Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels AMIF en ISF 2014–2020

Geldend van 21-05-2015 t/m heden

Beleidsregels van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 mei 2015, nummer 644356, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Beleidsregels AMIF en ISF 2014–2020)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 12, onderdelen b, c, d, e en g, en 15, van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Artikel 2. Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen

  • 1 Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen bestaan overeenkomstig de in bijlagen A, B en C van de subsidieregeling omschreven subsidiabele activiteiten in volledige of gedeeltelijke ondersteuning in de vorm van:

    • a. een vergoeding van kosten gemaakt door de subsidieontvanger ten behoeve van de doelgroepen, of

    • b. een vergoeding van door de doelgroepen gemaakte kosten die vervolgens door de subsidieontvanger worden terugbetaald.

  • 2 In het geval van activiteiten waarvoor de deelname noodzakelijk is van personen die onder de reikwijdte van bijlagen A of B van de subsidieregeling vallen, zoals bijvoorbeeld een opleiding en cursus, kunnen kleine geldelijke stimulansen worden verstrekt als extra bijstand, mits het totaalbedrag niet groter is dan € 25.000 per project en het wordt verdeeld per deelnemer voor elk evenement, cursus, en dergelijke. De subsidieontvanger dient een lijst bij te houden van de personen, de tijd en plaats van betaling en zorgt voor een degelijke follow-up om elke dubbele financiering of elk misbruik van middelen te vermijden.

  • 3 In het geval van activiteiten die onder de reikwijdte van artikel C5, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de subsidieregeling, vallen kunnen de in de subsidieregeling genoemde maximale bedragen worden vergoed in de vorm van niet terugvorderbare forfaitaire bedragen, zoals ingeval van beperkte steun voor het opbouwen van economische activiteiten en geldelijke stimulansen voor terugkeerders. Het bieden van financiële ondersteuning is vooralsnog alleen voorbehouden aan de Internationale Organisatie voor Migratie die voor de Nederlandse overheid ook de Herintegratieregeling Terugkeer uitvoert en de Dienst Terugkeer & Vertrek die verantwoordelijk is voor de regie en de uitvoering van het terugkeerbeleid.

  • 4 Bijstandsmaatregelen na terugkeer naar een derde land, zoals bijstand op het gebied van opleiding en werk, korte termijnmaatregelen om de herintegratie op gang te brengen, en hulp na terugkeer zoals respectievelijk beschreven in bijlage C van de subsidieregeling, mogen niet langer duren dan twaalf maanden na de datum van terugkeer van de onderdaan van het derde land.

Artikel 3. Reiskosten en verblijfskosten buitenland

  • 1 Reiskosten en verblijfkosten buitenland zijn alleen subsidiabel voor personeel en andere personen die deelnemen aan de activiteiten als deze onderdeel uitmaken van de in bijlagen A tot en met H van de subsidieregeling opgesomde subsidiabele activiteiten en deel uitmaken van de goedgekeurde begroting van het project.

  • 2 Dienstreizen, die in Nederland zijn begonnen en waarbij het reisgedeelte buiten Nederland beperkt is of waarbij de grensoverschrijding niet noodzakelijkerwijs leidt tot uitgaven voor maaltijden of overnachting in het buitenland, worden voor de toepassing van dit besluit aangemerkt als dienstreizen binnen Nederland.

  • 3 Reiskosten komen voor subsidie in aanmerking op grond van de werkelijk gemaakte kosten. De terugbetaling moet gebaseerd zijn op de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. Vliegreizen zijn in de regel pas toegelaten voor reizen van meer dan 800 km heen en terug, behalve indien luchtvervoer op grond van de plaats van bestemming gerechtvaardigd is. Wanneer van een particulier voertuig wordt gebruikgemaakt, gebeurt de vergoeding of op basis van de kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer, of op basis van een vergoeding van € 0,19 per gereden kilometer.

  • 4 Verblijfskosten zijn subsidiabel op basis van werkelijk gemaakte kosten of dagvergoedingen. De werkelijke kosten voor verblijfkosten en dagvergoedingen die worden gehanteerd met betrekking tot buitenlandse dienstreizen, moeten binnen de grenzen liggen van de ‘Tarieflijst logies- en overige kosten buitenlandse dienstreizen’ die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is vastgesteld. Deze tarieflijst is te vinden op de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: www.overheid.nl.

  • 5 Dagvergoedingen hebben betrekking op plaatselijk vervoer (inclusief taxi), accommodatie, maaltijden, plaatselijke telefoongesprekken en diversen. Voor reizen naar Nederland gelden de tarieven van de vigerende United Nations Daily Subsistence Allowance lijst als maximum.

