Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling examenprogramma Staatsexamens NT2 2017[Regeling vervalt per 31-12-2017.]

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 5 oktober 2015 CvTE-15.01895, houdende vaststelling van het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2017 (Regeling examenprogramma Staatsexamens NT2 2017)

Het College voor Toetsen en Examens,

Gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens; en het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal artikel 10, eerste lid.

Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 9 december 2015, nummer 859683.

Besluit:

Artikel 1. Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2017

Het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2017 wordt vastgesteld zoals aangegeven in de bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017 ten behoeve van de Staatsexamens NT2 in 2017 en vervalt per 31 december 2017.

Artikel 3. Citeertitel en bekendmaking

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma Staatsexamens NT2 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Het College voor Toetsen en Examens,

de voorzitter,

P.J.J. Hendrikse

Bijlage behorende bij artikel 1 van de Regeling examenprogramma Staatsexamens NT2 2017, van 5 oktober 2015, nummer CvTE-15.01895

Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal

1. Examenstof

Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal heeft tot doel personen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is in staat te stellen een bewijs van voldoende taalbeheersing te behalen. Het examen toetst of de kandidaat voldoende kennis, inzicht en vaardigheden verworven heeft om zich op adequate wijze van het Nederlands te kunnen bedienen in het kader van werk en opleiding, alsmede in het kader van het maatschappelijk functioneren en de sociale contacten die daaruit voortvloeien.

In het Staatsexamen Nederlands als tweede taal worden onderzocht:

  • a. de leesvaardigheid;

  • b. de luistervaardigheid;

  • c. de schrijfvaardigheid;

  • d. de spreekvaardigheid.

Het examenprogramma is ontleend aan de examenstof zoals omschreven in het Eindrapport van de Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal1. De inhoud van de opdrachten is, conform dit advies, gerelateerd aan Nederlandse opleiding- en werksituaties en aan situaties in het openbare dagelijkse leven in Nederland. Het examen doet daarmee tevens een beroep op kennis van de Nederlandse samenleving.

Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal kent, conform artikel 2 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, twee programma’s: programma I en programma II. Programma I toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in opleidingen op mbo 3- en 4-niveau en, in op dat niveau van geschoolde arbeid gelegen, functies op de arbeidsmarkt. Programma II toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in het hoger onderwijs en in middenkader en hogere functies op de arbeidsmarkt.

2. Beoordeling

Het College voor Toetsen en Examens stelt bij het vaststellen van de examens en de daarbij behorende beoordeling een cesuur vast. Deze kan, nadat het examenonderdeel is afgenomen en de gegevens bekend zijn, door het College eventueel bijgesteld worden. De kandidaat is geslaagd indien het resultaat voldoende is.

Het examenwerk van de examenonderdelen Lezen en Luisteren wordt automatisch gescoord. Het examenwerk van de examenonderdelen Spreken en Schrijven wordt door onafhankelijke daartoe door het College voor Toetsen en Examens bevoegd verklaarde beoordelaars beoordeeld. Het examen van een kandidaat wordt ten behoeve van de beoordeling opgedeeld in losse opdrachten en elke opdracht wordt door tenminste twee beoordelaars beoordeeld. Gemiddeld zijn er 16 verschillende beoordelaars betrokken bij het beoordelen van een schrijfexamen en 13 bij een spreekexamen. Bij de beoordeling wordt afhankelijk van de aard van de opdrachten gebruik gemaakt van verschillende dichotome en meerpuntsschalen.

1 Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal (1991), Certificaten Nederlands als tweede taal. Startbewijzen voor onderwijs en arbeidsmarkt. Publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Toelichting per examenonderdeel

a. Leesvaardigheid

Het examenonderdeel Lezen wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt met behulp van een computer een aantal vragen naar aanleiding van in een boekje afgedrukte teksten. Daaruit moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Handelingen

  • 1. De kandidaat kan zich oriënteren op tekstsoort, intenties van de auteur, publiek, opbouw en inhoud van een tekst, met gebruikmaking van tekstkenmerken zoals lay-out, illustraties, koppen, tussenkoppen en aanhef.

  • 2. De kandidaat kan informatie over de hoofdzaken van een tekst vinden en begrijpen.

  • 3. De kandidaat kan de strekking van (relevante) gedeelten van een tekst ook in detail bepalen.

  • 4. De kandidaat kan, gegeven een bepaalde informatiebehoefte, specifieke informatie in een tekst opzoeken, weergeven en ordenen.

Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:

  • 1. De tekstonderwerpen zijn niet-fictioneel.

  • 2. De teksten zijn geschreven voor een niet-gespecialiseerd publiek.

  • 3. De teksten zijn informatief, instructief, beschouwend of persuasief van aard of bedoeld om informatie te verkrijgen en niet-diverterend.

  • 4. De teksten zijn authentiek of hebben de kenmerken van authentieke teksten.

Condities

  • 1. Bij het lezen van teksten is het gebruik van maximaal 3 woordenboeken toegestaan. Elektronische hulpmiddelen, zoals een digitaal woordenboek, zijn niet toegestaan.

  • 2. Het uitvoeren van de voornoemde handelingen op voornoemde teksten moet binnen een gestelde tijdlimiet gerealiseerd worden.

Onderscheid Programma I en Programma II

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I.

Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands (De Kleijn en Nieuwborg 1996). In de vragen bij de opgaven worden evenmin woorden bevraagd die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands, tenzij die woorden in de tekst worden verklaard. Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen. De duur van het examen van Programma I is 110 minuten. De duur van het examen van Programma II is 100 minuten.

b. Luistervaardigheid

Het examenonderdeel Luisteren wordt afgenomen in één zitting en bestaat uit drie delen. De kandidaat beantwoordt een aantal meerkeuzevragen naar aanleiding van luisterteksten. De luisterteksten worden samen met de meerkeuzevragen aangeboden via de computer. Het CvTE kan bij de meerkeuzevragen beeldmateriaal opnemen. Het CvTE zal dat vroegtijdig aan docenten, opleiders en cursisten meedelen.

Uit het beantwoorden van de vragen moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Handelingen

  • 1. De kandidaat kan informatie over de hoofdzaken van een tekst verstaan en begrijpen.

  • 2. De kandidaat kan de strekking van (relevante) gedeelten van een tekst ook in detail verstaan en begrijpen.

Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:

  • 1. De tekstonderwerpen zijn niet-fictioneel.

  • 2. De teksten zijn gericht op een niet-gespecialiseerd publiek.

  • 3. De teksten zijn informatief, instructief, beschouwend of persuasief van aard en niet-diverterend.

  • 4. De teksten zijn authentiek of hebben de kenmerken van authentieke teksten.

  • 5. De teksten zijn spontaan gesproken.

  • 6. Er wordt geen receptieve beheersing van Nederlandse dialecten en/of sociolecten getoetst. De teksten kunnen wel door dialecten en/of sociolecten gekleurd zijn, dat wil zeggen dat er teksten kunnen voorkomen waarbij men kan horen uit welke regio of groepering de spreker afkomstig is.

  • 7. De spreker houdt geen rekening met een van huis uit niet-Nederlandstalige toehoorder of gesprekspartner.

Condities

  • 1. De kandidaat weet vooraf op welke zaak of zaken de aandacht gericht moet worden doordat de instructie uitsluitsel geeft over het doel van de uit te voeren taalhandeling(en).

  • 2. Voor het uitvoeren van de voornoemde handelingen worden de luisterteksten één keer ten gehore gebracht.

Onderscheid Programma I en Programma II

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in programma I.

Voor Programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands (De Kleijn en Nieuwborg 1996). In de vragen bij de opgaven worden evenmin woorden bevraagd die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands, tenzij die woorden in de tekst worden verklaard. Voor Programma II zijn er wat betreft het woordgebruik geen beperkingen.

c. Schrijfvaardigheid

Het examenonderdeel Schrijven wordt afgenomen in één zitting met twee delen. In Programma I worden deelschrijftaken en korte schrijftaken onderscheiden, in Programma II deelschrijftaken, korte schrijftaken en middellange schrijftaken. In het examenonderdeel schrijven wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Handelingen

  • 1. De kandidaat kan inlichtingen geven en vragen.

  • 2. De kandidaat kan gevoelens, belangstelling en voorkeur tot uitdrukking brengen en ernaar vragen.

  • 3. De kandidaat kan meningen geven en vragen.

  • 4. De kandidaat kan bedanken, feliciteren, zich verontschuldigen, uitnodigen.

  • 5. De kandidaat kan voorwerpen, personen, figuren en processen beschrijven.

  • 6. De kandidaat kan instrueren.

  • 7. De kandidaat kan verslag uitbrengen.

  • 8. De kandidaat kan beoordelen, argumenteren en bepleiten.

  • 9. De kandidaat kan een plan uitwerken, een toelichting geven en een rapport opstellen.

  • 10. De kandidaat kan formulieren en andere gestandaardiseerde vragenlijsten invullen.

  • 11. De kandidaat kan een advies geven, een wervende tekst schrijven en een vergelijking maken.

Bovenstaande handelingen monden uit in teksten met de volgende kenmerken:

  • 1. De tekstonderwerpen zijn niet-fictioneel.

  • 2. De teksten variëren in lengte.

Kwaliteit van de uitvoering

  • 1. Het schrijfproduct is in de gegeven situatie adequaat.

  • 2. Het schrijfproduct is leesbaar.

  • 3. Het schrijfproduct maakt hoofdzaken en relevante details duidelijk.

  • 4. Het schrijfproduct is – wanneer het een langere tekst betreft – duidelijk gestructureerd.

  • 5. Het schrijfproduct bevat relevante standaardformuleringen en briefconventies.

  • 6. Het schrijfproduct voldoet aan eisen van formele correctheid waarbij enige fouten in de spelling en/of grammatica zijn toegestaan.

  • 7. De opmaak van de tekst is helder en passend en het gebruik van leestekens is adequaat.

Condities

  • 1. Bij het schrijven van teksten mogen maximaal 3 woordenboeken worden gebruikt, met uitzondering van het Van Dale Synoniemenwoordenboek en het van Dale Spreekwoordenboek. Elektronische hulpmiddelen, zoals een digitaal woordenboek, zijn niet toegestaan.

  • 2. Het schrijven van de voornoemde teksten moet binnen een gestelde tijdslimiet gerealiseerd worden. De duur van het examen is 120 minuten.

  • 3. Bij het examenonderdeel Schrijven wordt gebruik gemaakt van het beeldscherm en het toetsenbord bij een computer.

Onderscheid tussen Programma I en Programma II

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concreet, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I. In Programma I worden deelschrijftaken en korte schrijftaken onderscheiden, in Programma II deelschrijftaken, korte schrijftaken en middellange schrijftaken.

d. Spreekvaardigheid

Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in één zitting en kent verschillende typen opdrachten. In Programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in Programma II korte, middellange en lange opdrachten. De opdrachten worden zowel mondeling als schriftelijk (op een beeldscherm) aangeboden.

Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in een digitaal talenpracticum. In het examenonderdeel Spreken wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Handelingen

  • 1. De kandidaat kan inlichtingen geven en vragen.

  • 2. De kandidaat kan gevoelens, belangstelling en voorkeur tot uitdrukking brengen en ernaar vragen.

  • 3. De kandidaat kan genuanceerd standpunten en meningen weergeven, verklaren, beargumenteren en becommentariëren.

  • 4. De kandidaat kan bedanken, feliciteren, zich verontschuldigen, uitnodigen.

  • 5. De kandidaat kan beoordelen, bepleiten, klagen en onderhandelen.

  • 6. De kandidaat kan instrueren.

  • 7. De kandidaat kan voorwerpen, personen, figuren, gebeurtenissen en processen beschrijven.

  • 8. De kandidaat kan een gesprek, bijdrage of antwoord beginnen en afsluiten.

  • 9. De kandidaat kan aandacht vragen, verduidelijkingen en herhalingen bewerkstelligen.

Bovenstaande handelingen monden uit in spreekopdrachten met de volgende kenmerken:

  • 1. De tekstonderwerpen zijn niet-fictioneel.

  • 2. De teksten variëren in lengte.

Kwaliteit van de uitvoering

  • 1. Het spreekproduct is in de gegeven situatie adequaat.

  • 2. Het spreekproduct is verstaanbaar.

  • 3. De spreker maakt hoofdzaken en relevante details duidelijk.

  • 4. Het spreekproduct is – wanneer het een langere tekst betreft – duidelijk gestructureerd.

  • 5. Het spreekproduct bevat relevante standaardformuleringen.

  • 6. Het spreekproduct is passend bij situatie, onderwerp en gesprekspartner(s).

  • 7. Het spreekproduct voldoet aan eisen van formele correctheid waarbij enige fouten in uitspraak en/of grammatica zijn toegestaan.

Condities

  • 1. Bij het voorbereiden van langere spreektaken wordt enige voorbereidingstijd gegeven.

  • 2. Het produceren van de voornoemde gesproken teksten moet binnen een gestelde tijdlimiet gerealiseerd worden.

Onderscheid Programma I en Programma II

Het onderscheid tussen Programma I en Programma II komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in Programma II hoger is. In Programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in Programma I. In Programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in Programma II korte, middellange en lange opdrachten.