Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 20 april 2015, nr. IENM/BSK-2014/219006, houdende vaststelling van de eisen voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie T (Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

BESLUIT:

Artikel 1

De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie T moet voldoen, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen rijbewijscategorie T.

Artikel 2

Het CBR draagt er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. Bij een onvoldoende examen wordt tevens aangegeven aan welke exameneisen de aanvrager niet heeft voldaan.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage bij artikel 1 van de Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T

Eind- en toetstermen voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie T

Categoriecode:

T-rijbewijs praktijk (T)

Toelichting op tabel met afbakening

Tax = Taxonomiecode F = Feitelijke kennis B = Begripsmatige kennis R = Reproductieve vaardigheid P = Productieve vaardigheid

Nr

Eindtermen

1.

Rijklaar controle

2.

Verantwoord rijgedrag

3.

Verkeersgedrag tijdens een rit

4.

Bijzondere verrichtingen

5.

Voertuigbeheersing

6.

Ergonomie en veiligheid

Eindtermen en toetstermen

Afbakening

(indien van toepassing)

Tax:

1. Rijklaar controle    

1.1

Voertuigdocumenten controleren.

De kandidaat is in staat om voor uitvoering van een rit de voertuigdocumenten en constructieplaten te controleren.

R

1.2

Buitenzijde voertuigen (LBT+aanhangwagen) controleren.

De kandidaat is in staat om steekproefsgewijs visueel verschillende controles aan de buitenzijde van de voertuigen (LBT+aanhangwagen) uit te voeren gericht op een veilig weggebruik.

R

       
   

– Algemene staat van de voertuigen:

○ stand van het voertuig;

○ lekkages;

○ controle onder de voertuigen;

○ schade;

○ goede bevestiging van voertuigonderdelen;

○ stootbalk en zijdelingse afscherming (indien aanwezig);

○ carrosserie;

○ plaatwerk;

○ laaddeuren/laadkleppen (indien aanwezig);

○ deursluiting;

○ spiegels.

 
       
   

– Bij de wielen/banden:

○ staat van de banden;

○ vastzitten van de wielmoeren;

○ aanwezigheid en staat van de spatborden;

○ de wielophanging en vering.

 
       
   

– Bij verlichting:

○ goede staat en werking van de wettelijke verlichtingen/reflectie/markering.

 
       
   

– Bij de ruiten:

○ voorruit, zijruiten en achterruit (schoon, geen barst in zichtveld bestuurder);

○ goede staat en werking van de ruitenwissers.

 
       
   

– Lading:

○ laadmechanisme (indien aanwezig);

○ ladingverdeling;

○ controle op het vastgezet en/of afgedekt zijn van de lading.

 
       
   

– Koppelmechanisme:

○ het koppelmechanisme controleren;

○ de lucht-, hydrauliek- en elektroverbinding controleren.

 

1.3

Vloeistoffen controleren en aanvullen.

De kandidaat is in staat steekproefsgewijs te controleren of er voldoende vloeistoffen aanwezig zijn in de reservoirs van:

– de motorolie;

– remvloeistof (indien van toepassing);

– de koelvloeistof;

– de ruitenwisservloeistof;

– de accu;

– de stuurinrichting;

– het brandstofsysteem.

en kan uitleggen hoe deze vloeistoffen aan te vullen.

R

1.4

Controle in het voertuig.

De kandidaat is in staat om steekproefsgewijs visueel verschillende controles aan de binnenzijde van het voertuig uit te voeren:

– interpretatie dashboardinformatie;

– bediening van de claxon(d.m.v. uitleg);

– werking van het remsysteem door middel van de remproef;

– aanwezigheid, werking en doel van de gordel.

De kandidaat moet uit kunnen leggen hoe te handelen bij het branden van waarschuwingslampjes.

R

1.5

Het voertuig rijklaar maken.

De kandidaat is in staat om voor uitvoering van een rit het voertuig rijklaar te maken door het juist afstellen van:

– de stoel;

– de spiegels;

– het stuur;

– eventueel aanwezige zichtsystemen.

R

2. Verantwoord rijgedrag    

2.1

Verantwoord rijgedrag toepassen volgens de principes van het milieu- en energiebewust rijgedrag.

De kandidaat is in staat om tijdens de rit verantwoord rijgedrag toe te passen:

– starten zonder gas geven;

– wijze van accelereren en schakelen (zo vroeg mogelijk naar een hogere versnelling, rekening houdend met een zo optimaal mogelijk toerental);

– rijden met een gelijkmatige snelheid;

– voldoende afstand bewaren ten opzichte van medeweggebruikers (ruimtekussen);

– anticiperen op verkeersontwikkelingen;

– wijze van vertragen (uitrollen in de versnelling, gebruik maken van het rolvermogen van het voertuig).

R

3. Verkeersgedrag tijdens een rit    

3.1

Veilig verkeersgedrag.

De kandidaat is in staat om tijdens een rit veilig verkeersgedrag te tonen.

 
       
   

– Verkeersgedrag tijdens het wegrijden

De kandidaat is in staat veilig weg te rijden na een stop in en buiten het verkeer.

 
       
   

– Verkeersgedrag tijdens het rijden op de weg

De kandidaat is in staat om op de weg veilig verkeersgedrag te tonen tijdens:

○ het rijden op rechte weggedeelten;

○ het rijden van bochten in het wegverloop;

○ het naderen en passeren van kruispunten;

○ het afslaan;

○ het in- en uitvoegen;

○ het inhalen en voorbijgaan;

○ tegemoetkomen en ingehaald worden;

○ het wisselen van rijstrook en andere zijdelingse verplaatsingen.

 
       
   

– Verkeersgedrag bij bijzondere weggedeelten (indien aanwezig)

De kandidaat is in staat om bij bijzondere weggedeelten veilig verkeersgedrag te vertonen tijdens:

○ het wegrijden vanuit/inrijden van een in- en uitrit;

○ het naderen en oversteken van spoorwegovergangen;

○ het naderen en passeren van (voetgangers)oversteekplaatsen;

○ het naderen en passeren van tram- en bushaltes;

○ het naderen en passeren van rotondes;

○ het rijden van stijgende en/of dalende wegen over een langere afstand;

○ het rijden door tunnels.

 

3.2

Algemeen verkeersgedrag.

Tijdens de rit laat de kandidaat zien te beschikken over een defensieve en sociale rijstijl:

– rekening houden met de belangen van medeweggebruikers en de omgeving;

– anticiperen op verkeersontwikkelingen;

– positieve communicatie met medeweggebruikers.

R

3.3

Kijkgedrag.

De kandidaat laat tijdens de rit zien te beschikken over juist en functioneel kijkgedrag gericht op actief waarnemen van de verkeerssituatie:

– rondom de voertuigcombinatie kijken;

– gebruik maken van aanwezige zichtsystemen (spiegels/camera’s/e.d.);

– dichtbij kijken;

– ver weg kijken;

– aandacht voor de dode hoek.

R

3.4

Route uitzetten en rijden.

De kandidaat is in staat om een route te rijden zodanig dat dit geen gevaar of onnodige hinder voor het overige verkeer oplevert.

R

4. Bijzondere verrichtingen    

4.1

Bijzondere verrichtingen uitvoeren.

– De kandidaat is in staat de volgende bijzondere verrichtingen uit te voeren:

○ recht achteruitrijden;

○ achteruit inrijden van een (denkbeeldige) inrit;

○ keren door middel van steken;

○ hellingproef;

○ veilig parkeren voor laden en lossen.

P

       
   

– Tijdens de bijzondere verrichting is de kandidaat in staat rekening te houden met de verkeersveiligheid.

– De kandidaat is in staat om een LBT en aanhangwagen:

○ te koppelen (hierbij dienen de voertuigen niet in het verlengde van elkaar te staan);

○ te ontkoppelen.

 
5. Voertuigbeheersing    

5.1

Voertuigbeheersing.

– De kandidaat is in staat het voertuig correct te bedienen door juist gebruik van:

○ de koppeling;

○ gaspedaal;

○ de remmen;

○ de versnelling (juiste versnelling bij het profiel van het wegdek/belasting van de voertuigcombinatie).

– De kandidaat is in staat het voertuig correct te besturen.

– De kandidaat is in staat alle onderdelen van het dashboard en de cabine te gebruiken, zonder hierbij gevaar of onnodige hinder te veroorzaken:

○ verlichting;

○ richtingaanwijzers;

○ airco/verwarming;

○ andere rijtechnische voorzieningen.

R

6. Ergonomie en veiligheid    

6.1

Ergonomie.

– De kandidaat heeft een juiste zit- en stuurhouding.

– De kandidaat is in staat om persoonlijke blessures te voorkomen door juist in- en uitstapgedrag.

R

6.2

Veiligheid.

– De kandidaat maakt tijdens de rit gebruik van de veiligheidsgordel.

– De kandidaat is in staat de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen bij het verlaten van het voertuig:

○ veilig stallen;

○ contactsleutel meenemen;

○ voertuig afsluiten.

R