Artikel 4. Kosten van materieel

  • 1 Uitgaven in verband met huur- en leasingverrichtingen komen voor medefinanciering in aanmerking afhankelijk van de overige nationale wetgeving, voorschriften en praktijken en de duur van de huur of de leasing voor het project. Onder leasing wordt in het kader van de subsidieregeling financial lease verstaan.

  • 2 Wanneer materieel wordt aangekocht tijdens de levensduur van het project, moet in de begroting worden gespecificeerd of de volledige of gedeeltelijke aankoopkosten zijn opgenomen, of alleen dat deel van de afschrijvingen van het materieel dat overeenstemt met de duur van het gebruik voor het project en met de mate waarin het daadwerkelijk voor het project wordt gebruikt. Dit laatste wordt berekend overeenkomstig de geldende nationale voorschriften.

  • 3 Materieel dat vóór de levensduur van het project werd aangekocht, maar dat wordt gebruikt voor het project, is subsidiabel op grond van afschrijvingen. Deze kosten zijn echter niet subsidiabel wanneer het materieel oorspronkelijk werd aangekocht via een subsidie van de Europese Unie.

  • 4 Voor afzonderlijke artikelen die minder dan € 20.000 kosten, zijn de volledige aankoopkosten subsidiabel, op voorwaarde dat het materieel wordt aangekocht vóór de laatste drie maanden van het project. Afzonderlijke artikelen die € 20.000 of meer kosten, zijn alleen subsidiabel op basis van afschrijvingen.

  • 5 Voor subsidiabele activiteiten die vallen onder bijlage C van de subsidieregeling zijn, in afwijking van lid 4, de aankoopkosten van vervoersmiddelen die minder dan € 250.000 kosten, volledige subsidiabel. Vervoermiddelen die € 250.000 of meer kosten, zijn alleen subsidiabel op basis van afschrijvingen.

  • 7 Aankoopkosten voor materieel moeten overeenstemmen met de normale marktkosten en de waarde van de betrokken voorwerpen wordt afgeschreven overeenkomstig de belasting- en boekhoudvoorschriften die voor de subsidieontvanger gelden.

  • 8 Indien er sprake is van volledige of gedeeltelijke aankoopkosten dient het materieel vanaf de dag van aankoop voor dezelfde doelstellingen als die van het project te worden gebruikt gedurende ten minste drie jaar voor informatie- en communicatietechnologiematerieel, vijf jaar voor andere soorten materieel, zoals bedrijfsuitrusting en vervoermiddelen, met uitzondering van helikopters, vaartuigen en vliegtuigen, waarvoor een periode van tien jaar geldt.

  • 9 Wanneer materieel wordt gebruikt voor meerdere doeleinden en het dientengevolge niet mogelijk is om de volledige kosten van het materieel ten laste van het project te brengen, moet een percentage van het gebruik worden berekend en worden toegepast op de kosten van het materieel om de kosten die aan het project kunnen worden toegerekend te bepalen. De termijnen, bedoeld in het vorige lid, wijzigen als gevolg hiervan niet.

Artikel 5. Kosten van onroerende zaken

  • 1 Wanneer de aankoop van onroerende zaken essentieel is voor de uitvoering van activiteiten van een project die onder de reikwijdte van artikel A5 van de subsidieregeling vallen en er een duidelijk verband bestaat met de doelstellingen ervan, komt de aankoop van een onroerende zaak, dat wil zeggen reeds opgetrokken gebouwen of de bouw van een onroerende zaak, in aanmerking voor medefinanciering, en wel onder de hieronder uiteengezette voorwaarden, en zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de toepassing van strengere nationale voorschriften:

    • a. Er moet een bewijs worden afgegeven door een onafhankelijke gekwalificeerde taxateur of een naar behoren gemachtigd officieel orgaan, waaruit blijkt dat de prijs de marktwaarde niet overschrijdt. Bovendien verklaart dit bewijs ofwel dat de onroerende zaak in overeenstemming is met de nationale voorschriften, ofwel geeft het de punten aan die niet conform zijn en waarvan de rectificatie door de eindbegunstigde is gepland in het kader van het project.

    • b. De onroerende zaak mag niet vóór de uitvoering van het project met een subsidie van de Europese Unie zijn aangekocht.

    • c. De onroerende zaak mag alleen worden gebruikt voor het doel van het project.

    • d. Alleen het deel van de afschrijvingen van gebouwen dat overeenstemt met de duur van het gebruik en met de mate waarin zij daadwerkelijk voor het project worden gebruikt, is subsidiabel; de afschrijvingen worden berekend volgens nationale boekhoudvoorschriften.

  • 2 Indien is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de volledige kosten van de renovatie van gebouwen subsidiabel tot een maximumbedrag van € 100.000. Boven deze drempel zijn de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, van toepassing.

  • 3 Wanneer de aankoop van onroerende zaken essentieel is voor de uitvoering van activiteiten van een project die onder de reikwijdte van de artikelen C5, D4, E5, F4, G4 en H5 van de subsidieregeling vallen en er een duidelijk verband bestaat met de doelstellingen ervan, komt de aankoop van een onroerende zaak, dat wil zeggen reeds opgetrokken gebouwen of de bouw van een onroerende zaak, in aanmerking voor medefinanciering op basis van de volledige of gedeeltelijke aankoopkosten, of op grond van afschrijvingen, onder de hieronder uiteengezette voorwaarden, en zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de toepassing van strengere nationale voorschriften:

    • a. Er moet een bewijs worden afgegeven door een onafhankelijke gekwalificeerde taxateur of een naar behoren gemachtigd officieel orgaan, waaruit blijkt dat de prijs de marktwaarde niet overschrijdt. Bovendien verklaart dit bewijs ofwel dat de onroerende zaak in overeenstemming is met de nationale voorschriften, ofwel geeft het de punten aan die niet conform zijn en waarvan de rectificatie door de eindbegunstigde is gepland in het kader van het project.

    • b. De onroerende zaak mag niet vóór de uitvoering van het project met een subsidie van de Europese Unie zijn aangekocht.

    • c. In geval van medefinanciering van de volledige of gedeeltelijke kosten mag de onroerende zaak voor een periode van ten minste tien jaar na de einddatum van het project alleen voor het in het kader van het project vastgestelde doel worden gebruikt, tenzij de minister anders beslist. In geval van medefinanciering op basis van afschrijvingen wordt deze periode teruggebracht tot vijf jaar.

    • d. In het geval van medefinanciering op basis van afschrijvingen is alleen het deel van de afschrijvingen van deze zaken dat overeenstemt met de duur van het gebruik en met de mate waarin het daadwerkelijk voor het project wordt gebruikt, subsidiabel. De afschrijvingen worden berekend volgens nationale boekhoudvoorschriften.

  • 4 In aanvulling op het derde lid komen uitgaven voor renovatie van onroerende zaken in aanmerking voor medefinanciering op basis van de volledige of gedeeltelijke aankoopkosten, of op grond van afschrijvingen. In het geval van renovatie zijn alleen de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, van toepassing.

Artikel 6. Overige externe kosten

  • 1 Uitgaven betreffende de volgende onderaannemingscontracten komen niet in aanmerking voor medefinanciering. Het betreffen onderaannemingscontracten voor taken in verband met het algemene beheer van het project, onderaannemingscontracten waardoor de kosten van het project worden verhoogd zonder dat er een proportionele waarde aan wordt toegevoegd of onderaannemingscontracten met tussenpersonen of consultants waarin het te betalen bedrag is uitgedrukt als een percentage van de totale kostprijs van het project, tenzij de gegrondheid van een dergelijke betalingswijze door de subsidieontvanger wordt bewezen aan de hand van de daadwerkelijke waarde van het verrichte werk of de verleende diensten.

  • 2 De onderaannemers moeten alle audit- en controleorganen voor alle onderaannemingscontracten alle vereiste informatie betreffende de in onderaanneming gegeven activiteiten verschaffen.

Artikel 7. Administratievoorschriften

  • 2 De subsidieontvanger bewaart tijdens de in artikel 16, eerste lid, van de subsidieregeling, bedoelde periode over de terugkeerders die deze bijstand krijgen de nodige informatie, waaruit de identiteit van deze personen blijkt, alsmede de datum van terugkeer naar hun land, en bewijs dat deze personen de bijstand hebben ontvangen.

  • 3 De subsidieontvanger bewaart tijdens de in artikel 16, eerste lid, van de subsidieregeling, bedoelde periode de bewijsstukken van de geleverde bijstand (zoals facturen en ontvangstbewijzen) en voor forfaitaire bedragen dienen bewijsstukken te worden bewaard waaruit blijkt dat de betrokken personen de ondersteuning hebben ontvangen. De opslag en de verwerking van dergelijke gegevens moet gebeuren volgens de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming.

Artikel 8. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels AMIF en ISF 2014–2020.

Artikel 9. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt verplaatst, en werken terug tot en met 1 april 2015.

Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 mei 2015

De

Minister

van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher