Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling [...] van Buitenlandse Zaken 2006 (Kindhuwelijken Fonds)[Regeling vervallen per 15-07-2015.]

Geldend van 08-04-2014 t/m 14-07-2015

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 31 maart 2014, nr. DSO/GA-107/14, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Kindhuwelijken Fonds)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken,

Gelet op artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 15-07-2015]

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Kindhuwelijken Fonds met het oog op de financiering van activiteiten ter bestrijding van kindhuwelijken en gedwongen huwelijken gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2 [Vervallen per 15-07-2015]

Voor subsidieverlening in het kader Kindhuwelijken Fonds geldt voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 14 juli 2015 een subsidieplafond van € 6.000.000.

Artikel 3 [Vervallen per 15-07-2015]

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Kindhuwelijken Fonds worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 2 juni 2014, aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 4 [Vervallen per 15-07-2015]

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

Artikel 5 [Vervallen per 15-07-2015]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 15 juli 2015 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze:

de Directeur Generaal Internationale Samenwerking,

R. Swartbol.

Bijlage [Vervallen per 15-07-2015]

1. Inleiding [Vervallen per 15-07-2015]

Elk jaar trouwen wereldwijd naar schatting 14 miljoen meisjes jonger dan 18 jaar, in veel gevallen tegen hun zin. In lage en middeninkomenslanden trouwt een op de zeven meisjes zelfs voor haar 15e verjaardag. In extreme gevallen zijn de kindbruiden pas acht of negen jaar oud2. Deze meisjes zijn lichamelijk noch emotioneel voldoende ontwikkeld om echtgenotes en moeders te worden. Zij lopen een groot risico op levensbedreigende complicaties tijdens zwangerschap en bevalling, op hiv- en soa-infecties en op huiselijk geweld. Zonder toegang tot onderwijs of inkomensgenererende activiteiten is de kans op een leven in armoede voor deze meisjes en hun families groot.

In de beleidsnota Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen, worden seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en vrouwenrechten als prioriteit benoemd. Binnen deze prioriteit krijgt het tegengaan van huwelijksdwang en kindbruiden speciale aandacht. Het kabinet stelt dat kindhuwelijken niet mogen worden toegestaan, ook niet door te verwijzen naar cultuur, traditie of religie. Kind- en gedwongen huwelijken vormen een schending van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen en meisjes.3

Nederland wil een bijdrage leveren aan de strijd tegen kindhuwelijken door partnerschappen aan te gaan met nationale overheden in partnerlanden, met internationale en maatschappelijke organisaties, onderzoeksinstellingen en bedrijven.

Naar aanleiding van het amendement Voordewind c.s., ingediend op 13 november 2013, ter ondersteuning van interventies van particuliere organisaties op het snijvlak van onderwijs, SRGR en gender, in het bijzonder voor de bestrijding van kinderprostitutie, het tegengaan van kindhuwelijken en bescherming van kansarmen4, heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten tot de financiering van activiteiten tegen kindhuwelijken die door Nederlandse organisaties in samenwerking met lokale organisaties worden uitgevoerd. De minister heeft daarvoor een bedrag van € 6.000.000 ter beschikking gesteld. 5

De voor het Kindhuwelijken Fonds ter beschikking gestelde middelen sluiten aan op resultaatgebied 4 van de SRGR-beleidsbrief van 7 mei 2012 dat zich richt op respect voor de seksuele en reproductieve rechten van groepen aan wie deze rechten worden onthouden. Onder resultaatgebied 4 worden activiteiten gericht op nationale wetgeving, wetshandhaving en concreet beleid voor een hogere huwelijksleeftijd voor meisjes expliciet benoemd6.

Voor u ligt het Subsidiebeleidskader Kindhuwelijken Fonds voor de periode 2014-2015. In dit beleidskader worden in hoofdstuk 2 de beleidsuitgangspunten geschetst die de basis vormen voor het Kindhuwelijken Fonds. De uitgangspunten zijn vertaald in voorwaarden die gelden om voor subsidieverlening in het kader van het Kindhuwelijken Fonds in aanmerking te kunnen komen: de drempelcriteria. Vervolgens zijn op basis van de beleidsuitgangspunten beoordelingscriteria opgesteld. De beoordelingscriteria vormen de basis voor de beoordeling van de subsidieaanvragen die aan de drempelcriteria voldoen.

Voordat deze criteria uiteen worden gezet in hoofdstuk 4, beschrijft dit Subsidiekader in hoofdstuk 3 hoe de beoordelingsprocedure van subsidieaanvragen zal verlopen. De beoordeling gebeurt in twee achtereenvolgende fasen, steeds aan de hand van toetsen die de verschillende beoordelingscriteria bevatten.

De eerste beoordelingsfase bestaat uit een toets op de drempelcriteria. Een van deze criteria omvat een positief oordeel over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisatie aan de hand van een organisatietoets. De vervolgfasen bestaan uit de beoordeling van de kwaliteit van het programma door middel van een programmatoets. Deze criteria komen in hoofdstuk 4 aan bod.

2. Beleidsuitgangspunten van het Kindhuwelijken Fonds [Vervallen per 15-07-2015]

2.1. Doelstelling en beleidsthema’s van het Kindhuwelijken Fonds [Vervallen per 15-07-2015]

Er is sprake van een kindhuwelijk als een van de huwelijkspartners jonger is dan 18 jaar. Volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens7, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen8 en het Kinderrechtenverdrag9 vormen kindhuwelijken een schending van de mensenrechten. Kindhuwelijken leiden aantoonbaar tot vroegtijdige schooluitval, zwangerschap op jonge leeftijd met daaraan gekoppelde risico’s op moeder- en kindersterfte, sociaal isolement en een hoger risico op huiselijk geweld en infectie met hiv en soa’s.

In lijn met deze internationale verdragen heeft het merendeel van de VN-lidstaten wetgeving die huwelijken onder de 18 jaar verbiedt, zij het dat in veel landen uitzonderingen mogelijk zijn als de ouders hiervoor toestemming geven. Desalniettemin zijn er nog altijd meer dan 50 landen waar huwelijken onder de 15 jaar zijn toegestaan. Maar ook in landen waar een huwelijk onder de 18 jaar niet is toegestaan, wordt wetgeving niet altijd gehandhaafd, vooral als sociale, traditionele en religieuze normen vereisen dat meisjes jong moeten trouwen. Armoede blijkt een belangrijke factor te zijn voor kindhuwelijken, zeker waar de ouders van kansarme families ervan overtuigd zijn dat een huwelijk de toekomst van hun dochters zeker stelt. Ook kunnen meisjes beschouwd worden als een financiële last, als een inkomstenbron (bijv. bruidsprijzen) of als middel om conflicten op te lossen of allianties tussen families te smeden.

De internationale gemeenschap heeft zich in 2013 bereid getoond om het thema kindhuwelijken aan te pakken. Dit heeft geleid tot de aanname van resoluties over kindhuwelijken en gedwongen huwelijken in de Mensenrechtenraad in september en in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van Verenigde Naties in november 2013. De interesse in het thema is ook zichtbaar in het rapport van het High Level Panel over de post-2015 agenda10, dat een voorstel doet voor een expliciete target om kindhuwelijken te beëindigen. Deze positieve ontwikkelingen wijzen op een momentum om de internationale coalitie tegen kindhuwelijken uit te breiden en te verstevigen en te verankeren in de post-2015 agenda.

Nederland neemt actief deel aan deze internationale campagne tegen kindhuwelijken door een combinatie van pleitbezorging en financiële ondersteuning van concrete activiteiten op dit terrein. Nederland wil met het Kindhuwelijken Fonds gebruik maken van de kracht van Nederlandse maatschappelijke organisaties die op dit terrein werken in landen waar kindhuwelijken veel voorkomen.

Om bij te dragen aan het tegengaan van kindhuwelijken stelt het Kindhuwelijken Fonds middelen ter beschikking om subsidies te verstrekken aan Nederlandse maatschappelijke organisaties voor activiteiten op het snijvlak van onderwijs, SRGR en gender die zich richten op de volgende strategieën11:

  • 1. Versterking van de positie van meisjes (empowerment) door ze kennis en vaardigheden te leren die van belang zijn in hun dagelijkse leven, bijv. over seksualiteit en rechten;

  • 2. Verbetering van de toegang tot formeel onderwijs voor meisjes;

  • 3. Betrekken van lokale gemeenschappen om schadelijke sociale, traditionele en religieuze normen te veranderen;

  • 4. Verbetering van de economische situaties van kansarme meisjes en hun families;

  • 5. Ontwikkeling en toepassing van wetgeving en beleid die kindhuwelijken tegengaan;

  • 6. Verbetering van de toegang tot seksuele en reproductieve dienstverlening voor zowel gehuwde als ongehuwde meisjes.

Het Kindhuwelijken Fonds is gericht op Nederlandse organisaties die deze benaderingen inzetten. Omdat de financiering slechts beschikbaar is voor één jaar, is het van belang dat de voorstellen waarvoor organisaties financiering aanvragen aansluiten bij al lopende programma’s in de landen waar activiteiten moeten worden uitgevoerd om in aanmerking te kunnen komen voor een eenmalige bijdrage uit het Kindhuwelijken Fonds (zie hierna drempelcriterium D.9). Tegelijkertijd geldt dat er geen subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die reeds zijn gestart vóór het indienen van de subsidieaanvraag.12 Het moet derhalve gaan om opschaling van lopende programma’s in geografisch opzicht, opschaling door activiteiten voor andere doelgroepen en/of intensivering van geplande interventies of het mogelijk opnemen van aanvullende activiteiten die doelbereiking kunnen verbeteren.

2.2. Subsidieverlening in het kader van het Kindhuwelijken Fonds [Vervallen per 15-07-2015]

  • A. Wie komen in aanmerking voor een subsidie in het kader van het Kindhuwelijken Fonds?

Voor subsidieverlening in het kader van het Kindhuwelijken Fonds komen in aanmerking Nederlandse maatschappelijk organisaties, of samenwerkingsverbanden van deze organisaties. Deze organisaties dienen op hun beurt intensief samen te werken met lokale organisaties die de duurzaamheid ter plekke kunnen realiseren.

Onder een Nederlandse maatschappelijke organisatie wordt verstaan een zelfstandige maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk, naar Nederlands recht opgericht en statutair in Nederland gevestigd. Indien er sprake is van een samenwerkingsverband van Nederlandse maatschappelijke organisaties voor het Kindhuwelijken Fonds, wordt hieronder in het kader van dit subsidiebeleidskader verstaan: twee of meer zelfstandige maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk, naar Nederlands recht opgericht en statutair in Nederland gevestigd, die gezamenlijk via één penvoerder een aanvraag indienen voor het Kindhuwelijken Fonds. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd is de penvoerder subsidieontvanger. Deze is tegenover de Minister ten volle aansprakelijk voor de naleving van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen. De andere partijen van het samenwerkingsverband worden aangeduid als mede-indieners.

  • B. Organisaties en samenwerkingsverbanden die niet voor subsidieverlening in aanmerking komen:

In aanvulling op en ter nadere invulling van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking komen niet voor subsidieverlening uit het Fonds in aanmerking (internationale) maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk die niet in Nederland noch naar Nederlands recht opgericht zijn en/of niet statutair in Nederland gevestigd zijn.

3. Beoordelingsprocedure [Vervallen per 15-07-2015]

3.1. Beoordelingscriteria [Vervallen per 15-07-2015]

Organisaties die een subsidie aanvragen in het kader van het Kindhuwelijken Fonds moeten aan bepaalde criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Er zijn twee soorten criteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere drempelcriteria, wordt de aanvraag afgewezen.

  • 2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het programmavoorstel (programmatoets).

Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 4.

3.2. Beoordeling [Vervallen per 15-07-2015]

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking.13 Indien de beleidsregels voor het Kindhuwelijken Fonds afwijken van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor het Kindhuwelijken Fonds voorrang.

De beoordeling van de aanvragen voor subsidiëring van activiteiten en de toekenning en verdeling van de daarvoor beschikbare middelen vinden plaats via een tender: van alle aanvragen wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. Uitsluitend aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels kunnen voor toekenning in aanmerking komen. De mate waarin de aanvragen worden gehonoreerd is gerelateerd aan de kwaliteit van de programmavoorstellen van de desbetreffende aanvragen. Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 15 juli 2014.

3.3. Toetsing en verdeling beschikbare middelen [Vervallen per 15-07-2015]

De beoordeling van de aanvragen voor het Kindhuwelijken Fonds zal plaatsvinden in een getrapt proces. De 1e fase bestaat uit een controle op de drempelcriteria. Voor de 2e fase worden alleen de programmavoorstellen bekeken van aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria.

3.3.1. Toets in fase 1 [Vervallen per 15-07-2015]

De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor het Kindhuwelijken Fonds subsidie zonder meer moeten voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meerdere criteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld.

3.3.2. Toets in fase 2 [Vervallen per 15-07-2015]

In fase 2 wordt de kwaliteit van het programmavoorstel beoordeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen criteria gerelateerd aan de beleidsrelevantie van het voorstel en de technische/methodologische kwaliteit.

Om voor een subsidie in het kader van het Kindhuwelijken Fonds in aanmerking te kunnen komen zullen beidecomponenten van de programmatoets met een voldoende resultaat moeten zijn afgesloten.

3.3.3. Verdeling van de beschikbare middelen [Vervallen per 15-07-2015]

Selectie van de voorstellen vindt plaats op basis van kwaliteit van het programmavoorstel zoals beoordeeld volgens de criteria opgenomen in paragraaf 4.2. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient deze kwaliteit in elk geval van voldoende niveau te zijn.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen vervolgens plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen naar aanleiding van de uitkomsten van de toetsing. Bij de uiteindelijke verdeling van de middelen zal de mate waarin een aanvraag wordt gehonoreerd gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de criteria wordt voldaan. Uit oogpunt van doelmatigheid zullen ten hoogste de drie aanvragen die het beste voldoen aan de criteria, zoals vermeld in deze beleidsregels, voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Het subsidieplafond voor het Kindhuwelijken Fonds bedraagt € 6.000.000.

