Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen

Geldend van 20-09-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 januari 2016, nr. WJZ/717829 (10547), houdende regels over het beheer van de rijkscollectie, de subsidiëring van instellingen met een wettelijke taak tot beheer van collecties en enkele technische aanpassingen (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 2.7, 2.10, tweede lid, en 7.7 van de Erfgoedwet;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beheerder: minister wie het aangaat, college van staat of instelling die museale cultuurgoederen van de Staat beheert;

  • instelling met een wettelijke taak: instelling die op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet belast is met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie

Artikel 2.1. Bewaaromstandigheden

Een beheerder zorgt dat museale cultuurgoederen van de Staat zich bevinden in voor de desbetreffende cultuurgoederen passende bewaaromstandigheden.

Artikel 2.2. Registratie en administratie

  • 1 Een beheerder registreert museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat uit de registratie van de beheerder de actuele juridische status, standplaats en staat van de cultuurgoederen blijkt en dat de cultuurgoederen kunnen worden geïdentificeerd.

  • 2 Een beheerder registreert museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat de registraties aangesloten zijn op het geautomatiseerde systeem van de minister voor registraties van museale cultuurgoederen van de Staat.

  • 3 Voor zover een beheerder nog niet alle registraties heeft geautomatiseerd, zorgt de beheerder dat:

    • a. mutaties in de registratie overeenkomstig het tweede lid plaatsvinden; en

    • b. op planmatige wijze volledige automatisering en aansluiting op het systeem van de minister wordt gerealiseerd.

  • 4 Een beheerder bewaart de administratie van de museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat de administratie duurzaam toegankelijk is.

Artikel 2.3. Schade en restauratie

  • 1 Een beheerder houdt de schade aan een museaal cultuurgoed van de Staat in zijn administratie bij en meldt schade onverwijld aan de inspecteur.

  • 2 De minister wie het aangaat of een college van staat doet een museaal cultuurgoed van de Staat alleen restaureren na overleg met de minister.

  • 3 De minister kan een beheerder aanwijzingen geven over de restauratie van een museaal cultuurgoed van de Staat.

Artikel 2.4. De Minister van OCW; waardering en advies

  • 1 De minister stelt desgevraagd of uit eigen beweging vast of een roerende zaak waarvan de Staat eigenaar is of waarvan het beheer door een derde aan de Staat is toevertrouwd een museaal cultuurgoed van de Staat is.

  • 2 De minister adviseert desgevraagd of uit eigen beweging over het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat, zowel in algemene zin als ten aanzien van een specifiek museaal cultuurgoed.

Artikel 2.5. Schade aan derden en aansprakelijkstelling

  • 1 De minister wie het aangaat of een college van staat beheert de museale cultuurgoederen van de Staat op zodanige wijze dat het risico van schade aan derden of van aansprakelijkstelling van de Staat door derden zo klein mogelijk wordt gehouden.

  • 2 De minister wie het aangaat of een college van staat inventariseert het risico dat met de museale cultuurgoederen van de Staat aanzienlijke schade aan derden kan worden toegebracht of dat het beheer van die cultuurgoederen aanleiding kan zijn tot aansprakelijkstelling van de Staat door derden met aanzienlijke financiële gevolgen.

  • 3 Aan de hand van de schatting van de kans dat de risico’s, bedoeld in het eerste en tweede lid, zich zullen voordoen, besluit de minister wie het aangaat of het college van staat over maatregelen ter voorkoming of beperking van deze risico’s, dan wel tot herstel van de schade of de opvang van de gevolgen van aansprakelijkstelling.

  • 4 De minister wie het aangaat of een college van staat zorgt voor het administreren van gegevens over gevallen van schade of aansprakelijkstelling die verband houden met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat.

  • 5 De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden desgevraagd aan de minister overgelegd.

