Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017[Regeling vervalt per 01-01-2018.]

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van kapitaallasten en vaste activa met betrekking tot de uit de AWBZ naar de Wmo 2015 en de Jeugdwet overgehevelde zorg (Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017)

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 11.4.2 van de Wet langdurige zorg;

BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • beleidsregel: beleidsregel van de zorgautoriteit;

  • bijdragen van derden: bijdragen in de kosten die de subsidieontvanger van een derde ontvangt;

  • eigen bijdrage: bijdrage in de kosten die de subsidieontvanger zelf levert;

  • jaarrekening: jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • kapitaallasten: kapitaallasten, met inbegrip van kosten voor inventaris;

  • kosten: kapitaallasten of vaste activa;

  • minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • opbrengsten: eigen bijdrage en bijdragen van derden, vermeerderd met de aangevraagde, verleende of vastgestelde subsidie;

  • organisatie: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;

  • vaste activa: kosten voor vaste activa.

Artikel 1.2

  • 1 De zorgautoriteit kan in de periode 2015 tot en met 2017 aan een organisatie jaarlijks een subsidie verstrekken voor kapitaallasten en voor vaste activa.

  • 2 De subsidie voor kapitaallasten wordt slechts verstrekt aan:

    • a. een organisatie die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverde die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de beleidsregel ‘Kapitaallasten’ (CA-300-473; Stcrt. 2011, nr. 12384) een budget kapitaallasten heeft toegekend, dan wel aan haar rechtsopvolger;

    • b. een organisatie die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverde die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de beleidsregel ‘Kapitaallasten’ (CA-300-473; Stcrt. 2011, nr. 12384) een budget kapitaallasten heeft toegekend, dan wel aan haar rechtsopvolger.

  • 3 De subsidie voor vaste activa wordt slechts verstrekt aan:

    • a. een organisatie die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverde die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de beleidsregel ‘Compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met invoering normatieve huisvestingscomponent’ (CA-300-493; Stcrt. 2011, nr. 14267) een vergoeding heeft toegekend, dan wel aan haar rechtsopvolger;

    • b. een organisatie die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverde die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de beleidsregel ‘Compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met invoering normatieve huisvestingscomponent’ (CA-300-493; Stcrt. 2011, nr. 14267) een vergoeding heeft toegekend, dan wel aan haar rechtsopvolger.

  • 4 De subsidie wordt slechts verstrekt aan een organisatie die onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2015 verblijf met daarmee gepaard gaande zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verleende en de desbetreffende zorg vanaf die datum in opdracht van een of meer colleges van burgemeester en wethouders als maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of als jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet verleent.

Artikel 1.3

De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

Artikel 1.4

  • 1 De kapitaallasten die ten hoogste voor subsidie in aanmerking komen worden bepaald door overeenkomstige toepassing van de beleidsregels ‘Kapitaallasten bestaande zorgaanbieders’ en ‘Invoering normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve inventariscomponent (NIC) bestaande zorgaanbieders’ zoals die gelden voor het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, met dien verstande dat de subsidie uitsluitend verstrekt wordt voor de kapitaallasten die toegerekend worden aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet waartoe:

    • a. aan de hand van paragraaf 5 van de beleidsregel ‘Invoering normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve inventariscomponent (NIC) bestaande zorgaanbieders’ wordt berekend welk percentage van de kapitaallasten na de overhevelingen vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt toegerekend aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet;

    • b. de kapitaallasten, bestaande aan het budget kapitaallasten en het budget inventaris, worden berekend aan de hand van de artikelen 3.7 en 3.8 van de beleidsregel ‘Invoering normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve inventariscomponent (NIC) bestaande zorgaanbieders’ in samenhang met de beleidsregel ‘Kapitaallasten bestaande zorgaanbieders’;

    • c. de aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet toe te rekenen kapitaallasten, bestaande aan het budget kapitaallasten en het budget inventaris, worden berekend door de kapitaallasten, bedoeld in onderdeel b, te vermenigvuldigen met het percentage, bedoeld in onderdeel a;

    • d. het bedrag van de kapitaallasten die ten hoogste voor subsidie in aanmerking komen wordt berekend door de aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet toe te rekenen kapitaallasten, bedoeld in onderdeel c, te vermenigvuldigen met de bij het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt horende percentages voor het budget kapitaallasten en het budget inventaris die zijn vermeld in de tabellen 1 en 2 van artikel 4.1 van de beleidsregel ‘Invoering normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve inventariscomponent (NIC) bestaande zorgaanbieders’.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt met betrekking tot kleinschalige woonvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.12 van de beleidsregel ‘Kapitaallasten bestaande zorgaanbieders’:

    • a. het aantal bezette plaatsen die zijn overgeheveld vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekomsten naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet bepaald;

    • b. de normatieve vergoeding voor kapitaallasten, voor de bezette plaatsen, bedoeld in onderdeel a, bepaald aan de hand van de beleidsregel ‘Kapitaallasten bestaande zorgaanbieders’;

    • c. de aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet toe te rekenen kapitaallasten berekend door het aantal bezette plaatsen, bedoeld in onderdeel a, te vermenigvuldigen met de normatieve vergoeding, bedoeld in onderdeel b;

    • d. het bedrag van de kapitaallasten die ten hoogste voor subsidie in aanmerking komen berekend door de aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet toe te rekenen kapitaallasten, bedoeld in onderdeel c, te vermenigvuldigen met het bij het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt horende percentage voor het budget kapitaallasten dat is vermeld in tabel 1 van artikel 4.1 van de beleidsregel ‘Invoering normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve inventariscomponent (NIC) bestaande zorgaanbieders’.

Artikel 1.5

De vaste activa die ten hoogste voor subsidie in aanmerking komen worden bepaald door overeenkomstige toepassing van de beleidsregel ‘Toevoeging en verrekening compensatie vaste activa’ zoals die geldt voor het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt en de beleidsregel ‘Compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met invoering normatieve huisvestingscomponent’ (CA-300-493; Stcrt. 2011, nr. 14267).

Hoofdstuk 2. Aanvraag

Artikel 2.1

  • 1 Een aanvraag tot verlening van een subsidie wordt ontvangen uiterlijk op 31 oktober voor de aanvang van het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 De zorgautoriteit kan ontheffing tot en met 15 december verlenen van de termijn, bedoeld in het eerste lid, indien de aanvraag tot ontheffing is ontvangen voor afloop van die termijn.

Artikel 2.2

  • 1 De aanvraag tot verlening van de subsidie bestaat in ieder geval uit een activiteitenplan en een begroting.

  • 3 Indien ter zake van een leegstaand gebouw compensatie als bedoeld in de beleidsregel ‘Compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met de invoering normatieve huisvestingscomponent’ (CA-300-493; Stcrt. 2011, 14267) is toegekend of is aangevraagd zonder dat op die aanvraag een onherroepelijk besluit is genomen, bevat de aanvraag een opgave van:

    • a. de opbrengsten uit verkoop en verhuur van leegstaande gebouwen;

    • b. boekwinsten op verkoop van grond of terrein waarop een leegstaande gebouw staat.

Artikel 2.3

  • 1 Voor een aanvraag tot verlening van een subsidie wordt een door de zorgautoriteit vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2 Het aanvraagformulier wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de aanvrager te vertegenwoordigen.

Artikel 2.4

De aanvraag tot verlening van de subsidie gaat vergezeld van afschriften van de opdrachten, bedoeld in artikel 1.2, vierde lid.

Artikel 2.5

  • 1 Indien de aanvraag tot verlening van de subsidie wordt ingediend door een privaatrechtelijke rechtspersoon waaraan de zorgautoriteit op grond van deze regeling geen subsidie heeft verstrekt ten behoeve van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, gaat de aanvraag voorts vergezeld van:

    • a. een afschrift van de inschrijving van de aanvrager in het Handelsregister;

    • b. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;

    • c. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de aanvrager te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht voor het ondertekenen van de aanvraag;

    • d. de laatst opgemaakte jaarrekening dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.

  • 2 De afschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit mag gaan dat deze gegevens bij de zorgautoriteit bekend zijn

  • 3 De zorgautoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Artikel 2.6

  • 1 Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, stelt de zorgautoriteit de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag tot verlening van de subsidie binnen zes weken aan te vullen.

  • 2 De zorgautoriteit kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, niet of niet voldoende is aangevuld.

Hoofdstuk 3. Verlening

Artikel 3.1

  • 1 De zorgautoriteit besluit over de verlening van de subsidie uiterlijk op 1 februari van het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 Indien een volledige aanvraag is ontvangen na 31 oktober voor de aanvang van het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, beslist de zorgautoriteit, in afwijking van het eerste lid, binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot verlening.

Artikel 3.2

  • 1 De zorgautoriteit vermeldt in het besluit tot verlening van de subsidie de wijze waarop de subsidie wordt berekend.

  • 2 In het besluit tot verlening wordt geen bedrag vermeld waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Bevoorschotting en verplichtingen

Artikel 4.1

  • 1 De zorgautoriteit verleent bij het besluit tot verlening van de subsidie ambtshalve tevens een voorschot ter hoogte van 85% van een bedrag dat bestaat uit de begrote kosten verminderd met de begrote bijdragen van derden en de begrote eigen bijdrage.

  • 2 De zorgautoriteit betaalt het voorschot in gelijke delen in de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en december.

  • 3 Op verzoek van de aanvrager of indien de aanvraag na afloop van de aanvraagtermijn is ingediend, kan de zorgautoriteit van het tweede lid afwijken.

Artikel 4.2

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

  • a. de doelstellingen van de gesubsidieerde activiteiten op doelmatige wijze worden nagestreefd,

  • b. de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten op verantwoorde wijze wordt bestuurd en

  • c. de voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten benodigde middelen op verantwoorde wijze worden beheerd.

Artikel 4.3

  • 1 De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daarin altijd de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen, betalingen en ontvangsten alsmede kosten en opbrengsten kunnen worden nagegaan.

  • 2 De administratie wordt op overzichtelijke, controleerbare en doelmatige wijze ingericht.

  • 3 De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.

Artikel 4.4

  • 1 De subsidieontvanger meldt meteen aan de zorgautoriteit als:

    • a. het tijdens de periode waarvoor de subsidie is verleend aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht,

    • b. het aannemelijk is geworden dat niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan of

    • c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

  • 2 De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 4.5

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

Artikel 4.6

  • 1 De subsidieontvanger werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de zorgautoriteit ingesteld onderzoek dat erop is gericht de zorgautoriteit inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie.

  • 2 De subsidieontvanger werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen voor de ontwikkeling van het beleid van de minister.

Artikel 4.7

De zorgautoriteit kan bij de verlening van de subsidie verplichtingen opleggen als bedoeld in artikel 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 5. Vaststelling

Artikel 5.1

  • 1 De subsidieontvanger dient uiterlijk op 31 mei na afloop van het jaar waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie

  • 2 De zorgautoriteit kan ontheffing tot en met 31 juli verlenen van de termijn, bedoeld in het eerste lid, indien de ontheffing is aangevraagd voor afloop van die termijn.

  • 3 Een aanvraag tot vaststelling die na 31 juli na afloop van het jaar waarvoor de subsidie is verleend wordt ontvangen, wordt afgewezen.

Artikel 5.2

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie bestaat in ieder geval uit een activiteitenverslag en een financieel verslag.

  • 3 Indien ter zake van een leegstaand gebouw compensatie als bedoeld in de beleidsregel ‘Compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met de invoering normatieve huisvestingscomponent’ (CA-300-493; Stcrt. 2011, 14267) is toegekend of is aangevraagd zonder dat op die aanvraag een onherroepelijk besluit is genomen, bevat de aanvraag een opgave van:

    • a. de opbrengsten uit verkoop en verhuur van leegstaande gebouwen;

    • b. boekwinsten op verkoop van grond of terrein waarop een leegstaande gebouw staat.

  • 4 Voor een aanvraag van de vaststelling van een subsidie wordt een door de zorgautoriteit vastgesteld formulier gebruikt.

  • 5 Het aanvraagformulier wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de aanvrager te vertegenwoordigen.

Artikel 5.3

  • 1 De subsidieontvanger doet het financieel verslag vergezellen van een controleverklaring van een accountant, opgesteld overeenkomstig een door de zorgautoriteit vastgestelde model met inachtneming van een door de zorgautoriteit vastgesteld protocol.

  • 2 Het financieel verslag gaat vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de zorgautoriteit vastgesteld model met inachtneming van een door de zorgautoriteit vastgesteld protocol.

Artikel 5.4

Op verzoek van de zorgautoriteit legt de subsidieontvanger in aanvulling op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een jaarrekening over.

Artikel 5.5

  • 1 Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, stelt de zorgautoriteit de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag tot vaststelling van de subsidie binnen acht weken aan te vullen.

  • 2 De zorgautoriteit kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, niet of niet voldoende is aangevuld.

Artikel 5.6

De subsidie wordt vastgesteld op een bedrag dat bestaat uit de werkelijke kosten verminderd met de werkelijke bijdragen van derden en de werkelijke eigen bijdrage.

Artikel 5.7

  • 1 De zorgautoriteit besluit over de vaststelling van de subsidie uiterlijk op 31 oktober na afloop van het jaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2 Indien een volledige aanvraag is ontvangen na 31 mei na afloop van het jaar waarvoor de subsidie is verleend, beslist de zorgautortiteit, in afwijking van het eerste lid, binnen tweeëntwintig weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

  • 1 In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, wordt een aanvraag ten behoeve van 2015 uiterlijk op 30 april 2015 ontvangen.

  • 2 In afwijking van artikel 3.1 besluit de zorgautoriteit uiterlijk op 31 juli 2015 of, indien een volledige aanvraag tot verlening na 30 april 2015 is ontvangen, binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot verlening.

  • 2 In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, betaalt de zorgautoriteit het voorschot op de subsidie ten behoeve van 2015 over de maanden tot en met de maand van het besluit in een keer.

Artikel 6.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en vervalt met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 6.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M.J. van Rijn