Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen

Geldend van 01-07-2015 t/m heden

Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 29 juni 2015, nr. 2015000035533 tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw inzake het nemen van besluiten ter bevordering van de financiële sanering van toegelaten instellingen (Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen)

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht,

Gelet op artikel 59, tweede lid, van de Woningwet,

Gelet op de schriftelijke instemming van de directie van WSW, d.d. 29 juni 2015

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister voor Wonen en Rijksdienst;

  • b. ministerie: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • c. WSW: Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw;

  • d. Autoriteit: Autoriteit woningcorporaties, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Woningwet;

  • e. Directie: directie van WSW.

Artikel 2

  • 2 Aan de Directie wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen inzake de financiële saneringen van toegelaten instellingen, bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Woningwet zoals dit luidde voor 1 juli 2015, waartoe voorafgaand aan of na de inwerkingtreding van dit besluit is besloten.

  • 3 Aan de Directie wordt volmacht verleend voor het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3

  • 1 Het op grond van dit besluit verleende mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.

  • 2 De Directie legt de beleidsregels voor voorafgaande schriftelijk instemming voor aan de minister. Deze beleidsregels:

    • a. worden voor het eerst vastgesteld op 1 november 2015. De Directie legt deze uiterlijk 1 oktober 2015 voor aan de minister;

    • b. worden vanaf 2016 jaarlijks vastgesteld voor het daarop volgende kalenderjaar.

  • 3 Deze beleidsregels bevatten in ieder geval de volgende onderwerpen:

    • a. de heffing en kwijtschelding van de saneringsbijdrage;

    • b. het moment waarop een toegelaten instelling in aanmerking komt voor sanering;

    • c. het betrekken van de gemeentelijke zienswijze bij de beoordeling van een saneringsplan;

    • d. de door het WSW te hanteren termijnen ten behoeve van de saneringsaanvraag en beoordeling.

Artikel 4

  • 1 De Directie begroot jaarlijks voor het daarop volgende kalenderjaar het bedrag ten behoeve van het verstrekken van subsidies als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet en het bedrag ten behoeve van de dekking van de kosten die gemoeid zijn met de verstrekking van deze subsidies.

  • 2 Deze begroting wordt jaarlijks uiterlijk 1 september voor schriftelijke instemming aan de minister voorgelegd.

  • 3 Deze begroting gaat vergezeld van:

    • a. een sluitende en deugdelijke onderbouwing;

    • b. een overzicht van de omvang van het saneringsfonds;

    • c. de noodzakelijke geachte buffer en onderbouwing daarvan;

    • d. de toegezegde bijdragen, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Woningwet en een meerjaren prognose van de verwachte uitbetaling daarvan.

Artikel 5

  • 1 De Directie verstrekt de minister uiterlijk 1 september 2015 een onderbouwd voorstel voor de heffing per toegelaten instelling, inclusief de onderliggende berekening.

  • 2 De Directie berekent vervolgens jaarlijks de voorgestelde heffing voor de sanering per toegelaten instelling voor het lopende jaar, waarbij de begrotingen, bedoeld in artikel 4 van dit besluit, waarop de minister in het voorgaande jaar schriftelijke instemming heeft verleend als uitgangspunt dienen.

  • 3 De voorgestelde heffing per toegelaten instelling, bedoeld in het tweede lid wordt jaarlijks, inclusief de onderliggende berekening, uiterlijk 1 september aan de minister voorgelegd, voor het eerst in september 2016.

Artikel 6

De Directie houdt een zodanige administratie bij dat:

  • a. de registratie van de lasten en baten van de activiteiten die WSW uitoefent met het oog op het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen en die van de activiteiten die worden uitgeoefend ten behoeve van de met dit besluit verleende bevoegdheden gescheiden zijn;

  • b. alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;

  • c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.

Artikel 7

  • 1 De Directie stelt een beschrijving op van het interne proces ten aanzien van de met dit besluit verleende bevoegdheden en verstrekt deze aan de minister.

  • 2 In de beschrijving van het proces, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval ingegaan op de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de besluitvorming omtrent de gemandateerde bevoegdheden ten behoeve van een toegelaten instelling door een andere medewerker worden voorbereid dan degene die de besluiten in het kader van de borging voor diezelfde toegelaten instelling heeft voorbereid of voorbereidt.

Artikel 8

  • 2 De Directie betrekt de zienswijze, bedoeld in het eerste lid, mits binnen 10 werkdagen verstrekt, gemotiveerd bij het besluit op het saneringsplan en het besluit tot het al dan niet verstrekken van de subsidie.

  • 3 De Directie stelt samen met de Autoriteit uiterlijk 1 januari 2016 een informatieprotocol vast.

Artikel 9

De Directie stemt de met dit besluit verleende bevoegdheden af met de werkzaamheden die WSW uitoefent met het oog op het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen, bedoeld in artikel 59, derde lid, onder b, van de Woningwet. Daartoe wordt bij de besluitvorming zeker gesteld dat voldaan wordt aan de minimale eisen om de toegelaten instelling op basis van het saneringsplan en de toegekende subsidie gedurende de sanering voor de noodzakelijke borging in aanmerking te laten komen.

Artikel 10

De minister geeft op voorstel van de Directie een toegelaten instelling een aanwijzing op basis van artikel 61d van de Woningwet of legt op voorstel van de Directie een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op basis van artikel 105 van de Woningwet op, indien een toegelaten instelling:

Artikel 11

  • 1 De Directie kan voor de in de artikelen 2 en 3 bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

  • 2 De Directie kan de volmacht, bedoeld in artikel 2, derde lid, verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

  • 3 Het verlenen van volmacht, ondermandaat of machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk.

  • 4 Een afschrift van een besluit inzake volmacht, ondermandaat en machtiging als bedoeld in het derde lid wordt gezonden aan de minister en aan degenen aan wie krachtens het besluit volmacht, ondermandaat of machtiging is verleend. De minister draagt zorg voor de publicatie van het besluit in de Staatscourant.

Artikel 12

Het krachtens dit mandaat, volmacht en machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

namens deze:

(handtekening)

(naam functionaris)

(functie)

Artikel 13

De Directie is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur, de Wet nationale ombudsman of de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover die verband houden met de uitvoering van de in de artikelen 2 en 3 van dit besluit bedoelde taken en bevoegdheden namens de minister af te doen. Dergelijke zaken worden door de Directie inhoudelijk voorbereid en ter afdoening, door tussenkomst van de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie, aan de secretaris-generaal van het ministerie onderscheidenlijk de minister voorgelegd.

Artikel 14

  • 1 De Directie informeert de minister onverwijld over zwaarwegende en politiek-bestuurlijk gevoelige omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden. Dit betreft in ieder geval de situaties waarin:

    • a. de benodigde saneringsbijdrage de maximale jaarlijkse heffing, bedoeld in artikel 115, tweede lid, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015, dreigt te overschrijden;

    • b. de benodigde saneringsbijdrage, de omvang van het saneringsfonds en de reeds opgelegde heffing dreigt te overschrijden;

    • c. de financiële problemen van een toegelaten instelling aanwijsbaar hun oorzaak vinden in de niet-DAEB activiteiten;

    • d. de Directie voornemens is een besluit te nemen dat er toe leidt dat de gemeentelijke zienswijze omtrent het te behouden DAEB-bezit in belangrijke mate niet wordt gehonoreerd;

    • e. de Directie voornemens is om op een saneringsaanvraag te besluiten om geen saneringssubsidie te verstrekken;

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op bevoegdheden die zijn verleend op basis van volmacht en machtiging.

  • 3 De Directie informeert de minister schriftelijk onverwijld op diens verzoek en in ieder geval jaarlijks uiterlijk 1 september, voor het eerst in 2016, omtrent de voortgang met betrekking tot de met dit besluit verleende bevoegdheden.

  • 4 De directie verstrekt uiterlijk 15 februari een verantwoording over de in het voorgaande jaar uitgekeerde saneringssubsidies en de gemaakte kosten voor de verstrekking daarvan, afgezet tegen de daarvoor begrote bedragen.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok