Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2015 ‘Arbeidstoeleiding kwetsbare jongeren vanuit speciaal en regulier onderwijs’

Geldend van 31-03-2015 t/m heden

Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2015 ‘Arbeidstoeleiding kwetsbare jongeren vanuit speciaal en regulier onderwijs’

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

Gelet op de Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2013;

Besluit:

Artikel 1

  • 1 UWV stelt als subsidiethema vast: ‘Arbeidstoeleiding kwetsbare jongeren vanuit speciaal en regulier onderwijs’, zoals nader uitgewerkt in de bijlage bij dit besluit.

  • 2 Maximaal 2 subsidieaanvragen worden gehonoreerd.

  • 3 Het budget voor het in het eerste lid genoemde thema bedraagt in totaal maximaal € 160.000

  • 4 Verleende subsidie zal ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Artikel 2

Beknopte subsidieaanvragen kunnen van 30 maart 2015 tot uiterlijk 21 april 2015 10.00 uur worden ingediend. Aangevulde aanvragen kunnen van 1 mei 2015 tot uiterlijk 22 mei 2015 24.00 uur worden ingediend.

Artikel 3

De eisen die UWV stelt aan de subsidieaanvragen en de wijze waarop UWV de subsidieaanvragen beoordeelt zijn beschreven in de ‘Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2013’ ( Stct 2013 - nr. 29 611, 24 oktober 2013) en in de startnotitie die beschikbaar wordt gesteld via UWV Marktplaats.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2015 ‘Arbeidstoeleiding kwetsbare jongeren vanuit speciaal en regulier onderwijs’.

Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

Amsterdam, 24 maart 2015

B.J. Bruins

Voorzitter Raad van bestuur UWV

Bijlage : Themabesluit subsidiethema 2015 ‘Arbeidstoeleiding kwetsbare jongeren vanuit speciaal en regulier onderwijs’

1. Aanleiding en context van het subsidiethema

Rondom kwetsbare jongeren in het speciaal of regulier onderwijs zijn regionale netwerken ingericht, met als doel de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt zo vloeiend mogelijk te maken. Dit zijn de huidige ‘Wajongnetwerken’. Het gaat daarbij om leerlingen die zonder ondersteuning niet aan het werk komen. Idealiter wordt zo een periode van uitkeringsafhankelijkheid voorkomen.

In het begeleiden van leerlingen brengen scholen (mogelijk gezamenlijk met andere partners uit het netwerk) in kaart of een leerling na de school kan doorleren, kan werken, of vooral zorg nodig heeft. Wanneer een leerling kan werken, wordt deze in de huidige ‘Wajongnetwerken’ opgepakt door een arbeidsdeskundige die als vast contactpersoon van de jongere fungeert. De Wajongnetwerken zijn gebaseerd op samenwerking met en tussen partijen op de terreinen van welzijn, school en arbeid. De rol van de arbeidsdeskundige in het netwerk kan divers zijn. Hij of zij ondersteunt in brede zin de jongere om een plek op de arbeidsmarkt te bemachtigen en benadert werkgevers voor stage- en werkplekken. Belangrijker dan de precieze activiteiten van de arbeidsdeskundige in deze netwerken, gaat het erom of het doel, een goede begeleiding van school naar werk, wordt bereikt.

In 2015 is de Participatiewet ingevoerd. Deze wet voegt de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw) en een deel van de huidige Wajong samen. Vanaf 2015 komen jonggehandicapten alleen nog in aanmerking voor een Wajong-uitkering als zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. De huidige Wajongers blijven onder de verantwoordelijkheid van UWV. Het doel van de nieuwe wet is om meer mensen met een arbeidsbeperking, die nog wel voldoende arbeidsvermogen hebben, te laten participeren in werk. Tegelijkertijd is er een beweging om meer jongeren met een beperking te laten meedraaien in het regulier onderwijs (Wet op het Passend Onderwijs). Ook vanuit het regulier onderwijs zullen dus meer jongeren met een arbeidsbeperking uitstromen.

Omdat de Wajong niet meer toegankelijk is voor jonggehandicapten met (potentieel) arbeidsvermogen, zullen arbeidsdeskundigen van UWV vanaf de zomer van 2015 niet meer deelnemen aan de Wajong netwerken. De huidige inrichting van de Wajongnetwerken komt er daarmee anders uit te zien. Tegelijkertijd zullen meer jongeren zich melden bij de gemeente voor een uitkering en/of ondersteuning bij het vinden van werk. De samenwerking tussen onderwijsinstellingen, gemeenten en andere instanties in het veld (bv Stichting MEE) zou zo moeten worden ingericht dat er een betrouwbare interorganisationele dienstverlening in stand blijft die kwetsbare leerlingen effectief en efficiënt toeleidt naar een loonvormende baan die bij hun talenten en interesses past en die afgestemd is op de regionale arbeidsmarkt.

2. Doelstelling van het subsidiethema

Door een andere inrichting van de huidige regionale netwerken verandert de infrastructuur van (arbeidsdeskundige) deskundigheid ten behoeve van arbeidstoeleiding van kwetsbare jongeren in het speciaal en regulier onderwijs. Met dit onderzoek willen we in kaart brengen hoe de infrastructuur van arbeidstoeleiding van deze leerlingen ingericht wordt en kan worden in de nieuwe situatie. Daarbij is het van belang in beeld te brengen wat de effectieve onderdelen zijn van deze netwerken. Het goed in beeld hebben van de huidige en mogelijk toekomstige netwerkpartners (gemeenten, scholen, sw-bedrijven, Regionaal Meld- en Coördinatiepunten etc.) is daarbij van belang.

Handhaving van de huidige netwerkstructuur is daarbij geen voorwaarde. We stellen de samenwerking tussen netwerkpartijen wel voor als uitgangspunt van analyse. Het gaat immers om samenwerking tussen partijen in de regio met als doel het bevorderen dat kwetsbare leerlingen in het speciaal en regulier onderwijs actief deelnemen aan de maatschappij, waar mogelijk in de vorm van arbeid. Vanuit deze analyse willen we herleiden welke (arbeidsdeskundige) expertises en kwaliteiten nodig zijn in de netwerken rondom deze leerlingen. Het doel van het subsidiethema kan samengevat worden in de volgende drie onderdelen:

  • 1. In kaart brengen welke kennis er al is en waar mogelijk blinde vlekken zitten, alsook ‘best practices’ in kaart brengen op basis van de huidige praktijk en bestaande literatuur.

  • 2. Inventariseren aan welke kennis netwerkpartijen behoefte hebben, en in welke vorm.

  • 3. Bestaande en nieuwe kennis goed toegankelijk en optimaal benutbaar maken voor netwerkpartijen.

Meer informatie

Gedetailleerde informatie is opgenomen in de Startnotitie die via Marktplaats is te raadplegen.