Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling fonds energiebesparing huursector[Regeling vervalt per 01-10-2019.]

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 22 september 2014, nr. 2014-0000503977, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie in de vorm van een lening aan verhuurders ten behoeve van het treffen van voorzieningen aan woningen (Regeling fonds energiebesparing huursector)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. verhuurder: een rechtspersoon die een of meer voor verhuur bestemde woningen in eigendom heeft;

  • b. woningcorporatie: een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet;

  • c. woning: een gebouwde onroerende zaak, met inbegrip van de onroerende aanhorigheden, voor zover deze bestemd is om als zelfstandige woonruimte te worden verhuurd, tenzij het een woning betreft waarin het een huurder niet is toegestaan om zijn hoofdverblijf te hebben;

  • d. maximale huurgrens: het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;

  • e. project: een project als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 3, eerste lid;

  • f. energieklasse: een energieklasse als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Regeling energieprestatie gebouwen, zoals die vóór 1 januari 2015 luidde;

  • g. energieprestatiecertificaat: een energieprestatiecertificaat als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit energieprestatie gebouwen, zoals dat vóór 1 januari 2015 luidde;

  • h. energie-index: het cijfer dat het energieverbruik aangeeft op basis van de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van een woning en dat is vastgesteld en afgegeven door een bedrijf met een geldig NL-EPBD procescertificaat volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, delen 00 en 01;

  • i. minister: de minister voor Wonen en Rijksdienst;

  • j. Kaderbesluit: het Kaderbesluit BZK-subsidies;

  • k. DAEB-Vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU C 9380), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • l. BRL 9500: Beoordelingsrichtlijn 9500, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief latere wijzigingen;

  • m. EPA-opnemer: een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-opnemer’ conform bijlage 3 van BRL 9500, deel 01;

  • n. EPA-adviseur: een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-adviseur’ conform bijlage 2 van BRL 9500, deel 01;

  • o. representativiteit: representativiteit conform BRL 9500, deel 01;

  • p. opnamedatum: de datum waarop een woning ter bepaling van de energie-index door een EPA-opnemer of een EPA-adviseur is bezichtigd en opgenomen.

Artikel 2. Activiteiten waarvoor subsidie aan woningcorporaties wordt verstrekt

  • 1 De minister verstrekt aan woningcorporaties subsidie ten behoeve van de uitvoering van projecten. Een project bestaat uit het treffen van voorzieningen aan ten minste vijf bestaande woningen, anders dan het geheel vernieuwen van die woningen, waarbij voor elke woning de energieprestatie verbeterd wordt. De woningen die deel uitmaken van eenzelfde project zijn hetzij uitsluitend woningen onder de maximale huurgrens, hetzij uitsluitend woningen boven de maximale huurgrens.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid tellen woningen die in de vierentwintig maanden voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag niet gedurende ten minste drie maanden als woning zijn verhuurd niet mee.

  • 3 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening met een looptijd van vijftien jaar.

Artikel 3. Activiteiten waarvoor subsidie aan andere verhuurders wordt verstrekt

  • 1 De minister verstrekt aan andere verhuurders dan woningcorporaties subsidie ten behoeve van de uitvoering van projecten. Een project bestaat uit het treffen van voorzieningen aan ten minste vijf bestaande woningen, anders dan het geheel vernieuwen van die woningen, waarbij voor elke woning de energieprestatie verbeterd wordt.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid tellen woningen die in de vierentwintig maanden voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag niet gedurende ten minste drie maanden als woning zijn verhuurd niet mee.

  • 3 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening met een looptijd van vijftien jaar.

Artikel 4. Subsidieplafonds

  • 1 Voor de subsidieverstrekking op grond van artikel 2 geldt een subsidieplafond van € 58.240.000 voor de periode van 6 oktober 2014 tot en met 30 september 2019.

  • 2 Voor de subsidieverstrekking op grond van artikel 3 geldt een subsidieplafond van € 14.560.000 voor de periode van 17 november 2014 tot en met 30 september 2019.

  • 3 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste een vierde van de kosten ter uitvoering van het project, maar niet meer dan een bedrag van € 15.000 vermenigvuldigd met het aantal woningen dat het project omvat.

  • 2 Een verhuurder kan op grond van deze regeling ten hoogste € 8.000.000 subsidie ontvangen.

  • 4 Op de subsidie zijn in alle gevallen de bepalingen van het Kaderbesluit BZK-subsidies inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing.

Artikel 6. Europees kader

Indien de verhuurder geen woningcorporatie is, of indien de verhuurder een woningcorporatie is en de aanvraag tot verlening van subsidie betrekking heeft op woningen boven de maximale huurgrens, wordt de subsidie verstrekt met toepassing van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1 Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

  • 2 Een aanvraag heeft betrekking op één project. Een verhuurder kan, onverminderd artikel 5, tweede lid, meerdere aanvragen indienen.

  • 3 Indien een woning deel uitmaakt van een project waarvoor subsidie is aangevraagd, kan die woning niet tevens deel uitmaken van een ander project waarvoor subsidie op grond van deze regeling is verleend.

  • 4 In afwijking van artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens, verklaringen en bescheiden:

    • a. het aantal woningen dat deel uitmaakt van het project, alsmede het adres, de postcode en het huisnummer en toevoeging van elk van die woningen;

    • b. per woning die deel uitmaakt van het project de bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geregistreerde energie-index, waarvan de opnamedatum niet meer dan zes maanden ligt voor de datum van de aanvraag tot subsidieverlening;

    • c. per woning die deel uitmaakt van het project de opnamedatum van de energie-index;

    • d. een verklaring waaruit blijkt dat iedere woning die deel uitmaakt van het project een woning is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, en in de vierentwintig maanden voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag gedurende ten minste drie maanden als woning is verhuurd;

    • e. indien de verhuurder een woningcorporatie is, een verklaring waaruit blijkt dat alle woningen die deel uitmaken van het project woningen zijn onder de maximale huurgrens dan wel woningen boven de maximale huurgrens;

    • f. per woning de met de subsidie in ieder geval te realiseren energie-index;

    • g. de hoogte van de gevraagde subsidie;

    • h. een opgave van de geraamde totale investeringskosten van het project en een opgave van de geraamde kosten die verbonden zijn aan de verbetering van de energieprestatie van de woningen die deel uitmaken van het project; de opgegeven kosten zijn gebaseerd op een gespecificeerde begroting, die door de minister kan worden opgevraagd;

    • i. een verklaring waaruit blijkt dat de verhuurder een woningcorporatie is of een andere verhuurder;

    • j. een verklaring waaruit blijkt dat geen van de woningen die deel uitmaken van het project reeds deel uitmaken van een ander project waarvoor subsidie is aangevraagd op grond van deze regeling;

    • k. indien de verhuurder geen woningcorporatie is of indien de verhuurder een woningcorporatie is en haar aanvraag betrekking heeft op woningen boven de maximale huurgrens, een verklaring dat niet meer subsidie die ingevolge artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als staatssteun is aan te merken wordt aangevraagd dan op basis van de algemene groepsvrijstellingsverordening ten hoogste kan worden verstrekt;

    • l. Indien de verhuurder een woningcorporatie is en haar aanvraag betrekking heeft op woningen boven de maximale huurgrens, of indien de verhuurder geen woningcorporatie is, bevat de aanvraag voorts een verklaring, waaruit blijkt dat de verhuurder al dan niet een grote onderneming is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

    • m. indien van toepassing, het L-nummer van de aanvrager;

    • n. het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

    • o. het bankrekeningnummer dat op naam staat van de verhuurder en waarnaar het subsidiebedrag dient te worden overgemaakt; en

    • p. een schriftelijke bevestiging van de directeur of het bestuur van de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt dat de energie-index van elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

    • q. voor elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, een verklaring dat de aanvrager beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt; en

    • r. een overzicht van de voorgenomen energiebesparende voorzieningen aan de woningen die onderdeel uitmaken van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 5 Indien de aanvraag is gedaan door of namens een andere verhuurder dan een woningcorporatie kan de minister de aanvrager verzoeken om informatie te verstrekken over de financiële positie van de verhuurder.

  • 6 Indien de aanvrager geen woningcorporatie is of indien de aanvrager een woningcorporatie is en haar aanvraag betrekking heeft op woningen boven de maximale huurgrens, kan de minister de aanvrager verzoeken om informatie te verstrekken over de bekostiging van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 7 Voor zover met betrekking tot de woningen die deel uitmaken van een project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd vóór 6 oktober 2014 tevens subsidie is aangevraagd op grond van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector, kan de aanvraag in plaats van de gegevens, genoemd in het vierde lid, onderdelen b en c, met betrekking tot die woningen de energieklasse bevatten, die is opgenomen in een energieprestatiecertificaat, waarvan de opnamedatum na 1 januari 2014 ligt. In dat geval bevat de aanvraag tevens de opnamedatum die op het energieprestatiecertificaat vermeld staat.

  • 8 Indien voor een woning die deel uitmaakt van een project een energieprestatiecertificaat beschikbaar is waarvan de opnamedatum niet meer dan zes maanden ligt voor de datum van de subsidieaanvraag, kan de aanvraag in plaats van de gegevens, genoemd in het vierde lid, onderdelen b en c, voor die woning de energieklasse bevatten, die is opgenomen in het energieprestatiecertificaat. In dat geval bevat de aanvraag tevens de opnamedatum die op het energieprestatiecertificaat vermeld staat.

  • 9 Voor zover ten aanzien van woningen die deel uitmaken van een project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd door de EPA-opnemer of EPA-adviseur gebruik is gemaakt van representativiteit, ligt de opnamedatum van de referentiewoning niet meer dan zes maanden voor de datum van de aanvraag tot subsidieverlening en bevat de aanvraag in afwijking van het vierde lid, onderdeel q:

    • a. een verklaring dat de aanvrager voor elke referentiewoning beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt; en

    • b. een verklaring dat de EPA-opnemer of EPA-adviseur heeft onderbouwd waarom gebruik is gemaakt is van representativiteit.

Artikel 8. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie tijdig kan worden terugbetaald; of

  • b. indien op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat de te verlenen subsidie minder dan € 75.000 bedraagt.

Artikel 9. Leningsovereenkomst met WSW-borg

  • 1 Indien subsidie is gevraagd door of namens een woningcorporatie ten behoeve van een project, waarvan uitsluitend woningen onder de maximale huurgrens deel uitmaken, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na de dagtekening van de beschikking een leningsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat, de subsidieontvanger en de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

  • 2 De leningsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval:

    • a. de hoogte van de lening;

    • b. de looptijd van de lening;

    • c. het rentepercentage over de lening;

    • d. de aflossing, de mogelijkheid tot vervroegde aflossing en de opeisbaarheid van de lening; en

    • e. de borging van de lening door de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

Artikel 10. Leningsovereenkomst zonder WSW-borg

  • 1 Indien subsidie is gevraagd door of namens een woningcorporatie ten behoeve van een project waarvan uitsluitend woningen boven de maximale huurgrens deel uitmaken, of indien subsidie is gevraagd door of namens een verhuurder die geen woningcorporatie is, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na de dagtekening van de beschikking een leningsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger.

  • 2 De leningsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval:

    • a. de hoogte van de lening;

    • b. de looptijd van de lening;

    • c. het rentepercentage over de lening; en

    • d. de aflossing, de mogelijkheid tot vervroegde aflossing en de opeisbaarheid van de lening.

Artikel 11. Subsidieverplichtingen

  • 1 Indien de subsidieontvanger een woningcorporatie is en de subsidie is verleend ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen onder de maximale huurgrens, is hij verplicht:

    • a. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag een energie-index had van 1,81 of hoger een energie-index van ten hoogste 0,80 te realiseren; en

    • b. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag een energie-index had van 1,41 of hoger, maar ten hoogste 1,80, een energie-index van ten hoogste 0,60 te realiseren.

  • 2 Indien de subsidieontvanger een woningcorporatie is en de subsidie is verleend ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen boven de maximale huurgrens, of indien de subsidieontvanger geen woningcorporatie is, is hij verplicht:

    • a. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag een energie-index had van 1,81 of hoger een energie-index van ten hoogste 1,20 te realiseren en

    • b. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag een energie-index had van 1,41 of hoger, maar ten hoogste 1,80, een energie-index van ten hoogste 0,80 te realiseren

    • c. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag een energie-index had van 1,21 of hoger, maar ten hoogste 1,40, een energie-index van ten hoogste 0,60 te realiseren.

  • 3 De subsidieontvanger is verplicht uiterlijk 24 maanden na de datum waarop aan de opschortende voorwaarde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, is voldaan per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend een nieuwe energie-index bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te laten registreren.

Artikel 11a. Subsidieverplichtingen bij oud energieprestatiecertificaat

  • 1 Indien de subsidieontvanger een woningcorporatie is en indien

    • hij de subsidie vóór 1 januari 2015 heeft aangevraagd ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen onder de maximale huurgrens, of

    • hij de subsidie ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen onder de maximale huurgrens heeft aangevraagd met toepassing van artikel 7, achtste lid,

      is hij, in afwijking van artikel 11, eerste lid, verplicht:

      • a. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag energieklasse D, E, F of G had een energie-index te realiseren van ten hoogste 0,80; en

      • b. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag energieklasse C had een energie-index te realiseren van ten hoogste 0,60.

  • 2 Indien de subsidieontvanger:

    • een woningcorporatie is en hij de subsidie vóór 1 januari 2015 heeft aangevraagd ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen boven de maximale huurgrens, of

    • een woningcorporatie is en hij de subsidie ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen boven de maximale huurgrens heeft aangevraagd met toepassing van artikel 7, achtste lid, of

    • geen woningcorporatie is en hij de subsidie heeft aangevraagd vóór 1 januari 2015, of

    • geen woningcorporatie is en de subsidie heeft aangevraagd met toepassing van artikel 7, achtste lid,

      is hij, in afwijking van artikel 11, tweede lid, verplicht:

      • a. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag energieklasse D, E, F of G had een energie-index te realiseren van ten hoogste 1,20; en

      • b. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag energieklasse C had een energie-index te realiseren van ten hoogste 0,80; en

      • c. per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend en die ten tijde van de subsidieaanvraag energieklasse B had een energie-index te realiseren van ten hoogste 0,60.

  • 3 De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste en tweede lid, is verplicht uiterlijk 24 maanden na de datum waarop aan de opschortende voorwaarde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, is voldaan per woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend zorg te dragen voor registratie van een nieuwe energie-index bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 4 Voor zover subsidie is verleend vóór 1 januari 2015 wordt de beschikking tot subsidieverlening gewijzigd met inachtneming van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 12. Administratieverplichting woningcorporaties

Indien de subsidieontvanger een woningcorporatie is, administreert hij de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie.

Artikel 13. Eigendomsoverdracht woningen

  • 1 Indien de eigendom van een of meer woningen die deel uitmaken van een project wordt overgedragen voordat de aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend, wordt de subsidie ten nadele van de subsidieontvanger evenredig gewijzigd op basis van het aantal woningen waarvan de eigendom niet is overgedragen.

  • 2 De subsidie wordt ingetrokken, indien door toepassing van het eerste lid:

    • a. de subsidie minder dan € 75.000 zou bedragen, of

    • b. het aantal woningen die onderdeel uitmaken van het project en niet in eigendom zijn overgedragen minder dan vijf bedraagt.

Artikel 14. Aanvraag tot vaststelling

  • 1 Indien de verhuurder een woningcorporatie is en hem subsidie is verleend ten behoeve van de uitvoering van een project met woningen onder de maximale huurgrens, dient hij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie niet eerder in dan 22 weken voor afloop van de termijn van 24 maanden, bedoeld in artikel 11, derde lid, en 11a, derde lid.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier. In afwijking van artikel 24, eerste lid, onder b, van het Kaderbesluit hoeft deze aanvraag tot subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.

  • 3 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie bevat in ieder geval:

    • a. een schriftelijke bevestiging van het bestuur van de rechtspersoon waaraan de subsidie is verleend, dat voor elke woning die deel uitmaakt van het project waarvoor subsidie is verleend en waarvoor een nieuwe energie-index als bedoeld in artikel 11, derde lid, of artikel 11a, derde lid, is geregistreerd, die energie-index is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

    • b. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index geen gebruik is gemaakt van representativiteit, een verklaring dat de aanvrager voor elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend, beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier dan wel over andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de woning;

    • c. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index gebruik is gemaakt van representativiteit, een verklaring dat de aanvrager voor elke referentiewoning beschikt over het door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ondertekende opnameformulier of andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de referentiewoning en dat de EPA-opnemer of EPA-adviseur heeft onderbouwd waarom gebruik is gemaakt van representativiteit; en

    • d. een overzicht van de energiebesparende voorzieningen die binnen 24 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie zijn getroffen aan de woningen die deel uitmaken van het project waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 15. Vaststelling van de subsidie

  • 1 De subsidie wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de kosten ter uitvoering van het project, maar niet hoger dan het bedrag waarvoor de subsidie is verleend, vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de noemer het aantal woningen is dat het project omvat en de teller het aantal woningen die op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling in eigendom zijn van de subsidieontvanger en ten aanzien waarvan voldaan is aan de verplichtingen, genoemd in artikel 11 of 11a.

  • 2 Indien toepassing is gegeven aan artikel 13, eerste lid, wordt, in afwijking van het eerste lid, de subsidie vastgesteld op ten hoogste een vierde van de kosten ter uitvoering van het project, maar niet hoger dan het gewijzigde subsidiebedrag, vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de noemer het aantal woningen is dat het project omvat, verminderd met het aantal woningen dat voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling in eigendom is overgedragen, en de teller het aantal woningen die op die datum in eigendom zijn van de subsidieontvanger en ten aanzien waarvan voldaan is aan de verplichtingen, genoemd in artikel 11 of 11a.

  • 3 In afwijking van het eerste of tweede lid wordt de subsidie op € 0 vastgesteld indien:

    • a. het aantal woningen die op de datum van indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling in eigendom zijn van de subsidieontvanger en ten aanzien waarvan voldaan is aan de verplichtingen, genoemd in artikel 13, minder dan vijf bedraagt; of

    • b. de subsidie niet op ten minste € 75.000 kan worden vastgesteld.

Artikel 15a

De minister kan van artikel 15 afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 3, in werking met ingang van 6 oktober 2014.

  • 2 Artikel 3 treedt in werking met ingang van 17 november 2014.

  • 3 Deze regeling vervalt op 1 oktober 2019.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling fonds energiebesparing huursector.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 22 september 2014

De

Minister

voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok