Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels subsidieverlening (financiering ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE))[Regeling vervalt per 15-06-2020.]

Geldend van 13-09-2017 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. MINBUZA-2015.284090, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE)

Artikel 1

Voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden in het kader van het programma DRIVE gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit geldt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot en met 31 december 2016 een subsidieplafond van EUR 150 miljoen.

Bij de berekening van het voor subsidieverstrekking ten laste van dit plafond beschikbare bedrag worden verstrekte middelen die op grond van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvangers aan de minister zijn terugbetaald toegerekend aan het plafond.

Artikel 3

Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld.

Artikel 4

Het Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 30 maart 2012, Nr. DDE-31/2012, tot vaststelling van de beleidsregels voor het doen van schenkingen aan overheidsorganen in ontwikkelingslanden met het oog op de ontwikkeling, implementatie en exploitatie van publieke infrastructuur (Schenkingsfaciliteit ORIO 2012)1 wordt ingetrokken, met dien verstande dat het van toepassing blijft op krachtens de beleidsregels totstandgekomen schenkingen en op voor 1 januari 2014 op grond van de beleidsregels ingediende aanvragen waarop nog niet is beslist.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 15 juni 2020.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voorBuitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

E.M.J. Ploumen

Bijlage

Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • Aanbesteding: de procedure die een opdrachtgever hanteert om te komen tot contractering van een geschikte contractpartner voor het uitvoeren van een opdracht;

  • minst ontwikkelde landen, andere lage inkomenslanden, lage middeninkomenslanden en territoria en hoge middeninkomenslanden en territoria: de landen die als zodanig zijn aangeduid in de door het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistance;

  • DRIVE-landen: de landen, vermeld in de annex bij deze beleidsregels;

  • Lokale overheid: overheidsorgaan of aan de overheid verbonden instantie van een van de DRIVE-landen;

  • Concessionaliteit: de mate waarin een lokale overheid voordeel geniet van een krediet verstrekt tegen een tarief lager dan het markttarief, berekend overeenkomstig de door het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde wijze en uitgedrukt als een percentage van de nominale waarde van het krediet. In geval van een variabele rente wordt de concessionaliteit bepaald op het moment van committering op basis van een verwacht gemiddeld rentepercentage over de looptijd van het krediet. Schenkingen – of subsidies zonder terugbetalingsverplichting zoals van toepassing in het kader van deze beleidsregels – zijn volledig concessioneel. De concessionaliteit van schenkingen die onderdeel uitmaken van een totaal financieringspakket wordt bepaald aan de hand van de omvang van de schenking als percentage van de nominale waarde van het totale financieringspakket;

  • Project: de investering in en/of aanleg van ontwikkelingsrelevante publieke infrastructuur in één van de DRIVE-landen die met behulp van een DRIVE bijdrage tot stand komt;

  • Financieringskosten: de totale kosten die samenhangen met het afsluiten van financiering, bestaande uit de premie voor het afsluiten van de financiering en de premie samenhangende met het verkrijgen van garanties of verzekeringen;

  • Minister: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

  • Publiek-private samenwerking: een lange termijn contract tussen een private partij en een lokale overheid voor het verstrekken van een publiek goed of dienst, waarin de private partij over het algemeen een groot deel van het risico draagt, verantwoordelijk is voor de exploitatie en/of het onderhoud en waarvan de beloning gekoppeld is aan prestaties.

  • Fragiele staten: de landen, als zodanig aangeduid in de annex bij deze beleidsregels

Hoofdstuk I. Algemeen

1.1. Beleidscontext

In de nota ‘Wat de wereld verdient’2 is een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen gepresenteerd. Drie doelstellingen staan daarbij centraal: het uitbannen van extreme armoede, duurzame en inclusieve groei overal ter wereld en succes voor ondernemingen in Nederland. Hoewel de armoede in de wereld afneemt, profiteert nog lang niet iedereen daarvan. Wereldwijd leven 900 miljoen mensen nog altijd onder de armoedegrens. Jaarlijks sterven 300.000 vrouwen in het kraambed. Vrouwen en arbeidsrechten staan nog steeds onder zware druk. Lage- en middeninkomenslanden hebben weinig mogelijkheden om hun eigen weg naar groei te kiezen.

Om ervoor te zorgen dat iedereen kan profiteren van handel en investeringen is het noodzakelijk om obstakels die ontwikkeling hinderen weg te nemen en kansen te creëren voor kwetsbare groepen in lage- en middeninkomenslanden om volwaardig te participeren in de economie en samenleving. Door te investeren in de verbetering van de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van een private sector, wordt het aantrekkelijker om er zaken te doen. Dit stelt mensen in lage- en middeninkomenslanden beter in staat in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Een beter ondernemingsklimaat bevordert daarmee inclusieve en duurzame economische groei en maakt het mogelijk om landen te helpen in hun transitiepad van hulp naar handel.

Toegankelijke en goed functionerende infrastructuur is een essentiële voorwaarde voor het ontwikkelen van een private sector, die effectief ondernemerschap en buitenlandse handel en investeringen mogelijk maakt en mensen in staat stelt te voorzien in hun eigen levensonderhoud.

1.2. Doelstelling

Voor ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten die niet op een commerciële basis gefinancierd en geëxploiteerd kunnen worden, ontbreekt het overheden van ontwikkelingslanden vaak aan passende financieringsbronnen. DRIVE3 biedt deze overheden, via subsidies aan het bedrijfsleven, een aantrekkelijke en flexibele bron van financiering. Voor de aanbestedende overheid betekent dit een verlaging van de kosten van transacties die binnen de doelstellingen van DRIVE passen. Bovendien biedt DRIVE financieringsinstrumenten aan waardoor de financieringszekerheid wordt vergroot.

DRIVE spitst zich toe op privatesectorontwikkeling, dat wil zeggen dat de publieke infrastructuur via het verbeteren van het ondernemingsklimaat bijdraagt aan inclusieve groei door lokaal ondernemerschap en toegenomen werkgelegenheid en productiviteit waardoor mensen kunnen voorzien in hun eigen levensbehoefte. Investeringen in publieke infrastructuur die hier indirect of direct mee verband houden, kunnen door DRIVE ondersteund worden. De focus ligt op publieke infrastructuur in een of meer van de volgende sectoren:

  • Voedselzekerheid;

  • Water;

  • Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR);

  • Klimaat.

Daarbij geldt dat de aan te leggen infrastructuur ondersteunend moet zijn aan en/of voortbouwt op de Nederlandse agenda voor hulp, handel en investeringen, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij reeds ontplooide initiatieven in het kader van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

1.3. Doelgroep en territoriale reikwijdte

DRIVE staat open voor aanvragen door ondernemingen wereldwijd die in aanmerking willen komen voor een opdracht voor de uitvoering van een publiek infrastructuurproject in een van de DRIVE-landen, tenzij tegen het land waar het bedrijf gevestigd en de sector waar het onderdeel van uitmaakt VN- of EU-sancties van toepassing zijn. Hiermee wordt de ongebondenheid van het programma geborgd en wordt maximaal gebruik gemaakt van de bijdrage die het (internationale) bedrijfsleven aan ontwikkeling kan leveren.

Hoofdstuk II. Juridische verankering

2.1. Partijen

Bij de toepassing van DRIVE zijn meer partijen betrokken waartussen verschillende juridische relaties kunnen bestaan. Een lokale overheid wil de (toegang tot) publieke infrastructuur verbeteren en schrijft daartoe een aanbesteding uit. Ondernemingen kunnen in het kader van die aanbesteding een offerte doen, geruggesteund door een financier, die een met de offerte samenhangend financieringsaanbod aan de lokale overheid kan doen, en geflankeerd door een bijdrage ten laste van DRIVE.

2.2. Instrumenten

In essentie is DRIVE een subsidieprogramma: partijen kunnen in het kader van DRIVE in aanmerking komen voor

  • een subsidie in de vorm van een financiële tegemoetkoming die niet behoeft te worden terugbetaald (à fonds perdu);

  • een garantie;

  • een lening of

  • een combinatie hiervan.

Een dergelijke tegemoetkoming kan de onderneming in staat stellen om in de aanbestedingsprocedure een aantrekkelijk bod te doen door de subsidie op de kosten van financiering en mogelijk ook de kosten van aflossing aan te bieden, waarmee een zekere mate van concessionaliteit kan worden behaald. Ook is het mogelijk dat een DRIVE-garantie via een financier van de onderneming wordt verstrekt. Een DRIVE-lening kan tevens als financieringsaanbod aan de aanbestedende lokale overheid in de offerte van de onderneming worden ingebracht.

In alle gevallen stelt de bijdrage ten laste van DRIVE – of die nu rechtstreeks of indirect aan de onderneming wordt verstrekt – de onderneming in de gelegenheid om met een concessioneel financieringsaanbod dat anders niet beschikbaar zou zijn, mee te dingen naar een opdracht, gegund door de lokale overheid.

2.3. Subsidie

De relatie tussen de onderneming en DRIVE heeft het rechtskarakter van een subsidie: een aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen, werken of diensten. De subsidierelatie tussen DRIVE en de onderneming omvat niet alleen de subsidie die rechtstreeks aan de onderneming wordt verstrekt en de lening of garantie die DRIVE aan de onderneming aanbiedt, maar heeft mede betrekking op de DRIVE-garantie en de DRIVE-lening die in het kader van het beoogde project – de opdracht die de onderneming probeert te verwerven – aan de financier van de onderneming en de lokale overheid kunnen worden verstrekt. De onderneming maakt er in deze constellatie immers aanspraak op dat DRIVE een garantie of lening zal aanbieden aan de financier of lokale overheid als de onderneming de aanbesteding wint. De aanspraak kan uiteraard pas worden verzilverd als de opdracht door een contract aan de onderneming wordt gegund en het totale financieringspakket definitief overeengekomen is. Daarom zal het sluiten van het contract en het arrangeren van de financiering als opschortende voorwaarde aan de subsidie worden verbonden. Hetzelfde geldt voor de medewerking van financier en lokale overheid: als de toegezegde garantie of lening niet kan worden geëffectueerd omdat de financier of de lokale overheid onverhoopt niet bereid blijkt een garantiestellings- of leningovereenkomst met DRIVE aan te gaan onder de in het vooruitzicht gestelde condities, kan DRIVE de daarop betrekking hebbende aanspraken van de onderneming niet gestand doen.

2.4. Beschikking en uitvoeringsovereenkomst

De subsidierelatie wordt verankerd in een subsidiebeschikking. De garantiestellings- of leningsovereenkomst geldt als een uitvoeringsovereenkomst bij deze beschikking, ook als de subsidieontvanger – de onderneming – zelf geen partij is bij de overeenkomst. In een dergelijke situatie zullen de gevolgen van een eventuele intrekking of vernietiging van de beschikking in de overeenkomst geregeld worden.

Een lening of garantie van DRIVE zal worden verankerd in een leningsovereenkomst respectievelijk garantstellingsovereenkomst die als uitvoeringsovereenkomst bij de subsidiebeschikking hoort4. De totstandkoming van de subsidiebeschikking wordt beheerst door het publiekrecht, de inhoud van de overeenkomst door het privaatrecht. Dit betekent dat de subsidiebeschikking niet de details van de overeenkomst omvat. Ook dit deel van de subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen een in de beschikking bepaalde termijn de beoogde overeenkomst tot stand komt. Een positieve beschikking biedt de aanvrager daarom nog niet de zekerheid dat het beoogde project doorgang zal vinden: die zekerheid bestaat pas als alle opschortende voorwaarden zijn vervuld. Wel biedt de beschikking grond voor het vertrouwen dat de intentie van DRIVE gericht is op het bereiken van overeenstemming. In geval van garantieverlening zal de daadwerkelijke verstrekking van de garantie plaats vinden onder de opschortende voorwaarde dat de aanvragende financier daadwerkelijk tot verstrekking van de financiering waarvoor garantie is aangevraagd is overgegaan.

Hoofdstuk III. Subsidie- en financieringsinstrumenten

3.1. Algemeen

Een financiële bijdrage in het kader van deze beleidsregels kan in verschillende vormen worden verstrekt. Het kan daarbij gaan om subsidies zonder terugbetalingsverplichting, leningen en garanties, zowel afzonderlijk als in combinatie. Doel is om met behulp van DRIVE complete en concessionele financiering van infrastructurele projecten mogelijk te maken. In deze opzet ondersteunt programma-uitvoerder RVO.nl de aanvrager bij het structureren van de financiering van infrastructuurprojecten in lage- en middeninkomenslanden.

RVO.nl zal beoordelen of het project voldoet aan de criteria van deze beleidsregels en dus of het project in aanmerking komt voor ondersteuning. De (rest)financiering dient op een vooraf door RVO.nl goed te keuren wijze te zijn zeker gesteld. Om de continuïteit van het project te borgen heeft (rest)financiering afkomstig uit commerciële bronnen de voorkeur. Leasecontracten (of soortgelijke structuren) zijn alleen toegestaan indien de eigendom van de goederen na de laatste leasetermijn op de aanbestedende overheid of -overheidsinstantie overgaan (koopverplichting).

Afhankelijk van de ontwikkelingsrelevantie van het onderliggende project, de inkomenscategorie van het land en de bereidheid van andere financiers om (gedeeltelijk) mee te financieren, kan een subsidie zonder terugbetalingsverplichting, garantie, financiering of een combinatie van deze instrumenten worden verstrekt. Per instrument zal uiteindelijk door RVO.nl een zelfstandige risicoafweging plaatsvinden.

Daarbij geldt dat – vanuit het oogpunt van additionaliteit – allereerst gekeken wordt naar de mogelijkheid om subsidie zonder terugbetalingsverplichting te combineren met commerciële financiering (al dan niet gecombineerd met een exportkredietverzekering verstrekt door een exportkredietverzekeraar). Voor zover het reguliere exportverzekeringsinstrumentarium niet van toepassing is op de soort projecten die in het kader van DRIVE wordt ondersteund, kan de minister tevens garanties beschikbaar stellen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal een lening kunnen worden verstrekt. Hiervoor geldt in ieder geval dat alle andere financieringsmogelijkheden moeten zijn uitgeput.

Voorwaarde voor het verstrekken van een bijdrage ten laste van DRIVE is dat aanvrager de opdracht verkrijgt en dat er met de inbreng uit DRIVE een volledig en concessioneel financieringspakket beschikbaar is, waarover overeenstemming bestaat tussen de aanvrager, de lokale overheid en de financier(s).

3.2. Subsidie zonder terugbetalingsverplichting

De minister kan op verzoek van een aanvrager een subsidie zonder terugbetalingsverplichting verstrekken ten behoeve van de realisering van ontwikkelingsrelevante publieke infrastructuur in één van de DRIVE-landen.

Deze subsidie betreft het deel van het totale financieringspakket voor het project waar geen terugbetalingsverplichting tegenover staat. De subsidie bedraagt maximaal 20-, 35- of 50%, afhankelijk van de inkomenscategorie (hoog middeninkomens-, laag middeninkomens- of laag inkomens-/minst ontwikkeld land/fragiele staat), zijnde een percentage van de kosten als vermeld in paragraaf 4.3.

De subsidie is bedoeld om de totale kosten voor de financiering van het project te verlagen en zodoende complete en concessionele financiering van publieke infrastructuurprojecten in lage- en middeninkomenslanden mogelijk te maken.

Voorts geldt dat indien voor het land een minimale concessionaliteit is vereist op grond van schuldhoudbaarheidsvereisten van IMF en de Wereldbank, de subsidie tenminste moet voldoen aan het daarmee corresponderende bedrag.

In het geval van publiek-private samenwerkingen (zie tevens paragraaf 3.5), is de DRIVE subsidie zonder terugbetalingsverplichting gelimiteerd tot een bedrag van EUR 15, 21 en 30 miljoen voor de hiervoor genoemde landencategorieën.

Indien er sprake is van cofinanciering uit andere concessionele bronnen, wordt de DRIVE subsidie zonder terugbetalingsverplichting naar rato verlaagd, tenzij en voor zover de aanvrager aantoont dat cofinanciering noodzakelijk is om het project volledig te financieren, in voorkomend geval in afwijking van de in deze paragraaf vermelde percentages.

Voorts kan de minister met het oog op de DRIVE financiering voor een project een schenkingsarrangement overeenkomen met de overheid van het betrokken land. De opdracht tot uitvoering van het DRIVE-project wordt door die overheid met toepassing van de meest geschikte aanbestedingsprocedure aan een bedrijf gegund. Dit bedrijf doet de aanvraag voor de DRIVE subsidie. De eisen gesteld aan intake en aanvraag, omschreven in de paragrafen 6.2 en 6.3, zijn in een dergelijk geval niet van toepassing. De eisen aan de projectomvang, omschreven in paragraaf 4.3, gelden voor het gehele project.

3.3. Garanties

De minister kan op aanvraag van een onderneming een garantie verstrekken ter dekking van eventuele verliezen op een verstrekte financiering, die een financier op grond van een overeenkomst met de lokale overheid is aangegaan voor het doen van ontwikkelingsrelevante investeringen in de publieke infrastructuur in één van DRIVE-landen.

Door middel van deze mogelijkheid kan er vanuit DRIVE borg gestaan worden voor maximaal 80% van de financiering die een financier verstrekt. De minister neemt een deel van de risico’s over waardoor de financier eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen of tegen gunstiger voorwaarden.

Dit instrument is additioneel aan de reguliere dekkingsmogelijkheden voor export- en investeringstransacties door exportkredietverzekeraars in het kader van de OESO consensus5.

3.4. Leningen

De minister kan op aanvraag van een onderneming ten behoeve van de lokale overheid een lening verstrekken tot 50% van het transactiebedrag met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante investeringen in de publieke infrastructuur van één van de DRIVE-landen. De lening kan door tussenkomst van een financier worden verstrekt.

Dit instrument kan alleen worden ingezet wanneer alle andere mogelijkheden voor het arrangeren van de (rest)financiering zijn uitgeput. Daarbij geldt dat de hogere beheerslasten van leningen kunnen worden gerechtvaardigd op basis van de beoogde ontwikkelingsimpact.

De vergoeding voor de leningen dient marktconform te zijn. Indien het niet mogelijk is om door middel van benchmarking een marktconforme vergoeding vast te stellen, wordt het vergoedingspercentage vastgesteld aan de hand van de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en verdisconteringspercentages worden vastgesteld6. De vast te stellen vergoeding kan naast een vaste vergoeding eveneens een variabele component bevatten.

3.5. Financiering in het kader van publiek-private samenwerkingen

DRIVE kan ook financiële ondersteuning bieden bij de aanbesteding voor publieke infrastructuur welke wordt gerealiseerd door een publiek-private samenwerking, mits het project niet commercieel haalbaar of (volledig) financierbaar is. Hiervoor zijn in beginsel dezelfde instrumenten beschikbaar als voor puur publieke infrastructuurprojecten. Gelet op de aard van dit soort projecten, die hun eigen opbrengst genereren, wordt hierbij in eerste instantie gekeken naar het inzetten van financieringsinstrumenten (garanties of leningen). Het budgettaire beslag van deze instrumenten (daaronder ook verstaan de eventuele uitkering van een garantie) is beperkt tot een maximum van EUR 15, 21 en 30 miljoen voor projecten in respectievelijk hoge middeninkomenslanden, lage middeninkomenslanden en lage inkomens-/minst ontwikkelde landen. De aanvraag dient de noodzaak voor subsidie binnen dit kader aannemelijk te maken.

Indien de publiek-private samenwerking niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, kan de financiering en/of de subsidie op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 uitsluitend worden verleend aan een van de partijen in het samenwerkingsverband die wel over rechtspersoonlijkheid beschikt, onverminderd artikel 4, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden. De aanvraag omvat mede een beschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de publiek private samenwerking en van de wijze waarop de besluitvorming in de publiek private samenwerking plaats vindt.

Indien de publiek private samenwerking niet beschikt over rechtspersoonlijkheid omvat de subsidieaanvraag mede een overeenkomst tussen partijen op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen tegenover de minister is gewaarborgd.

Omdat het in dit soort gevallen om complexe samenwerkings- en financieringsstructuren gaat, met een kostbare documentatie en voorbereiding waar de DRIVE-landen nog weinig ervaring in hebben, zal een DRIVE-bijdrage voor dergelijke PPP-constructies beperkt blijven tot maximaal twee projecten per jaar. De minister zal jaarlijks evalueren of deze pilot voortgezet, uitgebreid of gestopt wordt.

Hoofdstuk IV. Het project en de projectkosten

4.1. algemeen

Voor een bijdrage uit DRIVE komt in aanmerking de levering van kapitaalgoederen, werken of diensten dan wel een combinatie daarvan ten behoeve van de investering in of de aanleg van ontwikkelingsrelevante publieke infrastructuur in één van de DRIVE-landen.

4.2. Het project

Het project betreft het contract voor de levering van kapitaalgoederen, werken of diensten die passen binnen de doelstellingen van DRIVE waarmee de aanvrager verbonden is met de lokale overheid. Het project dient componenten te bevatten die het beoogde duurzame effect waarborgen indien dit naar het oordeel van RVO.nl noodzakelijk is, zoals training, de levering van reserveonderdelen gedurende een redelijk aantal jaren of afspraken over verdere samenwerking bij exploitatie.

De aanvraag moet een helder en gedetailleerd beeld van de verschillende projectcomponenten (goederen, diensten, technische assistentie, etc.) geven.

4.3. De maximale projectomvang

De kosten voor het uitvoeren van het project zoals overeengekomen in het contract, vermeerderd met de financieringskosten mogen in geval van puur publiek te bekostigen en te exploiteren infrastructuur in totaal niet lager dan EUR 5 miljoen en niet hoger zijn dan EUR 60 miljoen. Indien sprake is van aanvullende contracten binnen een groter project waarvoor een beroep op DRIVE wordt gedaan geldt de limiet van EUR 60 miljoen voor deze contracten samen. In het geval van publiek-private samenwerkingen geldt er beginsel geen projectlimiet. Wel is de maximale DRIVE bijdrage gelimiteerd voor PPS. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 3.5.

4.4. In aanmerking te nemen projectkosten

De projectkosten die in aanmerking komen voor een bijdrage onder DRIVE zijn de kosten voor het uitvoeren van het project zoals overeengekomen in het contract en de financieringskosten, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 3.2. en 3.5.

Alle kosten dienen in de aanvraag te worden gespecificeerd. De subsidiëring voor deze kosten maakt onderdeel uit van de subsidie zonder terugbetalingsverplichting zoals omschreven in paragraaf 3.2.

Alle subsidiebedragen worden in euro’s bepaald en betaalbaar gesteld.

4.5. Voorzieningen en Winst

De winstopslag en de post voorzieningen dienen in redelijke verhouding te staan tot het project. Deze posten dienen naar het oordeel van RVO.nl marktconform te zijn. Uitbetaling op de post onvoorzien kan pas worden verkregen nadat aan RVO.nl een onderbouwing is verstrekt welke door haar is geaccepteerd.

Hoofdstuk V. Beoordelingscriteria

5.1. Drempelcriteria

Om in aanmerking te komen voor subsidie of financiering in het kader van deze beleidsregels dient de aanvraag tenminste:

  • betrekking te hebben op een project in één van de DRIVE-landen opgenomen in annex 1;

  • betrekking te hebben op een project met een waarde van minimaal EUR 5 miljoen en maximaal EUR 60 miljoen, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 3.2 en 4.3.

  • een kwalitatief en kwantitatief exploitatie- en onderhoudsplan voor de betreffende publieke infrastructuur en de structurele kosten daarvan zichtbaar te maken;

  • vergezeld te gaan van een Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) overeenkomstig de IFC Performance Standards7 in geval van A- of B-projecten als bedoeld in deze Standards;

  • het toezicht op de naleving van het contract zichtbaar te maken, waarin door de lokale overheid dient te worden voorzien;

  • een waarde te vertegenwoordigen van niet meer dan de voor het betreffende land op grond van deze subsidieregels geldende subsidiepercentages;

  • vergezeld te gaan van een haalbaarheidsstudie;

  • een geldend en operationeel IMVO-beleid van de aanvrager te bevatten.

Voorts mag de aanvrager geen vermelding hebben op de World Bank List of Ineligible Firms & Individuals en mag de aanvraag geen activiteiten bevatten die op de FMO-uitsluitingslijst8 vermeld staan.

5.2. Additionaliteit

De te verstrekken subsidies en financieringen zijn additioneel aan de markt en concurreren niet met bestaande commerciële financiers (geen ‘crowding-out’ effecten). Er kan dus alleen subsidie en financiering worden aangevraagd als de commerciële markt niet bereid is (volledig) in de financiering te voorzien, of wanneer de lokale overheid op basis van schuldhoudbaarheidsrichtlijnen van het IMF niet op commerciële voorwaarden mag lenen. De te verstrekken subsidies en financieringen kunnen worden ingezet voor aanvullende en/of gezamenlijke financieringsoplossingen.

5.3. Ontwikkelingsrelevantie

Het project dat onderwerp is van een aanvraag onder DRIVE wordt getoetst op ontwikkelingsrelevantie, waarbij zowel de projectinformatie als de offerte van de aanvrager voor de levering van goederen, werken en diensten in het kader van het project en de lokale context worden betrokken.

Projectvoorstellen worden beoordeeld op basis van onderstaande doelstellingen. Daarbij geldt dat de score op elk van de factoren tenminste voldoende moet zijn.

  • Het project levert een positieve bijdrage aan privatesectorontwikkeling, dat wil zeggen dat de publieke infrastructuur via het verbeteren van het ondernemingsklimaat bijdraagt aan inclusieve groei door lokaal ondernemerschap en toegenomen werkgelegenheid en productiviteit waardoor mensen kunnen voorzien in hun eigen levensbehoefte.

  • Het project past binnen de beleidsdoelstellingen van het land of de regio in kwestie en voorziet in dat opzicht in de behoefte van de beoogde eindgebruikers zodat er sprake is van eigenaarschap en draagvlak.

  • De impact van de aanleg van het Project weegt in kwalitatief en kwantitatief opzicht op tegen de kosten die hiervoor worden gemaakt. Daarbij staat value for money centraal.

  • het project is duurzaam in de breedste zin van het woord, dat wil zeggen dat het project technisch, institutioneel, financieel, juridisch, sociaal en ecologisch duurzaam is en bestand tegen de effecten van klimaatverandering. Daarbij is ook oog voor lokale content en duurzame overdracht van kennis en vaardigheden, waarbij er sprake moet zijn van voldoende commitment en capaciteit bij betrokken partijen, dan wel een plan van aanpak om dit op niveau te brengen. Het gebruik van fossiele brandstoffen is uitgesloten als in de lokale situatie ook minder vervuilende alternatieven beschikbaar zijn.

5.4. Programmatische samenhang

Het project past in een programmatisch samenhangende aanpak door focus en synergie:

  • focus: de aan te leggen infrastructuur draagt niet alleen bij aan de ontwikkeling van de private sector, maar is bij voorkeur ook ondersteunend aan het Nederlandse speerpuntenbeleid op het gebied van voedselzekerheid, water en seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, alsook de Nederlandse doelstelling ter bevordering van klimaatrelevante investeringen;

  • synergie: de aan te leggen infrastructuur is ondersteunend aan en/of bouwt voort op de Nederlandse agenda voor hulp, handel en investeringen, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij reeds ontplooide initiatieven in het kader van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid

5.5. Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)

De IMVO-beoordeling is een integraal onderdeel van de subsidieaanvraag. Aanvragers dienen te voldoen aan de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen9. Deze richtlijnen maken duidelijk wat de Nederlandse overheid van het gedrag van ondernemingen verwacht. Ze bieden een handvat voor gedragscodes van ondernemingen om met verschillende aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen om te gaan. De richtlijnen gaan in op arbeid(omstandigheden), belastingen, consumentenbelangen, corruptiebestrijding, informatieverstrekking, mededinging, mensenrechten, milieu, uitgangspunten & ketenbeheer, wetenschap & technologie.

In het kader van de OESO richtlijnen wordt vereist dat ondernemingen hun ketenverantwoordelijkheid serieus nemen. Hiertoe zullen zij een risicoanalyse volgens de OESO-richtlijnen uitvoeren met betrekking tot aanbesteding en inkoop van diensten en producten van de te financieren activiteit. Het betreft een analyse van de ketens van diensten en producten benodigd voor de fabricage van het eindproduct.

Aanvragers dienen een goede reputatie te hebben op het gebied van IMVO. Dit blijkt uit een vastgelegd IMVO-beleid voor de eigen onderneming. Het IMVO-beleid moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van OESO, en eventueel gecertificeerd volgens ISO 26.000 of een andere aanbieder van duurzame rapportagemethodieken. De aanvraag geeft aan hoe het IMVO-beleid in de praktijk wordt gebracht en wie daarvoor verantwoordelijk is.

Ten aanzien van het project geldt dat voor de IMVO-beoordeling de aangeleverde informatie beoordeeld wordt aan de in het desbetreffende DRIVE-land geldende wet- en regelgeving en de IFC Performance Standards10.

Op basis van de risicoanalyse zal in ieder geval voor projecten met een hoog risico een plan moeten worden opgesteld om eventuele negatieve effecten te voorkomen dan wel te mitigeren en positieve effecten te optimaliseren. Afgesproken IMVO maatregelen zijn onderdeel van de subsidieverlening. De aanvrager zal de in dit plan voorgestelde maatregelen uitvoeren en hierover aan RVO.nl rapporteren.

DRIVE zal geen activiteiten financieren die op de FMO uitsluitingslijst11 worden genoemd. Tevens zal van aanvragers worden geëist dat zij geen gebruik maken van kunstmatige constructies om hun winsten of te betalen bronheffingen te verlagen in relatie tot het project. Onder ‘kunstmatige constructies’ vallen alle (juridisch legale) constructies, die uitsluitend gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk ontlopen van belastingen dan wel het kunstmatig verlagen van de belastingaanslag in die landen.

Aan de financiering zal de bijzondere meldingsplicht, bedoeld in de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten subsidies, worden verbonden. De ontvanger van de financiering dient er zorg voor te dragen dat de projectpartners en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De ontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze bedrijven onverwijld te melden bij RvO.nl.

5.6. Aanvrager

Aanvrager dient de IMVO-vereisten zoals beschreven in paragraaf 5.5 in acht te nemen. Aanvullend geldt dat het voor RVO.nl voldoende aantoonbaar dient te zijn dat de deskundigheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht en stabiliteit van de aanvrager gewaarborgd is. Dit moet onder meer blijken uit aantoonbare internationale ervaring van de aanvrager in het realiseren van soortgelijke projecten. Tevens dient de aanvrager te beschikken over een voldoende sterke financiële positie die in goede verhouding staat tot de omvang van het project om zodoende een succesvolle voltooiing te kunnen garanderen.

5.7. Inkoop

Om een goede prijs-/kwaliteitverhouding van met behulp van DRIVE ingekochte goederen, werken en diensten te waarborgen, dient de inkoop van goederen, werken en diensten in het kader van het project waarop de DRIVE-aanvraag betrekking heeft op een transparante en competitieve wijze plaats te vinden, in overeenstemming met de wetgeving van het betreffende land. De OESO Good Procurement Practices for Official Development Assistance gelden daarbij als leidraad. De verantwoordelijkheid voor de inkoopprocedure berust bij de lokale overheid.

5.8. Toezicht op de naleving van het contract

Om een project voor de uitvoering van een project met een bijdrage onder DRIVE te kunnen ondersteunen, is kwalitatief toezicht op de naleving van het project essentieel. Toezicht houdt in dit verband in: toezicht op de uitvoering, kwaliteitscontrole op de uitvoering en voortgangscontrole op de uitvoering van het project, inclusief daarin gestelde milieu- en sociale vereisten. De aanvrager dient daarom aan te tonen dat er kwalitatief toezicht op naleving van het project plaatsvindt. Toezicht vindt bij voorkeur plaats door een onafhankelijke derde partij.

Hoofdstuk VI. Procedure

6.1. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van deze beleidsregels opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en heeft RVO.nl daartoe een passend mandaat en volmacht verstrekt. RVO.nl is onderdeel van het ministerie van Economische Zaken en werkt bij de toepassing van deze beleidsregels onder verantwoordelijkheid van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op de website van RVO.nl is een manual gepubliceerd, met een nadere toelichting op de vereisten die gelden voor aanvragen op grond van deze beleidsregels. Het manual is een handreiking voor het invullen van het intake- en het aanvraagformulier. Bij afwijkingen tussen beleidsregels en manual prevaleert de tekst van de beleidsregels.

6.2. Intake

Alvorens een aanvraag in te dienen, dient de aanvrager een intakeverzoek in bij RVO.nl. RVO.nl stelt een intakeformulier beschikbaar. Het doel van deze intake is om in een vroeg stadium een potentiële DRIVE-aanvraag te toetsen op haalbaarheid. Dit voorkomt dat bedrijven onnodig een subsidieaanvraagtraject in gaan met bijbehorende administratieve lasten. Tevens is de intakeprocedure bedoeld om in een vroeg stadium zich te krijgen op en te kunnen ondersteunen bij het structureren en arrangeren van de totale financiering van een project. RVO.nl kan hierbij optreden als makelaar.

Het is de verantwoordelijkheid van de potentiële aanvrager om het intakeverzoek op een zodanige termijn in te dienen, dat een zinvolle intakeprocedure mogelijk is. Een intakeverzoek dat in een te laat stadium wordt ingediend om een zinvolle intakeprocedure mogelijk te maken, zal in veel gevallen niet tot een kansrijke aanvraag kunnen leiden. Doorgaans zal een intakeprocedure minimaal twee maanden in beslag nemen. Bij grote en/of complexe projecten kan die tijd langer zijn.

Tijdens de intakeprocedure worden in elk geval de eisen met betrekking tot ontwikkelingsrelevantie van het project en die met betrekking tot Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen getoetst. Ook wordt tijdens de intakeprocedure het eventueel beoogde in te zetten financieringsinstrumentarium getoetst. Daarnaast kunnen er door RVO.nl inhoudelijke vragen over het project worden gesteld die door de potentiële aanvrager met de overheid van het doelland kortgesloten dienen te worden. Een intakeprocedure omvat derhalve niet alleen een intakeverzoek en een intakegesprek, maar tevens voortgangsgesprekken met RVO.nl en het verschaffen van nadere schriftelijke informatie aan RVO.nl.

6.3. Aanvraag

Na het doorlopen van de intakeprocedure kan een aanvraag worden ingediend bij RVO.nl. Een aanvraag die wordt ingediend zonder voorafgaand intakeverzoek en daarop gevolgde intakeprocedure wordt niet in behandeling genomen. RVO.nl behandelt de aanvragen in volgorde van binnenkomst. RVO.nl zal een aanvraagformulier beschikbaar stellen. De aanvraag kan in de Nederlandse of Engelse taal worden ingediend.

Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk 30 werkdagen plus 15 kalenderdagen voor de datum waarop de aanbesteding voor het betreffende project wordt gesloten of de datum waarop de committering tot stand komt indien dat eerder is. Daarmee kan Nederland de voorgenomen ondersteuning van het betreffende project bij de OESO notificeren overeenkomstig de OESO-notificatierichtlijnen.

Binnen één week na de publicatie van de betreffende aanbesteding dient de aanvraag te worden aangevuld met het bericht van publicatie van de aanbesteding en de bijbehorende documenten. Er is pas sprake van een volledige aanvraag als deze informatie en alle overige vereiste informatie die mogelijk nog ontbreekt bij RVO.nl is ontvangen. Bij de verdeling van het budget over de ingediende aanvragen wordt de laatste datum van ontvangst van de informatie die tot een volledige aanvraag leidt als ontvangstdatum van de aanvraag in aanmerking genomen.

Op de aanvraag zal worden beslist uiterlijk twee weken voor het einde van de betreffende aanbestedingsprocedure.

6.4. Besluitvorming bij lening of garantie

In geval van een aanvraag (mede) voor een lening of garantie bepaalt RVO.nl of de aanvraag zelfstandig of in combinatie met andere financiers verder wordt behandeld. RVO.nl heeft het mandaat om op basis van eigen beoordeling zowel indirect als direct financiële overeenkomsten aan te gaan met een financier of een lokale overheid.

6.5. Afwijzingsgronden

Aanvragen worden allereerst getoetst aan ontvankelijkheidsvereisten als bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvragen die op grond van deze ontvankelijkheidstoets in behandeling worden genomen, worden vervolgens beoordeeld in het licht van de criteria van deze beleidsregels. De minister wijst een aanvraag in ieder geval af indien niet wordt voldaan aan één of meer van deze criteria.

De minister kan een aanvraag voorts afwijzen indien honorering van de aanvraag tot een onevenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken zou leiden.

6.6. Transparantie

Vanuit het oogpunt van transparantie wordt de OESO-notificatie die in het kader van de voorgenomen ondersteuning van het project wordt gedaan openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking bevat geen gegevens over de aanvraag of de aanvrager of anderszins bedrijfsgevoelige informatie.

6.7. Melding van wijzigingen

Als zich op enig moment na het indienen van de aanvraag dan wel tijdens de uitvoering van het project gebeurtenissen voordoen die invloed hebben op de achtergrond of de inhoud van het project, moet de aanvrager dit direct melden en eventuele wijzigingen in het project vooraf ter goedkeuring aan RVO.nl voorleggen. In het geval er aanzienlijke wijzigingen plaatsvinden in de aard en omvang van het project leidt dit tot een nieuwe beoordeling door RVO.nl en een nieuwe notificatie aan de OESO.

6.8. Voorschotten

Betaling van voorschotten vindt plaats in termijnen waarvan hoogte en betalingstijdstip in de beschikking tot subsidieverlening worden vastgelegd.

6.9. Voortgangsrapportage

De aanvrager is verplicht om elk kalenderjaar aan RVO.nl inhoudelijk en financieel over de projectvoortgang te rapporteren. Deze rapportageverplichting gaat in op het moment dat de overeenkomst van de aanvrager met de overheid wordt gesloten. De rapportage moet worden opgesteld conform het bij de beschikking gevoegde model. Bij het niet tijdig ontvangen van de voortgangsrapportage kan RVO.nl de rechten onder de beschikking opschorten.

6.10. Eindverantwoording

De aanvrager is verplicht binnen zes maanden na voltooiing van de werkzaamheden in het kader van het project bij RVO.nl een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hij dient hierbij ter goedkeuring over te leggen:

  • Een door de lokale overheid afgegeven ‘Final Certificate of Completion’ van de onder het uitgevoerde project vallende activiteiten;

  • Een door de aanvrager opgestelde samenvattende, inhoudelijke en financiële verantwoording van de gehele transactie-uitvoering, waarin onder andere wordt toegelicht in hoeverre aan de verplichtingen is voldaan en de gestelde doelen zijn bereikt, alsook in hoeverre en waarom de post onvoorzien moest worden aangewend. Tevens dient de financiële verantwoording een nacalculatie van het project te bevatten met daarbij een analyse van eventuele verschillen met de voorcalculatie zoals opgenomen in het aanvraagformulier;

  • Een door een, voor RVO.nl acceptabel, gerenommeerd extern accountantsbureau opgestelde verklaring dat het uitgevoerde project evenals de financiële verantwoording is gecontroleerd en in orde bevonden, dat wil zeggen dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd zoals overeengekomen met de overheid en waarvoor subsidie is verleend. Voor deze accountantsverklaring dient het controle protocol van RVO.nl te worden gebruikt.

Uit de eindverantwoording moet de minister zich inhoudelijk en financieel een goed beeld van de gehele transactie-uitvoering kunnen vormen.

6.11. Monitoring en evaluatie

Ten behoeve van het monitoren en evalueren van de werking van de beleidsregels en de bereikte resultaten en doelstellingen zal RVO.nl de daartoe benodigde gegevens bij de betrokken aanvragers op kunnen vragen. Deze kunnen worden openbaar gemaakt in het kader van de rapportage door Nederland aan de IATI (International Aid Transparency Initiative). Een daartoe strekkende verplichting zal aan de beschikking of de uitvoeringsovereenkomst verbonden kunnen worden.

Annex

LANDENLIJST

Landen met de aanduiding ‘F’ gelden voor de toepassing van deze beleidsregels als fragiele staat.

Afghanistan (F)

Algerije

Angola

Armenië

Bangladesh

Benin

Bhutan

Bolivia

Burkina Faso

Cambodja

Colombia

Congo, Dem. Rep. (F)

Djibouti

Egypte

Ethiopië

Filipijnen

Gambia

Georgië

Ghana

Guatemala

Guinee

Haïti (F)

India

Indonesië

Ivoorkust (F)

Jordanië

Kaapverdië

Kenia

Kosovo (F)

Laos

Libanon (F)

Liberia (F)

Madagaskar (F)

Malawi

Mali (F)

Marokko

Moldavië

Mongolië

Mozambique

Myanmar (F)

Nepal

Nicaragua

Niger

Nigeria

Pakistan

Palestijnse Gebieden (F)

Peru

Rwanda

Sao Tomé en Principe

Senegal

Sierra Leone (F)

Somalië (F)

Sri Lanka

Tanzania

Togo (F)

Tsjaad (F)

Tunesië

Uganda

Vietnam

Zambia

Zuid-Afrika

  • ^ [1]

    Stcrt 2012, 8239

  • ^ [2]

    Behorend bij de kamerbrief van 5 april 2013 (Kamerstukken 33 625)

  • ^ [3]

    Development Related Infrastructure Investment Vehicle

  • ^ [4]

    Artikel 4:36 Algemene wet bestuursrecht

  • ^ [5]

    http://www.oecd.org/tad/xcred/theexportcreditsarrangementtext.htm

  • ^ [6]

    Pb. 2008, C 14/6

  • ^ [7]

    http://www.ifc.org/performancestandards

  • ^ [8]

    http://www.fmo.nl/exclusionlist

  • ^ [9]

    OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, versie 2011, zie http://www.oecd.org/corporate/mne/. Zie voor de Nederlandse versie: http://www.oesorichtlijnen.nl

  • ^ [10]

    http://www.ifc.org/performancestandards

  • ^ [11]

    http://www.fmo.nl/exclusion-list