Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623, houdende vaststelling van de beoordelingsnormen voor het staatsexamen Nederlands als tweede taal (Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015)

Het College voor Toetsen en Examens,

Gelet op artikel 2, vijfde lid, onderdeel c Wet College voor toetsen en examens;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 2 Voorts wordt in deze regeling verstaan onder:

    • voorzitter: de voorzitter van het College voor Toetsen en Examens;

    • examentoets: een onderscheidenlijk examen in een programmaonderdeel;

    • sleutel: verzameling goede antwoorden bij meerkeuzevragen.

Artikel 2. Beoordelingsnormen

  • 1 De beoordelingsnormen voor de examens Nederlands als tweede taal worden weergegeven in een voorschrift voor de beoordeling bij ieder examen. Dit bestaat uit:

    • a. algemene aanwijzingen, op grond van deze regeling;

    • b. een beoordelingsmodel bij iedere examentoets.

  • 2 Het voorschrift voor de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt ingericht met inachtneming van de bijlagen 1, 2, 3, 4 en 5.

  • 3 Het College voor Toetsen en Examens stelt na de afname van een examentoets in de onderdelen Schrijven en Spreken het voorschrift voor de beoordeling aan de beoordelaar ter beschikking.

  • 4 Voor de onderdelen Lezen en Luisteren wordt de examentoets beoordeeld aan de hand van het beoordelingsmodel dat als sleutel opgenomen is in het digitale systeem dat automatisch de examentoets beoordeeld.

Artikel 3. Algemene aanwijzingen

  • 1 De algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van de onderdelen Schrijven en Spreken zijn voor de onderscheidende programma’s I en II opgenomen in bijlagen 1 en 2.

  • 2 De algemene aanwijzingen betreffende de beoordeling van de onderdelen Lezen en Luisteren voor de onderscheidende programma’s I en II zijn opgenomen in bijlagen 3 en 4.

Artikel 4. Beoordelingsmodel

Het beoordelingsmodel bij iedere examentoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, wordt door het College voor Toetsen en Examens vastgesteld zoals vermeld in bijlage 5, en maken na bekendmaking deel uit van die bijlage.

Artikel 5. Afwijking

Het College voor Toetsen en Examens of de voorzitter kan, de commissie staatsexamens NT2 gehoord, beslissen dat voor een of meer opdrachten aan alle kandidaten het maximale aantal scorepunten of ten minste een aantal kleiner dan het maximum aantal scorepunten wordt toegekend.

Artikel 6. Aanvullende regels

Het College voor Toetsen en Examens kan op voorstel van de commissie staatsexamens NT2 beslissen, dat in het voorschrift voor de beoordeling bij een examentoets aanvullende regels worden opgenomen, waaronder regels voor aftrek van scorepunten. Deze zijn evenzeer verbindend als hetgeen in deze regeling is voorgeschreven.

Artikel 7. Aanpassing

De voorzitter van het College voor Toetsen en Examens is gemachtigd de vaststellingen als opgenomen in bijlage 5 op onderdelen aan te passen.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na plaatsing ervan in de Staatscourant en werkt terug tot 1 januari 2015.

Artikel 9. Intrekking

De Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 van 8 december 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 10. Bekendmaking

  • 1 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

  • 2 De beoordelingsmodellen per examentoets bedoeld in artikel 4 worden bekend gemaakt op de in bijlage 5 onder 1 opgenomen wijze.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015.

Het College voor Toetsen en Examens,

de voorzitter,

P.J.J. Hendrikse

Bijlage 1A. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 20156 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Inhoud Examen Schrijven Programma I

Het examenonderdeel Schrijven I bestaat uit twee opgavensets. Beide delen worden op de computer aangeboden. Elke set bevat verschillende schrijfopdrachten. De opgaven bevatten meestal een beschrijving van een situatie en een schrijftaak. Soms is ook een tekening van de situatie toegevoegd; soms wordt een context beschreven en soms wordt een aan te vullen tekst gepresenteerd die moet worden afgemaakt. De examenduur is voor beide onderdelen 60 minuten, tenzij anders aangegeven bij het examen. De gegeven situaties en taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I. Zie ook het examenprogramma.

De examens worden afgenomen met een computer die gebruik maakt van een qwerty-toetsenbord.

Kandidaten kunnen geen computergestuurde spellingscontrole hanteren. Kandidaten kunnen maximaal drie – uitsluitend papieren – woordenboeken gebruiken.

Opgavenset Deel 1;

  • 1 Het schrijven van een zin of enkele zinnen (10 examenopgaven)

  • 2 Het aanvullen van een brief, van een tekst of van een formulier (3 examenopgaven)

Opgavenset Deel 2;

Het schrijven van een korte tekst (3 examenopgaven)

De zinnen en geschreven teksten worden op meerdere aspecten beoordeeld: adequaatheid/begrijpelijkheid, samenhang, woordgebruik, grammaticale correctheid en spelling. Niet alle opdrachten worden op alle aspecten beoordeeld.

Bij wijze van illustratie is hieronder een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen weergegeven.

Schrijven I

- Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten:

36

- Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Adequaatheid/begrijpelijkheid

27

Samenhang

4

Woordgebruik

5

- Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten:

27

- Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Grammaticale correctheid

22

Spelling

5

In dit voorbeeld is dus de maximumscore:

63 punten

Totaal aantal opdrachten:

16

Aanwijzingen voor de beoordeling Schrijven I

Algemeen

  • Het schrijven van een zin of enkele zinnen wordt beoordeeld op twee aspecten: ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

    Zowel adequaatheid/begrijpelijkheid van de tekst als grammaticale correctheid worden gewaardeerd op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan een score 0 of 1 toekennen voor ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en 0 of 1 voor ‘grammaticale correctheid’. Een tekst waarvoor op basis van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ een score van 0 wordt toegekend kan voor grammaticale correctheid geen score van 1 opleveren.

  • Het schrijven van een korte tekst wordt in elk geval beoordeeld op de aspecten

    ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

    Het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ wordt globaal beoordeeld op basis van een 4-puntsschaal: de beoordelaar kan een score van 0, 1, 2 of 3 toekennen. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de tekst verwerkt, dan wordt de tekst als ‘acceptabel’ beschouwd en wordt als uitgangspunt een score van 2 punten genomen. Een hogere score (3 punten) of een lagere score (1) kan vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

    Het aspect ‘grammaticale correctheid’ wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: hier kan een score van 0, 1 of 2 toegekend worden. Afhankelijk van de opdracht kunnen nog andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd. Deze toegevoegde aspecten worden beoordeeld op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0 of 1 toekennen.

Specifieke aanwijzingen bij de beoordelingsvoorschriften

  • Bij de beoordeling moeten de verschillende schalen onafhankelijk van elkaar gehanteerd worden. Een onzekere toekenning van een score op één van de schalen mag niet gecompenseerd worden met een score op één van de andere schalen.

  • Als er een tekst geproduceerd is met een volledig en adequaat gedeelte dat op zich voldoende zou zijn geweest voor de hoogste score, maar waar een en ander ten overvloede aan toegevoegd is dat allerlei fouten vertoont, dan wordt deze overbodige toevoeging ook meegewogen in de beoordeling. Wanneer overbodige informatie geen fouten vertoont, dan heeft dit geen invloed op de toe te kennen score.

  • Als een kandidaat zinnen uit de opdracht letterlijk heeft overgeschreven, krijgt hij voor deze zinnen geen punten. De overgeschreven zinnen worden dus niet in de beoordeling betrokken.

Adequaatheid/begrijpelijkheid

  • Bij het vaststellen van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ wordt tolerant beoordeeld; het waarheidsgehalte of juistheidsgehalte van de inhoud van de boodschap in de ogen van de beoordelaar moet niet in de beoordeling worden betrokken.

  • Bij de beoordeling van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ spelen de volgende aspecten een rol:

  • de tekst heeft een duidelijke relatie met de opdracht;

  • de intentie van de schrijver wordt uit deze tekst zonder meer duidelijk en de tekst is goed te begrijpen.

  • Als lexicale keuzes de begrijpelijkheid van een tekst ernstig aantasten, komt dat tot uiting in de waardering voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’. Een afzonderlijke beoordeling van het woordgebruik wordt alleen bij die opdrachten toegepast waar specifiek woordgebruik relevant kan zijn.

  • Als spelfouten de begrijpelijkheid van een tekst ernstig aantasten, komt dat tot uiting in de waardering voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’. Een afzonderlijke beoordeling van spelling wordt alleen bij die opdrachten toegepast waar spelling relevant kan zijn.

Grammaticale correctheid

  • Bij het ‘aspect grammaticale correctheid’ moet beoordeeld worden op fouten zoals bijvoorbeeld woord- en zinsvormingsfouten, fouten tegen de ‘er’-constructie, congruentiefouten, voorzetselfouten enzovoorts.

  • Fouten tegen het woordgeslacht en fouten die daaruit voortvloeien, mogen voorkomen.

  • Het vergeten van een lidwoord is een grammaticale fout die wel in de beoordeling wordt betrokken.

  • In het beoordelingsmodel is bij de taken ‘zinnen aanvullen/zinnen tussenvoegen’ een expliciete opmerking gemaakt wanneer er sprake moet zijn van bijzinsvolgorde of inversie. Dat betekent echter niet dat alleen in die gevallen de woordvolgorde correct moet zijn. Met andere woorden: om bij deze taken voor het aspect grammaticale correctheid 1 punt te kunnen behalen, moet er altijd sprake zijn van correcte woordvolgorde.

  • Wanneer iemand bij de taken ‘zinnen aanvullen/tussenvoegen’ door het geschrevene zelf het gebruik van een bepaalde werkwoordstijd afdwingt, dan moet deze ook gerealiseerd worden om 1 punt te kunnen behalen voor ‘grammaticale correctheid’.

Taakspecifiek

  • Bij ‘zinnen tussenvoegen’ is het toevoegen van een voegwoord toegestaan voor zover de grammaticaliteit van de constructie daardoor niet gestoord wordt. Fouten tegen interpunctie die daardoor ontstaan, zijn in dit geval toegestaan. Als door de toevoeging de begrijpelijkheid wordt aangetast, komt dat tot uiting in de beoordeling van het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’.

  • Als er bij ‘een zin aanvullen’ en ‘een zin tussenvoegen’ bij het aspect ‘grammaticale correctheid’ specifieke opmerkingen genoemd staan, dan moet het schrijfproduct in ieder geval aan die eisen voldoen om 1 punt te kunnen behalen. Realisering van de bij de specifieke opmerkingen vermelde constructie levert overigens niet zonder meer 1 punt op. Het is mogelijk dat er 0 punten worden toegekend op basis van andere fouten tegen formele kenmerken, bijvoorbeeld door fouten tegen de woordvolgorde of door congruentiefouten.

  • Het is bij ‘een zin aanvullen’ en ‘een zin tussenvoegen’ mogelijk dat de creativiteit van de schrijver zo groot is dat hij/zij een product schrijft dat weliswaar niet voldoet aan de specifieke eisen genoemd bij het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’, maar dat desondanks adequaat genoemd kan worden. In een dergelijk geval moet 1 punt worden toegekend voor ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’.

  • Als er bij een korte schrijftaak een tekst is geproduceerd waaruit blijkt dat de stimulus anders is geïnterpreteerd dan bedoeld, dan kan dat product voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ nooit de maximaal te behalen score krijgen (3 punten). De overige schaalpunten kunnen wel gebruikt worden om de kwaliteit van het product te waarderen.

Toekenning score examen Schrijven I

Voor het examen Schrijven kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke zinsopdracht kan de kandidaat maximaal 2 punten behalen. Voor de deelschrijftaken varieert het maximum aantal punten: voor de ‘briefaanvultaak’ kan de kandidaat maximaal 4 punten behalen, voor de ‘formuliertaak’ is het maximum 7 punten en voor de ‘tekstaanvultaak’ is het maximum 8 punten. Voor de korte schrijftaken kan de kandidaat maximaal 8 punten behalen. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting). Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Bijlage 1B. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Schrijven, Programma II, staatsexamen NT2

Inhoud examen Schrijven Programma II

Het examenonderdeel Schrijven II bestaat uit twee opgavensets, alle opgaven worden op de computer aangeboden. Elke set bevat verschillende schrijfopdrachten. De opgaven bevatten meestal een beschrijving van een situatie en een schrijftaak. Soms is ook een tekening van de situatie toegevoegd; soms wordt een context beschreven en soms wordt een aan te vullen tekst gepresenteerd die moet worden afgemaakt. Daarnaast bevatten de beide sets een middellange schrijftaak. De examentijd voor elk van de delen is 60 minuten, tenzij anders aangegeven bij het examen.

De gegeven situaties en taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II. Zie ook het examenprogramma.

Opgavenset Deel 1;

  • 1 Het schrijven van een zin of enkele zinnen (4 examenopgaven)

  • 2 Het schrijven van een korte tekst (1 examenopgave)

  • 3 Het schrijven van een middellange tekst (1 examenopgave)

Opgavenset Deel 2;

  • 1 Het schrijven van een zin of enkele zinnen (4 examenopgaven)

  • 2 Het schrijven van een korte tekst (1 examenopgave)

  • 3 Het schrijven van een middellange tekst (1 examenopgave)

De zinnen en geschreven teksten worden op meerdere aspecten beoordeeld: adequaatheid/begrijpelijkheid, samenhang, woordgebruik, opbouw, grammaticale correctheid, spelling en tekstverzorging. Niet alle opdrachten worden op alle aspecten beoordeeld.

Bij wijze van illustratie is hieronder een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen weergegeven.

Schrijven II:

Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten:

42

- Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Adequaatheid/begrijpelijkheid

24

Samenhang

6

Woordgebruik

6

Opbouw

6

Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten:

25

- Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Grammaticale correctheid

16

Spelling

6

Tekstverzorging

3

Totaal aantal opdrachten:

12

Maximumscore:

67 punten

Aanwijzingen voor de beoordeling Schrijven II

Algemeen

Het schrijven van een zin of enkele zinnen wordt beoordeeld op twee aspecten: ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Zowel ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ van de tekst als ‘grammaticale correctheid’ worden gewaardeerd op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan een score van 0 of 1 toekennen voor ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en 0 of 1 voor ‘grammaticale correctheid’. Een tekst waarvoor op basis van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ een score van 0 wordt toegekend, kan voor grammaticale correctheid geen score van 1 opleveren.

Het schrijven van een korte tekst wordt in elk geval beoordeeld op de aspecten ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ wordt globaal beoordeeld op basis van een 4-punts-schaal: de beoordelaar kan een score van 0, 1, 2 of 3 toekennen. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de uiting verwerkt, dan wordt de uiting als ‘acceptabel’ beoordeeld en wordt als uitgangspunt een score van 2 punten genomen. Een hogere score (3 punten) of een lagere score (1) kan vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

Het aspect grammaticale correctheid wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0, 1 of 2 toekennen. Afhankelijk van de opdracht kunnen nog andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd, te weten spelling, samenhang, woordgebruik, opbouw en tekstverzorging. Deze toegevoegde aspecten worden beoordeeld op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0 of 1 toekennen.

Het schrijven van een middellange tekst wordt in elk geval beoordeeld op de aspecten ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Het aspect adequaatheid/begrijpelijkheid wordt beoordeeld op een 6-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0, 1, 2, 3, 4 of 5 toekennen.

Bij dit type schrijftaak wordt ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ globaal beoordeeld. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de tekst verwerkt, dan wordt de tekst als ‘acceptabel’ beoordeeld en wordt als uitgangspunt een score van 3 punten genomen. Hogere scores (4, 5) en lagere scores (1, 2) kunnen vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

Het aspect ‘grammaticale correctheid’ wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0, 1 of 2 toekennen. Afhankelijk van de opdracht kunnen ook andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd, te weten spelling, samenhang, woordgebruik, opbouw en tekstverzorging. Deze toegevoegde aspecten worden altijd op een 3-puntsschaal beoordeeld: de beoordelaar kan hiervoor per aspect 0, 1 of 2 punten toekennen.

Specifieke Opmerkingen bij de beoordelingsvoorschriften

Algemeen

  • Bij de beoordeling moeten de verschillende schalen onafhankelijk van elkaar gehanteerd worden. Een onzekere toekenning van een score op één van de schalen mag niet gecompenseerd worden met een score op één van de andere schalen.

  • Als er een tekst geproduceerd is met een volledig en adequaat gedeelte dat op zich voldoende zou zijn geweest voor de hoogste score, maar waar een en ander ten overvloede aan toegevoegd is dat allerlei fouten vertoont, dan wordt deze overbodige toevoeging ook meegewogen in de beoordeling. Wanneer overbodige informatie geen fouten vertoont, dan heeft dit geen invloed op de toe te kennen score.

  • Als een kandidaat zinnen uit de opdracht letterlijk heeft overgeschreven, krijgt hij voor deze zinnen geen punten. De overgeschreven zinnen worden dus niet in de beoordeling betrokken.

Adequaatheid/begrijpelijkheid

  • Bij het vaststellen van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ wordt tolerant beoordeeld; het waarheidsgehalte of juistheidsgehalte van de inhoud van de boodschap in de ogen van de beoordelaar moet niet in de beoordeling worden betrokken.

  • Bij de beoordeling van ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ spelen de volgende aspecten een rol:

  • de tekst heeft een duidelijke relatie met de opdracht;

  • de intentie van de schrijver wordt uit de tekst zonder meer duidelijk en deze is goed te begrijpen.

  • Als lexicale keuzes de begrijpelijkheid van een tekst ernstig aantasten, komt dat tot uiting in de waardering voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’. Een afzonderlijke beoordeling van het woordgebruik wordt alleen bij die opdrachten toegepast waar specifiek woordgebruik relevant kan zijn.

  • Als spelfouten de begrijpelijkheid van een tekst ernstig aantasten, komt dat tot uiting in de waardering voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’. Een afzonderlijke beoordeling van spelling wordt alleen bij die opdrachten toegepast waar spelling relevant kan zijn.

Grammaticale correctheid

  • Bij het aspect ‘grammaticale correctheid’ moet beoordeeld worden op fouten zoals bijvoorbeeld woord- en zinsvormingsfouten, fouten tegen de ‘er’-constructie, congruentiefouten, voorzetselfouten enzovoorts.

  • Fouten tegen het woordgeslacht en fouten die daaruit voortvloeien, mogen voorkomen.

  • Het vergeten van een lidwoord is een grammaticale fout die wel in de beoordeling wordt betrokken.

  • In het beoordelingsmodel is bij de taken ‘zinnen aanvullen/zinnen tussenvoegen’ een expliciete opmerking gemaakt wanneer er sprake moet zijn van bijzinsvolgorde of inversie. Dat betekent echter niet dat alleen in die gevallen de woordvolgorde correct moet zijn. Met andere woorden: om bij deze taken voor het aspect ‘grammaticale correctheid’ 1 punt te kunnen behalen, moet er altijd sprake zijn van correcte woordvolgorde.

  • Wanneer iemand bij de categorie ‘een zin/enkele zinnen schrijven’ door het geschrevene zelf het gebruik van een bepaalde werkwoordstijd afdwingt, dan moet deze ook gerealiseerd worden om 1 punt te kunnen behalen voor grammaticale correctheid.

Samenhang en opbouw

  • De samenhang van een tekst heeft betrekking op de inhoudelijke relatie van tekstonderdelen: is het inhoudelijke verband tussen de zinnen goed en wordt het bijvoorbeeld aangegeven door het gebruik van signaal- en/of verbindingswoorden.

  • De opbouw heeft betrekking op het geheel van een tekst: is de tekst logisch opgebouwd door een duidelijke indeling, bijvoorbeeld een inleiding, een kern en een slot.

Tekstverzorging

  • Bij het aspect tekstverzorging wordt beoordeeld of de tekst een passende opmaak heeft en of de interpunctie goed is toegepast.

  • Bij opmaak wordt gekeken naar het inzetten van witregels, tussenkopjes, en het gebruik van opmaakelementen (vet, cursief, onderstreept).

  • Bij interpunctie wordt het gebruik van hoofdletters, punten, komma’s en vraagtekens beoordeeld.

  • Bij de korte taak kan maximaal 1 punt worden toegekend, bij de middellange taak kan maximaal 2 punten voor dit aspect worden toegekend.

Taakspecifiek

  • Bij de categorie ‘zinnen tussenvoegen’ is het toevoegen van een voegwoord toegestaan voor zover de grammaticaliteit van de constructie daardoor niet gestoord wordt. Fouten tegen interpunctie die daardoor ontstaan, zijn in dit geval toegestaan. Als door de toevoeging de begrijpelijkheid wordt aangetast dan komt dat tot uiting in de beoordeling van het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’.

  • Als er bij de categorie ‘een zin/enkele zinnen schrijven’ bij het aspect ‘grammaticale correctheid’ specifieke opmerkingen genoemd staan, dan moet het schrijfproduct in ieder geval aan die eisen voldoen om 1 punt te kunnen behalen. Realisering van de bij de specifieke opmerkingen vermelde constructie levert overigens niet zonder meer 1 punt op. Het is mogelijk dat er 0 punten worden toegekend op basis van andere fouten tegen formele kenmerken, bijvoorbeeld door fouten tegen de woordvolgorde of door congruentiefouten.

  • Het is bij de categorieën ‘een zin aanvullen’ en ‘een zin tussenvoegen’ mogelijk dat de creativiteit van de schrijver zo groot is dat hij/zij een product schrijft dat weliswaar niet voldoet aan de specifieke eisen genoemd bij het aspect adequaatheid/begrijpelijkheid, maar dat desondanks adequaat genoemd kan worden. In een dergelijk geval moet 1 punt worden toegekend voor ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’.

  • Als er bij een korte of een middellange schrijftaak een tekst is geproduceerd waaruit blijkt dat de stimulus anders is geïnterpreteerd dan bedoeld, dan kan dat product voor het aspect ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ nooit de maximaal te behalen score krijgen (3 punten bij een korte schrijftaak en 5 punten bij een middellange schrijftaak). De overige schaalpunten kunnen wel gebruikt worden om de kwaliteit van het product te waarderen.

Toekenning score examen Schrijven II

Voor het onderdeel Schrijven II kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke zinsopdracht kan de kandidaat maximaal 2 punten behalen, voor elke korte opdracht maximaal 10 punten en voor de middellange opdracht maximaal 17 punten. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting). Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Bijlage 2A. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Spreken, Programma I, staatsexamen NT2

Inhoud Examen Spreken I

Het examen Spreken Programma I bestaat uit 2 delen. Beide delen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I. Zie ook het examenprogramma.

Deel 1 bestaat uit 12 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden.

Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden.

De uitingen en gesproken teksten van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, woordkeus en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld.

Voor sommige aspecten is er een tweepuntschaal, voor andere aspecten kan een beoordelaar meer punten toekennen. Beoordelaars beoordelen de antwoorden van kandidaten per opgave. Doordat een kandidaat per opdracht (gesegmenteerd) beoordeeld wordt, zijn er meerdere beoordelaars bij het beoordelen van een heel examen van een kandidaat betrokken.

Bij wijze van illustratie is hieronder een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen weergegeven.

Spreken I

– Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten:

57

Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Inhoud:

39

Woordkeus:

6

Woordenschat:

12

– Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten:

46

Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Woord- en zinsvorming:

33

Uitspraak:

9

Tempo:

4

In dit voorbeeld is dus de maximumscore:

103 (exclusief precondities)

Totaal aantal opdrachten:

21

Algemene aanwijzingen voor de beoordeling Spreken I

Vooraf

  • Wanneer een kandidaat één of meer plaatjes anders interpreteert dan in de beoordelingsvoorschriften bedoeld wordt, maar de opdracht toch goed uitwerkt (een instructie geven, een beschrijving geven etc.), moet het spreekproduct analoog aan de bestaande voorschriften beoordeeld worden.

  • Bij opdrachten waarbij kandidaten (een mening met) argumenten moeten geven, moet de beoordelaar er alert op zijn dat niet de inhoud van de argumentatie op geldigheid beoordeeld wordt. Iets wat een lezer belachelijk vindt, kan voor de spreker een prima reden zijn. Als de uiting duidelijk is, kan iemand drie punten bij 'Inhoud' krijgen.

Preconditie

Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting beoordeelbaar is. Hier speelt de preconditie een rol. Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt:

  • Verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context

  • Niet passend in context, niet verstaanbaar, geen Nederlands

  • Kandidaat zegt niets

  • Niet te beoordelen: reden in logboek vermelden

Inhoud

  • Het kan voorkomen dat een kandidaat een reactie geeft die we niet expliciet in de voorschriften opgenomen hebben. Wanneer deze reactie adequaat is in de gegeven situatie, dan kan een kandidaat toch het maximale aantal punten krijgen bij ‘Inhoud’, afhankelijk van de duidelijkheid van de uiting.

  • Als er echt alleen maar voorgelezen wordt, geldt dat bij ‘Inhoud’ maximaal één punt toegekend mag worden. De kandidaten zijn gewaarschuwd tegen het uitsluitend voorlezen (zie de ‘Aanwijzingen’ die bij het begin van het examen worden vertoond op het scherm).

  • Bij sommige opdrachten moet de beoordelaar ook letten op het volgende: wanneer een kandidaat de gevraagde taalhandeling niet realiseert, kan bij ‘Inhoud’ maximaal één punt toegekend worden. Wanneer de gevraagde taalhandeling bijvoorbeeld het geven van een instructie is, en een kandidaat geeft een beschrijving, dan kan dus maximaal één punt worden toegekend. Aan de beoordelaar wordt in de beoordelingsvoorschriften die bij de opgaven horen, duidelijk gemaakt wanneer hij hiermee rekening moet houden.

  • Benutten van de spreektijd:

    Het is niet de bedoeling dat de beoordelaar, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat, alleen kijkt of de kandidaat de spreektijd volledig heeft benut. Het benutten van de spreektijd wordt pas belangrijk als een kandidaat geen tijd meer heeft om bijvoorbeeld drie gegeven plaatjes te beschrijven, doordat hij één of twee van de drie plaatjes uitvoerig beschrijft. Je mag dan redelijkerwijs aannemen dat deze kandidaat bij iets meer tijd wel alle plaatjes had kunnen beschrijven. Als de uiting van de kandidaat duidelijk is en hij de spreektijd volledig heeft benut, dan kan hij toch het maximaal aantal punten behalen bij Inhoud, ook al heeft hij niet alle plaatjes beschreven.

Een voorbeeld

In de opdracht wordt gevraagd om ten minste twee argumenten om een vriend van een plan te overtuigen. Het beoordelingsvoorschrift bij het aspect ‘Inhoud’ is als volgt:

  • 0: Er wordt gerefereerd aan de situatie, maar de uiting is verder volstrekt onduidelijk.

  • 1:

    • De gevraagde taalhandeling wordt niet gerealiseerd, men probeert niet om de vriend te overtuigen, maar men geeft hem bijv. een instructie.

    • Er wordt ten minste één argument gegeven. De uiting bevat veel onduidelijkheden.

  • 2:

    • Er wordt één argument gegeven. De uiting bevat hooguit enkele onduidelijkheden. De spreektijd wordt onvoldoende benut.

    • Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting bevat enkele onduidelijkheden.

  • 3:

    • Er wordt één argument gegeven. De uiting is duidelijk. De spreektijd wordt volledig benut.

    • Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting is duidelijk.

Stel een kandidaat geeft slechts één argument.

Hij krijgt dan twee punten als:

  • hij één argument geeft, èn

  • het argument qua inhoud slechts enkele onduidelijkheden bevat, èn

  • hij gezien de spreektijd nog een tweede argument had kunnen geven (de kandidaat is dus enige tijd voordat de pieptoon kwam, gestopt met spreken).

Hij krijgt dan drie punten als:

  • hij één argument geeft, èn

  • het argument qua inhoud duidelijk is, èn

  • hij geen tijd meer heeft om zijn antwoord af te ronden (de kandidaat hoort dus de pieptoon terwijl hij nog aan het spreken is).

Let op:

Een kandidaat die in relatief korte tijd (dus ruim voor de pieptoon) klaar is met spreken en twee duidelijke argumenten geeft, krijgt ook drie punten.

Woordkeus

  • Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij nul punten bij dit aspect. Hij heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'Mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'Mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.

Woord- en zinsvorming

  • Bij de middellange opdrachten wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine fouten (categorie-1-fouten) en andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten). Onder kleine fouten (categorie-1-fouten) verstaan we lidwoordfouten en fouten die daaruit voortvloeien. Fouten in verkleinwoorden en meervoudsvormen vallen ook onder kleine fouten. Met andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten) worden fouten bedoeld zoals verkeerde werkwoordsvervoegingen, fouten in de woordvolgorde of het weglaten van 'het' als persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: 'Ik heb een mooi boek gekocht maar was heel duur').

  • Bij de middellange opdrachten wordt bij de beoordeling een onderscheid gemaakt tussen langere en kortere uitingen en wel tussen uitingen die uit minimaal drie zinnen bestaan (>2) en uitingen die uit maximaal twee zinnen bestaan (≤2). Dit is gedaan om kandidaten die langer spreken en dus ook meer fouten kunnen maken, niet te straffen voor het feit dat ze een langere reactie geven dan een ander.

  • Wanneer een kandidaat alleen maar voorleest, geldt dat bij ‘Woord- en zinsvorming’ maximaal één punt toegekend mag worden.

Telefoonconventies

Enkele opdrachten vragen van de kandidaat een telefonische reactie. In de meeste gevallen wordt daarbij gesuggereerd dat het gesprek al even bezig is, zodat de kandidaat zich niet meer hoeft voor te stellen. Een enkele keer moet de kandidaat reageren op iemand die de telefoon opneemt. Vanwege het kunstmatige karakter van de examensituatie is het bij deze opdrachten niet de bedoeling dat er beoordeeld wordt of de kandidaat zich eerst voorstelt, tenzij het beoordelingsvoorschrift dat expliciet vermeldt.

Toekenning score examen Spreken I

Voor het examen Spreken kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke korte opdracht uit het spreekexamen kan de kandidaat maximaal 2 punten behalen. Voor elke middellange opdracht kan de kandidaat bij het examen Spreken tussen de 9 en 12 punten behalen. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars.

Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting).

Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent dat de kandidaat geslaagd is. De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Bijlage 2B. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Spreken, Programma II, staatsexamen NT2

Inhoud Examen Spreken Programma II

Het examen Spreken Programma II bestaat uit 3 delen. Alle drie de delen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II. Zie ook het examenprogramma.

Deel 1 bestaat uit 6 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden.

Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden.

Deel 3 bestaat uit 2 lange opdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 2 minuten.

Bij wijze van illustratie is hieronder een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen weergegeven.

Spreken II:

– Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten:

69

Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Inhoud:

39

Woordkeus:

3

Woordenschat:

21

Coherentie:

6

– Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten:

56

Verdeling over de beoordelingsaspecten:

 

Woord- en zinsvorming:

36

Uitspraak:

15

Tempo:

5

Totaal aantal opdrachten:

17

Maximumscore:

125 (exclusief precondities)

Algemene aanwijzingen voor de beoordeling Spreken II

Algemeen

  • Wanneer een kandidaat één of meer plaatjes anders interpreteert dan in de beoordelingsvoorschriften bedoeld wordt, maar de opdracht toch goed uitwerkt (een instructie geven, een beschrijving geven etc.), moet het spreekproduct analoog aan de bestaande voorschriften beoordeeld worden.

  • Bij opdrachten waarbij kandidaten (een mening met) argumenten moeten geven, moet de beoordelaar er alert op zijn dat niet de inhoud van de argumentatie op geldigheid beoordeeld wordt. Iets wat wij belachelijk vinden, kan voor de spreker een prima reden zijn. Als de uiting duidelijk is, kan iemand drie punten bij 'Inhoud' krijgen.

Preconditie

Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting beoordeelbaar is. Hier speelt de preconditie een rol. Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt:

  • Verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context

  • Niet passend in context, niet verstaanbaar, geen Nederlands

  • Kandidaat zegt niets

  • Niet te beoordelen: reden in logboek vermelden

Inhoud

  • Het kan voorkomen dat een kandidaat een reactie geeft die we niet expliciet in de voorschriften opgenomen hebben. Wanneer deze reactie adequaat is in de gegeven situatie, dan kan een kandidaat toch het maximale aantal punten krijgen bij ‘Inhoud’, afhankelijk van de duidelijkheid van de uiting.

  • Als er echt alleen maar voorgelezen wordt, geldt dat bij 'Inhoud' max. één punt toegekend mag worden. De kandidaten zijn gewaarschuwd tegen het uitsluitend voorlezen (zie de 'Aanwijzingen' die bij het begin van het examen worden vertoond op het beeldscherm).

  • Bij sommige opdrachten moet de beoordelaar ook letten op het volgende: wanneer een kandidaat de gevraagde taalhandeling niet realiseert, kan bij 'Inhoud' maximaal één punt toegekend worden. Wanneer de gevraagde taalhandeling bijvoorbeeld het geven van een instructie is, en een kandidaat geeft een beschrijving, dan kan dus maximaal één punt worden toegekend. In de beoordelingsvoorschriften staat wanneer de beoordelaar hiermee rekening moet houden.

  • Benutten van de spreektijd:

    Uit recent onderzoek naar de kwaliteit van de beoordelingsvoorschriften is gebleken dat het ‘Benutten van de spreektijd' niet door elke beoordelaar correct wordt toegepast. Een aantal beoordelaars kijkt, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat of de kandidaat de spreektijd volledig heeft benut. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling.

    Het benutten van de spreektijd wordt pas belangrijk als een kandidaat geen tijd meer heeft om bijvoorbeeld drie gegeven plaatjes te beschrijven doordat hij één of twee van de drie plaatjes uitvoerig beschrijft. Je mag dan redelijkerwijs aannemen dat deze kandidaat bij iets meer tijd wel alle plaatjes had kunnen beschrijven. Als de uiting van de kandidaat duidelijk is en hij de spreektijd volledig heeft benut, dan kan hij toch het maximaal aantal punten behalen bij ‘Inhoud’, ook al heeft hij niet alle plaatjes beschreven.

Een voorbeeld

In de opdracht wordt gevraagd om ten minste twee argumenten om een vriend van een plan te overtuigen. Het beoordelingsvoorschrift bij het aspect 'Inhoud' is als volgt:

  • 0: Er wordt gerefereerd aan de situatie, maar de uiting is verder volstrekt onduidelijk.

  • 1:

    • De gevraagde taalhandeling wordt niet gerealiseerd, men probeert niet om de vriend te overtuigen, maar men geeft hem bijv. een instructie.

    • Er wordt ten minste één argument gegeven. De uiting bevat veel onduidelijkheden.

  • 2:

    • Er wordt één argument gegeven. De uiting bevat hooguit enkele onduidelijkheden. De spreektijd wordt onvoldoende benut.

    • Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting bevat enkele onduidelijkheden.

  • 3:

    • Er wordt één argument gegeven. De uiting is duidelijk. De spreektijd wordt volledig benut.

    • Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting is duidelijk.

Stel een kandidaat geeft slechts één argument.

Hij krijgt dan twee punten als:

  • hij één argument geeft, èn

  • het argument qua inhoud slechts enkele onduidelijkheden bevat, èn

  • hij gezien de spreektijd nog een tweede argument had kunnen geven (de kandidaat is dus enige tijd voordat de pieptoon kwam, gestopt met spreken).

Hij krijgt dan drie punten als:

  • hij één argument geeft, èn

  • het argument qua inhoud duidelijk is, èn

  • hij geen tijd meer heeft om zijn antwoord af te ronden (de kandidaat hoort dus de pieptoon terwijl hij nog aan het spreken is).

Let op:

Een kandidaat die in relatief korte tijd (dus ruim voor de pieptoon) klaar is met spreken en twee duidelijke argumenten geeft, krijgt ook drie punten.

Woordkeus

  • Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij of zij 0 punten bij dit aspect. Deze persoon heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.

Woord- en zinsvorming

  • Hier wordt bij de middellange en lange opdrachten een onderscheid gemaakt tussen kleine fouten (categorie-1-fouten) en andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten). Onder kleine fouten (categorie-1-fouten) verstaan we lidwoordfouten en fouten die daaruit voortvloeien. Fouten in verkleinwoorden en meervoudsvormen vallen ook onder kleine fouten. Met andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten) worden fouten bedoeld zoals bijvoorbeeld verkeerde werkwoordsvervoegingen, fouten in de woordvolgorde of het weglaten van 'het' als persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: 'Ik heb een mooi boek gekocht maar was heel duur').

  • Bij de spreekopdrachten in deel 2 wordt bij de beoordeling een onderscheid gemaakt tussen langere en kortere uitingen en wel tussen uitingen die uit minimaal drie zinnen bestaan (>2) en uitingen die uit maximaal 2 zinnen bestaan (≤ 2). Dit is gedaan om kandidaten die langer spreken en daardoor dus ook meer fouten kunnen maken, niet te straffen voor het feit dat ze een langere reactie geven dan een ander.

  • Wanneer een kandidaat alleen maar voorleest, geldt dat bij ‘Woord- en zinsvorming’ maximaal één punt toegekend mag worden.

Telefoonconventies

Enkele opdrachten vragen van de kandidaat een telefonische reactie. In de meeste gevallen wordt daarbij gesuggereerd dat het gesprek al even bezig is, zodat de kandidaat zich niet meer hoeft voor te stellen. Een enkele keer moet de kandidaat reageren op iemand die de telefoon opneemt. Vanwege het kunstmatige karakter van de examensituatie is het bij deze opdrachten niet de bedoeling dat er beoordeeld wordt of de kandidaat zich eerst voorstelt, tenzij het beoordelingsvoorschrift dat expliciet vermeldt

Toekenning score examen Spreken II

Voor het examen Spreken II kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke korte opdracht uit het spreekexamen kan de kandidaat maximaal 2 punten behalen. Voor elke middellange opdracht kan de kandidaat bij het examen Spreken tussen de 9 en 13 punten behalen. Voor de lange opdracht kan de kandidaat maximaal 16 punten behalen. De uitingen en gesproken teksten van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, coherentie en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld.

Voor sommige aspecten is er een tweepuntschaal, voor de meeste aspecten kan een beoordelaar meer punten (tot maximaal 3 punten) toekennen. Beoordelaars beoordelen de antwoorden van kandidaten per opgave. Doordat een kandidaat per opdracht (gesegmenteerd) beoordeeld wordt, zijn er meerdere beoordelaars bij het beoordelen van een volledig examen van een kandidaat betrokken. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van deze beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting).

Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Bijlage 3A. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen betreffende de beoordeling van het onderdeel Lezen, Programma I, staatsexamen NT2

Inhoud examen Lezen Programma I

Het examen Lezen I bestaat uit 8 teksten die betrekking hebben op de domeinen 1. Werk 2. Opleiding en 3. Algemeen maatschappelijke zaken. De teksten passen qua inhoud en moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I (zie examenprogramma). De teksten zijn instructief, descriptief, beschouwend of persuasief van aard. Bij de teksten zijn maximaal 44 meerkeuzevragen. Per tekst kunnen 4 tot 8 vragen voorgelegd worden.

De teksten worden aangeboden in een tekstboekje met instructies. De antwoorden verschijnen op een beeldscherm en daar klikken kandidaten de juiste antwoorden aan. De leestijd is 110 minuten.

Beoordeling en toekenning score examen Lezen I

De beoordeling van de beantwoording van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Elk goed antwoord levert een punt op. De puntenscore wordt omgezet in een vaardigheidsscore.

Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat is geslaagd.

De examens zijn niet altijd even lang. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daardoor kan bij verschillende examens een ander aantal punten nodig zijn om een voldoende te halen.

Bijlage 3B. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen betreffende de beoordeling van het onderdeel Lezen, Programma II, staatsexamen NT2

Inhoud examen Lezen Programma II

Het examen Lezen II bestaat uit 8 teksten die betrekking hebben op de domeinen 1. Werk 2. Opleiding en 3. Algemeen maatschappelijke zaken. De teksten passen qua inhoud en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II (zie examenprogramma). De teksten zijn instructief, descriptief, beschouwend of persuasief van aard. Bij de teksten zijn maximaal 43 meerkeuzevragen geformuleerd. Per tekst kunnen 4 tot 8 vragen voorgelegd worden.

De teksten worden aangeboden in een tekstboekje met instructies. De vragen en antwoorden verschijnen op een beeldscherm en daar klikken kandidaten de juiste antwoorden aan. De leestijd is 100 minuten.

Beoordeling en toekenning score examen Lezen II

De scoring van de antwoorden bij de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Elk goed antwoord levert een punt op. De puntenscore wordt omgezet in een vaardigheidsscore.

Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat is geslaagd. De examens zijn niet altijd even lang. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daardoor kan bij verschillende examens een ander aantal punten nodig zijn om een voldoende te halen.

Bijlage 4A. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen betreffende de beoordeling van het onderdeel Luisteren, Programma I, staatsexamen NT2

Inhoud voorbeeldexamen Luisteren I

Het examen Luisteren Programma I bestaat uit 5 teksten en in totaal 40 meerkeuzevragen, waarbij per tekst minimaal 5 en maximaal 10 vragen gesteld worden. De gekozen teksten zijn zo veel mogelijk verdeeld over mannenstemmen/vrouwenstemmen en de tekstsoorten instructief, informatief en persuasief. Zowel globaal luisteren als selectief luisteren worden getoetst.

De opgaven komen op een beeldscherm en de kandidaat heeft voor elke opgave een vaste tijd: ongeveer 40 seconden. Die tijd wordt gebruikt om het goede antwoord te kiezen en aan te klikken en de vraag van de volgende luisteropgave te lezen.

Beoordeling en toekenning score examen Luisteren I

De beoordeling van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Bij het examen Luisteren is één punt gelijk aan één opgave. Voor een kandidaat die 25 punten heeft behaald, betekent dat dat hij 25 opgaven juist heeft beantwoord. De puntenscore wordt daarna omgezet in een vaardigheidsscore.

Een deel van de opgaven betreft opgaven die gepretest worden, die tellen niet mee voor de uitslag.

Kandidaten krijgen uiteindelijk hun score op die vaardigheidsschaal en dat is een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen: geslaagd.

De examenteksten en de examenopgaven zijn niet allemaal even moeilijk. Het aantal punten dat de kandidaat maximaal moet behalen om te slagen, is dus niet voor elk examen hetzelfde.

Bijlage 4B. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Algemene aanwijzingen betreffende de beoordeling van het onderdeel Luisteren, Programma II, staatsexamen NT2

Inhoud voorbeeldexamen Luisteren II

Het examen Luisteren Programma II bestaat uit 5 teksten en in totaal 40 meerkeuzevragen, waarbij per tekst minimaal 5 en maximaal 10 vragen gesteld worden. De teksten passen qua inhoud en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II (zie examenprogramma). De gekozen teksten zijn zo veel mogelijk verdeeld over mannenstemmen/vrouwenstemmen en de tekstsoorten instructief, informatief en persuasief. Zowel globaal luisteren als selectief luisteren worden getoetst.

De opgaven komen op een beeldscherm en de kandidaat heeft voor elke opgave een vast tijd: ongeveer 40 seconden. Die tijd wordt gebruikt om het goede antwoord te kiezen en aan te klikken en de vraag van de volgende luisteropgave te lezen.

Beoordeling en toekenning score examen Luisteren II

De beoordeling van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Bij het examen Luisteren is één punt gelijk aan één opgave. Voor een kandidaat die 25 punten heeft behaald, betekent dat dat hij 25 opgaven juist heeft beantwoord. De puntenscore wordt daarna omgezet in een vaardigheidsscore.

Een deel van de opgaven betreft opgaven die gepretest worden.

Kandidaten krijgen uiteindelijk hun score op die vaardigheidsschaal en dat is een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen: geslaagd.

De examenteksten en de examenopgaven zijn niet allemaal even moeilijk. Het aantal punten dat men maximaal moet behalen om te slagen, is dus niet voor elk examen hetzelfde.

Bijlage 5. bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623

Bekendmaking van (vastgestelde), beoordelingsmodellen per examentoets en de daarbij behorende scores.
  • 1. Voor wat betreft de beoordelingsmodellen per examentoets en de daarbij behorende scores geldt:

De beoordelingsmodellen en de daarbij behorende scores vermeld in de tabellen, worden niet eerder bekend gemaakt dan nadat het College voor Toetsen en Examens heeft vastgesteld dat de betreffende opgaven niet meer onderdeel van een examentoets zullen uitmaken.

De opgaven kunnen daarna onderdeel uitmaken van oefenopgaven die openbaar gemaakt worden.

  • 2. Bekendmaking van het volledige voorschrift voor de beoordeling voor de examentoetsen, aangegeven in de tabellen, vindt plaats:

    • a. Voor wat betreft examentoetsen in de onderdelen Schrijven en Spreken: aan de beoordelaar;

    • b. Voor wat betreft examentoetsen in de onderdelen Lezen en Luisteren worden de beoordelingsmodellen opgenomen als sleutel in het digitale systeem dat automatisch de examentoets beoordeelt.

Beoordelingsnormen voor het staatsexamen Nederlands als tweede taal worden vastgesteld voor wat betreft: Tabel 1 Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma I, 2017
  • onderdeel Schrijven: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Spreken: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Lezen: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Luisteren: de examentoetsen vastgesteld voor 2017.

Tabel 2 Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma II, 2017
  • onderdeel Schrijven: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Spreken: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Lezen: de examentoetsen vastgesteld voor 2017

  • onderdeel Luisteren: de examentoetsen vastgesteld voor 2017.