Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders[Regeling vervalt per 01-01-2021.]

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 december 2015, nr. 2015-00000731519, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie (Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. basisregistratie personen: de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen;

  • b. DAEB-vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU 2012, L 7), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • c. huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  • d. Kaderbesluit: het Kaderbesluit BZK-subsidies;

  • e. minister: de minister voor Wonen en Rijksdienst;

  • f. vergunninghouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • g. verklaring van budgetreservering: een verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid;

  • h. woonvoorziening: een woonvoorziening die geschikt is voor de huisvesting van ten minste vier meerderjarige personen.

Artikel 2. Doel subsidie

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de realisatie en het gedurende vijf jaar in stand houden van nieuwe woonvoorzieningen ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders.

  • 2 Voor zover de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet als publieke taak door bestuursorganen worden verricht, zijn die activiteiten diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in:

    • a. artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en

    • b. het DAEB-vrijstellingsbesluit.

Artikel 3. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt € 6250, vermenigvuldigd met het aantal vergunninghouders dat op de datum waarop de subsidieaanvraag wordt ingediend, als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen met als woonadres het adres van de woonvoorziening ten aanzien waarvan subsidie wordt verstrekt.

  • 2 De subsidie bedraagt in totaal ten hoogste € 15.000.000 per subsidieontvanger per jaar.

  • 3 Indien aan een subsidieontvanger in enig jaar tevens een heffingsvermindering als bedoeld in artikel 1.11 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II is toegekend, bedraagt de subsidie voor die subsidieontvanger voor dat jaar, in afwijking van het tweede lid, in totaal ten hoogste € 15.000.000, verminderd met het bedrag dat in totaal in dat jaar als heffingsvermindering is toegekend.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 Voor de verstrekking van subsidie op grond van deze regeling geldt een subsidieplafond van € 87.500.000.

  • 2 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld op basis van de afgifte van verklaringen van budgetreservering.

Artikel 5. Aanmelding van voornemen

  • 1 Een verklaring van budgetreservering kan tot en met 31 december 2018 worden aangevraagd door middel van aanmelding bij de minister van een voornemen om een nieuwe woonvoorziening ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders te realiseren.

  • 2 Een aanmelding betreft de voorgenomen realisatie van één woonvoorziening.

  • 3 De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en bevat in ieder geval:

    • a. een aanduiding van de locatie van de te realiseren woonvoorziening aan de hand van de postcode en het adres dan wel de kadastrale aanduiding;

    • b. de vermelding of de te realiseren woonvoorziening nieuwbouw of ombouw van niet voor wonen bestemde ruimten betreft;

    • c. een omschrijving van de aard van de te realiseren woonvoorziening;

    • d. de vermelding van het beoogde aantal in de woonvoorziening te huisvesten vergunninghouders;

    • e. de vermelding van de beoogde huurprijs per vergunninghouder.

  • 4 Indien de aanmelder geen toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, kan de minister hem verzoeken om informatie te verstrekken over zijn financiële positie.

Artikel 6. Verklaring van budgetreservering

  • 1 De minister geeft met betrekking tot een aanmelding, bedoeld in artikel 5, een verklaring van budgetreservering af. In een verklaring van budgetreservering wordt vermeld welk bedrag is gereserveerd voor een subsidieaanvraag op grond van deze regeling die betrekking heeft op de woonvoorziening waarvan de voorgenomen realisatie met toepassing van artikel 5 is aangemeld. De afgifte vindt plaats op volgorde van de datum van ontvangst van de aanmeldingen. Artikel 9, eerste lid, van het Kaderbesluit is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De reservering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 6250, vermenigvuldigd met het beoogde aantal in de woonvoorziening te huisvesten vergunninghouders.

  • 3 De minister geeft geen verklaring van budgetreservering af indien:

    • a. de aanmelding niet voldoet aan de in artikel 5 gestelde eisen;

    • b. er gegronde reden is te vermoeden dat de aanmelder de te realiseren woonvoorziening niet zal realiseren;

    • c. de te realiseren woonvoorziening het ombouwen van voor wonen bestemde ruimte betreft;

    • d. de woonvoorziening vóór 1 december 2015 is gerealiseerd;

    • e. volgens de aanmelding een onaannemelijk groot aantal vergunninghouders in de te realiseren woonvoorziening gehuisvest zal worden;

    • f. er gegronde reden is te vermoeden dat er minder dan vier vergunninghouders in de te realiseren woonvoorziening zullen worden gehuisvest;

    • g. er met betrekking tot de te realiseren woonvoorziening reeds een verklaring van budgetreservering is afgegeven en deze verklaring niet met toepassing van het zesde lid is ingetrokken; of

    • h. door de afgifte ervan in totaal meer dan € 87.500.000 gereserveerd zou zijn.

  • 4 Indien op de dag waarop de grens van € 87.500.000, bedoeld in het derde lid, onder h, wordt bereikt meer dan één aanmelding als bedoeld in artikel 5 ontvangen is, wordt de onderlinge rangschikking van die aanmeldingen vastgesteld door middel van loting.

  • 5 Een verklaring van budgetreservering vervalt na 24 maanden na de dagtekening ervan.

  • 6 De minister kan een verklaring van budgetreservering op verzoek van de ontvanger ervan intrekken. Met betrekking tot de woonvoorziening, waarop de ingetrokken verklaring van budgetreservering betrekking had, kan opnieuw aanmelding overeenkomstig artikel 5 plaatsvinden.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1 Een subsidieaanvraag wordt binnen 24 maanden na de dagtekening van de afgifte van de verklaring van budgetreservering ingediend.

  • 2 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

  • 3 Een aanvraag heeft betrekking op één woonvoorziening. Een natuurlijke- of rechtspersoon kan meerdere aanvragen indienen.

  • 4 In afwijking van artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens, verklaringen en bescheiden:

    • a. het adres en de postcode van de desbetreffende woonvoorziening;

    • b. het aantal vergunninghouders dat in de woonvoorziening is gehuisvest;

    • c. een verklaring dat per vergunninghouder per maand een huurprijs van ten hoogste € 146,45 geldt bij de verhuur van een woonruimte die als niet zelfstandige woning in de woonvoorziening is verhuurd, of per vergunninghouder een huurprijs van ten hoogste € 113,63 bij de verhuur van de woonvoorziening als zelfstandige woning;

    • d. het kenmerk en de vervaldatum van de verklaring van budgetreservering die met betrekking tot de in de aanvraag genoemde woonvoorziening is afgegeven;

    • e. indien van toepassing, het L-nummer van de aanvrager;

    • f. indien van toepassing, het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

    • g. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, zijn BSN-nummer, en

  • 5 het bankrekeningnummer dat op naam staat van de aanvrager en waarnaar het subsidiebedrag dient te worden overgemaakt.

Artikel 8. Afwijzingsgronden

  • 1 De subsidieaanvraag wordt afgewezen als:

    • a. de woonvoorziening is gerealiseerd vóór 1 december 2015;

    • b. de woonvoorziening is gerealiseerd door het ombouwen van voor wonen bestemde ruimte of ruimten;

    • c. met betrekking tot de in de aanvraag genoemde woonvoorziening geen verklaring van budgetreservering is afgegeven, of

    • d. op de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend blijkens de basisregistratie personen minder dan vier vergunninghouders in de in de subsidieaanvraag genoemde woonvoorziening wonen.

  • 2 De minister verstrekt niet meer subsidie dan het bedrag dat met betrekking tot de in de aanvraag genoemde woonvoorziening op grond van de verklaring van budgetreservering is gereserveerd.

Artikel 9. Wijze van subsidieverstrekking

Op een subsidie op grond van deze regeling zijn de bepalingen van het Kaderbesluit inzake een subsidie van lager dan € 25.000 van toepassing, met dien verstande dat toepassing wordt gegeven aan artikel 16, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht de woonvoorziening als zodanig gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend, in stand te houden.

  • 2 In het geval de woonruimten als onzelfstandige woningen in de woonvoorziening zijn verhuurd, ontvangt de subsidieontvanger geen hogere huurprijs dan € 146,45 per vergunninghouder per maand.

  • 3 In het geval de woonvoorziening als zelfstandige woning wordt verhuurd, ontvangt de subsidieontvanger geen hogere huurprijs dan € 113,63 per vergunninghouder per maand.

  • 4 De verplichting, bedoeld in het tweede en derde lid, geldt niet voor zover er meer vergunninghouders in de woonvoorziening wonen dan het aantal waarop de hoogte van de subsidie ingevolge artikel 3 is gebaseerd.

Artikel 11. Vaststelling subsidie

  • 1 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld na afloop van de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

  • 2 De subsidie wordt op € 0 vastgesteld, als de subsidieontvanger niet voldaan heeft aan de verplichtingen, genoemd in artikel 10.

Artikel 12. Administratieverplichting

De subsidieontvanger administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten, bedoeld in artikel 2 op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie.

Artikel 13

Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling stelt de minister een verslag vast over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2016 en vervalt op 1 januari 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok