Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Geldend van 20-07-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2014, nr. MBO/664185, houdende regels voor het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling kwaliteitsafspraken mbo)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel I. Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. investeringsbudget: aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 2.1;

  • b. kwaliteitsplan: kwaliteitsplan als bedoeld in artikel 1.4;

  • c. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;

  • d. resultaatafhankelijk budget: aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 3.2;

  • e. wet: de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 1.2. Doelstelling

De minister verstrekt aan instellingen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het onderwijs van de instelling te verhogen.

Artikel 1.3. Investeringsbudget

De aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 1.2, bestaat uit het investeringsbudget en het resultaatafhankelijk budget.

Artikel 1.4. Kwaliteitsplan

  • 1 De instellingen stellen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 een kwaliteitsplan op.

  • 2 De instellingen leggen in het kwaliteitsplan gemotiveerd vast:

    • a. wat hun uitgangssituatie op het moment van opstellen van het kwaliteitsplan is ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs, in het bijzonder ten aanzien van de in bijlage 1 genoemde thema’s en, indien van toepassing, ten aanzien van andere, niet in de bijlage genoemde thema’s waaraan zij de aanvulling op de bekostiging willen besteden;

    • b. wat de resultaten zijn die zij ten aanzien van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs willen bereiken;

    • c. op welke wijze zij die resultaten willen bereiken;

    • d. hoe zij de aanvulling op de bekostiging willen besteden ten aanzien van het bereiken van die resultaten.

  • 3 De instellingen motiveren ten aanzien van de in bijlage 1 genoemde thema’s waaraan zij de aanvulling op de bekostiging niet willen besteden om welke reden zij hiertoe geen noodzaak zien.

  • 4 De instellingen dienen het kwaliteitsplan uiterlijk op 30 april 2015 in bij de minister.

Artikel 1.5. Uitvoering

  • 1 De instellingen ondertekenen een uitvoeringsovereenkomst met de minister. De ondertekende uitvoeringsovereenkomst wordt uiterlijk op 1 maart 2015 door de instellingen ingediend bij de minister.

  • 2 De instellingen winnen advies in over het door hen opgestelde kwaliteitsplan en de uitvoering daarvan bij een door de minister aangewezen instantie.

  • 3 Een door de minister aangewezen instantie adviseert de minister over de beoordeling van het kwaliteitsplan ten aanzien van het thema stimuleren van excellentie.

  • 4 De in het derde lid bedoelde instantie is tevens belast met het beoordelen van de verbeterplannen bpv en de resultatenrapportages bpv, bedoeld in hoofdstuk 4.

  • 5 De minister kan aan de instantie, bedoeld in het derde lid, subsidie verstrekken.

Artikel 1.6. Monitor en evaluatie

  • 1 De instellingen dienen in 2016, 2017 en 2018 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke tussenrapportage over de voortgang van de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister.

  • 2 De instellingen dienen in 2019 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke eindrapportage over de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister.

  • 3 De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2017 tussentijds geëvalueerd.

  • 4 De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2019 geëvalueerd.

Artikel 1.7. Verantwoordingsplicht

De verantwoording van de aanvulling op de bekostiging geschiedt conform het bepaalde in artikel 9.1, derde lid, onder c, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 1.8. Besteding

De aanvulling op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt.

Hoofdstuk 2. Investeringsbudget

Artikel 2.1. Investeringsbudget

Het investeringsbudget wordt aan de instellingen verstrekt ten behoeve van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs van de instelling, in het bijzonder ten behoeve van de thema’s:

  • a. professionalisering;

  • b. intensivering van het taal- en rekenonderwijs;

  • c. terugdringen van voortijdig schoolverlaten;

  • d. bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming;

  • e. stimuleren van excellentie;

  • f. verbeteren van studiewaarde.

Artikel 2.2. Subsidieplafond

  • 1 De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2 Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget, met uitzondering van het deel dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, maximaal 163,5 miljoen euro beschikbaar.

  • 3 Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie maximaal 24,0 miljoen euro beschikbaar.

Artikel 2.3. Verdeling

Artikel 2.4. Stimuleren van excellentie

  • 1 Instellingen die in aanmerking willen komen voor het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, dienen dit thema in het kwaliteitsplan op te nemen. Artikel 1.4 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De minister beoordeelt uiterlijk op 15 juli 2015 het thema stimuleren van excellentie, zoals dat is opgenomen in het kwaliteitsplan. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van het beoordelingskader in bijlage 2.

  • 3 Het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie wordt uitsluitend toegekend aan instellingen waarvan dit onderdeel van het kwaliteitsplan door de minister is goedgekeurd.

Artikel 2.5. Betaling

  • 1 De betaling van het investeringsbudget vindt plaats volgens het kasritme van de betaling van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, van de wet. De eerste betaling vindt plaats in de maand mei 2015.

  • 2 In afwijking van het eerste lid vindt de eerste betaling van het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, voor zover instellingen daarvoor in aanmerking komen, plaats in de maand september 2015.

Hoofdstuk 3. Resultaatafhankelijk budget studiewaarde

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. basiswaarde: de waarde, bedoeld in artikel 3.5;

  • b. diploma: een door een deelnemer die op 1 oktober van het betreffende schooljaar de leeftijd van 27 jaar nog niet had bereikt, behaald diploma als bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet op grond waarvan de instelling bekostiging heeft ontvangen of zal ontvangen;

  • c. diplomawaarde: de waarde, bedoeld in bijlage 3, die overeenkomstig het opleidingsniveau wordt toegekend aan de diploma’s van de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding;

  • d. eenheid: een groep van beroepsopleidingen van een instelling van eenzelfde opleidingsniveau, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met e, van de wet, binnen een opleidingsdomein;

  • e. grenswaarde: de waarde, bedoeld in bijlage 5;

  • f. landelijk budget voor behoud: aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3.7;

  • g. landelijk budget voor verbetering: aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3.8;

  • h. referentiewaarde: de waarde, bedoeld in bijlage 4;

  • i. schooljaar: de periode van 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar tot 1 oktober in het betreffende kalenderjaar;

  • j. studiewaarde: de waarde, bedoeld in artikel 3.4;

  • k. vooropleiding: de vooropleiding, bedoeld in bijlage 4.

Artikel 3.2. Resultaatafhankelijk budget

De minister kan een resultaatafhankelijk budget verstrekken aan de instellingen voor zover zij deelnemers naar een diploma van een zo hoog mogelijk niveau, gegeven hun vooropleiding, hebben begeleid.

Artikel 3.3. Subsidieplafond

  • 1 De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2 Voor het kalenderjaar 2016 is voor het verstrekken van het resultaatafhankelijk budget maximaal 99 miljoen euro beschikbaar.

Artikel 3.4. Studiewaarde

  • 1 De minister stelt de studiewaarde vast door per diploma het verschil te berekenen tussen de diplomawaarde en de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemer die het diploma heeft behaald.

  • 2 Indien een deelnemer eerder, maar op of na 1 oktober 2010, een diploma heeft behaald, dan wordt de studiewaarde verminderd met de studiewaarde van dat eerder behaalde diploma.

  • 3 Indien de studiewaarde berekend op basis van het eerste of tweede lid, lager is dan nul, dan wordt de studiewaarde van dat diploma op nul vastgesteld.

  • 4 Voor iedere eenheid wordt de gemiddelde studiewaarde bepaald door het gemiddelde te berekenen van de studiewaarden die in een schooljaar in de betreffende eenheid zijn behaald.

  • 5 Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in afwijking van het vierde lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de studiewaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

Artikel 3.5. Basiswaarde

  • 1 De basiswaarde van een eenheid wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

  • 2 Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde in afwijking van het eerste lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

  • 3 De minister stelt de basiswaarden van de eenheden per instelling uiterlijk binnen twee maanden na publicatie van deze regeling bij beschikking vast.

Artikel 3.6. Verdeling

  • 1 De minister verdeelt het in artikel 3.3 bedoelde bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar over de instellingen op basis van de diploma’s behaald in het schooljaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

  • 2 De minister maakt voor de verdeling van het in artikel 3.3 bedoelde bedrag onderscheid tussen het landelijk budget voor behoud en het landelijk budget voor verbetering.

  • 3 Het landelijk budget voor behoud wordt per schooljaar berekend door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te delen door het totaal aantal behaalde diploma’s in dat schooljaar te vermenigvuldigen met het aantal diploma’s dat op grond van artikel 3.7 voor het behoud van resultaten in aanmerking komt.

  • 4 Het landelijk budget voor verbetering wordt bepaald door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te verminderen met het landelijk budget voor behoud.

  • 6 Indien het resultaat van de in artikel 3.7, vierde lid, en artikel 3.8, derde lid, bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het maximum, bedoeld in het vijfde lid, wordt overschreden, dan wordt het bedrag waarmee het maximum wordt overschreden verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.7, eerste lid, en 3.8, eerste lid, ontvangen.

Artikel 3.7. Landelijk budget voor behoud

  • 1 Het deel van het landelijk budget voor behoud waarvoor een instelling in aanmerking komt, is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede en derde lid gezamenlijk worden meegerekend.

  • 2 Een eenheid deelt voor het kalenderjaar 2016 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de basiswaarde van de eenheid hoger is dan de grenswaarde die voor de eenheid van toepassing is, en indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar hoger is dan de grenswaarde voor de eenheid.

  • 3 Een eenheid deelt voor de kalenderjaren 2017 en 2018 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar voor het tweede opeenvolgende schooljaar hoger is dan de grenswaarde van die eenheid.

  • 4 Het landelijk budget voor behoud wordt verdeeld over de in het tweede dan wel derde lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel:

    Bijlage 256854.png

    Hierin staat DiEh voor het aantal diploma’s dat is behaald in het schooljaar van de eenheid die voor het landelijk budget voor behoud in aanmerking komt; LTB voor het landelijk totaal van de diploma’s die zijn behaald in het schooljaar van alle eenheden die in aanmerking komen voor het landelijk budget voor behoud; en LBB voor het landelijk budget voor behoud.

Artikel 3.8. Landelijk budget voor verbetering

  • 1 Het deel van het landelijk budget voor verbetering waarvoor een instelling in aanmerking komt is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede lid gezamenlijk worden meegerekend.

  • 2 Een eenheid wordt meegerekend voor de verdeling van het landelijk budget voor verbetering, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het voorafgaande schooljaar hoger is dan de basiswaarde van de eenheid.

  • 3 Het landelijk budget voor verbetering wordt verdeeld over de in het tweede lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel:

    Bijlage 256855.png

    Hierin staat dE voor elke eenheid voor het positieve verschil tussen de gemiddelde studiewaarde en de basiswaarde, met dien verstande dat indien het positieve verschil groter is dan 0,1, dE wordt vastgesteld op 0,1; DiE voor het aantal diploma’s in de eenheid die in aanmerking komt voor het landelijk budget voor verbetering; LTV voor het landelijk totaal van dE maal DiE voor alle eenheden met verbetering; en LBV voor het landelijk budget voor verbetering.

Artikel 3.9. Betaling

De betaling van het resultaatafhankelijk budget vindt jaarlijks plaats in de maand november van het betreffende kalenderjaar.

Artikel 3.10. Fusie en splitsing

  • 1 In geval van fusie van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent het deel van het resultaatafhankelijk budget waarvoor de instelling in aanmerking komt voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens.

  • 2 In geval van splitsing van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan de minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.

Artikel 3.11. Onvoorziene omstandigheden

Indien meer dan een derde van de instellingen niet in aanmerking komt voor het resultaatafhankelijk budget als gevolg van omstandigheden waarop de instellingen geen invloed hebben, dan kan de minister met inachtneming van het subsidieplafond besluiten om voor alle instellingen de basiswaarden, de grenswaarden dan wel de referentiewaarden opnieuw vast te stellen.

Artikel 3.12. Invoeringsbepaling

  • 1 Voor het kalenderjaar 2016 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend:

    • a. 50% van het subsidieplafond voor 2016, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, wordt berekend op grond van de artikelen 3.4 tot en met 3.8;

    • b. 50% van het subsidieplafond voor 2016 wordt verdeeld over de instellingen op grond van de verdeelsleutel, bedoeld in het derde lid.

  • 2 Voor het kalenderjaar 2017 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend:

    • a. 65% van het subsidieplafond voor 2017, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, wordt berekend op grond van de artikelen 3.4 tot en met 3.8;

    • b. 35% van het subsidieplafond voor 2017 wordt verdeeld over de instellingen op grond van de verdeelsleutel, bedoeld in het derde lid.

  • 3 De verdeling van het gedeelte van het subsidieplafond bedoeld in het eerste lid onder b respectievelijk in het tweede lid onder b, over de instellingen, geschiedt op grond van de volgende verdeelsleutel:

    Bijlage 256856.png

    Hierin staat dH voor elke instelling voor het aantal diploma’s met een diplomawaarde die hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; LTdH voor het landelijk totaal aantal diploma’s dat hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; LBd voor het landelijk budget voor 2016, bedoeld in het eerste lid onder b, respectievelijk 2017, bedoeld in het tweede lid, onder b.

  • 4 In afwijking van artikel 3.6, zesde lid, wordt in 2016 respectievelijk 2017, indien het resultaat van de in artikel 3.12, eerste lid, onder a. en b. bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het in artikel 3.6, vijfde lid, bedoelde maximum wordt overschreden voor 2016, dan wordt het bedrag waarmee dit maximum wordt overschreden, verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zijn op grond van artikel 3,12, eerste lid, onder a ontvangen. Voor 2017 wordt dit verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder a, ontvangen.

Hoofdstuk 4. Resultaatafhankelijk budget beroepspraktijkvorming

Artikel 4.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. behaald resultaat: resultaat dat de instelling in 2017 en 2018 heeft bereikt met het uitvoeren van het verbeterplan bpv;

  • b. beoogd resultaat: resultaat dat de instelling ten aanzien van de verbeterpunten wil bereiken in 2017 of 2018;

  • c. bpv: beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 7.2.8, van de wet;

  • d. indicator: instrument ten behoeve van het meten van een resultaat;

  • e. resultatenrapportage bpv: rapportage waarin de instelling de behaalde resultaten van de uitvoering van het verbeterplan bpv beschrijft ten opzichte van de beoogde resultaten;

  • f. verbeterplan bpv: plan waarin de instelling onderbouwd de beoogde resultaten en de maatregelen beschrijft die nodig zijn voor verbetering van de bpv.

Artikel 4.2. Budget beroepspraktijkvorming

De minister kan in 2017 en 2018 een resultaatafhankelijk budget bpv verstrekken aan instellingen die de resultaten ten aanzien van de kwaliteit van de bpv hebben verbeterd ten opzichte van de uitgangssituatie in 2016.

Artikel 4.3. Verdeling

  • 1 Het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verdeeld over de instellingen die tenminste voldoende verbetering hebben gerealiseerd.

  • 2 Het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verdeeld op grond van de verdeelsleutel:

    Hierin staat:

    Bijlage 257561.png

    S voor het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verstrekt, bij de instelling is ingeschreven en voor bekostiging in aanmerking komt;

    F voor de wegingsfactor met de waarde 1 bij de classificatie ‘voldoende’ of met de waarde 1,5 bij de classificatie ‘goed’;

    LT S x F voor het gewogen landelijk totaal voor alle instellingen;

    LBbpv voor het vastgestelde subsidieplafond.

Artikel 4.4. Verbeterplan bpv

  • 1 Om in aanmerking te kunnen komen het resultaatafhankelijk budget bpv stellen de instellingen een verbeterplan bpv op dat voldoet aan de voorschriften, opgenomen in de artikelen 4.5 tot en met 4.9.

  • 2 De instelling draagt er zorg voor dat het verbeterplan bpv uiterlijk op 31 augustus 2016 door de minister is ontvangen.

  • 3 Indien de instelling naar aanleiding van het voorlopige oordeel van de instantie, bedoeld in artikel 1.5, derde lid, aanleiding ziet het verbeterplan bpv aan te passen, draagt de instelling er zorg voor dat het aangepaste verbeterplan bpv uiterlijk op 30 november 2016 door de minister is ontvangen. De instelling zendt een afschrift van het aangepaste verbeterplan bpv aan de instantie.

  • 4 De instelling die toepassing geeft aan artikel 4.7, vijfde lid, draagt er zorg voor dat het aangevulde verbeterplan bpv uiterlijk op 31 augustus 2017 door de minister is ontvangen.

  • 5 Indien het verbeterplan bpv na de in het tweede, derde of vierde lid genoemde termijn door de minister is ontvangen, komt de instelling niet in aanmerking voor het resultaatafhankelijk budget bpv.

Artikel 4.5. Inhoud verbeterplan bpv

Het verbeterplan bpv bevat tenminste de volgende onderdelen:

  • a. een analyse van de uitgangssituatie van de kwaliteit van de bpv van de instelling in 2016 gebaseerd op de meest actuele gegevens, leidend tot een gemotiveerde keuze van de verbeterpunten;

  • b. een overzicht van de beoogde resultaten per aspect als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, voor juli 2017 of 2018 met een motivering van de keuze van de verbeterpunten;

  • c. een overzicht van de maatregelen waarmee de beoogde resultaten kunnen worden gerealiseerd.

Artikel 4.6. Analyse uitgangssituatie

  • 1 De analyse, bedoeld artikel 4.5, onder a, heeft in elk geval betrekking op de volgende aspecten van de bpv:

    • a. de aansluiting van het programma van de beroepsopleiding op het programma van de bpv;

    • b. het begeleiden van de deelnemer bij en het zorgdragen voor het vinden van een passende bpv-plek; en

    • c. de begeleiding van de deelnemer door de instelling tijdens de periode van de bpv.

  • 2 Indien dat uit de analyse, bedoeld in artikel 4.5, onder a, volgt, kan de instelling naast de aspecten, bedoeld in het eerste lid, ook gemotiveerd verbeterpunten formuleren op andere aspecten die leiden tot verbetering van de kwaliteit van de bpv.

  • 3 Indien uit de analyse, bedoeld in artikel 4.5, onder a, blijkt dat een aspect, bedoeld in het eerste, geen verbetering behoeft, kan de instelling gemotiveerd dat aspect buiten beschouwing laten.

Artikel 4.7. Overzicht beoogde resultaten en indicatoren

  • 1 De instelling formuleert de beoogde resultaten in het verbeterplan bpv ambitieus en haalbaar.

  • 2 Bij het formuleren van de beoogde resultaten betrekt de instelling in ieder geval de grootte van de verbetering en het bereik, zijnde het aandeel van de bekostigde deelnemers dat baat heeft bij de verbetering.

  • 3 De instelling kan in het verbeterplan bpv aangeven dat een aspect of een beoogd resultaat zwaarder weegt voor de verbetering van de kwaliteit van de bpv dan de andere aspecten of beoogde resultaten.

  • 4 Voor het meten van de beoogde resultaten kiest de instelling in het verbeterplan bpv passende indicatoren, waarmee de kwaliteit van de bpv op eenduidige en betrouwbare wijze kan worden gemeten, dan wel andere instrumenten waarmee eenduidig en betrouwbaar kan worden vastgesteld of het beoogde resultaat is bereikt.

  • 5 De instelling kan bij de resultatenrapportage bpv over 2017 het verbeterplan bpv aanvullen met een of meer beoogde resultaten voor 2018, indien de uitkomsten en de methodologische onderbouwing van de enquête leerbedrijven over 2016 daartoe aanleiding geven. Het eerste tot en met vierde lid, artikel 4.5 onderdelen b en c, artikel 4.6 en artikel 4.8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.8. Draagvlak verbeterplan bpv

De instelling stemt het verbeterplan bpv af met vertegenwoordigers van de bpv-begeleiders, de leerbedrijven en de deelnemers.

Artikel 4.9. Collegiale consultatie verbeterplan bpv

  • 1 De instelling verklaart in het verbeterplan bpv dat de instelling bereid is deel te nemen aan een collegiale consultatie.

  • 2 De collegiale consultatie vindt periodiek plaats en is gericht op verbetering van de kwaliteit van de bpv.

  • 3 De instelling neemt de opbrengsten van de collegiale consultatie voor zover beschikbaar op in de resultatenrapportage bpv over 2017 en 2018.

Artikel 4.10. Beoordeling verbeterplan bpv

  • 2 De instantie beoordeelt het verbeterplan bpv op grond van het beoordelingskader verbeterplan bpv dat als bijlage 6 bij deze regeling is gevoegd.

  • 3 De instantie informeert de instelling uiterlijk op 31 oktober 2016 over haar voorlopig oordeel over het verbeterplan bpv.

  • 4 De instantie adviseert uiterlijk op 31 december 2016 de minister over het verbeterplan bpv van de instelling.

  • 5 In geval toepassing is gegeven aan artikel 4.7, vijfde lid, adviseert de instantie de minister uiterlijk op 31 oktober 2017.

Artikel 4.11. Besluit minister; afwijzingsgrond

  • 1 De minister besluit uiterlijk op 31 januari 2017 op basis van het advies van de instantie of het verbeterplan bpv van de instelling voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 4.5 tot en met 4.9.

  • 2 Indien het verbeterplan bpv niet voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste lid, komt de instelling niet in aanmerking voor het resultaatafhankelijke budget bpv.

  • 3 De minister besluit uiterlijk op 30 november 2017 op het aangevulde verbeterplan bpv, bedoeld in artikel 4.7, vijfde lid. Indien de minister de aanvulling niet goedkeurt, maakt dit beoogde resultaat geen deel uit van de beoordeling van de resultatenrapportage bpv over 2018.

Artikel 4.12. Resultatenrapportage bpv

De instelling draagt er zorg voor dat de minister uiterlijk op 15 augustus van de betreffende jaren de resultatenrapportage bpv heeft ontvangen. De instelling zendt een afschrift van de resultatenrapportage bpv aan de instantie.

Artikel 4.13. Beoordeling resultaten bpv door de instantie

  • 1 De instantie geeft een oordeel over de behaalde resultaten per aspect, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het verbeterplan bpv en een oordeel over het geheel van de behaalde resultaten voor het betreffende jaar door de instelling.

  • 2 De instantie kan aan de instelling nadere informatie en toelichting vragen. De instelling reageert binnen tien werkdagen op het verzoek van de instantie.

  • 3 De resultatenrapportage bpv van de instelling wordt beoordeeld op grond van het beoordelingskader resultatenrapportage bpv dat als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd.

  • 4 Het oordeel in het eerste lid heeft betrekking op het bereik van de resultaten en de grootte van de gerealiseerde verbetering, zoals omschreven in artikel 4.7, eerste en tweede lid. Bij de beoordeling houdt de instantie rekening met het belang dat de instelling in het verbeterplan heeft toegekend aan de verschillende aspecten en beoogde resultaten.

Artikel 4.14. Classificatie beoordeling resultaten bpv

  • 1 De instantie drukt het resultaat van de beoordeling per aspect en het oordeel over het geheel van de behaalde resultaten uit in de classificatie ‘onvoldoende’, ‘voldoende’ of ‘goed’.

  • 2 De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘goed’, indien het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect is behaald.

  • 3 De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘voldoende’, indien het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect grotendeels is behaald.

  • 4 De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘onvoldoende’, indien voor het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect niet de classificatie ‘goed’ of ‘voldoende’ kan worden gegeven.

  • 5 Ten aanzien van het oordeel over het geheel van de behaalde resultaten voor de instelling zijn het tweede tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 6 De instantie adviseert de minister uiterlijk op 30 september van het desbetreffende jaar over zijn oordelen bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 4.15. Besluit minister; afwijzingsgronden

  • 1 De minister besluit uiterlijk op 31 oktober van het desbetreffende jaar over de toekenning aan een instelling van het aandeel in het resultaatafhankelijke budget op basis van de behaalde resultaten.

  • 2 Het resultaatafhankelijke budget bpv wordt geweigerd indien de door de instelling behaalde resultaten in relatie tot de beoogde resultaten onvoldoende zijn of indien de resultatenrapportage bpv na de in artikel 4.12 genoemde datum wordt ontvangen.

Artikel 4.16. Betaling van het resultaatafhankelijk budget bpv

De betaling van het resultaatafhankelijk budget bpv vindt in 2017 en 2018 in december plaats.

Artikel 4.17. Onvoorziene omstandigheden

Indien in een jaar meer dan de helft van de bekostigde deelnemers, bedoeld in artikel 4.13, tweede lid, onder S, zijn ingeschreven op instellingen die niet in aanmerking komen voor het resultaatafhankelijk budget bpv op grond van artikel 4.14, tweede lid, dan kan de minister met inachtneming van het subsidieplafond besluiten om de normen voor de classificatie, bedoeld in artikel 4.12 of de waarde, bedoeld in artikel 4.13, tweede lid, onder F, voor de verdeling in 2017 of 2018 te herzien.

Artikel III. Overgangsbepaling

Artikel IV. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

Bijlage 1. bij artikel 1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

De in deze bijlage beschreven doelstellingen en activiteiten dienen per thema, voor zover mogelijk, SMART te worden geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

De instellingen formuleren het kwaliteitsplan mede met het oog op de verwachte resultaten voor vsv en studiewaarde, waarvoor vanaf 2016 resultaatafhankelijke bekostiging plaatsvindt.

Thema

Omschrijving

Deelaspecten (indien van toepassing)

Professionalisering

Aan de hand van de Regeling bekwaamheid management en professionalisering onderwijspersoneel hebben de instellingen eerder een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van bekwaamheid van het management, professionalisering van onderwijspersoneel en kwaliteitsverbetering HRM-beleid. Hiervan wordt een actualisatie gevraagd in het kwaliteitsplan, waarbij de instellingen ook aandacht besteden aan de

Bekwaamheid van het management:

Instellingen geven aan hoe zij hun managers gaan scholen en wanneer zij welke activiteiten hiertoe gaan ontplooien. Daarbij kunnen zij gebruik maken van het door de MBO Raad ontwikkelde competentieprofiel voor het management.

 

zeven thema’s van de Lerarenagenda 2013-2020

(Kamerstukken II 2013/14, 27 923, nr. 171) is gepubliceerd. Hiernaast worden deze en de overige deelaspecten van het thema ‘professionalisering’ beschreven.

Professionalisering van het onderwijspersoneel

Instellingen geven aan hoe en met welk resultaat zij hun onderwijspersoneel in staat stellen zich verder te professionaliseren. Zij geven aan wanneer zij welke acties hiertoe gaan ondernemen.

     
    Kwaliteitsverbetering HRM-beleid

Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien ten aanzien van het structureel voeren van functionerings-, beoordelings- en contextgesprekken en het onderhouden van bekwaamheidsdossiers. In het kwaliteitsplan wordt aandacht besteed aan kwaliteitsontwikkeling binnen en tussen teams en instellingen, onder meer door middel van peer review en kennismanagement. Tevens wordt aandacht geschonken aan de begeleiding van beginnende leraren.

     
   

Instellingen geven aan hoe, wanneer en met welk resultaat zij werken aan de ambities uit de Lerarenagenda 2013-2020, waaronder begeleiding en ontwikkeling van startende docenten, meer masteropgeleide docenten, bekwaamheidsonderhoud, betere aansluiting en samenwerking met het bedrijfsleven, betere inzet ICT, verbetering samenwerkende teams, registratie in het Lerarenregister en het werken aan een systeem van kwaliteitsborging. De instellingen geven hierbij aan hoe hun activiteiten zich verhouden tot de ambities uit de Lerarenagenda.

     
    Professionalisering van examenfunctionarissen

Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij hun examenfunctionarissen, waaronder in ieder geval de leden van de examencommissies, in staat stellen zich verder te professionaliseren.

Intensivering van het onderwijs in de Nederlandse taal en in rekenen

Instellingen geven aan hoe en wanneer zij het taal- en rekenonderwijs in hun instelling gaan vormgeven met het oog op het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden door de deelnemers. Zij geven aan welke activiteiten zij gaan inzetten op het gebied van:

– professionalisering van docenten en overige functionarissen op het gebied van taal- en rekenonderwijs;

– extra onderwijstijd;

– nieuwe of aangepaste faciliteiten;

– andere activiteiten die nodig zijn voor het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden.

 

Terugdringen van voortijdig schoolverlaten (vsv)

Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien om voortijdig schoolverlaten te voorkomen met het oog op het verder terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters op de instelling. Instellingen geven tevens aan welke activiteiten zij gaan ondernemen om het voorkomen van voortijdig schoolverlaten structureel te borgen in het eigen onderwijsproces en hoe zij structurele borging van de samenwerking met andere onderwijsinstellingen en gemeenten in de RMC-regio gaan vormgeven. De instelling zet de middelen op dit kwaliteitsthema in voor het treffen van maatregelen op instellingsniveau om zodoende de vsv-streefnormen te halen. Deze normen zijn voor de verschillende onderwijsniveau bepaald voor de resterende schooljaren 2014-2015 en 2015-2016 en vastgelegd in het vsv-convenant. Bij het behalen van de normen komt de instelling in aanmerking voor de variabele prestatiebeloning. De streefnormen zijn een vertaling van de landelijke doelstelling van 25.000 nieuwe vsv’ers in 2016 (gemeten over schooljaar 2014/2015). Deze doelstelling wordt bereikt door intensieve samenwerking tussen instellingen uit vo en mbo en andere partijen als gemeenten, zorg en hulpverlening en werkgevers.

Voor de groep kwetsbare jongeren nemen de instellingen in het kwaliteitsplan op welke ambitieuze en haalbare afspraken zij willen maken in de regionale samenwerking met jeugdzorg, gemeenten en OCW.

 

Het bevorderen van de beschikbaarheid en de kwaliteit van de beroepspraktijkvormingsplaatsen (bpv)

Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij zich inzetten om de beschikbaarheid en de kwaliteit van de bpv-plaatsen te verhogen. In het kwaliteitsplan is aandacht voor de verantwoordelijkheden van de instelling t.a.v. de bpv zoals voorbereiding en matching, (de begeleiding tijdens) de bpv-periode, beoordeling en evaluatie. Bij deze beschrijving kunnen instellingen gebruik maken van het Bpv-protocol.

 

Het stimuleren van excellentie

Instellingen geven aan op welke wijze zij excellentie en de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling stimuleren. Zie verder bijlage 2.

 

Het verbeteren van studiewaarde

Instellingen kunnen aparte, resultaatgerichte activiteiten ontplooien om studiewaarde te bevorderen. Instellingen geven aan hoe de activiteiten op de verschillende thema’s doorwerken op het verbeteren van studiewaarde en met welk beoogd resultaat. Met studiewaarde wordt de verhoging van het onderwijsniveau gemeten, waarbij als uitgangspunt de vooropleiding van de student geldt.

 

Bijlage 2. bij artikel 2.4, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Beoordelingskader bij het thema stimuleren van excellentie

Criterium

Omschrijving

Minimale vereisten

Ambitie en visie

Het plan is ambitieus. Het plan geeft een visie op excellentie, op de ontwikkeling van de meest getalenteerde studenten en op de ontwikkeling van een duurzame excellentie-

De instelling beschrijft in het plan haar visie op excellentie(programma’s) en op de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling.

 

cultuur binnen de instelling.

Het plan bevat concreet te behalen resultaten/prestaties.

Het plan bevat een analyse van de beginsituatie.

De instelling geeft aan welke inspanning wordt geleverd, wat de gewenste resultaten zijn in de tijd en hoe men tot deze resultaten komt. Ook geeft de instelling aan op grond van welke input- of outputindicatoren zij zich verantwoordt over de voortgang.

     
   

Minimale vereisten aan de beschreven excellentieprogramma’s:

– De excellentieprogramma’s zijn ten minste gericht op het verwerven van excellent vakmanschap, aanwijsbare verbreding en verdieping van de hiervoor benodigde kennis, inzichten en vaardigheden.

– Het betreffen aantoonbaar verzwaarde onderwijsprogramma’s voor de meest getalenteerde studenten; bijvoorbeeld zichtbaar doordat de onderwijstijd van deze programma’s van de wettelijke verplichte minimumnormen voor onderwijstijd overstijgen.

– Voor studenten die met succes een excellentieprogramma hebben doorlopen, voegt de instelling – binnen de wettelijke mogelijkheden – relevantie informatie toe aan het diploma dan wel de resultatenlijst bij het diploma van de betreffende studenten. Hierdoor wordt de meerwaarde zichtbaar voor het afnemend werkveld en het vervolgonderwijs.

     
   

De instelling beschrijft in het plan onder meer hoe zij internationalisering vorm geeft. Ook beschrijft de instelling hoe zij inzet op eigentijdse meester-gezeltrajecten en de samenwerking met betreffende brancheorganisaties hierbij. In het geval de instelling er voor kiest niet op internationalisering en/of meester-gezeltrajecten in te zetten, wordt in het plan gemotiveerd waarom hiertoe is besloten.

Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De inrichting van de organisatie is zodanig vormgegeven dat een succesvolle uitvoering van het excellentieplan mogelijk is.

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar in de tijd.

De instelling beschrijft in het plan op welke wijze zij er zorgt dat voldoende deskundig personeel wordt ingezet voor sturing, afstemming, kennisdeling, communicatie, planning en uitvoering van de beoogde excellentieprogramma’s.

In het plan is aangegeven hoe de beschreven doelstellingen uitvoerbaar en haalbaar zijn in de tijd.

Breed gedragen en kennisdeling

Het plan is gedragen door de instelling.

Het plan geeft het draagvlak weer van belanghebbenden (studenten, docenten en (leer)bedrijven). Ook wordt beschreven hoe de kennisdeling en het leren van ervaringen wordt georganiseerd.

Bijlage 3. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Overzicht diplomawaarden

Opleidingsniveau

Diplomawaarde

Basisberoepsopleiding

2

Vakopleiding

3

Middenkader- of specialistenopleiding

4

Bijlage 4. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Overzicht referentiewaarden

Vooropleiding

Referentiewaarde

Praktijkonderwijs

1,20

Vmbo zonder diploma

1,72

Havo/vwo zonder diploma

3,66

Vmbo bbl

2,62

Vmbo kbl

3,31

Vmbo gl

3,65

Vmbo tl

3,70

Havo/vwo

3,69

Overig

2,25

Bijlage 5. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Overzicht grenswaarden

Aggregatieniveau

Domeincode

Niveau diploma

Grenswaarde

Niveau van de eenheid

     

opleidingsdomein

79000

2

0,07

 

79000

3

0,27

 

79000

4

0,52

opleidingsdomein

79010

2

0,09

 

79010

3

0,18

 

79010

4

0,55

opleidingsdomein

79020

2

0,05

 

79020

3

0,22

 

79020

4

0,55

opleidingsdomein

79030

3

0,11

 

79030

4

0,52

opleidingsdomein

79040

2

0,04

 

79040

3

0,19

 

79040

4

0,56

opleidingsdomein

79050

2

0,13

 

79050

3

0,24

 

79050

4

0,66

opleidingsdomein

79060

2

0,06

 

79060

3

0,19

 

79060

4

0,57

opleidingsdomein

79070

2

0,08

 

79070

3

0,23

 

79070

4

0,50

opleidingsdomein

79080

2

0,14

 

79080

3

0,20

 

79080

4

0,57

opleidingsdomein

79090

2

0,10

 

79090

3

0,18

 

79090

4

0,55

opleidingsdomein

79100

2

0,05

 

79100

3

0,12

 

79100

4

0,50

opleidingsdomein

79110

2

0,07

 

79110

3

0,17

 

79110

4

0,45

opleidingsdomein

79120

2

0,09

 

79120

3

0,22

 

79120

4

0,53

opleidingsdomein

79130

2

0,08

 

79130

3

0,14

 

79130

4

0,56

opleidingsdomein

79140

2

0,12

 

79140

3

0,24

 

79140

4

0,55

opleidingsdomein

79150

2

0,10

 

79150

3

0,18

 

79150

4

0,48

opleidingsdomein

79160

2

0,03

 

79160

3

0,12

Niveau van het opleidingsdomein

     

opleidingsdomein

79000

 

0,27

opleidingsdomein

79010

 

0,27

opleidingsdomein

79020

 

0,24

opleidingsdomein

79030

 

0,36

opleidingsdomein

79040

 

0,50

opleidingsdomein

79050

 

0,30

opleidingsdomein

79060

 

0,19

opleidingsdomein

79070

 

0,24

opleidingsdomein

79080

 

0,33

opleidingsdomein

79090

 

0,39

opleidingsdomein

79100

 

0,23

opleidingsdomein

79110

 

0,17

opleidingsdomein

79120

 

0,25

opleidingsdomein

79130

 

0,32

opleidingsdomein

79140

 

0,37

opleidingsdomein

79150

 

0,28

opleidingsdomein

79160

 

0,06

Niveau van de instelling

   

0,31

Bijlage 6. bij artikel 4.10, tweede lid

Beoordelingskader verbeterplan bpv

De instantie vormt een integraal oordeel over het verbeterplan bpv van de mbo-instelling. Dit integrale oordeel is gebaseerd op een toets van het verbeterplan bpv (zijn de voorgeschreven stappen op een goede manier uitgevoerd) en een toets van het ambitieniveau (liggen de beoogde resultaten op het juiste niveau). Deze laatste toets is van een andere orde dan de meer technische toets van het verbeterplan bpv. Met de toets van het ambitieniveau wordt beoordeeld of de beoogde resultaten, als ze worden bereikt, een beloning van een zware categorie ‘goed’ rechtvaardigen. De instelling dient de beoogde resultaten in het verbeterplan bpv zodanig ambitieus te formuleren dat als deze resultaten worden bereikt, de instantie deze bij de beoordeling, bedoeld in artikel 4.14, de classificatie ‘goed’ kan geven.

Onderstaand beoordelingskader geeft in de eerste kolom de criteria waarop de beoordeling wordt gebaseerd. De kolom met de minimale vereisten geeft aan wat er onder het criterium valt; de kolom met de beoordeling beschrijft hoe wordt getoetst of daaraan voldaan wordt. De aspecten worden beoordeeld op de variabelen grootte en bereik. De instantie houdt rekening met het belang dat de instelling in het verbeterplan heeft toegekend aan de verschillende aspecten en resultaten.

De beoogde resultaten voor de instelling worden in onderlinge samenhang beoordeeld.

Criterium

Minimale vereisten

Beoordeling

Analyse beginsituatie

1) De instelling beschrijft in het verbeterplan bpv de analyse van de uitgangssituatie van de bpv in 2016.

2) De instelling gebruikt hiervoor de relevante informatie en geeft aan welke informatie is gebruikt1.

3) Bij de analyse besteedt de instelling in ieder geval aandacht aan de aspecten bedoeld in artikel 4.6, eerste lid.

4) De instelling kiest gemotiveerd de verbeterpunten voor de kalenderjaren 2017 en 2018.

De verbeterpunten vloeien voort uit de analyse van de uitgangssituatie van de bpv in 2016.

De keuze voor de verbeterpunten is gemotiveerd.

Indien is gekozen voor bepaalde aspecten geen verbeterpunten te kiezen of voor andere aspecten juist wel verbeterpunten te kiezen, vloeit dit voort uit de analyse.

Uit de analyse vloeit een juiste weging van het belang van de aspecten voort.

Beoogde resultaten

1) De instelling omschrijft de beoogde resultaten per aspect voor 2017 en 2018.

2) De beoogde resultaten zijn SMART2 geformuleerd.

3) De beoogde resultaten hebben ten minste betrekking op de aspecten bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, tenzij hiervan op grond van de analyse gemotiveerd wordt afgeweken.

4) Een eventueel zwaarder wegend belang van bepaalde beoogde resultaten wordt omschreven.

Heeft de instelling om te bepalen of de beoogde resultaten voor de bpv zijn bereikt, passende indicatoren dan wel andere instrumenten gekozen, waarmee op betrouwbare wijze en eenduidig kan worden vastgesteld of het beoogde resultaat is bereikt.

De beoogde resultaten voor 2017 en 2018 vloeien voort uit de analyse van de uitgangssituatie.

Van de beoogde resultaten zijn de grootte en het bereik beschreven.

Uit de analyse vloeit een gemotiveerde weging van het belang van de beoogde resultaten voort.

Waardering beoogde resultaten

Toets van het ambitieniveau:

De beoogde resultaten zijn ambitieus en haalbaar geformuleerd.

1. a. Grootte: Het beoogde resultaat is ambitieuzer naarmate de beoogde verbeteringen groter zijn.

b. Bereik: Het beoogde resultaat is ambitieuzer naarmate het aandeel van de deelnemers dat baat heeft bij de beoogde verbeteringen groter is.

2. De beoogde resultaten zijn realistisch, in die zin dat ze niet te ambitieus zijn geformuleerd en haalbaar zijn (in de tijd) met de voorgenomen maatregelen.

Maatregelen

De instelling geeft een overzicht van de maatregelen waarmee de beoogde resultaten kunnen worden gerealiseerd en de wijze waarop de implementatie van de maatregelen wordt georganiseerd.

De maatregelen zijn voldoende concreet uitgewerkt in termen van betrokkenen en verantwoordelijkheden, monitoring, borging en communicatie met in- en externe betrokkenen.

De maatregelen kunnen worden uitgevoerd, gelet op de structuren en processen van de instelling.

Draagvlak

De beoogde resultaten en de te treffen maatregelen zijn gedragen door de interne en externe betrokkenen.

De beoogde resultaten en maatregelen zijn afgestemd met vertegenwoordigers van de leerbedrijven, deelnemers en bpv-begeleiders.

Collegiale consultatie

De instelling committeert zich te participeren aan de collegiale consultatie voor de bpv. De instelling geeft zelf vorm aan deze consultatie.

In het verbeterplan bpv is de deelname aan de collegiale consultatie van het verbeterplan bpv opgenomen.

1 Indien de instelling informatie gebruikt uit onderzoek dat in opdracht van de instelling is uitgevoerd, wordt de onderbouwende informatie (bijv. het onderzoeksrapport) bij het verbeterplan verstrekt.

2 Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden of anderszins meetbaar, aantoonbaar en verifieerbaar.

Bijlage 7. bij artikel 4.13, derde lid

Beoordelingskader resultatenrapportage bpv

Voor de resultatenrapportage worden de behaalde resultaten afgezet tegen de beoogde resultaten en vergeleken met de uitgangssituatie zoals vastgelegd in het verbeterplan bpv.

De instelling kan een toelichting geven over de behaalde resultaten.

 

Programma

Matching

Begeleiding

Eventueel ander aspect

Uitgangssituatie van de bpv in 2016

1. Resultaat A

2. Resultaat B

3. ….

1.

2.

3.

1.

2.

3.

1.

2.

3.

Beoogde resultaten voor 2017

1.

2.

3.

1.

2.

3.

1.

2.

3.

1.

2.

3.

Behaalde resultaten in 2017

1.

2.

3.

1.

2.

3.

1.

2.

3.

1.

2.

3.

De instantie vormt een integraal oordeel over de verbetering van de bpv bij de instelling. Dit oordeel is opgebouwd uit de oordelen per aspect. Voor deze oordelen per aspect zet de instantie de behaalde resultaten af tegen de beoogde resultaten en de uitgangssituatie zoals die in het verbeterplan bpv zijn opgenomen. De instantie betrekt de door de instelling gegeven toelichting bij de beoordeling. Bij dit integraal oordeel worden de drie variabelen grootte, bereik en belang van de gerealiseerde verbetering voor de resultaten per aspect gewogen. Het is niet mogelijk voor deze kwalitatieve beoordeling een kwantitatieve beslisregel te formuleren. Daarom vormt de instantie een integraal oordeel over de verbetering van de bpv zoals die blijkt uit de bereikte resultaten, voor de instelling als geheel en voor de diverse aspecten. Dit oordeel wordt onderbouwd en gemotiveerd.

De resultaten worden beoordeeld als behaald als ze ten minste op het niveau van de beoogde resultaten liggen.

In Artikel 4.14 staat in het tweede lid, dat indien het geheel van de beoogde resultaten van een aspect is bereikt, de instantie de behaalde resultaten voor het betreffende aspect classificeert als ‘goed’.

In Artikel 4.14 staat in het derde lid, dat indien het geheel van de beoogde resultaten grotendeels is gerealiseerd, de instantie de behaalde resultaten voor het betreffende aspect classificeert als ‘voldoende’.

De instantie beoordeelt het geheel van de gerealiseerde resultaten voor een aspect als ‘voldoende’ als alle beoogde resultaten grotendeels zijn bereikt of als een groot deel van de resultaten geheel is bereikt.

In Artikel 4.14 staat in het vierde lid, dat indien voor de beoogde resultaten niet de classificatie ‘goed’ of ‘voldoende’ kan worden gegeven, de instantie de behaalde resultaten voor dit aspect classificeert als ‘onvoldoende’.

In Artikel 4.14 staat in het vijfde lid, dat bij de beoordeling van de gerealiseerde resultaten voor de instelling als geheel het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing zijn.

Dit geldt ook voor de hierboven vermelde normen voor de beoordeling ‘goed’ en ‘voldoende’.

Voor 2018 wordt eenzelfde tabel gebruikt als voor 2017. Er is geen verband tussen het oordeel in 2017 en het oordeel in 2018. Het kan voorkomen dat de resultaten van een instelling in 2017 als ‘goed’ worden beoordeeld, terwijl de resultaten in 2018 als ‘onvoldoende’ worden beoordeeld en omgekeerd.