Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling regionaal investeringsfonds mbo[Regeling vervalt per 01-01-2023.]

Geldend van 01-12-2015 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 april 2014, nr. MBO/602732, houdende de verstrekking van subsidie voor de verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt door publiek-private samenwerking (Regeling regionaal investeringsfonds mbo)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Minister van Economische Zaken;

  • b. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van tenminste één uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en één arbeidsorganisatie dat op grond van een samenwerkingsovereenkomst publiek-private samenwerking vorm geeft;

  • c. onderwijsinstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;

  • d. wet: Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • e. regionale overheid: provincie, gemeente of waterschap;

  • f. arbeidsorganisatie: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

  • g. publiek-private samenwerking: samenwerking tussen in ieder geval een uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie;

  • h. georganiseerd bedrijfsleven: representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers;

  • i. O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

  • j. beoordelingscommissie: commissie, bedoeld in artikel 19, die is belast met het beoordelen van de subsidieaanvragen.

Artikel 2. Doel van de regeling

  • 1 Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van geld aan samenwerkingsverbanden die bestaan uit publieke en private partijen die ten doel hebben de aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.

  • 2 Indien voor het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt een doelmatigere organisatie van het opleidingenaanbod binnen de regio gewenst is, kan aanvullend subsidie worden aangevraagd op de subsidie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3. Registratie

Partijen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, die hun belangstelling voor deelname kenbaar willen maken, kunnen zich laten registreren, bij het team Maatwerk Uitvoering Onderwijsbeleid van de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De belangstelling voor deelname wordt kenbaar gemaakt door middel van de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverstrekkingen op grond van deze regeling is, met inbegrip van de kosten voor de uitvoering van de regeling, in totaal € 100.000.000,– beschikbaar.

  • 2 Voor het kalenderjaar 2014 is een bedrag beschikbaar van € 24.000.000,–.

  • 3 Voor de kalenderjaren 2015, 2016 en 2017 wordt jaarlijks de hoogte van het subsidieplafond bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 4 Bij de bekendmaking van het subsidieplafond voor de kalenderjaren 2016 en 2017 maakt de minister de verdeling van het subsidiebedrag over de aanvraagperiodes per kalenderjaar bekend. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode binnen het betreffende kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt dit bedrag toegevoegd aan het subsidiebedrag van de tweede aanvraagperiode van het kalenderjaar.

Artikel 5. Begrotingsvoorwaarde

Subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6. Besteding van de subsidie

  • 1 De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij wordt verstrekt.

  • 2 Eventuele niet-bestede middelen worden na afloop van de looptijd van de subsidie teruggevorderd.

Artikel 7. Toepassing Regeling OCW-subsidies

Hoofdstuk 3 van de Regeling OCW-subsidies is niet van toepassing op subsidieverstrekkingen op grond van deze regeling.

Hoofdstuk 2. Subsidie ten behoeve van publiek-private samenwerking en doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod

§ 1. Subsidie voor duurzame publiek-private samenwerking

Artikel 8. Subsidieverstrekking

  • 1 De minister kan aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.

  • 2 Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:

    • a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw, die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 14, vierde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;

    • b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de wet;

    • c. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden;

    • d. activiteiten met betrekking tot publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs waarvoor reeds subsidie is verstrekt door de minister dan wel de minister van Economische Zaken voor de ontwikkeling van een Centrum voor innovatief vakmanschap met tussenkomst van het Platform Bèta Techniek;

    • e. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • f. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren respectievelijk de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; en

    • g. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de onder e en f genoemde die is gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, onder d, kan subsidie worden verstrekt ten behoeve van een samenwerkingsverband indien aantoonbaar nieuwe activiteiten worden gestart of indien activiteiten worden gestart waarmee de samenwerking wordt verbreed doordat een substantieel grotere doelgroep wordt bereikt.

  • 4 De subsidie bedraagt ten minste € 200.000,– en ten hoogste € 2.000.000,– per subsidieaanvraag.

  • 5 Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 200.000,– wordt afgewezen.

Artikel 9. Samenwerkingsverband

  • 1 Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.

  • 2 In een samenwerkingsverband werken ten minste één onderwijsinstelling en ten minste één arbeidsorganisatie samen.

  • 3 Het samenwerkingsverband kan verder bestaan uit:

    • a. één of meer andere onderwijsinstellingen dan de onderwijsinstelling, bedoeld in het tweede lid;

    • b. één of meer andere arbeidsorganisaties dan de arbeidsorganisatie, bedoeld in het tweede lid;

    • c. het georganiseerd bedrijfsleven;

    • d. één of meer O&O-fondsen

    • e. één of meer regionale overheden;

    • f. één of meer scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 21, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • g. één of meer instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of

    • h. overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.

  • 5 Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van de regeling.

Artikel 10. Cofinanciering

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 8, eerste lid, geldt als voorwaarde dat er sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.

  • 2 De subsidie voor de publiek-private samenwerking, bedoeld in artikel 8, vierde lid, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.

  • 3 De cofinanciering door de arbeidsorganisatie, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.

  • 4 De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, e tot en met h, en vierde lid, alsmede de onderwijsinstelling bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of is een bijdrage die in geld waardeerbaar is. De cofinanciering door een onderwijsinstelling is uitsluitend in geld.

  • 5 Onder cofinanciering wordt niet begrepen:

    • a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de deelnemer gedurende de beroepspraktijkvorming; en

    • b. de vergoeding voor de deelnemer in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg dan wel de beroepsbegeleidende leerweg.

Artikel 11. Subsidieaanvraag

  • 1 De subsidie wordt door de onderwijsinstelling ten behoeve van de activiteiten van het samenwerkingsverband, aangevraagd bij de minister.

  • 2 De aanvraag voor subsidie, omvat in ieder geval:

    • a. een regionaal visiedocument als bedoeld in artikel 12;

    • b. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 13;

    • c. een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 14 en

    • d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 15.

  • 3 De subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar.

Artikel 12. Regionaal visiedocument

  • 1 In het regionaal visiedocument wordt opgenomen de visie van de partijen in het samenwerkingsverband op de arbeidsmarkt en de aansluiting van het aanbod van beroepsopleidingen daarop in de desbetreffende regio.

  • 2 Het regionaal visiedocument bevat de volgende onderwerpen:

    • a. een afbakening van de regio waarvoor de publiek-private samenwerking actief is;

    • b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de publiek-private samenwerking zich op richten;

    • c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de desbetreffende sector;

    • d. een overzicht van de partijen, bedoeld in onderdeel c, met wie wordt samengewerkt binnen de publiek-private samenwerking en een beschrijving van de rol van deze partijen; en

    • e. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de bestaande regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de publiek-private samenwerking.

  • 3 Het regionaal visiedocument bevat een beschrijving van de uitkomst van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zoals onderwijsinstellingen, arbeidsorganisaties en regionale overheden.

  • 4 Het regionaal visiedocument onderbouwt dat de aanvraag aansluit bij het uitgangspunt van een doelmatig aanbod van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen.

Artikel 13. Plan van aanpak

  • 1 In het plan van aanpak wordt beschreven op welke wijze de publiek-private samenwerking wordt vormgegeven op basis van de analyses neergelegd in het regionaal visiedocument, bedoeld in artikel 12.

  • 2 Het plan van aanpak bevat in ieder geval:

    • a. de doelstellingen van de publiek-private samenwerking;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt vormgegeven;

    • c. een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • d. een beschrijving van de mijlpalen die na twee jaar, drie jaar en vier jaar moeten worden bereikt om de doelstellingen van de publiek-private samenwerking te behalen, alsmede een omschrijving van de activiteiten die worden verricht om de mijlpalen te verwezenlijken;

    • e. een overzicht van de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop de publiek-private samenwerking betrekking heeft;

    • f. een omschrijving waaruit de verdeling van de taken tussen partijen van het samenwerkingsverband blijkt en waaruit blijkt dat partijen in staat zijn om het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren;

    • g. een beschrijving van de opbrengst voor de individuele partijen van deelname aan het samenwerkingsverband;

    • h. een analyse van de risico’s van de publiek-private samenwerking en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de publiek-private samenwerking door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld;

    • j. afspraken over de wijze waarop scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en instellingen voor hoger onderwijs in de regio gebruik kunnen maken van de faciliteiten van de publiek-private samenwerking en de eventuele tegenprestatie die hiervoor wordt verricht, en

    • k. een uitwerking van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode.

Artikel 14. Meerjarenbegroting

  • 1 De meerjarenbegroting bevat een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren waarin uitsplitsing is gemaakt in omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2 De meerjarenbegroting omvat daarnaast:

    • a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;

    • b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt;

    • c. een overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband;

    • d. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen;

    • e. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners;

    • f. de omvang van de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;

    • g. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet; en

    • h. indien artikel 8, zesde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma.

  • 3 Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur.

  • 4 Indien sprake is van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 15. Samenwerkingsovereenkomst

  • 1 De samenwerking binnen het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

  • 2 In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval geregeld:

    • a. de publiek-private samenwerking die met de subsidie en de cofinanciering duurzaam zal worden vormgegeven;

    • b. de vorm van de samenwerking, waaronder in ieder geval de wijze waarop partijen betrokken zijn bij de organisatorische en bestuurlijke inrichting en de uitvoering van de publiek-private samenwerking;

    • c. een beschrijving van de faciliteiten die de partijen beschikbaar stellen voor de inrichting en de uitvoering van de publiek-private samenwerking;

    • d. de financiële en overige bijdragen van de partijen van het samenwerkingsverband; en

    • e. de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop de publiek-private samenwerking betrekking heeft.

§ 2. Subsidie voor doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod

Artikel 16. Subsidie voor doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod

  • 1 De subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan tevens een aanvraag tot subsidie voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod omvatten.

  • 2 Onder het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod wordt in ieder geval verstaan:

    • a. het in onderling overleg afbouwen van een beroepsopleiding door één van de onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid;

    • b. het overdragen van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen; of

    • c. het gezamenlijk aanbieden van beroepsopleidingen door onderwijsinstellingen.

  • 3 Indien de subsidieaanvraag een aanvraag tot subsidie voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod omvat, wordt het regionaal visiedocument, bedoeld in artikel 12, zodanig uitgebreid dat tevens blijkt op welke wijze de taakverdeling is vormgegeven tussen de onderwijsinstellingen betreffende het aanbod en de toegankelijkheid van beroepsopleidingen binnen de regio. Uit dit document blijkt ook de relevantie voor de arbeidsmarkt volgend uit de uitkomst van de afstemming met relevante partijen in de regio, zoals onderwijsinstellingen, arbeidsorganisaties en regionale overheden.

  • 4 Bij de aanvraag voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval gevoegd:

    • a. een plan van aanpak waaruit blijkt dat de aanvraag samenhangt met de publiek-private samenwerking en waarin wordt beschreven aan de hand van een activiteitenplanning en een taakverdeling hoe het opleidingenaanbod doelmatiger wordt georganiseerd;

    • b. een meerjarenbegroting waaruit blijkt op welke wijze de gevraagde subsidie en de cofinanciering, bedoeld in artikel 17, vierde lid, wordt besteed; en

    • c. een samenwerkingsovereenkomst die door de onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, is ondertekend, waarin in ieder geval de financiële afspraken tussen onderwijsinstellingen zijn geregeld.

  • 5 Onverminderd het eerste lid kan een onderwijsinstelling waarvan een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 11 in een eerdere aanvraagperiode is gehonoreerd, in een latere aanvraagperiode een aanvraag indienen tot subsidie voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod. Het derde lid is van toepassing op de betreffende aanvraag.

Artikel 17. Subsidievoorwaarden

  • 1 Bij de aanvraag zijn, in afwijking van artikel 11, tweede lid, ten minste twee onderwijsinstellingen betrokken, waarbij ten minste één onderwijsinstelling partij is van het samenwerkingsverband.

  • 2 De subsidieaanvraag heeft in ieder geval betrekking op dezelfde kwalificatie of dezelfde kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel e.

  • 4 Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 16 is vereist dat er sprake is van cofinanciering door de onderwijsinstellingen, bedoeld in het eerste lid. De cofinanciering bedraagt minimaal twee derde deel van de meerjarenbegroting voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onderdeel b, in geld of in geld waardeerbaar, van de subsidieaanvraag. De arbeidsorganisatie, bedoeld in artikel 9, tweede lid, of één van de andere partijen, bedoeld in artikel 9, derde lid, kunnen een bijdrage leveren in de cofinanciering.

  • 5 De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,– per subsidieaanvraag.

  • 6 De subsidie is niet bestemd voor:

    • a. kosten voor ontslag dan wel voor uitkeringen van gewezen personeelsleden van de betreffende onderwijsinstellingen, als gevolg van dit voorstel; of

    • b. kosten voor nieuwbouw, verbouw of leegstand van gebouwen.

Hoofdstuk 3. Indiening en beoordeling aanvraag

Artikel 18. Indiening aanvraag

  • 1 In het kalenderjaar 2014 wordt de subsidieaanvraag ingediend in de periode 12 mei tot 8 juni 2014.

  • 2 In de kalenderjaren 2015 tot en met 2017 worden de subsidieaanvragen ingediend in de periode van 1 januari van het betreffende kalenderjaar tot 1 februari van dat kalenderjaar.

  • 3 In afwijking van het tweede lid worden in de kalenderjaren 2016 en 2017 de subsidieaanvragen ingediend in de periode van 1 januari tot 1 februari en 1 juni tot 1 juli van de betreffende kalenderjaren.

  • 4 De aanvraag om subsidie wordt elektronisch ingediend, met behulp van het aanvraagformulier ‘Regionaal investeringsfonds mbo’ dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

  • 6 Als tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de minister heeft bereikt.

  • 7 De minister kan op het aanvraagformulier een maximaal aantal pagina’s vaststellen voor de documenten, bedoeld in artikel 12 en 13.

Artikel 19. Beoordelingscommissie

De minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met het beoordelen van de aanvragen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 20. De beoordelingscommissie adviseert de minister over de ingediende subsidieaanvragen.

Artikel 20. Beoordeling van de subsidieaanvraag voor publiek-private samenwerking

  • 1 De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen voor de publiek-private samenwerking die voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 1.

  • 2 Indien de aanvrager dit op prijs stelt, stelt de beoordelingscommissie het samenwerkingsverband in de gelegenheid de aanvraag mondeling toe te lichten.

  • 3 Een subsidieaanvraag wordt door de beoordelingscommissie beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt;

    • b. samenwerking en draagvlak;

    • c. uitvoerbaarheid en haalbaarheid;

    • d. duurzaamheid; en

    • e. financiering.

  • 4 De criteria, bedoeld in het derde lid, zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

  • 5 Indien een aanvraag naar het oordeel van de beoordelingscommissie op één van de criteria, bedoeld in het derde lid, bijna voldoende scoort, kan de beoordelingscommissie, mits het subsidieplafond voor de betreffende aanvraagperiode nog niet is bereikt, de minister adviseren de aanvrager in de gelegenheid te stellen de aanvraag ten aanzien van dit criterium aan te vullen. De periode waarin de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag aan te vullen, bedraagt ten hoogste tien werkdagen. De beoordelingscommissie beoordeelt of de aanvraag, met inbegrip van die aanvulling, alsnog tot een voldoende oordeel leidt voor het betreffende criterium. Het vierde lid is van toepassing.

  • 6 Aanvragen dienen, zo nodig na toepassing van het vijfde lid, voor elk van de criteria, bedoeld in het derde lid, minimaal voldoende te zijn beoordeeld om in aanmerking te komen voor toekenning.

Artikel 21. Beoordeling van de subsidieaanvraag voor doelmatiger organiseren

  • 1 Indien de subsidieaanvraag mede een subsidieaanvraag voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, bevat, dan wel indien sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 16, vijfde lid, beoordeelt de beoordelingscommissie dit onderdeel van de aanvraag, respectievelijk de aanvraag, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, aan de hand van de volgende criteria:

    • a. verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt;

    • b. samenwerking en draagvlak;

    • c. uitvoerbaarheid en haalbaarheid; en

    • d. financiering.

  • 2 De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.

  • 3 Aanvragen dienen voor elk van de criteria, bedoeld in het tweede lid, minimaal voldoende te zijn beoordeeld om in aanmerking te komen voor toekenning.

  • 4 Een aanvraag voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod als bedoeld in artikel 16, eerste lid, kan uitsluitend worden gehonoreerd indien de aanvraag voor de publiek-private samenwerking is gehonoreerd.

Hoofdstuk 4. Besluitvorming en verplichtingen

Artikel 22. Rangschikking aanvragen

  • 1 De beoordelingscommissie rangschikt de aanvragen, bedoeld in artikel 11, voor de publiek-private samenwerking per aanvraagperiode, bedoeld in artikel 18, derde lid, die voor elk van de criteria, genoemd in artikel 20, derde lid, voldoende zijn beoordeeld, zodanig dat hij een aanvraag hoger rangschikt naarmate deze de in artikel 2, eerste lid, genoemde doelstelling beter realiseert. Daartoe worden de criteria, bedoeld in artikel 20, derde lid, gehanteerd.

  • 2 Indien een aanvraag na toepassing van artikel 20, vijfde lid, alsnog voldoende wordt beoordeeld voor elk van de criteria, bedoeld in artikel 20, derde lid, wordt deze aanvraag als laagste opgenomen in de rangschikking, bedoeld in het eerste lid. Indien ten aanzien van meerdere aanvragen toepassing wordt gegeven aan artikel 20, vijfde lid, worden deze aanvragen als laagste opgenomen in de rangschikking, waarbij de aanvraag met een hoger puntenaantal voor de criteria, bedoeld in artikel 20, derde lid, hoger wordt geplaatst.

Artikel 23. Besluitvorming door de minister

  • 1 De minister neemt een beslissing over de subsidieverlening op basis van het advies van de beoordelingscommissie.

  • 2 Indien het totaal van de aanvragen, bedoeld in artikel 11, verhoogd met de aanvragen voor subsidie voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, dat voldoet aan de voorwaarden van deze regeling het subsidieplafond voor een aanvraagperiode van het betreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 4, overschrijdt, wijst de minister op basis van de rangschikking, bedoeld in artikel 22, één of meer aanvragen af. Indien na toepassing van het eerste lid, aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt en slechts één van de aanvragen kan worden gehonoreerd, beslist de minister op basis van loting.

  • 3 De minister besluit uiterlijk binnen zestien weken na de sluitingsdatum van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 18. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 20, vijfde lid, wordt de beslistermijn van de eerste volzin verlengd met ten hoogste vier weken.

  • 4 Indien de minister niet tijdig een beslissing neemt, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

  • 5 Indien de minister een aanvraag afwijst, omdat deze niet voldoet aan artikel 20, zesde lid, kan de aanvrager de aanvraag nog eenmaal in een later tijdvak indienen. De eerste volzin is niet van toepassing op aanvragen die in het laatste tijdvak worden ingediend.

  • 6 Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 16, vijfde lid, voor elk van de criteria van artikel 21, eerste lid, voldoende wordt beoordeeld, wordt deze aanvraag gehonoreerd. Het subsidieplafond voor de betreffende aanvraagperiode van een kalenderjaar wordt verminderd met het totaal van de subsidieaanspraken op grond van de eerste volzin, voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.

Artikel 24. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd, indien naar het oordeel van de minister:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b. de kosten van de activiteiten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen doelstellingen en de daarvan te verwachten resultaten; en

  • c. onvoldoende vertrouwen bestaat over de financiële haalbaarheid van de publiek-private samenwerking.

Artikel 25. Verplichtingen

  • 1 Voor de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, gelden de volgende verplichtingen:

    • a. de publiek-private samenwerking start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na goedkeuring van de subsidieaanvraag;

    • b. de onderwijsinstelling zendt aan de minister jaarlijks een voortgangsrapportage en aan het eind van de subsidieperiode de eindrapportage, bedoeld in artikel 26, tweede lid.

  • 2 In de voortgangsrapportage wordt een beschrijving gegeven van de voortgang ten aanzien van het realiseren van de mijlpalen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder d. Indien de voortgangsrapportage daartoe aanleiding geeft, verleent het samenwerkingsverband medewerking aan een analyse van de stand van zaken van de publiek-private samenwerking. De minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportage.

Artikel 26. Verantwoording

  • 1 De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, zoals behorende bij de richtlijn RJ660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad van de Jaarverslaggeving (model G2), met dien verstande dat daarbij tevens de niet bestede middelen worden vermeld. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in dat geval in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening bevat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.

  • 2 Naast de financiële verantwoording, bedoeld in het eerste lid, toont de subsidieontvanger aan de hand van het eindverslag aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3 Het eindverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten. Het verslag bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie.

  • 4 Het eindverslag wordt tezamen met de jaarverslaggeving, bedoeld in het eerste lid, gezonden aan de minister.

  • 5 De minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.

Artikel 27. Wijze van melding

  • 2 De melding wordt in afschrift verzonden aan het ministerie van OCW, directie MBO (IPC: 2150), Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.

Artikel 28. Voorschotten en betaling

  • 1 De subsidieontvanger ontvangt elk kwartaal een voorschot.

  • 2 De subsidie wordt in zestien termijnen van elk een kwartaal verstrekt.

  • 3 Het eerste voorschot bedraagt 25 procent van de totale subsidie.

  • 4 De overige voorschotten bedragen vijf procent van de totale subsidie.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 29. Evaluatie van de regeling

  • 1 De minister draagt uiterlijk in 2016 zorg voor evaluatie van deze regeling.

  • 2 De onderwijsinstelling werkt mee aan de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk door de minister.

  • 3 De onderwijsinstelling bedingt bij de partijen van het samenwerkingsverband dat zij meewerken aan evaluatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 30. Inwerkingtreding en einddatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Op grond van deze regeling kunnen met ingang van 1 januari 2018 geen nieuwe aanvragen meer worden ingediend.

  • 3 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op besluiten die vóór de vervaldatum zijn genomen.

Artikel 31. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionaal investeringsfonds mbo.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

Bijlage 1. : Beoordelingskader publiek-private samenwerking

Criterium

Deelaspecten

Minimale vereisten

Scoring

1. Verbetering aansluiting onderwijs op (regionale) arbeids-markt

Er is een regionale visie en analyse met een keuze voor de afbakening van de regio.

1. In de regionale visie is een onderbouwde keuze gemaakt voor de afbakening van de regio

2. De analyse is onderbouwd met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van de regionale (toekomstige) arbeidsmarkt, en wordt waar mogelijk voortgebouwd op bestaande regionale en sectorale agenda’s.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de kwaliteit van de regionale visie en uitgevoerde analyse hoger is, blijkend uit onder andere:

1. een heldere en logische onderbouwing van de afbakening van de regio;

2. de scherpte en juistheid van de analyse van de huidige situatie in de gekozen regio, zowel voor het onderwijs als de arbeidsmarkt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens;

3. een logische aansluiting van de regionale visie op huidige regionale en sectorale agenda’s.

De doelstellingen van de publiek-private samenwerking zijn gebaseerd op een analyse van de aansluiting van het onderwijs op de regionale (toekomstige) arbeidsmarkt.

1. Op grond van de analyse en de regionale visie worden keuzes gemaakt op welke onderdelen de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt wordt verbeterd.

2. Op grond van de gemaakte keuzes wordt een focus aangebracht in het opleidingenaanbod waarop de pps betrekking heeft (doelmatigheid).

3. De beoogde doelstellingen van de pps worden SMART geformuleerd en bevatten kwalitatieve en kwantitatieve aspecten om de aansluiting van het onderwijs op de (regionale) arbeidsmarkt te verbeteren.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de doelstellingen van de pps beter bijdragen aan de verbetering van de aansluiting op de arbeidsmarkt in de gekozen regio, blijkend uit onder andere:

1.een heldere beschrijving van de keuzes op welke onderdelen de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt wordt verbeterd;

2. de keuzes zijn onderbouwd en vloeien logisch voort uit de analyse;

3. een heldere beschrijving van de doelmatige focus in het opleidingenaanbod en hoe deze focus de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt verbetert;

4. een heldere beschrijving

van de doelstellingen die de pps beoogt. Deze doelen zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) geformuleerd;

5. een heldere beschrijving van de beoogde resultaten en effecten op de aansluiting van het onderwijs op de (regionale) arbeidsmarkt, zowel in kwantitatieve termen als in kwalitatieve termen, waarbij duidelijk is gemaakt dat het plan van aanpak een oplossing biedt voor de geconstateerde problemen;

6. een heldere beschrijving van de doelgroep(en) van het plan en op welke wijze de pps voorziet in de behoefte van deze doelgroep(en).

Er is draagvlak voor het plan bij de stakeholders in de regio.

In het plan wordt een gezamenlijk belang voor de regio geformuleerd.

Het draagvlak bij regionale stakeholders wordt inzichtelijk gemaakt. Stakeholders zijn bijvoorbeeld andere mbo-instellingen, vmbo-instellingen, hoger onderwijs instellingen, regionale overheden en andere arbeidsorganisaties.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate het draagvlak en instemming van de stakeholders met de regionale visie groter is, blijkend uit onder andere:

– een beschrijving van de urgentie van de pps voor stakeholders in de regio;

– een beschrijving van het voordeel dat (de doelstellingen van) de pps oplevert voor partijen in de regio;

Het plan is macro-doelmatig ten opzichte van het onderwijs in de regio

Het regionaal visiedocument onderbouwt dat de aanvraag aansluit bij het uitgangspunt van een doelmatig aanbod van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate het voorstel van de pps beter aantoont dat het voorstel bijdraagt aan een doelmatig aanbod van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen.

2. Samenwerking en draagvlak

Er is een gedragen samenwerking tussen de partners in het samenwerkingsverband.

1. Er wordt inzichtelijk gemaakt welke belangen de partners hebben bij dit plan en hoe de individuele belangen worden vertaald in de gezamenlijke doelstellingen van de pps.

2. Het samenwerkings-verband toont aan dat er sprake is van ‘comakership’: zowel de onderwijsinstellingen als de arbeidsorganisaties en de andere partners hebben een actieve rol en een werkelijke inbreng in het project. Men investeert samen in het project en toont zich samen eigenaar van het project.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de samenwerking meer vertrouwen geeft in een succesvolle en duurzame uitvoering van het plan van aanpak, blijkend uit onder andere:

1. een beschrijving van belangen en behoeften van de partners en hoe de pps in deze behoeften voorziet, zodanig dat het voor alle partijen voordeel oplevert;

2. alle partners van de pps investeren substantieel in het project wat middelen en menskracht betreft;

3. de rollen en inhoudelijke inbreng van de partners zijn helder omschreven;

4. de inbreng van de verschillende partners is gelijkwaardig;

5. de partnerorganisaties scheppen (im)materiële randvoorwaarden (tijd, faciliteiten, apparatuur etc) voor de uitvoering van het project;

6. een beschrijving van reeds bestaande samenwerking tussen (een deel van) de partners;

7. in de samenwerkings-overeenkomst zijn de gezamenlijke doelen en afspraken met betrekking tot inzet van middelen en menskracht opgenomen.

3. Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De organisatie is zodanig ingericht dat een succesvolle uitvoering van het plan van aanpak mogelijk is.

Het plan toont aan dat er een deskundige (project)organisatie wordt ingericht voor sturing op een efficiënte inzet van middelen, samenwerking, planning, evaluatie en communicatie.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de kwaliteit van de voorgestelde organisatie hoger is, blijkend uit onder andere:

1. een heldere beschrijving van de projectorganisatie die de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen het samenwerkingsverband omvat;

2. een heldere beschrijving van de inhoudelijke inbreng en deskundigheid van de partners en van eventuele externe partijen;

3. een heldere beschrijving van het profiel van de trekker cq. projectleider.

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar in de tijd.

De in het plan van aanpak neergelegde doelstellingen zijn uitvoerbaar en haalbaar in de tijd: dit is inzichtelijk gemaakt in een gedetailleerde activiteitenplanning voor het eerste jaar en een meer globale activiteitenplanning voor daaropvolgende jaren. Hierin wordt tevens een taakverdeling tussen de samenwerkingspartners weergegeven.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de activiteitenplanning groter is, blijkend uit onder andere:

1. een planning van de activiteiten, met daarin de totale looptijd, de fasering, mijlpalen, beoogd resultaat en taakverdeling (wie de activiteiten uitvoert of uitvoeren);

2. de activiteiten-planning zodanig is dat uitvoering binnen de gestelde looptijd te realiseren is;

3. de activiteiten-planning sluit aan bij de beoogde doelstellingen.

De risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan de mogelijke risico’s, de beheersmaatregelen en de evaluatie van de voortgang van het plan.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de risico’s worden beschreven en geminimaliseerd in het plan van aanpak, blijkend uit:

1. een heldere beschrijving van de risico’s, waaruit blijkt dat er goed is nagedacht over mogelijke risicofactoren en bedreigingen;

2. een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risicofactoren zich werkelijk voordoen;

3. een heldere beschrijving van de wijze waarop actuele en bruikbare (voortgangs)gegevens

worden verzameld voor (tussentijdse) bijsturing.

4. Duurzaamheid

De samenwerking is zodanig (organisatorisch en inhoudelijk) neergezet dat deze na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet.

In de aanvraag wordt inzichtelijk gemaakt hoe men de samenwerking voortzet na de subsidieperiode en welke activiteiten hiertoe worden ondernomen.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de inzet en bereidheid van de partners om de samenwerking duurzaam neer te zetten groter is, blijkend uit onder andere:

1. een heldere beschrijving hoe de pps organisatorisch en inhoudelijk wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode. De afspraken over de voortzetting zijn tevens opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst;

2. de mate waarin het voorgestelde toekomstscenario als kansrijk wordt gezien;

3. een heldere beschrijving van de activiteiten die de partners tijdens de subsidieperiode ondernemen om voorzetting na de subsidieperiode te garanderen.

Er is een realistische financiële raming voor de periode na afloop van de subsidieperiode.

Uit de aanvraag blijkt dat er een realistisch financieel model is opgesteld om de pps voort te laten bestaan na afloop van de subsidie.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de kwaliteit van de financiële raming hoger is, blijkend uit onder andere:

1.een inzichtelijke weergave van de jaarlijkse inkomsten en uitgaven voor eerstvolgende vier jaren na de subsidieperiode;

2.een onderbouwing van het (verwachte) positieve danwel negatieve resultaat.

5. Financiering

Er is een realistische begroting van de kosten en de baten van het plan van aanpak voor de verschillende partners.

Er is een inzichtelijke en evenwichtige meerjarenbegroting, die voldoet aan de inrichtingseisen van de regeling.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate meerjarenbegroting realistischer is, blijkend uit onder andere:

1. in de meerjarenbegroting is duidelijk weergegeven welke kosten gemaakt worden en door wie;

2. de kosten staan in verhouding tot de beoogde activiteiten;

3. de beschreven kosten en baten in de meerjarenbegroting zijn realistisch voor de verschillende partners.

4. Indien de onderwijsinstelling cofinanciert wordt aangetoond dat, in het geval er kosten in de vorm van uren van personeel worden opgevoerd door de onderwijsinstelling in de meerjarenbegroting, er sprake is van additionele, niet regulier bekostigde activiteiten van de onderwijsinstelling.

De doelstellingen worden op een zo efficiënt mogelijke manier bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo economisch mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de doelstellingen van de pps zo economisch mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere:

1.de inzet van mankracht, geld en apparatuur/machines draagt daadwerkelijk bij aan de realisatie van het beoogde doel;

2. de kosten staan in verhouding tot de opbrengsten en resultaten die in het plan van aanpak zijn beschreven.

3. de kosten van overhead worden zo laag mogelijk gehouden.

4. Indien de onderwijsinstelling cofinanciert wordt aangetoond dat, in het geval er kosten in de vorm van uren van personeel worden opgevoerd door de onderwijsinstelling in de meerjarenbegroting, er sprake is van additionele, niet regulier bekostigde activiteiten van de onderwijsinstelling.

De vereiste cofinanciering is aangetoond.

De cofinanciering is weergegeven en volgens de kaders van de regeling geregeld.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naar mate de cofinanciering beter is geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere:

1. er is duidelijk weergegeven hoe de cofinanciering is opgebouwd en hoe deze verdeeld is over de partners;

2. de cofinanciering is voldoende om (tezamen met de rijkssubsidie) de kosten van het project te dekken.

3. de cofinanciering is realistisch voor de verschillende partners. Dit blijkt o.a. uit jaarverslag(en) van de betrokken arbeidsorganisatie(s), beschikking subsidieverlening provincie/gemeente etc.

4. Indien de onderwijsinstelling cofinanciert wordt aangetoond dat, in het geval er kosten in de vorm van uren van personeel worden opgevoerd door de onderwijsinstelling in de meerjarenbegroting, er sprake is van additionele, niet regulier bekostigde activiteiten van de onderwijsinstelling.

Bijlage 2. : Beoordelingskader voor doelmatiger organiseren

Criterium

Deelaspecten

Minimale vereisten

1. Verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt

Het doelmatiger organiseren van het aanbod draagt eraan bij dat de beroepsopleiding een deelnemersomvang heeft zodat deze met voldoende kwaliteit en continuïteit in stand kan worden gehouden.

Het doelmatiger organiseren van het aanbod draagt hierdoor bij aan het verbeteren van de aansluiting van het onderwijs op de (regionale) arbeidsmarkt.

1. In het plan van aanpak staat de gekozen maatregel voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod in de regio beschreven en op welke wijze dit wordt gerealiseerd.

2. Het plan van aanpak toont aan dat de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt wordt verbeterd met deze maatregel.

Het plan van aanpak toont aan dat hierbij rekening is gehouden met:

– de spreiding van het geheel aan onderwijsvoorzieningen in de regio; en

– de afweging tussen (optimale) arbeidsmarktrelevantie en maximale toegankelijkheid.

Het voorstel/de beschreven maatregel voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod sluit aan op de regionale visie en de onderliggende analyse voor de pps.

1. Het voorstel en de beschreven maatregel voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod zijn beredeneerd vanuit de regionale visie en de onderliggende analyse voor de pps.

2. Samenwerking en draagvlak

In het plan van aanpak is een goede samenwerking opgezet.

Er zijn heldere afspraken gemaakt m.b.t. taakverdeling en verantwoordelijkheden.

Er is draagvlak voor het plan bij de betrokken onderwijsinstellingen en stakeholders in de regio.

1. Uit de regionale visie blijkt dat er draagvlak is bij de stakeholders in de regio voor het voorstel voor het doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod.

2. Er is afstemming bereikt met andere mbo-instellingen en andere betrokken stakeholders zoals vmbo-scholen, hoger- onderwijsinstellingen en andere arbeidsorganisaties.

3. Er is rekening gehouden met de toekomstige mutaties in het opleidingenportfolio van andere mbo-instellingen in de regio.

4. Er is rekening gehouden met de deelnemersomvang bij vergelijkbare opleidingen bij andere mbo-instellingen in de regio.

3. Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

Het plan van aanpak voor doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod is haalbaar en uitvoerbaar in de tijd.

1. Er is een inzichtelijke activiteitenplanning en taakverdeling van de betrokken onderwijsinstellingen waaruit tevens blijkt dat het plan van aanpak haalbaar en uitvoerbaar zijn.

4. Financiering

In de meerjarenbegroting zijn de kosten en baten voor het onderdeel doelmatiger organiseren van het opleidingenaanbod opgenomen. De cofinanciering daarvan is inzichtelijk gemaakt in deze meerjarenbegroting en de samenwerkings-overeenkomst.

1. In de meerjarenbegroting is duidelijk weergegeven welke kosten gemaakt worden en door wie.

2. In de begroting is de cofinanciering vanuit de betrokken onderwijsinstellingen inzichtelijk gemaakt.

3. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt hoe de betrokken onderwijsinstellingen afspraken hebben gemaakt over de financiering van de maatregel.

5. Efficiëntie

Relatie doel-middelen

1. Uit het plan van aanpak en de begroting blijkt de middelen (geld, tijd en mankracht) zo economisch mogelijk worden ingezet om het doelmatiger organiseren op een efficiënte manier kan worden bereikt.

2. Uit het voorstel blijkt dat de overhead zo beperkt mogelijk is gehouden.