Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie [...] 2006 (Funding Leadership Opportunities for Women 2016–2020)[Regeling vervalt per 01-01-2021.]

Geldend van 25-11-2015 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. TFVG 122-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Funding Leadership Opportunities for Women 2016–2020)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het kader van Funding Leadership for Women 2016–2020 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van Funding Leadership for Women 2016–2020 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 95.000.000,–.

Artikel 3

Aanvragen om in aanmerking te komen voor een subsidie in het kader van Funding Leadership and Opportunities for Women 2016–2020 worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 4

De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een subsidie in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt2.

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

de plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Beleidskader Leadership and Opportunities for Women 2016–2020

Hoofdstuk 1. Inleiding en achtergrond

In de beleidsagenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking staat het tegengaan van ongelijkheid centraal. Daarbij gaat het niet alleen om economische ongelijkheid, maar ook om ongelijkheid in sociaal, politiek, religieus of etnisch opzicht alsook vanwege sekse of seksuele geaardheid. Dit beleidskader is een uitwerking van het internationale genderbeleid zoals onder andere verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 20113en de meer recente kamerbrieven ‘Wat de wereld verdient’4 en ‘Respect en Recht voor ieder Mens van 14 juni 2013’5.

De laatste decennia is er wereldwijd sprake van enige vooruitgang op het gebied van vrouwenrechten en gelijke behandeling. Veel landen hebben discriminerende wetgeving vervangen en geweld tegen vrouwen gecriminaliseerd. Ook is er geïnvesteerd in gezondheid en onderwijs en is er in sommige landen sprake van toegenomen economische participatie. Over het algemeen is het tempo van de veranderingen echter langzaam. In enkele landen en op bepaalde gebieden is sprake van stagnatie en zelfs terugval. Hoewel de regionale en contextuele verschillen groot zijn, zijn experts het er over eens dat transitie naar gendergelijkheid nog nergens in de wereld vanzelfsprekend is, en evenmin onomkeerbaar6.

Bepaalde kwetsbare groepen hebben bovendien nog nauwelijks geprofiteerd van betere kansen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vrouwen en meisjes die in extreme armoede leven en eveneens voor vrouwen die te maken krijgen met meervoudige discriminatie (lesbische, biseksuele en transgender vrouwen; gehandicapte en arbeidsongeschikte vrouwen; vrouwen met HIV, migranten).

Ongelijkheid in het openbare leven vindt vaak zijn oorsprong in ongelijke machtsrelaties op het persoonlijke vlak. Onderzoekers hebben vastgesteld dat in een derde van de huwelijken tussen een man en een vrouw, de vrouw helemaal geen zeggenschap heeft over belangrijke zaken zoals grote aankopen, woonplaats en leefstijl.7

De laatste jaren is in een aanzienlijk aantal lage- en middeninkomenslanden sprake van substantiële economische groei. Die groei leidt echter niet vanzelf tot gendergelijkheid of verbetering van de positie van vrouwen. Het verband tussen gendergelijkheid en economische groei is complex en asymmetrisch. Economische groei op zichzelf blijkt niet voldoende om de positie van vrouwen te verbeteren, zelfs al wordt er in sommige gevallen betaald werk gegenereerd. Zonder additionele investeringen in veiligheid, kennis, gezondheid en gelijke rechten blijft de bijdrage van vrouwen suboptimaal. Omgekeerd echter, is het bewijs dat investeringen in vrouwen en meisjes, vooral in kennis en werkgelegenheid bijdragen aan economische groei onmiskenbaar8 9 10.

Het FLOW 2016–2020 – fonds is de tweede opvolger van het MDG3 Fonds, dat in 2009 in het leven werd geroepen om de achterblijvende resultaten op Millenniumdoel 3 (gelijke rechten en kansen voor vrouwen) in te lopen. De MDG3- en FLOW-fondsen11hebben maatschappelijke organisaties voor vrouwenrechten in staat gesteld om brede netwerken van grassroots organisaties te bereiken, lobby & advocacy capaciteit te ontwikkelen en als organisaties te groeien. Dit beleidskader dat de leidraad vormt voor de vernieuwing van Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), bouwt voort op wat bereikt is in de twee eerdere fondsen en sluit aan op de voortgaande internationale debat over vrouwenrechten, met name in het kader van de VN Review van 20 jaar Implementatie van het Beijing Actieplan en de totstandkoming van de Post 2015 Wereldwijde Ontwikkelingsagenda en de voorziene specifieke duurzame ontwikkelingsdoelstelling voor gender (Sustainable Development Goal 5 over Gender Equality) die daarin is opgenomen.

Dit document is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden de beleidsuitgangspunten, de reikwijdte en de prioriteitsgebieden van FLOW 2016–2020 omschreven. Hoofdstuk 3 geeft de betekenis van een aantal kernbegrippen in het verband van dit kader. Hoofdstuk 4 bepaalt welke organisaties in aanmerking kunnen komen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020. Hoofdstuk 5 beschrijft het beoordelingsproces voor aanvrager/penvoerders van een subsidie in het kader van dit fonds. Hoofdstuk 6 gaat in op de monitoring en evaluatie van activiteiten waarvoor subsidie is verkregen. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de criteria die worden gehanteerd om de aanvragen te selecteren die in aanmerking komen voor subsidie.

Hoofdstuk 2. Beleidsuitgangspunten

Beleidstheorie internationaal genderbeleid

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken voert een driesporenbeleid voor vrouwenrechten en gendergelijkheid; naast de diplomatieke inzet voor gendergelijkheid en vrouwenrechten (i) en de integratie van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het brede buitenlandbeleid (ii) voorziet dit beleid in gerichte financiering voor gendergelijkheid en vrouwenrechten in lage- en lage-middeninkomenslanden (iii).

In de Beleidstheorie voor het internationaal genderbeleid, hieronder schematisch weergegeven, is de wisselwerking te zien tussen de versterking van maatschappelijke organisaties voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (de linker kolom in de figuur) en de institutionele transformatie die nodig is voor de realisatie van gendergelijkheid en de implementatie van vrouwenrechten (de rechter kolom).

Bijlage 255385.png

Het uitgangspunt is hierbij dat voor duurzame verbetering van rechten en kansen van vrouwen en rechtvaardige verdeling van de macht, een structurele transformatie nodig is van de normen, waarden en gedragsregels voor mannen en vrouwen. Het gaat daarbij onder andere om het doorbreken van bestaande verhoudingen. Door de wisselwerking tussen meer handelingsvrijheid (agency/ empowerment12) van vrouwen en verbetering van de omgevingsfactoren (normen, wetten, instituties) ontstaat een opwaartse spiraal. Organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid zijn onmisbaar voor het op gang brengen van die structurele transformatie. Gelijktijdige druk van organisaties (van onderop) en internationale normen en toezichtmechanismen (van bovenaf) is nodig om de rechten van vrouwen te verankeren in nationale instituties13.

Met het FLOW2016–2020 fonds en de andere gerichte programma’s en fondsen – het eerste ‘spoor’ in de Beleidstheorie hierboven – wil Nederland deze wisselwerking versterken. Lokale maatschappelijke organisaties wordt de mogelijkheid geboden via samenwerking of coalitievorming met eventuele institutionele partners14 gezamenlijke strategieën uit te werken en uit te voeren om bij te dragen aan een enabling environment voor gendergelijkheid.

Post 2015 Sustainable Development Goals en 20 jaar Beijing Actieplan

2015 is het jaar van de viering van 20 jaar internationaal emancipatiebeleid in het kader van de Verklaring van Beijing en het Beijing Actieplan. Daarnaast is 2015 het jaar dat de Post 2015 Ontwikkelingsagenda wordt vastgesteld door de internationale gemeenschap. Gendergelijkheid neemt een belangrijke plaats in die kaders in15, onder andere doordat één van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG 5) zich speciaal op gendergelijkheid richt. Al met al een geschikt moment om de tussenstand op te maken en om een vernieuwd fonds het licht te laten zien dat kan helpen de positieve trends te versterken en bestaande leemtes te overbruggen. De gerichte financiering van het FLOW2016–2020 fonds draagt bij aan de implementatie van het SDG5 voor Gendergelijkheid en aan de implementatie van de strategische doelen van het Beijing Actieplan. De strategische doelstellingen van het Beijing Actieplan en de voorziene SDG5 geven richting aan de internationale samenwerking op het gebied van gender en tevens aan dit fonds.

2.1. Doelstelling en afbakening FLOW2016–2020

Het FLOW 2016–2020-fonds wil interventies van maatschappelijke organisaties (en hun partners) ondersteunen die via een specifieke, strategische, context- en resultaatgerichte benadering bijdragen aan een enabling evironment voor gelijke kansen, rechten en veiligheid voor vrouwen en meisjes in alle lage- en lage-middeninkomenslanden, aangevuld met een groep midden-inkomenslanden die van speciaal belang zijn voor de thema’s van FLOW, te weten; China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië16. Het FLOW2016–2020 fonds steunt via de programma’s activiteiten die lokale maatschappelijke organisaties eigenstandig of samen met hun eventuele (institutionele) partners gezamenlijk ondernemen.

Het fonds biedt financiële steun op middellange termijn aan gendergelijkheid – en vrouwenrechtenprogramma’s van Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties die in lage- en lage-middeninkomenslanden17 worden uitgevoerd. Door het creëren van betere kansen voor vrouwen en meisjes en het scheppen van een klimaat waarin vrouwenrechten beter worden gewaarborgd draagt het fonds bij aan duurzame inclusieve ontwikkeling en aan het bestrijden van armoede en rechteloosheid op lokaal en nationaal niveau.

Maatschappelijke organisaties zetten bij hun lobby steeds meer in op strategische samenwerking met diverse stakeholders die institutioneel kunnen bijdragen aan verbetering van de positie van vrouwen en meisjes (zoals andere maatschappelijke organisaties, vakbonden, bedrijven, kennisinstellingen, dienstverleners18, burgergroeperingen, politieke groeperingen, lokale overheidsorganisaties). Met FLOW2016–2020 wil Nederland deze trend ondersteunen door op lokaal niveau alliantievorming en samenwerking met lokale institutionele partners mogelijk te maken. Deze vorm van samenwerking vereist een contextanalyse en vraagt om complementaire rollen van maatschappelijke organisaties wereldwijd, maar ook om een andere manier van samenwerken met overheden, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties en particulieren binnen de nationale context. Doel van een dergelijke strategische samenwerking is het scheppen van de juiste voorwaarden (enabling environment) voor duurzame transformatie van instituties, wetten en normen voor de realisatie van gendergelijkheid en implementatie van vrouwenrechten.

2.2. Thematische reikwijdte

De inhoudelijke focus van de te financieren programma’s dient te zijn gerelateerd aan het genderbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoals verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 201119 en de meer recente kamerbrieven ‘Wat de wereld verdient’20 en ‘Respect en Recht voor ieder Mens van 14 juni 2013’21 (zie hiervoor ook Hoofdstuk 1 Inleiding en Achtergrond). Gebaseerd op dit beleid richt FLOW2016–2020 zich op drie onderling samenhangende thematische prioriteiten:

  • I. Tegengaan van geweld tegen vrouwen

  • II. Participatie van vrouwen in politiek en bestuur

  • III. Economische participatie en zelfredzaamheid van vrouwen

Het fonds richt zich niet specifiek op het speerpunt ‘Bevordering van Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten’, omdat voor dit speerpunt andere fondsen bestaan. Voor de implementatie van de VNVR resolutie 1325, worden middelen beschikbaar gemaakt in het kader van het Nationaal Actieplan 1325. Echter, gezien de raakvlakken met de prioriteitsgebieden in het FLOW 2016–2020 fonds, en vanwege het feit dat het ook openstaat voor fragiele staten, is enige overlap mogelijk tussen de projecten, met name onder het prioriteitsgebied ‘Tegengaan van geweld tegen vrouwen’. Bij voorkeur versterken de verschillende Nederlandse financieringsinstrumenten en de gefinancierde projecten elkaar. Nota bene: activiteiten waarvoor reeds subsidie of een bijdrage van ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verkregen, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020.

2.2.1. Thematische prioriteit 1: Tegengaan van geweld tegen vrouwen

Internationale vrouwenorganisaties hebben een belangrijke rol gespeeld om de integrale benadering bij geweld tegen vrouwen (Violence Against Women, hierna VAW) op de agenda te plaatsen22. Ze pleitten ook voor betere wetgeving en criminalisering van alle vormen van misbruik, inclusief huiselijk geweld en misbruik binnen het huwelijk. De resultaten van deze lobby variëren per land: In sommige landen was de lobby zeer succesvol en leidde ze tot integrale zorg- en opvangmechanismen, een toepasselijk juridisch raamwerk en richtlijnen voor politie en maatschappelijk werk om de zorg en de vervolging na VAW beter te regelen. In veel landen ontbreken dergelijke mechanismen echter nog geheel, of zijn er grote leemtes in de implementatie ervan. De laatste jaren worden vrouwen in veel landen bovendien geconfronteerd met politieke veranderingen en conservatieve wetgeving waarbij verworven rechten worden teruggedraaid of de uitvoering ervan bemoeilijkt. Politieke en economische spanningen, conflict, groeiende sociale ongelijkheid en werkeloosheid doen in sommige gevallen het geweld tegen vrouwen toenemen.