Artikel 2.6. Verzekering

  • 1 De minister wie het aangaat of een college van staat verzekert de risico’s van schade voor of aansprakelijkheid van de Staat, bedoeld in artikel 2.5, eerste en tweede lid, om redenen van doelmatigheid in het algemeen niet.

  • 2 Een besluit tot verzekeren van risico als bedoeld in het eerste lid, wordt genomen in overeenstemming met de Minister van Financiën.

  • 3 Na overleg tussen de minister wie het aangaat of een college van staat en de Minister van Financiën kan worden besloten dat de afwikkeling van een schade of een aansprakelijkheid namens de Staat gebeurt door de Minister van Financiën.

Hoofdstuk 3. Subsidiëring instellingen met een wettelijke taak

Artikel 3.1. Indieningstermijn

Een instelling met een wettelijke taak dient jaarlijks uiterlijk op 30 juni een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering in het daarop volgende jaar in.

Artikel 3.2. In te dienen documenten

  • 1 Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van een begroting en voor zover van toepassing een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in artikel 3.9.

  • 2 De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de wettelijke taak waarmee de instelling is belast.

  • 3 De begroting bevat een postgewijze toelichting.

  • 5 Een onderhouds- en investeringsplan gaat niet bij de aanvraag indien de instelling met een wettelijke taak er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de minister al over de meest recente versie van het plan beschikt.

Artikel 3.3. Wijze van indiening

  • 1 Voor de indiening van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van het hiervoor bestemde aanvraagformulier dat wordt bekend gemaakt op de website www.cultuursubsidie.nl.

  • 2 Een subsidieaanvraag wordt elektronisch ingediend via de website www.cultuursubsidie.nl.

Artikel 3.4. Subsidieplafonds

Voor de volgende instellingen met een wettelijke taak is voor subsidieverlening jaarlijks ten hoogste het volgende bedrag beschikbaar:

Instelling

Subsidieplafond

Stichting Film Instituut Nederland

€ 3.200.000,–

Stichting Haags Historisch Museum

€ 240.770,–

Stichting het Nederlands Openluchtmuseum, Nationaal Museum voor Nederlandse Volkskunde

€ 6.523.713,–

Stichting het Nederlands Persmuseum

€ 100.000,–

Stichting Het Nieuwe Instituut

€ 2.965.520,–

Stichting Het Rijksmuseum

€ 27.142.365,–

Stichting Joods Historisch Museum

€ 1.000.000,–

Stichting Keramiekmuseum Het Princessehof

€ 100.000,–

Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis

€ 2.353.993,–

Stichting Kröller-Müller Museum

€ 6.100.330,–

Stichting Museum Catharijneconvent

€ 2.710.528,–

Stichting Museum Slot Loevestein

€ 702.497,–

Stichting Nationaal Glasmuseum Leerdam

€ 152.000,–

Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

€ 6.315.431,–

Stichting Naturalis Biodiversity Centre

€ 12.005.981,–

Stichting Nederlands Fotomuseum

€ 400.000,–

Stichting Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum

€ 1.379.676,–

Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam

€ 5.643.221,–

Stichting Paleis Het Loo, Nationaal Museum

€ 13.678.655,–

Stichting Rijksmuseum Muiderslot

€ 429.928,–

Stichting Rijksmuseum Twenthe

€ 1.884.752,–

Stichting Rijksmuseum van Oudheden

€ 3.014.902,–

Stichting tot Beheer en Instandhouding van Teylers Museum

€ 1.700.888,–

Stichting tot beheer van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde

€ 2.377.787,–

Stichting tot Beheer van het Museum van het Boek / Museum Meermanno-Westreenianum

€ 412.119,–

Stichting tot Beheer van Huis Doorn

€ 663.177,–

Stichting tot Exploitatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie

€ 3.491.695,–

Stichting Van Gogh Museum voorheen Rijksmuseum Vincent van Gogh / Rijksmuseum H.W. Mesdag

€ 6.849.427,–

Stichting Zuiderzeemuseum

€ 4.437.899,–

Artikel 3.4a. Aanvullend bedrag loon-/prijspeil

  • 1 Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een bedrag worden toegevoegd, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden voorafgaand aan en tijdens het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid bepaalt de minister welk deel van de subsidie hij in aanmerking neemt voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden en welk deel van de subsidie hij in aanmerking neemt voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil.

Artikel 3.5. Beslistermijn

De minister beslist in enig jaar binnen dertien weken na 30 juni op de in dat jaar ingediende aanvragen.

Artikel 3.6. Voorschotten

Artikel 2.10 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.7. Subsidieverplichtingen

De artikelen 2.12 tot en met 2.14 en 2.17 tot en met 2.21 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.8. Planmatig beleid cultuurgoederen

Een instelling met een wettelijke taak baseert het planmatig beleid voor het beheer van de cultuurgoederen of verzamelingen op een actuele analyse van de stand van het beheer en beschrijft in het beleid tenminste:

  • a. de te bereiken doelen op in ieder geval de gebieden behoud van de cultuurgoederen en veiligheidszorg; en

  • b. de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd.

Artikel 3.9. Verplichtingen rond gebouwen

  • 1 De volgende instellingen met een wettelijke taak beschikken voor gebouwen waarin cultuurgoederen worden beheerd waar de taak op ziet, over een actueel meerjarig onderhouds- en investeringsplan:

    • a. instellingen die eigenaar zijn van die gebouwen; en

    • b. instellingen die met het Rijksvastgoedbedrijf een huurovereenkomst hebben gesloten over die gebouwen en waarbij overeengekomen is dat de instelling verantwoordelijk is voor de instandhouding van de gebouwen.

  • 2 Een instelling als bedoeld in het eerste lid dient telkens na vier jaar een actueel onafhankelijk bouwkundig inspectierapport van de gebouwen in. De eerste indiening vindt plaats voor 1 januari 2020.

Artikel 3.10. Aanvraag tot vaststelling

  • 2 Indien aan de instelling met een wettelijke taak geen vierjaarlijkse instellingssubsidie in dezelfde periode is verleend, dient de instelling tussen acht en dertien weken na afloop van enig kalenderjaar over dat kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 3 Aanvragen die worden ingediend voorafgaand aan de termijn, bedoeld in het tweede lid, worden geacht ontvangen te zijn op de eerste dag van die termijn.

Artikel 3.11. Verantwoording

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een jaarrekening en een bestuursverslag.

Artikel 3.12. Beschikking tot vaststelling

Artikel 2.29 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van een verleende subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 3.13. Besteding resterende middelen

Indien na uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet, de subsidie niet volledig is aangewend en lange termijn investeringsreserves zijn aangehouden voor het beheer van de cultuurgoederen of de instandhouding van gebouwen, zoals opgenomen in de begroting voor het desbetreffende jaar, dan kan de instelling de resterende middelen besteden aan publieksactiviteiten of andere activiteiten in het kader van de cultuurgoederen.

Hoofdstuk 4. Wijziging andere regelingen

Artikel 4.1. Subsidieregeling instandhouding monumenten

[Red: Wijzigt de Subsidieregeling instandhouding monumenten.]

Artikel 4.2. Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten

[Red: Wijzigt de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.]

Artikel 4.3. Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

[Red: Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.]

Artikel 4.4. Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monument en gelegen buiten Nederland

[Red: Wijzigt de Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland.]

Artikel 4.5. Regeling omgevingsrecht

[Red: Wijzigt de Regeling omgevingsrecht.]

Artikel 4.6. Wijziging Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017–2020

[Red: Wijzigt de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020.]

Artikel 4.7. Wijziging Regeling op het specifiek cultuurbeleid

[Red: Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.]

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Inwerkingtreding

  • 3 De artikelen 4.6 en 4.7 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werken terug tot en met 4 november 2015.

Artikel 5.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker