Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten

Geldend van 01-01-2016 t/m heden

Regeling van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie van 16 december 2015, nr. 2015-0000750287 DCB/CZW/JA, houdende regels over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in § 3.2.2 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 ter bescherming van de vertrouwelijke communicatie tussen een advocaat en een rechtzoekende en ter bescherming van de bron van een journalist (Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten)

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. advocaat: advocaat als bedoeld in:

    • 1. de Advocatenwet of de Advocatenwet BES;

    • 2. artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PbEG 1977, 78), voor zover werkzaam in de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte;

  • b. commissie: de tijdelijke toetsingscommissie, bedoeld in artikel 9;

  • c. journalist: degene die beroepsmatig informatie verzamelt, verspreidt of publiceert ten behoeve van het publieke debat;

  • d. de betrokken minister:

    • 1. ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst:

      de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • 2. ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst:

      de Minister van Defensie;

  • e. wet: de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002;

  • f. commissie van toezicht: de commissie bedoeld in artikel 64 van de wet.

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in paragraaf 3.2.2 van de wet, voor zover die uitoefening:

  • a. er toe kan leiden dat kennis wordt genomen van de vertrouwelijke communicatie tussen een advocaat en een rechtzoekende, of

  • b. jegens een journalist plaatsvindt en gericht is op het achterhalen van diens bron.

Artikel 3

  • 1 Indien de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst voornemens is toestemming te verlenen voor de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, vraagt de minister de commissie ter zake vooraf om advies.

  • 2 Ten behoeve van haar advies toetst de commissie het verzoek aan het bepaalde bij en krachtens de wet. Zij brengt zo spoedig mogelijk advies uit.

  • 3 Ingeval de commissie negatief adviseert verleent de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst geen toestemming voor de uitoefening van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid.

  • 4 Indien onverwijlde spoed toepassing van het eerste lid niet toelaat, legt de betrokken minister nadat hij of namens hem het hoofd van een dienst toestemming heeft verleend, deze beslissing onverwijld voor aan de commissie. Als de commissie negatief adviseert trekt de betrokken minister of namens hem het hoofd van een dienst de reeds verleende toestemming in, beëindigt de dienst direct de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid en worden daarmee verkregen gegevens terstond vernietigd.

  • 5 Van een negatief advies als bedoeld in het eerste en vierde lid doet de betrokken minister mededeling aan de commissie van toezicht.

  • 6 Onverminderd het vierde lid geldt een verleende toestemming voor ten hoogste vier weken en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor eenzelfde periode.

Artikel 4

  • 1 Het verzoek om toestemming bevat, onverminderd de eisen die uit de wet voortvloeien, ten minste:

    • a. de mededeling dat het de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid betreft jegens een advocaat of een journalist als bedoeld in artikel 2;

    • b. een aanduiding van de bijzondere bevoegdheid waarvoor toestemming wordt gevraagd en een uitgebreide motivering in hoeverre voldaan is aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit;

    • c. een motivering waarom het belang van een goede taakuitvoering zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de vertrouwelijke communicatie tussen de advocaat en een rechtzoekende, onderscheidenlijk het belang van de bescherming van de bron van de journalist.

  • 2 Op een verzoek van het hoofd van de dienst aan de rechtbank Den Haag om een last als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Van een dergelijk verzoek doet het hoofd van de dienst vooraf mededeling aan de betrokken minister.

Artikel 5

Ingeval van uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet wordt door het hoofd van de dienst diens voornemen daartoe door tussenkomst van de minister voor advies voorgelegd aan de commissie. Artikel 3, tweede tot en met zesde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. De commissie brengt haar advies uit aan de betrokken minister.

Artikel 6

Op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 2 is een verleend ondermandaat tot het geven van toestemming als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet niet van toepassing.

Artikel 7

  • 1 Indien bij de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid jegens een ander dan een advocaat, gegevens worden verworven die betrekking hebben op de vertrouwelijke communicatie tussen een advocaat en een rechtzoekende, worden deze gegevens terstond vernietigd, tenzij de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is voor het onderzoek in het kader waarvan die gegevens zijn verworven en de betrokken minister daartoe toestemming heeft verleend. Ingeval de toestemming niet wordt verleend, worden de gegevens terstond vernietigd. Van de vernietiging wordt een verslag opgesteld.

  • 2 Voor het geven van de toestemming, bedoeld in het eerste lid, is artikel 3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

Indien bij de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in deze regeling jegens een advocaat, gegevens worden verkregen die van belang kunnen zijn voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten, wordt indien verstrekking aan het openbaar ministerie noodzakelijk wordt geacht, voorafgaand aan de verstrekking op grond van artikel 38 van de wet advies ingewonnen van de commissie. Indien de commissie negatief adviseert blijft verstrekking achterwege.

Artikel 9

  • 1 Er is een tijdelijke onafhankelijke toetsingscommissie bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten.

  • 2 De commissie heeft tot taak om advies uit te brengen aan de betrokken minister of aan het hoofd van de dienst naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.

Artikel 10

  • 1 De commissie bestaat uit een lid en een plaatsvervangend lid.

  • 2 Als lid van de commissie wordt benoemd de voorzitter van de commissie van toezicht.

  • 3 Het plaatsvervangend lid wordt bij ministerieel besluit van de betrokken ministers gezamenlijk benoemd.

  • 4 Aan de leden dient door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht te zijn verleend, dan wel dienen de leden aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren te hebben verkregen.

Artikel 11

  • 1 De commissie wordt ondersteund door een secretaris.

  • 2 De secretaris is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

Artikel 12

  • 1 De betrokken ministers en de hoofden van de diensten verstrekken desgevraagd aan de commissie alle inlichtingen en verlenen haar alle overige medewerking die zij voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht. Artikel 73, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

R.H.A. Plasterk

De

Minister

van Defensie,

J.A. Hennis-Plasschaert