Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling substantieel bezwarende functies

Geldend van 07-06-2016 t/m heden

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 maart 2015, nr. 2015-0000162062, houdende regels over substantieel bezwarende functies (Regeling substantieel bezwarende functies)

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Berekeningsgrondslag

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en de salarisgarantie en salarissuppletie, bedoeld in artikel 49gg van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, berekend over een kalendermaand, waarop betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had of bij uitoefening van zijn functie zou hebben gehad.

  • 4 In zoverre de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt voor dat deel van de bezoldiging gerekend met het bedrag dat betrokkene over de laatste twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag of aan het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, gemiddeld per maand is toegekend.

  • 6 De berekeningsgrondslag wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering of de eindejaarsuitkering van kracht wordt.

Artikel 3. Recht op uitkering

  • 2 De Minister besluit over de toekenning van de uitkering op aanvraag van betrokkene.

Artikel 4. Duur van de uitkering

  • 1 De duur van de uitkering, bedoeld in artikel 94b, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is afhankelijk van het geboortejaar van betrokkene:

    Geboortejaar

    Uitkeringsduur

    1950, 1951, 1952

    2 jaar en 10 maanden

    1953, 1954

    2 jaar en 9 maanden

    1955, 1956

    2 jaar en 8 maanden

    1957, 1958

    2 jaar en 7 maanden

    1959, 1960

    2 jaar en 6 maanden

    1961, 1962

    2 jaar en 5 maanden

    1963

    2 jaar en 4 maanden

    1964

    2 jaar en 3 maanden

    1965 en verder

    2 jaar en 2 maanden

Artikel 5. Overgangsmaatregel bij vervallen van de aanmerking als substantieel bezwarende functie

  • 1 De duur van de uitkering voor de ambtenaar als bedoeld in artikel 94c, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt berekend door het aantal jaren dat de ambtenaar aaneengesloten heeft doorgebracht in een FLO-functie of substantieel bezwarende functie te vermenigvuldigen met een maand. De uitkeringsduur bedraagt maximaal de uitkeringsduur genoemd in het eerste lid van artikel 4.

Artikel 6. Hoogte van de uitkering

De hoogte van de uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag.

Artikel 7. Categorie B functies

De functies, bedoeld in artikel 130c, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.

Artikel 8. Anticumulatie arbeidsongeschiktheidsuitkering

De uitkering van betrokkene die na zijn ontslag nog rechten heeft of krijgt uit hoofde van ziekte of arbeidsongeschiktheid in verband met de functie waaruit hij is ontslagen, wordt tot het einde van de periode waarover die rechten bestaan verminderd met het bedrag daarvan.

Artikel 9. Anticumulatie neveninkomsten

  • 1 De uitkering wordt verminderd met de inkomsten die betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, voor zover de uitkering vermeerderd met de inkomsten de berekeningsgrondslag overschrijdt. De inkomsten worden met de uitkering verrekend over het jaar waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit of verlof, in het jaar voorafgaand aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.

  • 3 Wanneer betrokkene enige arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en geen verband houden met het ontslag.

Artikel 10. Verstrekken van inlichtingen

  • 1 Betrokkene is verplicht van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan de door de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen instantie onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal genieten.

  • 2 Zijn de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf niet vooraf op te geven, dan doet betrokkene tijdig vóór het verstrijken van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.

  • 3 Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mee, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de bedoelde termijn.

  • 4 Betrokkene wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen die daarvoor naar het oordeel van de Minister voor Wonen en Rijksdienst in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.

  • 5 Indien betrokkene de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt, kan de uitkering zolang dit het geval is, niet of slechts gedeeltelijk worden uitbetaald.

Artikel 11. Einde van het recht op uitkering

Het recht op uitkering eindigt in ieder geval:

  • 1. met ingang van de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

  • 2. met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.

Artikel 12. Overlijdensuitkering

  • 1 Na het overlijden van betrokkene aan wie een uitkering is toegekend, wordt aan de nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering uitgekeerd gelijk aan de berekeningsgrondslag over een tijdvak van drie maanden.

  • 2 Indien op de uitkering een vermindering werd toegepast krachtens de artikelen 8 of 9 is de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die betrokkene ontving over de periode van drie maanden voorafgaand aan de dag van het overlijden.

  • 3 Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen wordt in dit artikel mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de uitkering van betrokkene.

  • 4 Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en derde lid na, dan kan de overlijdensuitkering geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Artikel 13. Compensatie

  • 3 Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering na 30 september 2014 wordt beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, uitbetaald bij ontslag.

  • 4 Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering voor 1 oktober 2014 is beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 oktober 2015 is ingediend.

Artikel 13a

  • 1 De betrokkene aan wie op grond van artikel 130d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op 31 maart 2015, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, heeft recht op een compensatie.

  • 3 Aan de betrokkene van wie de uitkering na 31 maart 2016 wordt beëindigd, wordt de compensatie uitbetaald bij ontslag.

  • 4 Aan de betrokkene van wie de uitkering voor 1 april 2016 is beëindigd, wordt de compensatie op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 januari 2017 is ingediend.

Artikel 13b

  • 3 Het aantal maanden, bedoeld in het tweede lid, bedraagt niet meer dan het aantal maanden dat de pensioengerechtigde leeftijd voor betrokkene later ligt dan de dag waarop het recht op uitkering eindigt.

  • 5 Aan de betrokkene van wie de uitkering na 1 juni 2016 wordt beëindigd, wordt de compensatie uitbetaald bij de uitbetaling van de laatste uitkering.

  • 6 Aan de betrokkene van wie de uitkering voor 1 juni 2016 is beëindigd, wordt de compensatie op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 januari 2017 is ingediend.

Artikel 15. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2015.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling substantieel bezwarende functies.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok

Bijlage 1. , behorende bij artikel 4, vierde lid, van de Regeling substantieel bezwarende functies

Als substantieel bezwarende functies als bedoeld in artikel 94b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn de volgende functie aangemerkt:

  • 1. bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie:

    • a. binnen de inrichtingen van de dienst Justitiële Inrichtingen:

      • (plaatsvervangend) vestigingsdirecteur of (plaatsvervangend) locatiedirecteur;

      • afdelingshoofd, waaronder mede begrepen teamleider beveiliging, hoofd groepsleider, hoofd beveiliging, hoofd veiligheid;

      • inrichtingswerker, waaronder begrepen (senior) penitentiair inrichtingswerker, groepsleider,coördinerend sociotherapeut, sociotherapeut, sociotherapeutisch medewerker, (senior) zorg behandel inrichtingswerker, verpleegkundig zorg behandel inrichtingswerker, (senior) pedagogisch medewerker, detentietoezichthouder, (senior) arrestantenverzorger;

      • beveiligingsbeambte, waaronder begrepen (senior) AID/complexbeveiliger, (senior) medewerker complexbeveiliging, (senior) medewerker geïntegreerde beveiliging;

      • (senior) arbeidstherapeutisch medewerker en (senior) medewerker arbeid;

      • justitieel verpleegkundige;

      • (senior) badmeester, waaronder begrepen medewerker fouillering en goederenbeheer;

      • instructeur lichamelijke opvoeding;

      • kok;

    • b. binnen de dienst Vervoer en Ondersteuning van de dienst Justitiële Inrichtingen:

      • beveiligingsbeambte, waaronder begrepen (senior) complexbeveiliger, (senior) transportgeleider;

    • c. binnen het Nederlands Forensisch Instituut:

      • assistent Pathologie.

  • 2. bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

    • a. Rijkswaterstaat Zee en Delta, binnen de directie Rijksrederij:

      • scheepsgezel;

      • gezel/machinist;

      • bootsman;

      • (eerste, tweede) scheepswerktuigkundige (SWTK);

      • (eerste, tweede) stuurman;

      • gezagvoerder;

    • b. Inspectie Leefomgeving en Transport:

      • rechercheur bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (tot en met 31 maart 2015);

      • inspecteur-vlieger bij de afdeling Handhaving Luchtvaartbedrijven bij het domein Luchtvaart;

    • c. Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement

      • medewerker Operationeel Verkeersmanagement VTS-operator (schaal 7–9).

  • 3. bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, binnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst:

    • functies die daartoe afzonderlijk zijn aangewezen.

Bijlage 2. , behorende bij artikel 5, derde lid, van de Regeling substantieel bezwarende functies

I

Functies, bedoeld in artikel 94c, eerste lid, onderdeel a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarvan de aanmerking als substantieel bezwarend na 31 maart 2015 is vervallen.

De aanmerking als substantieel bezwarend vervalt met ingang van 1 april 2015 voor de volgende functies:

  • 1. bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, binnen de inrichtingen van de dienst Justitiële Inrichtingen:

    • groepswerker;

    • leraar.

  • 2. bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, bij de Inspectie Leefomgeving en Transport:

    • rechercheur bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst.

II

Functies, bedoeld in artikel 94c, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarvan de aanmerking als substantieel bezwarend in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2015 is vervallen:

  • 1. bij het Ministerie van Financiën bij de Eenheid Belastingsdienst/ Economische Controledienst (vervallen per 1 juli 2003)

    • a. rechercheur/opsporingsambtenaar, belast met hetzelfde complex van werkzaamheden die tot 1 september 1999 voorkwam bij de voormalige hoofdafdeling Internationaal Economische Recherche van de Economische Controledienst bij het Ministerie van Economische Zaken;

    • b. rechercheur belast met hetzelfde complex van werkzaamheden in verband met de controles op de naleving van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf, die tot 1 september 1999 voorkwam bij de voormalige afdeling Rechercheteam van de hoofdafdeling Economische Ordeningsrecherche van de Economische Controledienst bij het Ministerie van Economische Zaken.

  • 2. bij het Ministerie van Economische Zaken, bij de afdeling Toezicht van het Agentschap Telecom (vervallen per 27 april 2012):

    • medewerker handhaving opsporing/zeevaart/landmobiel en binnenvaart;

    • (senior) medewerker handhaving opsporing + mobiele monitoring;

    • (senior) medewerker handhaving opsporing + markttoezicht radio- en randapparatuur;

    • (senior) medewerker handhaving opsporing + zeevaart;

    • (senior) medewerker handhaving zeevaart + landmobiel en binnenvaart + mobiele monitoring;

    • medewerker handhaving zeevaart + mobiele monitoring;

    • (senior) medewerker handhaving (binnendienst) + opsporing + mobiele monitoring;

    • (senior) medewerker handhaving (binnendienst) + opsporing + landmobiel en binnenvaart;

    • (senior) medewerker handhaving (binnendienst) + opsporing + landmobiel en binnenvaart + mobiele monitoring.

III

Functies, bedoeld in artikel 94c, eerste lid, onderdeel c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, die met ingang van 1 januari 2000 niet aangemerkt zijn als substantieel bezwarende functie:

  • 1. bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, binnen de inrichtingen van de dienst Justitiële Inrichtingen:

    • algemeen directeur;

    • hoofd begeleiding;

    • bedrijfsleider;

    • sociaal-cultureel werker;

    • therapeut;

    • hoofd civiele dienst/hoofd interne dienst.

  • 2. bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

    • a. de Scheepsvaartinspectie van het directoraat-generaal Goederenvervoer:

      • adjunct-inspecteur;

      • expert en senior-expert;

      • scheepsmeter en senior-scheepsmeter;

    • b. de hoofdafdeling Handhaving van de Rijksdienst voor de Radiocommunicatie van het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post:

      • inspectie-ambtenaar Landmobiel en Binnenvaart;

      • (eerste) medewerker mobiele monitoring;

      • (senior) monitoringsambtenaar;

      • (senior) medewerker registratie en analyse;

      • (senior) medewerker handhaving landmobiel en binnenvaart/mobiele monitoring;

      • medewerker handhaving landmobiel en toezicht EMC;

      • medewerker handhaving landmobiel en binnenvaart/ zeevaart/markttoezicht radio- en randapparatuur;

      • medewerker handhaving technisch specialist/mobiele monitoring/landmobiel en binnenvaart;

      • medewerker handhaving technisch specialist/landmobiel en binnenvaart/markttoezicht radio- en randapparatuur;

      • medewerker handhaving toezicht EMC/mobiele monitoring;

      • senior medewerker handhaving zeevaart/landmobiel en binnenvaart;

      • senior medewerker handhaving zeevaart/mobiele monitoring.

  • 3. bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Binnenlandse Veiligheidsdienst:

    • de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen functies.

Bijlage 3. , behorende bij artikel 7 van de Regeling substantieel bezwarende functies

Als substantieel bezwarende functies volgens categorie B, bedoeld in artikel 130c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn de volgende functies aangemerkt:

  • 1. bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:

    • a. Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement

      • medewerker Operationeel Verkeersmanagement VTS-operator (schaal 7–9);

    • b. Inspectie Leefomgeving en Transport

      • inspecteur-vlieger bij de afdeling Handhaving Luchtvaartbedrijven bij het domein Luchtvaart.