De raakvlakken tussen VAW en de andere twee thematische prioriteiten in FLOW 2016–2020 zijn evident. Geweld tegen vrouwen kan worden begrepen als een samenspel van samenhangende sociale, en contextuele factoren (zoals gendernormen, economische situatie, wet- en regelgeving) en persoonlijke factoren (zoals machtsproblematiek, gedragsnormen, financiële problematiek, verslavingsproblematiek) die leiden tot geweld gerelateerd aan sekse en/of gender. In de context van (post) conflict situaties, kunnen deze factoren versterkt worden door factoren zoals grotere polarisatie van genderrollen of etnische geschillen.

Voor dit prioriteitsgebied van FLOW2016–2020 zijn voor Nederland de strategische doelstellingen onder het aandachtsgebied Tegengaan van Geweld tegen Vrouwen van het Beijing Actieplan richtinggevend:

  • (1) Take integrated measures to prevent and eliminate violence against women.

  • (2) Eliminate trafficking in women and assist victims of violence due to prostitution and trafficking.

  • (3) Study the causes and consequences of violence against women and the effectiveness of preventive measures.

2.2.2. Thematische prioriteit 2: Participatie van vrouwen in politiek en bestuur

De participatie van vrouwen in nationale parlementen neemt wereldwijd langzaam toe van 12% in 1995 naar de huidige 23%. Er zijn echter grote verschillen tussen regio’s en over het algemeen dringt de stem van arme vrouwen en vrouwen uit gemarginaliseerde groepen nog weinig door tot de politieke besluitvorming. Daar waar de politieke participatie van vrouwen aanzienlijk is gegroeid was dit vaak te danken aan speciale en gerichte maatregelen van de overheid, zoals quota vastgelegd in de wetgeving, of expliciete voorzieningen om de toegang van vrouwen tot politiek en bestuur te verzekeren23. Daarnaast zijn er goede resultaten van initiatieven van politieke partijen zelf om vrouwelijke kandidaten op hun lijst te plaatsen (al dan niet via vrijwillige taakstellingen). De bijdrage van politieke partijen is belangrijk, net als de bijdrage van sleutelfiguren in het bedrijfsleven die zich inzetten voor een betere genderbalans. Parlementariërs en politieke partijen kunnen het verschil maken om betere voorwaarden te scheppen voor vrouwelijke participatie.

Vrouwen zijn echter nog steeds sterk ondervertegenwoordigd op de hoogste politieke functies, zoals lijsttrekkers, staatshoofden en ministers. In 2014, bezetten vrouwen slechts 17% van de ministersposten wereldwijd. De meeste vrouwelijke ministers zijn benoemd op sociale posten en zijn nauwelijks actief op economische- en handelsposten.

Ook wat betreft participatie van vrouwen in bestuursfuncties is er een bescheiden positieve trend. Vrouwen maken een groeiend deel uit van vakbonden in sommige sectoren maar ze zijn sterk ondervertegenwoordigd in leidersposities en besluitvorming. Ook in de publieke sector en in het bedrijfsleven blijft het aantal vrouwen in topfuncties ver achter bij mannen. De verschillen zijn het grootst in veel landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika waar de gender gap voor besluitvormende en topfuncties meer dan 80% bedraagt.24

De betrokkenheid van maatschappelijke (vrouwen)organisaties bij politieke en bestuurlijke processen is variabel, maar is in de meeste lage- en lage-middeninkomenslanden gering.25 In sommige landen is zelfs sprake van restrictieve wetgeving en een groeiend democratisch deficit dat vaak wordt veroorzaakt door overheidsdruk om de waakhondfunctie van maatschappelijke organisaties en individuele burgers te beperken26. Naast toenemende intimidatie van maatschappelijke organisaties door overheden, is er in veel landen een groot gebrek aan transparantie over de besluitvorming en vinden politieke maatschappelijke consultaties nauwelijks plaats.27

Nederland wil via FLOW 2016–2020 dan ook maatschappelijke organisaties in lage- en lage-middeninkomenslanden versterken om resultaten te realiseren binnen dit aandachtsgebied. De twee strategische doelstellingen onder het aandachtsgebied Women in Power and Decision Making van het Beijing Platform for Action zijn richtinggevend voor de programma’s en de resultaatmeting:

  • (1) Take measures to ensure women's equal access to and full participation in power structures and decision-making.

  • (2) Increase women's capacity to participate in decision-making and leadership.

2.2.3. Thematische prioriteit 3: Economische participatie en zelfredzaamheid van vrouwen

Economische participatie is een multidimensionaal proces28. De belangrijkste dimensies zijn arbeidsparticipatie, werkgelegenheid, inkomen en kwaliteit van het werk. De laatste dimensie is het moeilijkst te meten, maar een voltijds vaste aanstelling blijkt een sterke indicator voor subjectieve welstand, hoger inkomen en secundaire arbeidsvoorwaarden en ontwikkelingsmogelijkheden. Bovendien blijkt dat een regulier inkomen en arbeidszekerheid voor vrouwen bijdraagt aan een beter machtsevenwicht tussen echtgenoten, aan een grotere investering in gezondheid en onderwijs voor kinderen en aan de vermindering van huiselijk geweld.

Over de hele wereld worden echter nog steeds meer vrouwen getroffen door economische uitsluiting dan mannen. De trends suggereren dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de wereld (leeftijd van 15-64) gedurende de laatste twee decennia over de hele wereld stagneert en zelfs enigszins afneemt, van 57% naar 55%29. Mannen hebben wereldwijd bijna twee keer zoveel kans op een vaste, voltijdsbaan als vrouwen. Vrouwen werken vaker minder uren en in banen met minder zekerheden en ontwikkelingskansen. Ze zijn oververtegenwoordigd in de informele banen met onveilige en ongezonde werkomstandigheden die niet voldoen aan internationale standaarden. Een ILO analyse in 83 landen laat zien dat vrouwen in loondienst gemiddeld 10–30% minder verdienen dan mannen30. Vergelijkbare gendergaps zijn zichtbaar bij ondernemers en boeren. Door verminderde toegang tot hulpmiddelen en kredieten hebben vrouwelijke landbouwers een lagere opbrengst en zijn ze minder actief in commerciële landbouw dan mannen. Vrouwelijke ondernemers zijn over het algemeen actief in kleinere bedrijven (zonder personeel) en in minder winstgevende sectoren. Vrouwen en meisjes doen overal ter wereld nog het overgrote deel van het werk in zorg en huishouden31. Discriminatie, intimidatie en onveiligheid op het werk treft vrouwen meer dan mannen.

Nederland wil via FLOW 2016–2020 maatschappelijke organisaties ondersteunen die zich samen met relevante partners inzetten voor economische participatie van vrouwen. De zes strategische doelen onder het aandachtsgebied Vrouwen en de Economie van het Beijing Platform for Action geven richting aan de FLOW-programma’s en de meting van resultaten:

  • (1) Promote women's economic rights and independence, including access to employment, appropriate working conditions and control over economic resources.

  • (2) Facilitate women's equal access to resources, employment, markets and trade.

  • (3) Provide business services, training and access to markets, information and technology, particularly to low-income women.

  • (4) Strengthen women's economic capacity and commercial networks.

  • (5) Eliminate occupational segregation and all forms of employment discrimination.

  • (6) Promote harmonization of work and family responsibilities for women and men.

Hoofdstuk 3. Kernbegrippen

Dit kader kent een aantal kernbegrippen. Voor een goede interpretatie zijn die hier kort beschreven.

  • Gendergelijkheid – wordt gedefinieerd als gelijke toegang voor vrouwen en mannen tot sociale goederen, kansen, hulpmiddelen en beloning. Gendergelijkheid betekent niet dat mannen en vrouwen niet van elkaar verschillen maar dat hun kansen en rechten in het leven gelijk zijn.32

  • Empowerment – staat centraal in het gendergelijkheidsconcept en werd als term geïntroduceerd in het Beijing Platform for Action van 1995. Volgens Kabeer33, is ‘empowerment’ een proces waarbij mensen met weinig keuzevrijheid deze keuzevrijheid verwerven. Macht (power) wordt beschreven in termen van het vermogen van mensen om strategische persoonlijke keuzes te maken en de mate waarin ze invloed hebben op hun eigen leven. Het is belangrijk om hierbij te bedenken dat andere criteria zoals bijvoorbeeld kaste, etniciteit, vermogen, familie en leeftijd afhankelijk van de context een grote bepalende rol kunnen spelen bij de machtpositie van individuen. Het succes van empowerment-strategieën is daarom sterk contextgevoelig34. Hoewel empowerment onmiskenbaar een individuele dimensie heeft, is de rol van sociale bewegingen evident. Structurele ongelijkheid kan zelden worden overwonnen door een enkel individu en vrouwenorganisaties en sociale bewegingen hebben een belangrijke rol om de randvoorwaarden voor verandering te creëren.

  • Gender mainstreaming – werd als internationale term geïntroduceerd in het Beijing Plan for Action van 1995 als een bindend principe voor gendergelijkheid (Rodenberg 2004): ii) Gender mainstreaming in het verband van dit beleidskader heeft betrekking op het in kaart brengen van de genderdimensie en de systematische integratie van gelijke behandeling en gendersensitiviteit in alle relevante beleidsterreinen.

  • Legitimiteit maatschappelijke organisaties – Maatschappelijke organisaties (niet gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk) ontlenen hun legitimiteit aan hun achterban en universele waarden zoals vastgelegd in VN-conventies, verdragen en gedragscodes op het terrein van mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking. Zij werken op basis van feiten en expertise en aan de hand van analyses, en zij leggen verantwoording af over wat zij doen aan de samenleving, hun achterban, de overheid en hun financiers.

Capaciteitsversterking

Richt zich enerzijds op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer. Anderzijds richt deze zich op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen. Voor dit kader is gekozen voor het 5C-model als basis voor capaciteitsversterking. Het model gaat uit van 5 kernbekwaamheden. Deze zijn35:

  • Zich verbinden aan een bepaald doel en daarnaar handelen: Capability to act and commit

  • Resultaten behalen: Capability to deliver

  • Relaties aangaan met externe stakeholders: Capability to relate to external stakeholders

  • Zich aanpassen wanneer nodig: Capability to adapt and self-renew

  • Coherent handelen: Capability to achieve coherence

Institutionele ontwikkeling

Capaciteitsversterking is gerelateerd aan individuen, organisaties en de bredere context (systeemontwikkeling). De combinatie van deze factoren leidt tot institutionele ontwikkeling.

  • Enabling environment voor gendergelijkheid – het creëren van maatschappelijke randvoorwaarden voor gendergelijkheid en de implementatie van vrouwenrechten. Om gunstige voorwaarden te scheppen voor gendergelijkheid is een transitie nodig op velerlei terrein; bijvoorbeeld het verbeteren van praktische voorwaarden voor vrouwen, het doorbreken van machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen in het publieke leven en in het gezin, en het aanpakken van discriminerende wetten, beleid en praktijken. Enabling environment heeft sociale, een culturele en juridische dimensies. Maatschappelijke organisaties dragen door hun activiteiten bij aan het scheppen van betere randvoorwaarden voor vrouwen en meisjes. In dit kader gaat het om het verbeteren van de randvoorwaarden voor politieke en economische participatie en het scheppen van een klimaat waarin geweld tegen vrouwen afneemt en de maatschappelijke tolerantie van dit soort geweld verdwijnt.

Beleidstheorie

De basis voor een strategisch programma gericht op het bevorderen van gunstige voorwaarden voor vrouwenrechten en kansen voor vrouwen is een ‘Beleidstheorie’ (Theory of Change). Een ‘Beleidstheorie36 is een serie bouwstenen die in hun samenhang beschrijft hoe een lange termijndoel te behalen is. De onderliggende analyse, aannames, voorwaarden, beoogde resultaten – outputs, outcomes en impact – worden hierin op een logische wijze gepresenteerd. De ‘Beleidstheorie’ dient als basis om per stap in het proces interventies te kunnen definiëren. In de beleidstheorie wordt ook inzichtelijk gemaakt welke rollen de verschillende stakeholders spelen. De aannames onderbouwen het geschetste veranderproces.

Het is niet eenvoudig om succes en resultaten van een veranderende enabling environment voor vrouwenrechten en gendergelijkheid te meten. Om dit toch zo goed mogelijk te kunnen monitoren en evalueren is het essentieel dat in de Beleidstheorie aannemelijk wordt gemaakt dat de inzet leidt tot verandering in beleid, structuren en processen en uiteindelijk in het leven van vrouwen en meisjes.

De Beleidstheorie laat overtuigend zien wat de doelstelling van het programma is en welke de meetbare tussenstappen zijn om die te bereiken.

Contextanalyse

Genderongelijkheid komt tot stand in complexe samenhang met sociale, economische en politieke factoren. Deze factoren zijn verweven met wereldvraagstukken (conflict, voedselcrisis, klimaatcrisis) maar hebben ook een sterke contextuele en lokale dimensie. Een goede contextanalyse is daarom belangrijk bij de beoordeling van beleidsopties en strategieën:

  • De analyse schetst waarom gendergelijkheid niet tot stand komt, wat de belangrijke problemen en achtergronden zijn. De analyse geeft ook aan waar de grootste kansen liggen voor vrouwen en meisjes, welke nationale instrumenten beschikbaar zijn en in welke sectoren de grootste vooruitgang wordt geboekt op weg naar gendergelijkheid.

  • Bij de analyse dient de koppeling tussen lokale initiatieven en nationaal beleid en potentieel voor multilaterale inzet te worden verduidelijkt. Een voorbeeld: lokale activiteiten op het gebied van tegengaan van geweld tegen vrouwen versterken het nationale instrumentarium voor implementatie van de Convention on Eliminating All Forms of Discrimination Against Women (CEDAW) en deze activiteiten worden zichtbaar in de nationale CEDAW rapportage.

  • De analyse brengt ook de actoren in kaart die op het niveau van land of deelstaat actief zijn om de positie van vrouwen te verbeteren (drivers of change). Deze actorenkaart laat tevens zien waar zich nog grote leemtes bevinden en waar strategische partners te vinden zijn.

  • De contextanalyse en de aannames onderbouwen de gekozen strategie(ën). De beleidstheorie (theory of change) laat zien tot welke outcome de gekozen strategie leidt en hoe deze bijdraagt aan een verbeterd voorwaardenscheppend klimaat voor de realisatie van gendergelijkheid en de implementatie van vrouwenrechten (impact).

Hoofdstuk 4. Wie kunnen voor subsidie in aanmerking komen?

Nederlandse en internationale37 maatschappelijke organisaties met aantoonbaar goede voorstellen en track records op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten.

Aanvrager/penvoerders en hun eventuele mede-indieners worden geselecteerd op basis van hun voorstel, dat onder meer een Track Record, Theory of Change (of eventueel meerdere Theories of Change) en een uitwerking daarvan in een programmavoorstel voor het eerste jaar bevat. Tevens is daarbij een financiële onderbouwing vereist.

Organisaties kunnen zelfstandig een aanvraag indienen of samen met een aantal mede-indieners, namens welke een penvoerder een aanvraag indient voor het programma als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, jegens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma. Nederlandse en Internationale maatschappelijke organisaties (INGO’s) komen in aanmerking als penvoerder en/of mede-indiener voor dit subsidiebeleidskader.

Een maatschappelijke organisatie kan slechts éénmaal in aanmerking komen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020 hetzij als penvoerder, hetzij als hetzij als aanvrager. Een maatschappelijke organisatie kan alleen als mede-indiener meedoen in een alliantie indien zij niet reeds als penvoerder in een andere alliantie optreedt dan wel zelfstandig een aanvraag indient.

Hoofdstuk 5. Beoordelingsprocedure

5.1. Criteria

De organisaties die in aanmerking willen komen voor subsidie uit FLOW 2016–2020 dienen te voldoen aan drempelcriteria en kwaliteitscriteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke organisatie zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

  • 2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten.

  • 3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de Beleidstheorie en de uitwerking daarvan in het programmavoorstel voor het eerste jaar.

Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 7.

5.2. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking38. Indien de beleidsregels voor FLOW 2016–2020 afwijken van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor FLOW 2016–2020 voorrang.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening in overeenstemming met deze rangorde.

Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 1 december 2015.

5.3. Fasen bij de beoordeling

De beoordeling vindt plaats in twee fasen, resulterend in een besluit over de selectie van programma’s die in aanmerking komen voor subsidie:

De eerste fase bestaat uit een toets op de drempelcriteria. De tweede fase bestaat uit een inhoudelijke beoordeling van het Track Record, de ‘Beleidstheorie’ en de uitwerking daarvan in het programmavoorstel voor het eerste jaar. De ‘Beleidstheorie’ bevat (o.a.) een gedegen visie op de gekozen doelen en interventies voor korte en middellange termijn. Het programmavoorstel voor het eerste jaar is een realistische uitwerking van de beleidstheorie en laat zien welke landen en welke lokale organisaties betrokken zullen worden in het programma. Ook de voorgestelde relatie met lokale (grassroots) organisaties wordt beoordeeld alsmede de voorgenomen samenwerking met andere actoren op lokaal en nationaal niveau.

5.4. Aanvragen voor financiering

Aanvragen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020 worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels tot en met 31 augustus 2015 aan de hand van het hiertoe door de Minister vastgestelde aanvraagstramien39.

De aanvragen bestaan uit:

  • A. Een beleidstheorie die in ieder geval de volgende elementen omvat:

    • 1. Een context-, actor en genderanalyse;

    • 2. De korte- en middellange-termijn doelstelling(en) en een visie daarop;

    • 3. De gekozen strategie;

    • 4. In het geval van mede-indieners een toelichting op de diverse rollen en meerwaarde van mede-indieners binnen het programma;

    • 5. Meetbare proces- en impactindicatoren ten behoeve van monitoring en bijstelling;

    • 6. Een risicoanalyse;

    • 7. Een beschrijving in welke landen en/or regio’s de meerwaarde ligt van de indiener(s);

    • 8. Geëxpliciteerde aannames ten aanzien van al het bovenstaande.

  • B. Een programmavoorstel voor het eerste jaar van het programma dat een concrete uitwerking van de beleidstheorie is en een nauwkeurige beschrijving omvat van de gekozen strategische interventies om het gewenste doel te bereiken (input, output en outcome), per land en afgestemd op de context van het land. Indien relevant worden de rollen van eventuele lokale strategische partners in de programma’s verhelderd.

  • C. Een track record waaruit de ervaring en het succes van de aanvrager danwel de penvoerder en zijn eventuele mede-indieners ten aanzien van vrouwenrechten en gendergelijkheid blijken. Het track record wordt gepresenteerd in de vorm van minstens 3 en maximaal 5 casussen uit de afgelopen drie jaar (peildatum 1 januari 2015) waaruit blijkt:

    • 1. Expertise en effectiviteit

    • 2. Flexibiliteit en lerend vermogen

    • 3. Transparantie, verantwoording en draagvlak

    • 4. Kennis van en meerwaarde in de landencontext(en)

    • 5. Inclusiviteit

    • 6. Duurzaamheid

    • 7. Toegevoegde waarde van de organisatie (aanvrager danwel penvoerder en eventuele mede-indieners)

  • D. Een M&E raamwerk, inclusief een beschrijving van de geraamde benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E kader bij lokale organisaties.

  • E. Een begroting voor de gehele looptijd van het programma, inclusief een begroting voor de geraamde benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E kader bij lokale organisaties. In de begroting wordt tevens een bedrag gereserveerd voor de reiskosten t.b.v. het jaarlijks beleidsoverleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

5.5. Beschikbare middelen

Het gereserveerde bedrag voor het totale fonds bedraagt € 95.000.000,–40. Deze middelen zijn beschikbaar voor subsidiëring van activiteiten in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020. De subsidie per programma bedraagt minimaal € 5 miljoen en maximaal € 15 miljoen voor de gehele looptijd van 5 jaar. Net als in het MDG3-fonds en FLOW1 hanteert het fonds een programmatische aanpak waarbij de aanvrager of de penvoerder en zijn mede-indieners ‘grants’ kan/kunnen doorsluizen naar lokale organisaties in de verkiesbare ontvangende landen op basis van vooraf goedgekeurde jaarplannen.

5.6. Verdeling van de beschikbare middelen

Om voor subsidie in het kader van FLOW 2016–2020 in aanmerking te komen zal allereerst aan de drempelcriteria moeten worden voldaan en zal in voldoende mate moeten worden voldaan aan de maatstaven met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record en de kwaliteit van de ‘Beleidstheorie’ en het programmavoorstel voor het eerste jaar.

Beoordeling van de aanvragen en subsidietoekenning vinden plaats via een tender: subsidieaanvragen worden alle inhoudelijk beoordeeld volgens de maatstaven van deze beleidsregels. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking, binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen volgens de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Bij de verdeling van de middelen zullen de aanvragen die het beste voldoen aan de criteria conform deze rangschikking als eerste worden gehonoreerd totdat de beschikbare middelen zijn uitgeput.

De verdeling van de middelen vindt plaats binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken: bij de selectie van de projecten wordt gestreefd naar een evenwichtige spreiding van de programmering over de prioriteiten van FLOW 2016–2020.

De kwaliteit van de aanvragen is doorslaggevend. Indien de kwaliteit op één of meerdere prioriteiten in onvoldoende mate voldoet aan de in deze beleidsregels neergelegde maatstaven, vindt verdeling van de subsidiegelden plaats over de prioriteiten en organisaties van de aanvragen die wel in voldoende mate aan de maatstaven voldoen.

5.7. Uitvoering en planning van de besluitvorming

Voor de beoordeling van de aanvragen stelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken een commissie samen met onafhankelijke experts van binnen en buiten het Ministerie. Experts/betrokkenen die lid zijn van de commissie kunnen niet zelf een aanvraag indienen of bij de opstelling van aanvragen betrokken zijn.

Besluitvorming over de tijdig ontvangen aanvragen vindt plaats op uiterlijk 1 december 2015.

Hoofdstuk 6. Monitoring en evaluatie

Het afleggen van verantwoording over de besteding van de verkregen middelen vindt plaats op basis van open data conform de IATI-standaarden zoals die vanaf 2016 gelden. Van de aanvrager/penvoerder/penvoerder wordt verwacht de IATI-ontwikkelingen te volgen en hun verantwoording op basis hiervan in te richten. In aanvulling daarop wordt voor de financiële verantwoording jaarlijks een accountantsrapport overlegd. Reguliere monitoring van de voortgang vindt plaats op basis van de goedgekeurde ‘Beleidstheorie’ en het programma.

Per programma wordt jaarlijks een voortgangsrapport en een jaarplan ter goedkeuring voorgelegd.

In het budget voor FLOW 2016–2020 wordt door de aanvrager/penvoerders desgewenst een reservering gemaakt voor technische assistentie op het gebied van monitoring en evaluatie. Deze assistentie is bedoeld voor de ondersteuning van de opbouw van een M&E raamwerk op het niveau van een lokale ontvanger (eindgebruiker). Geraamde bedragen/percentages voor deze assistentie dienen te worden opgenomen in het programmavoorstel. De resultaten van monitoring en evaluatie worden gecommuniceerd in het voorgangsrapport.

Om tussentijdse terugkoppeling van de resultaten van monitoring en evaluatie naar de uitvoering mogelijk te maken, én om de wisselwerking met het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te versterken vindt jaarlijks een beleidsoverleg plaats met alle aanvrager/penvoerders/penvoerders. Dit beleidsoverleg geeft organisaties ook de mogelijkheid om ervaringen uit te wisselen.

Hoofdstuk 7. Criteria voor de beoordeling van de aanvragen

7.1. Drempelcriteria

  • D.1: De aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indiener(s) is (zijn) (een) Nederlandse of internationale non-gouvernementele organisatie zonder winstoogmerk en bezit(ten) rechtspersoonlijkheid.

    Onder Nederlandse organisatie wordt verstaan een organisatie die in Nederland is opgericht, volgens Nederlands recht en die statutair in Nederland is gevestigd.

    Onder internationale organisatie wordt verstaan een organisatie die elders dan in Nederland is opgericht, volgens het in het land van oprichting toepasselijke recht, die statutair elders dan in Nederland is gevestigd en grensoverschrijdend werkt.

  • D.2: De aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners zet(ten) zich in voor structurele vermindering van sociale ongelijkheid in ten minste twee landen van de lage-inkomenslanden, lage-middeninkomenslanden en/of China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië 41, al dan niet door samenwerking met relevante organisaties en instellingen, met als doel gelijke rechten en kansen voor vrouwen en meisjes in ontwikkelingslanden te bevorderen.

  • D.3: De aanvrager/penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2016 ten minste 40% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. FLOW 2016–2020-subsidies zullen nooit meer bedragen dan 60% van de jaarlijkse inkomsten van de organisatie. Indien de aanvrager/penvoerder is namens een alliantie geldt dit criterium voor de hele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 40% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij.

  • D.4:

    • a. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners binnen de EU bedraagt per kalenderjaar ten hoogste EUR 163.000 op grond van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage, e.a.

    • b. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS)42 geldt voor de volgende landen in verband met het binnenlandse prijsniveau een aangepaste norm, eveneens op grond van een 36-urige werkweek, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen:

      Noorwegen:

      EUR 292.000

      =

      NOK 2.600.000

      Zwitserland:

      EUR 262.000

      =

      CHF 273.000

      VS/Canada:

      EUR 246.000

      =

      USD 275.000

      Japan:

      EUR 165.000

      =

      JPY 22.610.000

    • c. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners buiten de EU en Noorwegen, Zwitserland, Japan en/of VS/Canada staat niet later dan met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.5: De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer. De aanvrager/penvoerder kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen. Dit blijkt uit een geldige (minder dan vier jaar oude) en positief beoordeelde organisatietoets dan wel COCA (Checklist Organisational Capacity Assessment) die namens de minister is uitgevoerd in het kader van een subsidieaanvraag danwel een PARTOS ISO-9001 certificering. Indien de aanvrager geen positief beoordeelde organisatietoets dan wel COCA heeft, noch PARTOS ISO-9001 gecertificeerd is, vult de aanvrager de organisatietoets in aan de hand van het bijgevoegde COCA format (annex 3).

  • D.6: De programma’s hebben een looptijd die gelijk is aan de looptijd van FLOW 2016–2020, namelijk 5 jaar. De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 5 miljoen en maximaal € 15 miljoen voor de gehele looptijd van 5 jaar.

  • D.7: Het programma betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen.

  • D.8: Het programma heeft substantiële activiteiten in minimaal twee landen, waarvan ten minste één lage-inkomensland en één land uit de categorie lage-middeninkomenslanden of de landen China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië.

  • D.9: Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten.

  • D.10: Het programma betreft activiteiten die toe te rekenen zijn aan de ODA-middelen volgens de OESO/DAC-criteria.43

  • D.11: De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd worden niet uitgevoerd in landen anders dan lage-inkomenslanden, lage-middeninkomenslanden en China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië.

  • D.12: Het programma richt zich op ten minste één van de volgende drie categorieën van activiteiten, of behelst een integraal programma waarin meer categorieën voorkomen:

    • 1. Activiteiten gericht op bestrijding van geweld tegen vrouwen;

    • 2. Activiteiten gericht op participatie van vrouwen in politiek en bestuur;

    • 3. Activiteiten gericht op economische participatie en zelfredzaamheid van vrouwen.

7.2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de Beleidstheorie

De kwaliteit van de Beleidstheorie wordt bepaald aan de hand van de volgende maatstaven die betrekking hebben op de elementen die elke Beleidstheorie in ieder geval dient te bevatten:

  • P.1: De mate waarin de Beleidstheorie een adequate context-, actor- en genderanalyse omvat ten aanzien van het thema waarop geïntervenieerd zal worden (n.b. zie over en voor de thema’s par. 2.2).

  • P.2: De mate waarin de Beleidstheorie onderbouwt hoe de strategische korte- en middellange-termijn doelstellingen en interventies logisch voortvloeien uit de context-, actor- en genderanalyse en daarop een visie heeft.

  • P.3: De mate waarin de Beleidstheorie een overtuigende toelichting geeft op de (keuze voor) de voorgenomen interventiestrategieën in het programma als logisch uitvloeisel van de analyse en doelstellingen.

  • P.4: In het geval van mede-indieners: de mate waarin de Beleidstheorie een adequate toelichting geeft op de diverse rollen van de alliantieleden in en de meerwaarde van de samenwerking, waarbij de penvoerder ook ingaat op vormen van samenwerking en de coördinatie tussen de penvoerder en de mede-indieners(s).

  • P.5: De mate waarin de Beleidstheorie een adequaat systeem met indicatoren biedt voor de monitoring van outputs, outcomes en impact.

  • P.6: De mate waarin de Beleidstheorie een adequate risicoanalyse omvat met daarbij een beschrijving van stappen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

  • P.7: De mate waarin de Beleidstheorie overtuigend beschrijft in welke landen en/or regio’s de meerwaarde ligt van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indiener(s) en waar zij haalbare mogelijkheden zien resultaten te boeken.

  • P.8: De mate waarin in de Beleidstheorie de aannames en keuzes die ten grondslag liggen aan de gekozen benadering, zijn geëxpliciteerd.

  • P.9: De mate waarin de Beleidstheorie aansluit bij de prioriteitsgebieden van FLOW 2016–2020 en de strategische doelstellingen genoemd bij die prioriteitsgebieden.

7.3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het voorgestelde programma

De kwaliteit van het programma wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria.

  • P.10 De mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:

  • P.10.a. Relevantie voor het doel van dit subsidiebeleidskader: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan het vergroten van het enabling environment voor gelijke rechten en kansen voor vrouwen en meisjes in lage- en lage-middeninkomenslanden, China, Maleisië, Thailand, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië voornamelijk op de thema’s van veiligheid (bestrijding van geweld tegen vrouwen), economische participatie en participatie van vrouwen in politiek en bestuur.

  • P.10.b. De mate waarin de activiteiten aansluiten bij het internationale Nederlandse genderbeleid zoals omschreven in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 201144 en de meer recente kamerbrieven ‘Wat de wereld verdient’45 en ‘Respect en Recht voor ieder Mens van 14 juni 2013’46 alsmede de internationale consensus zoals verwoord in de betreffende aandachtsgebieden uit het Beijing Actieplan en het voorziene Post 2015 SDG 5 voor Gendergelijkheid.

  • P.10.c. Complementariteit en coherentie: de mate waarin de activiteiten zijn afgestemd op de situatie in de landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd, het ontwikkelingsbeleid van Nederland en andere donoren, evenals de meerwaarde van de activiteiten ten opzichte van andere activiteiten in de landen waar de activiteiten worden uitgevoerd.

  • P.11 De mate waarin het programma, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een valide analyse van de context.

  • P.12 De mate waarin het programma bijdraagt aan de institutionele capaciteitsopbouw van de partners in de landen van uitvoering en de mate waarin deze dan wel de doelgroep effectieve invloed hebben op de sturing van het programma.

  • P.13 De mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, en indien van toepassing de mate waarin de benodigde middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programma.

  • P.14 De mate waarin het programma een blijvend (duurzaam) effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de partners en de eigen organisatie van de aanvrager/penvoerder

  • P.15 In geval van mede-indieners, de mate waarin het werken met de mede-indieners meerwaarde heeft en de penvoerder en de mede-indieners ervaring hebben met het samenwerken in deze alliantie, dit blijkt uit een door alle betrokken organisaties getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd.

  • P.16 De mate waarin het programma is uitgewerkt in outcomes, beoogde outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en zijn voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen, en de mate waarin de beoogde outcomes, outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.

  • P.17 De mate waarin het programma vernieuwend is, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie en door efficiencywinst in de uitvoering.

7.4. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record

De kwaliteit van het Track Record wordt bepaald aan de hand van de volgende maatstaven die betrekking hebben op de factoren waarop elk Track Record in ieder geval inzicht dient te bieden:

  • T.1: De mate waarin de organisatie/alliantie inhoudelijke expertise heeft opgebouwd op het terrein van gendergelijkheid en vrouwenrechten, in het bijzonder de thema’s waarop FLOW 2016–2020 zich richt.

  • T.2: De mate van effectiviteit van de door de organisatie/alliantie uitgevoerde activiteiten op het terrein van gendergelijkheid en vrouwenrechten, waarbij wordt gekeken naar het gebruik van relevante nationale en internationale netwerken om de effectiviteit van de interventie te vergroten en naar de uitdagingen en hoe hiermee is omgegaan.

  • T.3: De mate waarin de organisatie/alliantie innovatief werkt, zowel op het terrein van gehanteerde interventiestrategieën als door efficiencywinst in de uitvoering van de programma’s.

  • T.4: De mate waarin de organisatie/alliantie transparant werkt voor, verantwoording aflegt aan en draagvlak heeft bij de doelgroep, partnerorganisaties, lokale stakeholders, donoren en het bredere publiek (inclusief leden/donateurs).

  • T.5: De mate waarin de werkzaamheden van de organisatie/alliantie inclusief zijn ten aanzien van betrokkenheid van de lokale partners, het mainstreamen van gender en het verbeteren van de kansen van en toegang tot basisvoorzieningen van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen.

  • T.6: De mate waarin een structurele inbedding van de resultaten heeft plaatsgevonden.

  • T.7: De mate waarin de organisatie/alliantie toegevoegde waarde heeft op het gebied van gendergelijkheid ten opzichte van andere actoren: overheden, andere maatschappelijke organisaties, multilaterale organisaties en bedrijfsleven.

  • T.8: De mate waarin de organisatie/alliantie beschikt over lerend vermogen en aanpassingsvermogen op basis van de PME geleerde lessen.

Annexen

Annex 1. Aanvraagstramien

Annex 2. Lijst met verkiesbare lage- en lage-middeninkomenslanden

Annex 3. COCA

Annex 4. Verkorte COCA

Dit beleidskader en alle Annexen zijn te vinden op de website van de Rijksoverheid: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexannexen ook geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [2]

    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [3]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/11/15/kamerbrief-internationaal-genderbeleid.html

  • ^ [4]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html

  • ^ [5]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/06/14/beleidsbrief-respect-en-recht-voor-ieder-mens.html

  • ^ [6]

    Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3

  • ^ [7]

    UN-Women: calculations based on data from demographic and health surveys. Uit: Review and appraisal of the implementation of the Beijing

    Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General E/CN.6/2015/3

  • ^ [8]

    The Gender Divident: Making the business case for investing in Women. Deloitte, 2011 http://www.slideshare.net/ljubab/the-gender-dividend-making-the-business-case-for-investing-in-women

  • ^ [9]

    World Bank Development report 2012

  • ^ [10]

    Kabeer and Natali (2013): 3, 34-36, 38.

  • ^ [11]

    Vaststelling beleidsregels subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (MDG3-

    Fonds: Investeren in gelijkheid) Staatscourant 29 februari 2008, nr. 43 en Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 10 mei 2011, nr. DJZ/BR-0457/11, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), Stcrt. 2011, nr. 8466.

  • ^ [12]

    Wereldbankgroep (2014), Voice and Agency: Empowering women for shared prosperity

  • ^ [13]

    Htun and Weldon (2012) – ‘The civic origins of progressive policy change: combating violence against women in global perspective, 1975–2005’

  • ^ [14]

    Dienstverleners, medische instellingen, gemeenten, onderwijsinstellingen, politieke organisaties, vakbonden, overheidsorganisaties.

  • ^ [15]

    A transformative stand-alone goal on achieving gender equality, women’s rights and women’s empowerment: imperative and key components. UN Women Policy divison, 2013. http://www.unwomen.org/en/what-we-do/~/media/AC04A69BF6AE48C1A23DECAEED24A452.ashx

  • ^ [16]

    Alle lage- en lage-middeninkomenslanden volgens de classificaties van OESO/DAC (http://www.oecd.org/dac/stats/49483614.pdf) aangevuld met de landen: China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië. Zie ook Annex 2 bij dit beleidskader voor de lijst van verkiesbare landen

  • ^ [17]

    Alle lage- en lage-middeninkomenslanden volgens de classificaties van OESO/DAC (http://www.oecd.org/dac/stats/49483614.pdf) aangevuld met de landen: China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië. Zie ook Annex 2 bij dit beleidskader voor de lijst van verkiesbare landen.

  • ^ [18]

    Bijv. medische dienstverleners, kinderopvang, gemeenten, vakbonden, politieke organisaties, bedrijven, arbeidsbemiddeling, financiële dienstverleners.

  • ^ [19]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/11/15/kamerbrief-internationaal-genderbeleid.html

  • ^ [20]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html

  • ^ [21]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/06/14/beleidsbrief-respect-en-recht-voor-ieder-mens.html

  • ^ [22]

    Voice and Agency: Empowering Women and Girls for Shared Prosperity http://www.worldbank.org/en/topic/gender/publication/voice-and-agency-empowering-women-and-girls-for-shared-prosperity

  • ^ [23]

    Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3

  • ^ [24]

    Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3

  • ^ [25]

    The 2012 CSO Sustainability Index. USAID (2013); and www.v-dem.net

  • ^ [26]

    Carnegie Endowment for International Peace. Closing Space: Democracy and Human Rights Support Under Fire (2014).

  • ^ [27]

    Democracy Index 2012: Democracy at a standstill (2013). Economist Intelligence Unit

  • ^ [28]

    Gender at work: a companion to the World Develeopment Reports on Jobs http://www.worldbank.org/content/dam/Worldbank/Event/Gender/GenderAtWork_web2.pdf

  • ^ [29]

    Marlar, J. and E. Mendes. 2013. ‘Globally, Men Twice as Likely as Women to Have a Good Job.’ from http://www.gallup.com/poll/164666/globally-men-twice-likely-women-good-job.aspx; Clifton, J., and J. Marlar. 2011. ‘Worldwide, Good Jobs Linked toHigher Wellbeing.’ from http://www.gallup.com/poll/146639/worldwide-good-jobs-linked-higher-wellbeing.aspx.

  • ^ [30]

    ILO. 2008. Global Wage Report 2008–09: Minimum Wages and Collective Bargaining, Towards Policy Coherence. Geneva: ILO.

  • ^ [31]

    e.g. Blackden et al (2006): 17; Esplen and Brody (2007): 2, 12; FAO (2009): 14, 24; Gallina (2010):24; Agarwal (2011):7-8; FAO (2011): 5, 7, 13, 27; ActionAid (2012):2, 5, 7.and Kabeer and Natali (2013): 40.

  • ^ [32]

    OECD (1999) DAC Guidelines for gender Equality and women’s Empowerment in development Cooperation. Development cooperation guidelines Series: 13

  • ^ [33]

    Kabeer, N. (2005) Gender equality and women’s empowerment, a critical analysis of the third Millennium Development Goal. Gender and Development 13 (1):13-24 and Kabeer, N. (1999) Resources, Agency, Achievements: reflections on the Measurement of Women’s Empowerment. In: Development and Change Vol.30 (1999) 435-464. Institute of Social Studies 1999.UK: Blackwell Publishers Ltd.

  • ^ [34]

    ‘One of the major difficulties in measuring empowerment is that the behaviours and attributes that signify empowerment in one context often have different meanings elsewhere’ (Malhotra, 2005)

  • ^ [35]

    Baser, H. and Morgan, P. (2008) Capacity, Change and Performance: Study Report. Maastricht: ECDPM.

  • ^ [36]

    https://www.theoryofchange.org/

  • ^ [37]

    Dit zijn maatschappelijke organisaties die elders dan in Nederland zijn opgericht, volgens het in het land van oprichting toepasselijke recht, elders dan in Nederland zijn gevestigd en die grensoverschrijdend werken.

  • ^ [38]

    Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 juli 2012, nr. MinBuZa-2012.16922, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2012, nr. 15896.

  • ^ [39]

    Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexannexen geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [40]

    Mogelijk wordt dit bedrag nog verhoogd dankzij de bijdragen van andere donoren.

  • ^ [41]

    Volgens OESO/DAC classificatie http://www.oecd.org/dac/stats/documentupload/DAC%20List%20of%20ODA%20Recipient zie ook Annex 2 bij dit beleidskader voor de complete lijst van verkiesbare landen.

  • ^ [42]

    http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tec00114&plugin=1

  • ^ [43]

    http://www.oecd.org/dac/stats/49483614.pdf

  • ^ [44]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/11/15/kamerbrief-internationaal-genderbeleid.html

  • ^ [45]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html

  • ^ [46]

    http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/06/14/beleidsbrief-respect-en-recht-voor-ieder-mens.html