat:
  • de score(realisatie) op de indicator over het jaar 2015 juist is opgenomen en juist is berekend in het jaarverslag over 2015, dat wil zeggen berekend volgens de in het jaarverslag over 2015 opgenomen definitie(s), omschrijving(en), query(‘s), bron(nen) en methode(n);

  • de definitie(s), omschrijving(en), query(‘s), bron(nen) en methode(n) voor de indicator die de instelling in 2015 heeft gehanteerd in de berekening en verantwoording in het jaarverslag over 2015 overeenkom(t)en met de afgesproken definitie(s), omschrijving(en), query(‘s), bron(nen) en methode(n) zoals opgenomen in de bijlage ‘Gebruikte definities verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces’ bij de beschikking van de prestatieafspraken (deze bijlage is bij de brief van 3 juli 2013 verzonden), inclusief eventuele nadien daarin door de minister toegestane aanpassingen.

Voor een aantal indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces zijn geen reeds gevalideerde landelijke gegevensbestanden beschikbaar, namelijk de indicatoren kwaliteit/excellentie (deelname aan excellentie trajecten), docent kwaliteit, onderwijsintensiteit en indirecte kosten. Om een uitspraak te kunnen doen over de juistheid van de overige indicatoren (geen reeds gevalideerde landelijke gegevensbestanden beschikbaar) zal de instellingsaccountant ook werkzaamheden moeten verrichten om vast te stellen dat de administratie, waaraan deze indicatoren zijn ontleend aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De NBA werkgroep onderwijs neemt het initiatief voor een nadere uitwerking hiervan in een handleiding /werkprogramma. Deze handleiding zal na overleg met de inspectie op de website van de inspectie worden gepubliceerd.

Indien de instellingsadministratie niet aan deze eisen voldoet dan neemt de accountant dit op in een rapport van bevindingen en indien nodig brengt de accountant dit in de strekking van het assurance-rapport tot uitdrukking. Voor deze indicatoren (geen reeds gevalideerde landelijke gegevensbestanden beschikbaar) stelt de accountant ook de juistheid van de onderliggende data vast. Indien de instelling de gehanteerde definitie(s), omschrijving(en), methode(n) en query(’s), bron(nen) in de berekening van de score/realisatie over 2015 niet op juiste wijze heeft opgenomen in het jaarverslag dan dient dit in de strekking van het assurancerapport tot uitdrukking gebracht te worden.

3.6.3. Assurance-rapport

1 juli 2015

  • Algemeen

  • Goedkeurend assurance-rapport HO

Algemeen

1 december 2015 2015

Als de instellingsaccountant op grond van zijn bevindingen een ander dan een goedkeurend assurance-rapport afgeeft, moet hij een afwijkende tekst hanteren. Zie hiervoor Standaard 3000 vanaf paragraaf 51 van de ‘Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS)’ van de NBA.

De instellingsaccountant verstrekt ter identificatie bij het assurance-rapport een gewaarmerkte kopie van de pagina’s uit het jaarverslag van de instelling, waar het assurance-rapport betrekking op heeft.

Goedkeurend assurance-rapport HO

1 december 2015

Voorgeschreven tekst voor het goedkeurende assurance-rapport over de juistheid van de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces bekostigingsgegevens van HO-instellingen (4b).

Assurance-rapport bij de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces bekostigingsgegevens over het jaar 2015, afgegeven voor Dienst Uitvoering Onderwijs, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of indien van toepassing, de Minister van Economische Zaken en de door de Ministers ingestelde Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek.

Aan: Opdrachtgever

Opdracht en verantwoordelijkheden

Wij hebben onderzocht of de verplichte indicatoren onderwijskwaliteit en studiesucces, zoals opgenomen in het jaarverslag* over het verslagjaar 2015 (bladzijde .. tot en met ..) van ... (naam ho-instelling) met brinnummer ... te ... (zetel), juist zijn weergeven. Deze indicatoren betreffen de stand van zaken over het jaar 2015. De indicatoren zijn opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de instelling.

Combinatie van onderzoek- en beoordelingswerkzaamheden

Ons onderzoek bestaat uit de volgende combinatie van onderzoek- en beoordelingswerkzaamheden:

  • Onderzoek van de indicatoren, zoals opgenomen in het jaarverslag*, die niet zijn ontleend aan reeds gevalideerde informatiebronnen en aangemerkt met ‘gebaseerd op eigen administratie van de instelling’,

  • Beoordeling van de overige indicatoren, zoals opgenomen in het jaarverslag*, en aangemerkt met ‘gebaseerd op reeds gevalideerde externe informatiebron’.

Onderzoekwerkzaamheden zijn gericht op het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid op basis van voldoende en geschikte assurance-informatie.

Beoordelingswerkzaamheden zijn gericht op het verkrijgen van een beperkte mate van zekerheid op basis van werkzaamheden die minder diepgaand zijn dan bij een onderzoek. De mate van zekerheid bij beoordelingswerkzaamheden is daarom ook lager dan bij onderzoekwerkzaamheden. Om die reden rapporteren wij onze conclusie met betrekking tot de onderzoekwerkzaamheden en beoordelingswerkzaamheden afzonderlijk. Naar onze mening vervult deze gecombineerde opdracht een rationeel doel.

Het bestuur van ... (naam ho-instelling) is verantwoordelijk voor het opstellen van het jaarverslag. Het is onze verantwoordelijkheid een assurance-rapport inzake de juistheid van de verantwoording van de verplichte prestatie indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces te verstrekken

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 en Standaard 3000 Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie.

Onderzoekwerkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek zodanig ingepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording van de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces, aangemerkt met ‘gebaseerd op eigen administratie van de instelling’, geen afwijkingen van materieel belang bevat. De assurance-opdracht omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van assurance-informatie over de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces in het jaarverslag* over het verslagjaar 2015.

Beoordelingswerkzaamheden – beperking in de reikwijdte

Wij hebben ons onderzoek zodanig ingepland en uitgevoerd, dat een beperkte mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording van de overige verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces, aangemerkt met ‘gebaseerd op reeds gevalideerde externe informatiebron’, geen afwijkingen van materieel belang bevat. Deze indicatoren zijn ontleend aan reeds gevalideerde externe informatiebronnen en wij hebben conform het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015 geen onderzoek gedaan naar de juistheid van deze informatiebronnen.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Oordeel

Gebaseerd op onze onderzoekwerkzaamheden

Naar ons oordeel geeft de verantwoording van de realisatie van de verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces 2015, aangemerkt met ‘gebaseerd op eigen administratie van de instelling’, zoals vermeld bij onze onderzoekwerkzaamheden, de indicatoren in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Gebaseerd op onze beoordelingswerkzaamheden

Ten aanzien van de verantwoording van de realisatie van de overige verplichte indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces 2015, zoals vermeld bij onze beoordelingswerkzaamheden, hebben wij op basis van de beperking in de reikwijdte van ons onderzoek zoals vermeld in de paragraaf ‘Werkzaamheden’ op grond van ons onderzoek geen reden om te concluderen dat deze de indicatoren in alle van materieel belang zijnde opzichten niet juist weergeeft in overeenstemming met het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015.

Overige aspecten – beperking in gebruik en verspreidingskring

Ons assurance-rapport is uitsluitend bestemd voor de instelling, DUO, het Ministerie van OCW of indien van toepassing, het ministerie van EZ en de door de Ministers ingestelde Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats, datum

Naam accountantsorganisatie

Naam accountant

Paraaf voor waarmerkingsdoeleinden:

* De accountant kan er voor kiezen een assurance verklaring af te geven bij een aparte verantwoording (die dan wel aan dezelfde eisen uit de RJO moet voldoen). De accountant moet dan wel vaststellen dat deze verantwoording overeenkomt met (is ontleend aan) de verantwoording zoals die verplicht via de RJO is opgenomen in het jaarverslag. De verwijzing naar het jaarverslag in het assurance rapport kan dan worden aangepast. Deze aparte verantwoording dient dan wel gewaarmerkt te worden en samen met het assurance rapport te worden ingediend.

4. Controle FSR

1 juli 2014

Referentiekader:

   

Controlecriteria

* Controlecriteria zijn opgenomen in de van de FSR deel uitmakende afzonderlijke subsidieregeling

* Rapport ‘Univers(ele) vereenvoudiging’

* Brief Gebruik FSR-tabel als bijlage bij de jaarrekening, 23 december 2011 met kenmerk 357173

* Brief Nadere afspraken gebruik FSR-tabel d.d.19 februari 2014 met kenmerk 584386

Verslaggevingscriteria

* Regeling jaarverslaggeving onderwijs

* Bijlage bij de Regeling jaarverslaggeving onderwijs van 17 december 2007, kenmerk WJZ-2007/50507 (FSR)

* ‘Convenant lastenreductie doelsubsidies universiteiten’

* Rapport ‘Univers(ele) vereenvoudiging’

* Brief Gebruik FSR-tabel als bijlage bij de jaarrekening, 23 december 2011 met kenmerk 357173

Toleranties

 

Rechtmatigheid

Getrouwe weergave

Goedkeuringstolerantie

3% van het totaal van de specifieke doelsubsidies(bestedingen)

1% van de totale baten(ontvangen/toegekende subsidies)

Rapportagetolerantie

0,1%

0,1%

4.1. Algemeen

  • Uitgangspunten

  • FSR

  • Format FSR

  • Onderzoeksaanpak

  • Toleranties

  • Aansluiting tussen FSR en jaarrekening

  • Accountantsproducten

Uitgangspunten

1 december 2013

De verantwoording door de instellingen voor Hoger Onderwijs over de specifieke doelsubsidies die afkomstig zijn van de Rijksoverheid waar zulks in de regelgeving of de subsidietoewijzing is aangegeven, worden opgenomen in één verantwoordingsdocument(single information): de Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording (FSR), waarbij de instellingsaccountant een controleverklaring (single audit) afgeeft.

Op grond van artikel 3. lid i van de Richtlijn Jaarverslaggeving Onderwijs is FSR verplicht.

In het rapport ‘Univers(ele) vereenvoudiging’ is in hoofdstuk 3 en in de bijlagen bij het rapport het normenkader voor de FSR opgenomen. De werking hiervan is geformaliseerd via de RJO artikel 3, lid i en het model overeenkomstig de tabel in de bijlage van de RJO. Dit normenkader vormt het uitgangspunt voor de controle door de instellingsaccountant.

FSR

1 december 2012

De FSR bestaat uit het verantwoordingsdocument en een toelichting.

De FSR bevat:

  • de financiële verantwoording over alle geoormerkte subsidiegeldstromen vanuit het Rijk (derde geldstroom) waar zulks in de regelgeving en/of de subsidietoewijzing is aangegeven exclusief de lumpsumbijdrage van OCW/EZ (eerste geldstroom) en exclusief de subsidies van NWO/KNAW (tweede geldstroom);

  • de in dat jaar afgeronde en lopende projecten. Zo wordt jaarlijks zekerheid gegeven over de meerjarige projecten;

  • alléén de informatie die van invloed is op de (financiële) vaststelling van de subsidie. De inhoudelijke (niet-financiële) verantwoordingen worden rechtstreeks aan de subsidieverstrekker overgelegd en niet gecontroleerd door een accountant;

  • een toelichting. In de toelichting op de FSR:

    • rapporteert de instelling de niet-gecorrigeerde fouten (rapportagetolerantie van 0,1%). Voor zover fouten in de controle worden gevonden is het uitgangspunt dat gevonden fouten worden gecorrigeerd. Voor zover dat (om bepaalde redenen) niet gebeurt, worden de fouten die voortkomen uit de interne en externe controle gemeld. Hiervoor geldt een zogenaamde rapportagetolerantie(voor fouten 0,1% van de Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording) die aangeeft wanneer de gevonden fouten moeten worden gerapporteerd; en

    • beschrijft de instelling de gehanteerde grondslagen. De instelling hanteert daarbij de Rijksbrede voorwaarden en begrippen conform de onderliggende subsidieregelingen. Het gaat daarbij om gestandaardiseerde kostengrondslagen (gelimiteerd tot drie vormen), gestandaardiseerde begrippen en gestandaardiseerde voorwaarden. Ook de voorwaarden voor het gebruik van een systeem van integrale kosten worden vastgelegd in de afzonderlijke subsidieregelingen. Deze begrippen en voorwaarden zijn ontleend aan het rapport ‘Univers(ele) vereenvoudiging’.

Format FSR

1 december 2015

De instelling verstuurt de FSR (subsidieoverzicht) jaarlijks gelijktijdig met de jaarrekening naar DUO vestiging Zoetermeer. In de bijlage bij de Regeling jaarverslaggeving onderwijs is het format voor het overzicht opgenomen. De FSR wordt zowel in papieren vorm als digitaal (EFJ) ingediend.

Het DUO stelt de FSR en controleverklaring van de instellingen niet automatisch elektronisch beschikbaar aan de subsidieverstrekker en overige belanghebbenden. De subsidiegever moet hiervoor zelf de instelling benaderen.

Om deze ‘shared service’ effectief uit te kunnen voeren moet de instelling aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • de financiële rijkssubsidieverantwoording wordt gelijktijdig met het jaarverslag/jaarrekening meegestuurd (dus vóór 1 juli);

  • voor elke projectsubsidie moeten de volgende kenmerken vermeld worden: projectnummer, opdrachtgever (subsidieverstrekker), uitvoeringsinstantie, looptijd, hoogte van de projectsubsidie, het totale projectbudget, de maximale projectsubsidie en eventuele specifieke verantwoordingseisen (zie ook het format voor het subsidieoverzicht).

Onderzoeksaanpak

1 juli 2014

De instellingsaccountant voert de volgende werkzaamheden uit. De instellingsaccountant:
  • stelt vast dat de FSR de grootte en de samenstelling van de specifieke doelsubsidies juist weergeeft.

    Uit de (subsidie)voorwaarden van de afzonderlijke specifieke doelsubsidies blijkt of deze via de FSR verantwoord dienen te worden. Het is de instelling en niet de instellingsaccountant die verantwoordelijk is voor de volledigheid van de FSR. Het niet opnemen van een specifieke doelsubsidie door de instelling kan consequenties hebben voor het verantwoordingstraject van die subsidie.

  • stelt op grond van de subsidievoorwaarden/subsidieverplichtingen van de desbetreffende in de FSR opgenomen afzonderlijke specifieke doelsubsidies vast dat de specifieke doelsubsidies rechtmatig zijn besteed. De instellingsaccountant controleert, met inachtneming van de goedkeuringstolerantie, het totaal van alle specifieke doelsubsidies. Ten aanzien van de in paragraaf ‘Controlewerkzaamheden per regeling’ opgenomen specifieke doelsubsidies schrijft het accountantsprotocol minimale controlewerkzaamheden voor.

    Voor nog te besteden subsidies uit voorgaande jaren blijven de aanwijzingen uit voorgaande accountantsprotocollen van kracht.

  • stelt vast dat de in de toelichting op de FSR beschreven gehanteerde grondslagen:

    • voldoen aan Rijksbrede voorwaarden en begrippen. Dit betekent dat de beschreven grondslagen in overeenstemming zijn met de in de onderliggende subsidieregelingen opgenomen gestandaardiseerde kostengrondslagen, gestandaardiseerde begrippen en gestandaardiseerde voorwaarden;

    • juist door de instelling zijn toegepast. Ten aanzien van de kostengrondslag ‘integrale kosten’ zijn extra voorwaarden gesteld. De instellingsaccountant stelt vast dat de instelling voldaan heeft aan deze voorwaarden.

    De toetsing van de gehanteerde grondslagen maakt onderdeel uit van de rechtmatigheidscontrole van de FSR.
  • stelt vast dat de instelling heeft voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in ‘Format FSR’.

  • stelt de aansluiting van de FSR vast met de jaarrekening van de instelling.

Toleranties

1 juli 2014

Voor deze controle geldt een specifieke goedkeurings- en rapportagetolerantie (zie Algemeen voor een toelichting). Het totaalbedrag van de bestedingen van de specifieke doelsubsidies vormt een afzonderlijke massa waarop de toleranties voor de controle van de bestedingen moeten worden toegepast. De instellingsaccountant richt zijn controle zodanig in dat hij kan verklaren dat geen onrechtmatige bestedingen voorkomen met een belang dat groter is dan 3% van de totale bestedingen van de specifieke doelsubsidies.

Als deze tolerantie wordt overschreden, maar de tolerantiegrens voor de jaarrekeningcontrole niet, dan heeft dit geen invloed op de controleverklaring bij de jaarrekening. Zie voor een nadere toelichting Algemeen. Het kan eventueel voor de instelling wel consequenties hebben voor terugbetalingsverplichtingen, zoals uit de desbetreffende regeling blijkt.

Als de instellingsaccountant bestedingen constateert die in strijd zijn met de subsidievoorwaarden/subsidieverplichtingen en deze hebben mogelijk invloed op de totale omvang van de specifieke doelsubsidies, dan moet de instelling deze corrigeren. Indien de instellingsaccountant constateert dat de besteding niet rechtmatig is, dan ziet de instellingsaccountant erop toe dat de instelling dit corrigeert.

Indien de correctie niet plaatsvindt dan neemt de instelling deze op in de toelichting op de FSR.

De rapportagetolerantie is 0,1% van de totale bestedingen van de specifieke doelsubsidies.

Aansluiting tussen FSR en jaarrekening

1 juli 2009

De instellingsaccountant stelt de aansluiting vast tussen de FSR en de jaarrekening.

Accountantsproducten

1 december 2010

De instellingsaccountant geeft een controleverklaring af over zowel de juistheid als de financiële rechtmatigheid van de specifieke doelsubsidies in de FSR. Naast de juistheid van de FSR vallen de financiële informatie in de rapportage van de instelling over de niet-gecorrigeerde fouten en de toelichting op de gehanteerde grondslagen onder de reikwijdte van de controleverklaring. Voor overige bevindingen maakt de instellingsaccountant gebruik van een rapport van bevindingen, waarin hij de aard en de omvang van de bevindingen opneemt. Hij hanteert daarbij de bij ‘toleranties’ opgenomen rapportagetolerantie. Hij maakt hier in ieder geval gebruik van indien:
  • de instelling niet-gecorrigeerde fouten niet opneemt in de toelichting bij de FSR;

  • de grondslagen niet in overeenstemming zijn met de Rijksbrede voorwaarden en begrippen zoals opgenomen in de onderliggende subsidieregelingen of niet juist worden toegepast;

  • de instelling de voorwaarden zoals opgenomen in ‘Format FSR’ niet naleeft;

4.2. Controlewerkzaamheden per regeling

1 juli 2014

Algemeen

De instellingsaccountant controleert alle specifieke doelsubsidies. Het accountantsprotocol kan minimale controlewerkzaamheden voorschrijven ten aanzien van één of meerdere met name genoemde doelsubsidies.

4.3. Controleverklaring bij FSR

1 juli 2013

Goedkeurende controleverklaring bij de Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording (FSR) 2015 (5a)

Controle verklaring van de onafhankelijke accountant*)

Aan: Opdrachtgever

Verklaring betreffende de Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording (FSR)

Wij hebben de bijgevoegde Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording (FSR) 2015 van ... (naam instelling) te ... (statutaire vestigingsplaats) bestaande uit het verantwoordingsdocument FSR en de toelichting daarop gecontroleerd. De FSR is opgesteld door het bestuur van de instelling op basis van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs en de relevante wet- en regelgeving.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Het bestuur van de instelling is verantwoordelijk voor het opstellen van de FSR in overeenstemming met de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de opgenomen bedragen in de FSR. Dat houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is voorts verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opstellen van de FSR en de naleving van die relevante wet- regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de FSR op basis van onze controle, als bedoeld in artikel 3, lid i van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de FSR geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de FSR. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de FSR een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de FSR van de specifieke doelsubsidies alsmede in het kader van de financiële rechtmatigheid voor de naleving van die relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidscriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de instelling gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de FSR.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel betreffende de FSR

Naar ons oordeel geeft de FSR de grootte en de samenstelling van de specifieke doelsubsidies van ... (naam entiteit) over 2015 in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze FSR verantwoorde specifieke doelsubsidies over 2015 voldoen in alle van materieel belang zijnde aspecten aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat de bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

Wij vestigen de aandacht op punt .. in de toelichting van de FSR, waarin is uiteengezet voor welk doel de FSR is opgesteld en met welke basis voor financiële verslaggeving. Hieruit volgt dat de FSR is opgesteld voor het Ministerie van OCW**) met als doel het vaststellen van de specifieke doelsubsidies die in de FSR zijn opgenomen. De FSR hoeft derhalve niet geschikt te zijn voor andere doeleinden. Onze controleverklaring is uitsluitend bedoeld voor ... (naam instelling) en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen dan het Ministerie van OCW**)

Plaats, datum

Naam accountantspraktijk

.... (naam onafhankelijke (of bevoegde interne) accountant)

*) Hieronder valt ook de bevoegde intern accountant.

**) en de overige bij de FSR betrokken departementen. De FSR en controleverklaring worden (single information) door de instelling verzonden aan DUO en door OCW beschikbaar gesteld aan de overige betrokken departementen.

5. Onderwijslinks

1 juli 2014

• AOC-raad:

www.aocraad.nl

• DUO-CFI:

www.ocwduo.nl

• Groen Kennisnet:

www.groenkennisnet.nl

• Immigratie- en Naturalisatiedienst:

www.ind.nl

• Inspectie van het Onderwijs:

www.onderwijsinspectie.nl

• Instroomtoets PF:

www.instroomtoets.nl

• Kennisnet:

www.kennisnet.nl

• Lumpsum PO:

www.lumpsumportaal.nl

• MBO-Raad:

www.mboraad.nl

• Ministerie van Economische Zaken:

www.rijksoverheid.nl

• Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:

www.rijksoverheid.nl

• NBA:

www.nba.nl

• Overheid (inclusief wet- en regelgeving):

www.overheid.nl

• PO-raad:

www.poraad.nl

• Raad voor de jaarverslaggeving

www.rjnet.nl

• Vervangingsfonds/Participatiefonds:

www.vfpf.nl

• Vereniging Hogescholen:

www.vereniginghogescholen.nl

• Voortijdig Schoolverlaten:

www.voortijdigschoolverlaten.nl

• VO-raad:

www.vo-raad.nl

• VSNU:

www.vsnu.nl

• WEC-raad:

www.wec-raad.nl

Voor actuele informatie over het onderwijsnummer kunt u terecht op de volgende internetsites:

• Wet- en regelgeving over het persoonsgebonden nummer:

www.minocw.nl/onderwijsnummer

• Informatie over bekostiging en relevante regelingen:

www.duo.nl

• Gegevensuitwisseling met het Basisregister Onderwijs (BRON):

www.duo.nl

• Invoering persoonsgebonden nummer in het primair onderwijs:

www.pgno.nl/po

• Informatie over het burgerservicenummer

www.programmabsn.nl

6. Lijst met afkortingen

1 december 2014

ADR

Auditdienst Rijk

ao/ib

Administratieve organisatie en interne beheersing

AP

Accountantsprotocol

AOC

Agrarisch opleidingscentrum

BAPO

Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen

BBL

Beroepsbegeleidende leerweg

BOL

Beroepsopleidende leerweg

BPV

Beroepspraktijkvorming

BRON

Basisregister Onderwijs

BRP

Basisregistratie personen

BWOO

Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel

CD

Centrale Dienst van het samenwerkingsverband

COS

Controle- en Overige Standaarden

CREBO

Centraal Register Beroepsopleidingen

CROHO

Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

DT

Deeltijd

CT

Controletolerantie

CVI

Commissie van Indicatiestelling

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

DT

Deeltijd

EFJ

Elektronisch Financieel Jaarverslag

EZ

(Ministerie van) Economische Zaken

FES

Fonds Economische Structuurversterking

FSR

Financiële Specifieke Rijkssubsidieverantwoording

GGL

Gewogen gemiddelde leeftijd

HARo

Handboek Auditing Rijksoverheid

HBO

Hoger Beroepsonderwijs

HO

Hoger onderwijs

IB

Interne beheersingsmaatregelen

IIVO

In Instellingstijd Verzorgd Onderwijsprogramma

IODAD

Interdepartementaal Overleg Departementale Auditdiensten

IPC

Innovatie- en praktijkcentrum

ISP

Intrasectoraal programma

LGF

Leerling gebonden financiering

LWOO

Leerwegondersteunend onderwijs

MBO

Middelbaar beroepsonderwijs

NBA

Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants

NV COS

Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OAP

Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ

OBO

Overzicht BekostigingsOnderzoek

OCW

(ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OER

Onderwijs- en examenregeling

OFB

Overzicht Financiële Beschikkingen

OU

Open Universiteit

OWB

Onderzoek- en wetenschapsbeleid

PF

Participatiefonds

PO

Primair onderwijs

PvL

Programma van Levering

REC

Regionaal Expertise Centrum

RJ

Raad voor de Jaarverslaggeving

ROC

Regionaal opleidingscentrum

RT

Rapportagetolerantie

RVC

Regionale Verwijzingscommissie

RWT

Rechtspersonen met een wettelijke taak

SBAO

Speciale School voor Basisonderwijs

SF

Studiefinanciering

SGF

Sectie Gezondheidsfondsen

SISA

Single information Single audit

so

Speciaal onderwijs

SOP

Seniorenregeling Onderwijs Personeel

TPM

Third Party Mededeling

UWEB

Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs

UWHW

Uitvoeringsbesluit Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

VAVO

Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs

VO

Voortgezet onderwijs

VSNU

Vereniging van Universiteiten

vso

voortgezet speciaal onderwijs

VT

Voltijd

WEB

Wet educatie en beroepsonderwijs

WEC

Wet op de expertisecentra

WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

WJZ

Afdeling wetgeving en juridische zaken

WNT

Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi-publieke sector

WO

Wetenschappelijk onderwijs

WPO

Wet op het primair onderwijs

WSNS

Weer Samen Naar School

WTOS

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

WVO

Wet op het voortgezet onderwijs

Bijlage 1. : Kader Financiële Rechtmatigheid OCW/EZ wet- en regelgeving 2015

Van toepassing

       

voor sector

 

Identificatie wet- en regelgeving

 

PO

VO

MBO

HO

 

art

Inhoud

Toelichting

        Wet op het primair onderwijs (WPO)  

1

        4

Kosten van leerlingenvervoer

In dit artikel wordt aangegeven dat leerlingenvervoer een taak is van de gemeente en de gemeente hiervoor ook de kosten draagt. Hieruit blijkt dat de bekostiging van OCW hieraan niet mag worden besteed.

1

        29 lid 1

Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel

De school heeft 1 of 2 directeuren, kosten van meer directeuren worden dus niet bekostigd.

1

        45 lid 1 en 2

Tussenschoolse opvang en organisatie van de buitenschoolse opvang

Lid 1 De kosten voor tussenschoolse opvang komen voor rekening van de ouders, voogden of verzorgers, dus niet voor rekening van de school. Het gaat hier om de exploitatiekosten. De school kan wel geld uitgeven aan deskundigheidsbevordering overblijfkrachten en organisatie TSO (zie voorlichtingsbrochure Bekostiging basisonderwijs Programma van eisen voor het jaar 2010) lid 2. De kosten voor buitenschoolse opvang komen voor rekening van de ouders, dus niet voor rekening van de school.

1

        91

Voorziening in huisvesting door de gemeente

Voorziening in huisvesting is taak van de gemeente, hieruit blijkt dat de bekostiging van OCW hier niet aan besteed mag worden. Hierop is 1 uitzondering: deze is in het OAP 2015 opgenomen. In artikel 92 is gedefinieerd wat wordt verstaan onder voorzieningen in de huisvesting. Dit artikel is gewijzigd per 1-1-2015 i.v.m. de overheveling van taak en budget voor aanpassing in onderwijshuisvesting van gemeente naar school.

1

        120 lid 7

Grondslag bekostiging personeel basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs

Hierin staat beschreven waar de bekostiging voor gebruikt kan worden. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

1

        133

Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken

De gemeente bekostigt het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen, hieruit blijkt dat de bekostiging van OCW hier niet aan besteed mag worden.

1

        148 lid 1 tot en met 4

Besteding bekostiging

Beschrijft waar bepaalde bekostigingen voor aangewend mogen worden. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

1

        148 lid 5 (m.i.v. 1-8-2014)

Besteding bekostiging (samenwerkingsverband)

Bedragen voor de kosten van materiele instandhouding en personeelskosten van het samenwerkingsverband (art 118 en 132) worden uitsluitend aangewend voor de kosten voor materiele instandhouding en personeelskosten van het samenwerkingsverband voor ondersteuningsvoorzieningen.

1

        166 lid 1

Voorschoolse educatie

Voorschoolse educatie is een taak van de gemeente. Hier mag geen bekostiging aan besteed worden.

1

        182

Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Rest van het artikel valt buiten het kader.

1

             

1

      Wet op de expertisecentra (WEC)  

1

        4

Kosten van leerlingenvervoer

In dit artikel wordt aangegeven dat leerlingenvervoer taak en kosten van de gemeente, hieruit blijkt dus dat de bekostiging van OCW hieraan niet besteed mag worden

1

        89

Voorziening in huisvesting door gemeente

Voorziening in huisvesting is taak van de gemeente, hieruit blijkt dat de bekostiging van OCW hier niet aan besteed mag worden. Hierop is 1 uitzondering: deze is in het OAP 2015 opgenomen. In artikel 90 is gedefinieerd wat wordt volstaan onder voorzieningen in de huisvesting. Dit artikel is gewijzigd per 1-1-2015 i.v.m. de overheveling van taak en budget voor aanpassing in onderwijshuisvesting van gemeente naar school.

1

        117 lid 15 (tot 1-8-2015), lid 13 (m.i.v. 1-8-2015)

Grondslag bekostiging personeel

Hierin staat beschreven waar de bekostiging voor gebruikt kan worden. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

1

        127

Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken

De gemeente bekostigt de belastingen: het bedrag dat is uitgegeven voor belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen. Hieruit blijkt dat de bekostiging vanuit OCW hier niet aan besteed mag worden.

1

        143

Besteding bekostiging

Beschrijft waar bepaalde bekostigingen voor aangewend mogen worden. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

1

        168

Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Rest van het artikel valt buiten het kader.

               

1

      Besluit bekostiging WPO  

1

        16

Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen tbv instandhouding

De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen hebben betrekking op de programma's van eisen.

1

        34c

Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag

Alleen van toepassing bij opheffing of beëindiging, dan dient verrekening van exploitatie overschotten plaats te vinden.

               

1

      Besluit bekostiging WEC  

1

        17

Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen tbv instandhouding

De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen hebben betrekking op de programma's van eisen.

1

        19 lid 3

Vergoeding schoolbaden

De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad hebben betrekking op de programma's van eisen.

1

        26 lid 1, 2 en 3

Vervreemding en buitengebruikstelling

In deze bepalingen wordt aangegeven dat het bevoegd gezag van een bijzondere school bij vervreemding of buitengebruikstelling van gebouwen en terreinen verplicht bekostiging moet terugbetalen aan de gemeente.

1

        28 lid 1

Vervreemding en buitengebruikstelling

In dit artikel wordt aangegeven dat een bevoegd gezag dat eigenaar is van een gebouw bij vervreemding of buitengebruikstelling verplicht een deel van de gemeente verkregen vergoeding moet terugbetalen.

               

1

1

    Besluit RVC's en regionaal zorgbudget.  

1

1

      7 lid 3

Betaling van het regionaal zorgbudget

De aangewezen school moet het zorgbudget verdelen en doorbetalen over de scholen in het samenwerkingsverband.

               

1

      Besluit trekkende bevolking WPO  

1

        A2

Afwijking van bepalingen en overeenkomstig van toepassing zijnde bepalingen van de

Lid 1 Art 4 (leerlingenvervoer) is op deze scholen niet van toepassing, dit betekent dat deze school daar wel geld aan uit mag geven. In lid 2 is aangegeven dat art 29, art 45 lid 1 en 2, art 138 en 182 van overeenkomstig van toepassing zijn.

1

        B16

Onderscheiding kosten materiële instandhouding

Geeft aan welke kosten van materiële instandhouding voor vergoeding in aanmerking komen.

1

        B23 lid 1

Overdracht van gebouwen, terreinen en roerende zaken

Indien gebouwen, terreinen of roerende zaken waarvoor een vergoeding is genoten geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken is het bevoegd gezag van een bijzondere school een bedrag aan het Rijk verschuldigd.

               

1

1

    Experimentenwet onderwijs  

1

1

      4 lid 1 en 3  

In lid 1 en 3 wordt aangegeven dat regelen en onderwijswetten van toepassing zijn.

1

1

      7d  

Dit artikel geeft aan dat voor een leerling van een speciale school voor speciaal onderwijs etc art 4 WEC overeenkomstig van toepassing is. Dus ook hier leerlingvervoer taak van de Gemeente.

               

1

1

1

1

Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010

1

1

1

1

  3 lid 2,3 en 4

Verplichtingen beleggen en belenen

In lid 2, 3 en 4 is aangegeven aan welke eisen beleggingen moeten voldoen.

               
 

1

    Wet op het voortgezet onderwijs (WVO)  
 

1

      4

Kosten van leerlingenvervoer

In dit artikel wordt aangegeven dat vervoer van leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, een taak (en kosten) van de gemeente is, hieruit blijkt dus dat de bekostiging van OCW hieraan niet besteed mag worden. Dit geldt ook voor leerlingenvervoer voor andere dan in het artikel genoemde leerlingen.

 

1

      6e lid 1

Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen

Het bevoegd gezag stelt elk leerjaar om niet aan een leerling lesmateriaal ter beschikking. Bijdragen hiervoor zijn dus niet rechtmatig.

 

1

      84 lid 1

Grondslagen berekening omvang formatie

Hierin staat beschreven waar de bekostiging voor gebruikt kan worden in relatie tot de formatie. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

 

1

      86 lid 1

Bekostiging exploitatiekosten

Geeft aan waarvoor de bekostiging van de exploitatie wordt ontvangen.

 

1

      96c.1

Bekostiging middelen door gemeente

De gemeente bekostigt aan BG van een andere dan een gemeentelijke school het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen mbt de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen. Hier mag dus geen Rijksbijdrage aan worden besteed.

 

1

      99 lid 1 tot en met 8

Besteding bekostiging

Het artikel geeft aan waaraan de bekostiging besteed moet worden. Ontslagvergoedingen zijn alleen rechtmatig als zij voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 21 juni 2011 van Min OCW met kenmerk 307660.

 

1

     

99 lid 9 (m.i.v. 1-8-2014)

Besteding bekostiging (samenwerkingsverband)

Bedragen voor personeelskosten en de materiele instandhouding van het samenwerkingsverband (art 85b en 89a) worden uitsluitend aangewend voor personeelskosten en de kosten voor materiele instandhouding van het samenwerkingsverband voor ondersteuningsvoorzieningen.

 

1

      100

Contractactiviteiten

De bedragen en bekostiging, bedoeld in art. 99, worden niet aangewend voor contractactiviteiten

               
 

1

    Bekostigingsbesluit W.V.O.  
 

1

      24

Voorschriften betreffende verrekening overschotten bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van scholen.

Alleen van toepassing bij opheffing of beëindiging, dan dient verrekening van exploitatie overschotten plaats te vinden.

               
   

1

  Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)
   

1

    1.2.1 lid 1 en lid 2

Doelstellingen onderwijs

lid 1: Alleen ten aanzien van het volgende aspect: educatie omvat alleen activiteiten op het niveau van basis onderwijs en voortgezet onderwijs. Educatie uitgaven voor andere onderwijssoorten dan genoemd zijn dus niet rechtmatig. lid 2: Beroepsonderwijs omvatten niet activiteiten op het niveau hoger onderwijs. Uitgaven voor hoger onderwijs zijn dus niet rechtmatig.

   

1

    2.2.1 lid 3 en 4

Rijksbijdrage beroepsonderwijs

Geeft aan waarvoor de bijdrage in de exploitatiekosten en in de huisvestingskosten ontvangen wordt.

   

1

    2.5.3 lid 2

Jaarrekening

Alleen ten aanzien van het volgende aspect: Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de deelnemers of examendeelnemers voor les- en cursusgeld respectievelijk examengeld. Uitgaven hiervoor zijn dus niet rechtmatig.

   

1

    2.5.9a

Verslaglegging, onderzoek, minister, controleprotocol en correctie rijksbijdrage

Alleen ten aanzien van artikel 2.5.3. lid 2 is overeenkomstig van toepassing op de rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenonderwijs.

               
   

1

  Notitie helderheid in de bekostiging 2004
   

1

   

Thema 2

Investeren van publieke middelen in private activiteiten

Investeren van publieke middelen in private activiteiten mag onder voorwaarden. Voor verdere uitleg van de toegestane aanwending en verantwoording van publieke middelen voor private activiteiten wordt verwezen naar de brief met kenmerk HO/CBV/05/22162 die staatssecretaris Rutte op 20 juli 2005 aan de Tweede Kamer heeft gezonden en de brief van 24 februari 2009 met kenmerk BVE/stelsel/104878. De instelling heeft een proces ingericht om vast te stellen of niet-gesubsidieerde of niet bekostigde activiteiten een meerwaarde hebben voor de publieke activiteiten in de zin van de door de staatssecretaris van Onderwijs omschreven wijze (Tweede Kamer 28 248, nr. 84).

   

1

   

Thema 4

Les en cursusgeld niet betaald door de deelnemer zelf.

Zie ook WEB art 2.5.3 lid 2.

               
   

1

  Subsidieregeling schoolmaatschappelijk werk in het mbo
   

1

    7

Besteding subsidie

De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. De subsidie wordt uiterlijk in het jaar volgende op het jaar van verstrekking besteed.

               
     

1

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
     

1

  2.9 lid 1 en 4  

Lid 1 Rijksbijdrage mag niet besteed worden voor het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extranei voor collegeld, examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft de financiële ondersteuning, bedoeld in artikel 7.50 derde lid, anders dan op grond van de tweede volzin van dat lid of de artikelen 7.51 tot en met artikel 7.51k, en ook niet aan het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties.

     

1

  2.12

Rijksbijdrage AZ

Doorbetaling, zie ook OAP.

     

1

  7.43 lid 1

Collegegeld verplichting

Lid 1 Elke student is wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld verschuldigd.

     

1

  7.44 lid 1

Examengeld verplichting

Lid 1 Een extraneus is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling examengeld verschuldigd.

     

1

  7.45 lid 1, 3, 4 en 5

Wettelijk collegegeld

Geeft de hoogte van het wettelijk collegegeld aan.

     

1

  7.45a

Aanspraak op wettelijk collegegeld

Geeft aan voor welke studenten in welke omstandigheden het wettelijk collegegeld verschuldigd is.

     

1

  7.45b

Collegegeld OU

Geeft aan voor welke studenten onder welke omstandigheden welk collegegeld verschuldigd is.

     

1

  7.46 lid 1 t/m 5

Instellingscollegegeld

Geeft aan voor welke studenten en op welke wijze het instellingscollegegeld verschuldigd is.

     

1

  7.48

Vermindering en vrijstelling collegegeld

Geeft aan in welke gevallen vermindering of vrijstelling van het wettelijke collegegeld is toegestaan. Alleen in de in dit artikel genoemde gevallen is vermindering toegestaan.

     

1

  7.49

Collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen vanaf het studiejaar 2005–2006

Lid 1 geeft aan dat voor de hier genoemde opleidingen het collegegeld ten hoogste 5 maal het volledige wettelijke collegegeld in art 7.45 lid 1 mag bedragen (meer is dus niet rechtmatig), lid 3 geeft aan dat collegegeld in lid 1 in de plaats komt van collegegeld in art 7.45 lid 1.

     

1

  7.51 lid 1, 2, 3 en 3a art 4 en 4a, 6 en 7

Profileringsfonds (tot 18 juli 2014)

Lid 1, 2, 3 en 3a geven aan voor welke studenten en omstandigheden het instellingsbestuur financiële voorzieningen tbv financiële ondersteuning aan studenten kan geven. In artikel 4 en 4a zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de maximale duur. Lid 6 geeft aan in welke gevallen Onze Minister een voorziening treft (uitgaven van de instelling aan deze categorie zijn dus onrechtmatig). Lid 7 geeft aan in welke gevallen een ruimere ondersteuning is toegestaan.

     

1

  7.51 lid 4 laatste zin

Profileringsfonds (tot 18 juli 2014)

De financiële ondersteuning bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bedraagt maximaal de hoogte van de opslag bedoeld in artikel 7.45 eerste lid.

     

1

 

7.51, 7.51a tot en met 7.51 j

Profileringsfonds (m.i.v. 19 juli 2014)

Deze artikelen geven aan onder welke voorwaarden, onder welke omstandigheden en met welke omvang financiële ondersteuning gegeven kan worden door de instelling.

     

1

  7.51k

Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door OM (m.i.v. 19 juli 2014)

In dit artikel is opgenomen in welke gevallen Onze Minister een voorziening treft (uitgaven van de instelling aan deze categorie zijn dus onrechtmatig()

     

1

  9.3 lid 1

Samenstelling CvB en rechtspositie leden

Het CvB bestaat uit ten hoogste 3 leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit. Meer leden zijn dus niet rechtmatig.

     

1

  10.2 lid 1

College van bestuur

Het CvB bestaat uit ten hoogste 3 leden, waaronder de voorzitter. Meer leden zijn dus niet rechtmatig.

     

1

  11.2 lid 1

Samenstelling CvB en rechtspositie leden

Het CvB bestaat uit ten hoogste 3 leden, waaronder de voorzitter. Meer leden zijn dus niet rechtmatig.

     

1

  17.10

Aanvullende afstudeersteun voor tempobeurs studenten

Aanvulling op art 7.51.

     

1

  18.76

Toepassing vervallen bepalingen waarborgfonds hogescholen

Stelt dat artikel 2.15 nog van toepassing blijft tot een nader te bepalen tijdstip.

     

1

  18.81

Vaststelling bedragen volledig wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013

Geeft de hoogte van het wettelijk collegegeld aan.

     

1

  18.82

Vaststelling bedragen gedeeltelijk wettelijk collegegeld volgens basistarief en verhoogd tarief 2012–2013

Geeft de hoogte van het wettelijk collegegeld aan.

     

1

  18.83

Vaststelling bedrag van het wettelijk collegegeld

Geeft de hoogte van het wettelijk collegegeld voor 2012–2013 aan.

               
     

1

Uitvoeringsbesluit WHW 2008  
     

1

  2.2 lid 1 en 2

Omvang collegegeld

Geeft bedragen artikel 7.45 lid 4 en lid 7.

     

1

  2.3

Uitbreiding categorie studenten wettelijk collegegeld

Ook voor studenten aan deze opleidingen is wettelijk collegegeld verschuldigd.

     

1

  2.4

Administratiekosten gespreide inning collegegeld

Geeft bedrag bedoeld in artikel 7.47 van de wet, bedraagt € 24.

     

1

  6.4 lid 3

Tegemoetkomingen aan de raad van Toezicht

Tegemoetkoming wordt verminderd bij aanvang of beëindiging in de loop van een kalenderjaar.

               
     

1

Regeling Financiën HO  
     

1

  9

Vaststelling collegegeld

Bepaalt het wettelijke collegegeld.

               
     

1

Tractaat Nederland- Vlaanderen  
     

1

 

5

 

Bepaalt dat Nederland via de Universiteit Maastricht de middelen aan de TUL beschikbaar stelt. Er bestaat dus een doorbetalingsverplichting van de UM aan de TUL van deze rijksbijdrage.

     

1

 

8 lid 2

 

De TUL stelt de hoogte van het collegegeld vast overeenkomstig de WHW.

               
     

1

Notities helderheid (2003, de aanvulling in 2004 en de nadere toelichting in 2005 aan de TK)
     

1

 

Thema 2

Investeren van publieke middelen in private activiteiten

Investeren van publieke middelen in private activiteiten mag onder voorwaarden. Voor verdere uitleg van de toegestane aanwending en verantwoording van publieke middelen voor private activiteiten wordt verwezen naar de brief met kenmerk HO/CBV/05/22162 die de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 20 juli 2005 aan de Tweede Kamer heeft gezonden. De instelling heeft een procedure ingericht om vast te stellen of niet bekostigde activiteiten een meerwaarde hebben voor de publieke activiteiten in de zin van in de brief van 20 juli 2005 van de door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de tweede kamer omschreven wijze (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 248, nr. 84).

     

1

 

Thema 5

Collegegeld niet betaald door de student zelf

Zie ook WHW art 2.9 lid 1.

               
     

1

Regeling LNV-subsidies  
     

1

  1:15

Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

Geeft aan welke kosten niet of onder voorwaarden wel subsidiabel zijn.

     

1

  4a:9

Subsidiabel kosten

Geeft aan welke kosten voor subsidie in aanmerking komen.

               
 

1

1

  Les en cursusgeldwet  
 

1

1

    6 lid 1

Algemene bepaling en nadere regeling cursusgeld

Lid 1 Bij of krachtens amvb wordt bepaald voor welke uit de openbare kas bekostigde cursussen cursusgeld is verschuldigd.

               

1

1

    Regeling InnovatieImpuls Onderwijs

1

1

      10

Subsidiabele projectkosten

In dit artikel is aangegeven welke kosten wel en niet subsidiabel zijn.

1

1

      29 lid 2

Besteding subsidie

Lid 2: ... uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt.... De subsidie wordt uiterlijk in het jaar 2014 besteed.

               
     

1

Regeling Siriusprogramma 2010  
     

1

  19

Besteding subsidie

De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. ... De subsidie wordt uiterlijk in 2014 besteed.

               
 

1

1

1

Regeling praktijkleren en Groene plus
 

1

1

1

  15 lid 1 en 2

Besteding subsidie

Lid 1 ... besteedt die bijdragen uitsluitend ten behoeve van het doel,..., lid 2 ... middelen ontvangen op grond van artikel 3 of 3a mogen pas besteed worden nadat het MIP is goedgekeurd door de Minister

 

1

1

1

  16 lid 2

Besteding subsidie

Indien een deel van de ontvangen aanvullende bijdrage in enig jaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in art 2, 3, 3a dan wel art 11, mag dit deel binnen dat doel worden besteed in navolgende jaren.

 

1

1

1

  23

Subsidiabele kosten

Dit artikel geeft aan welke kosten voor subsidie in aanmerking worden genomen.

 

1

1

1

  24

Omvang subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.

 

1

1

1

  25 lid 1

Besteding subsidie

Het verleende subsidiebedrag mag door de subsidieontvanger worden besteed gedurende een periode van één of meerdere jaren. Deze periode wordt in de beschikking bepaald.

 

1

1

1

  28 lid 3

Subsidiabele kosten

Dit lid geeft aan welke kosten subsidiabel zijn.

 

1

1

1

  32 lid 2 en 5

Besteding subsidie

Lid 2 Het verleende subsidiebedrag mag door de subsidieontvanger worden besteed gedurende een periode van één of meerdere jaren. Deze periode wordt in de beschikking bepaald. Lid 5 In afwijking van het tweede tot en met vierde lid, wordt een subsidiebedrag dat in het jaar 2015 is verleend uitsluitend in dat jaar besteed, worden alle voorschotten in dat jaar verstrekt en is het totaal aan voorschotten 100% van het te verstrekken subsidiebedrag.

               
 

1

1

1

Openstellingsbesluit groen onderwijs 2011
 

1

1

1

  14 lid 1 en 2

Subsidiabele kosten

Dit artikel geeft aan welke kosten subsidiabel zijn. In de toelichting op het artikel is aangegeven dat de volgende kosten niet subsidiabel zijn: de overheadkosten van de organisatie en personele en materiële kosten van bedrijven die in samenwerking met een of meer instellingen een aangevraagde activiteit uitvoeren (deze gelden als cofinanicering).

               
   

1

  Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010
   

1

    12 lid 2

Financiele verantwoording

Middelen die op 1 januari 2014 niet zijn besteed worden teruggevorderd.

               
 

1

1

  Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs
 

1

1

    art 12

Besteding van de subsidie

Dit artikel geeft aan waaraan en wanneer de subsidie besteed moet worden.

               
 

1

1

1

Regeling openstellingen en prioriteiten groen onderwijs 2012
 

1

1

1

  14  

Dit artikel geeft de hoogte van subsidiabele personeelskosten aan (verwijzing artikel 28 derde lid Regeling Praktijkleren en Groene Plus)

               
 

1

1

1

Regeling openstellingen groen onderwijs 2013
 

1

1

1

  2

Subsidiabele kosten

Dit artikel geeft de hoogte van subsidiabele personeelskosten aan (verwijzing artikel 28 derde lid Regeling Praktijkleren en Groene Plus)

               
   

1

  Regeling regionaal investeringsfonds mbo
   

1

    6

Besteding subsidie

Dit artikel geeft aan dat de subsidie uitsluitend besteed wordt aan de activiteiten, waarvoor zij wordt verstrekt. Eventuele niet-bestede middelen worden na afloop van de looptijd van de subsidie teruggevorderd.

   

1

    17 lid 6

Subsidievoorwaarden

De subsidie is niet bestemd voor: a. kosten van ontslag dan wel voor uitkeringen van gewezen personeelsleden van de betreffende onderwijsinstelling, als gevolg van dit voorstel of b. kosten voor nieuwbouw, verbouw of leegstand.

               
        Wet passend onderwijs

1

       

XVIII

Verdeling en overdracht nog niet bestede bekostiging REC’s en samenwerkingsverbanden primair onderwijs

Geeft aanwijzingen ten aanzien van verdeling en overdracht van middelen bij opheffing

 

1

     

XIX

Verdeling en overdracht nog niet bestede bekostiging samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs

Geeft aanwijzingen ten aanzien van verdeling en overdracht van middelen bij opheffing

               
        Regeling nadere voorschriften opting out en vermindering verplichte herbesteding in verband met overgangsbekostiging afschaffing leerlinggebonden financiering
 

1

      3

Vermindering verplichte herbesteding in schooljaar 2015–2016

In dit artikel is aangegeven onder welke voorwaarden gehele of gedeeltelijke vermindering van de herbesteding van toepassing is.

               
        Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs
          Art 8 lid 3

De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor ze is verleend.

Dit is alleen van toepassing indien het bedrag van de subsidie >= aan € 125.000, verantwoording vindt dan plaats in model G2 (zie artikel 9 lid 3)