3.4. Aanvraagprocedure [Vervallen per 15-07-2015]

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Kindhuwelijken Fonds worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door de Minister vastgestelde en ter beschikking gestelde aanvraagstramien14. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend, één versie op papier en een versie via e-mail. Tevens moeten bij de aanvraag de stukken worden ingediend die staan vermeld onder 3.5 (deze kunnen in digitale vorm worden aangeleverd, op een USB stick, CD-Rom of per e-mail). Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse taal.

Aanvragen voor subsidiëring van activiteiten dienen uiterlijk op maandag 2 juni 2014, 12.00 uur te zijn ontvangen op het volgende adres:

Ministerie van Buitenlandse Zaken

t.a.v. DSO/GA

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Op de envelop/verpakking dient u het volgende te vermelden:

  • VERTROUWELIJK: NIET OPENEN –

  • DSO/GA: Kindhuwelijken Fonds

De elektronische versie van de aanvraag dient te worden gestuurd naar dso-tender@minbuza.nl.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de aanvrager het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om de indiener om een aanvulling te vragen aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair was ingediend.

Mochten er vragen ontstaan naar aanleiding van dit document of andere zaken dan kunt u deze via e-mail indienen, tot uiterlijk 16 mei 2014, waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord worden, door middel van publicatie via internet. Vragen kunnen ingediend worden per e-mail op het adres: dso-tender@minbuza.nl. De antwoorden worden wekelijks bijgewerkt op internet tot en met 23 mei 2014.

Verder zal medio april een consultatiebijeenkomst worden gehouden. Informatie over tijd en plaats zal op de website: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties worden gepubliceerd.

3.5. Bij de aanvraag te voegen stukken [Vervallen per 15-07-2015]

  • 1. Oprichtingsakten en statuten van de aanvragende organisaties en organisaties die deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

  • 2. Overzicht van de contactgegevens van de indieners en mede-indieners (gegevens directeur(en) en contactpersonen, adres, telefoon- en faxnummer).

  • 3. In geval van een samenwerkingsverband (zie paragraaf 2.2), een door de betrokken organisaties getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd.

  • 4. Organisatieschema van het samenwerkingsverband voor zover van toepassing.

  • 5. Jaarrekeningen 2011-2013 van de aanvragende organisatie en organisaties die deel uitmaken van een samenwerkingsverband inclusief een overzicht van de bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bedrag(en), activiteitennummer(s)).

  • 6. Het laatst goedgekeurde/vastgestelde jaarverslag van de aanvragende organisatie en organisaties die deel uitmaken van een samenwerkingsverband.

  • 7. De laatst goedgekeurde/vastgestelde jaarrekening van de aanvragende organisatie en organisaties die deel uitmaken van een samenwerkingsverband.

  • 8. De laatste accountantsverklaring en management letter (indien aanwezig) van de aanvragende organisaties en organisaties die deel uitmaken van een samenwerkingsverband.

  • 9. Activiteitenplan (programmavoorstel).

  • 10. Begroting.

  • 11. Liqiditeitsprognose.

3.6. Uitvoering en planning van de besluitvorming [Vervallen per 15-07-2015]

De beoordeling van de aanvragen geschiedt aan de hand van de voor subsidieverlening door de Minister geldende wet- en regelgeving, het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking en dit Subsidiebeleidskader.

De Minister zal uiterlijk op 15 juli 2014 besluiten over de ingediende aanvragen.

4. Beoordeling van de aanvragen [Vervallen per 15-07-2015]

4.1. De drempelcriteria [Vervallen per 15-07-2015]

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder beoordeeld. Deze criteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

Criterium D.1 De aanvrager, of in het geval van een samenwerkingsverband, de penvoerder, is een Nederlandse maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Dit blijkt uit bijgevoegde statuten van de organisatie.

Criterium D.2 De aanvrager/penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2014 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. De aanvrager/penvoerder onderbouwt de aannemelijkheid hiervan aan de hand van de inkomsten over de periode 2011-2013.

Indien de aanvrager penvoerder is voor een samenwerkingsverband geldt dit criterium voor de gehele samenwerkingsverband. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit het samenwerkingsverband. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten.

Criterium D.3 Het bruto salaris van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en organisaties die deelnemen aan een samenwerkingsverband dient aan de DG-norm te voldoen (maximaal EUR 129.500 per jaar, op grond van een 36-urige werkweek). De aanvrager/penvoerder specificeert de hoogte van de salarissen (inclusief toeslagen) van het management en bestuur.

Criterium D.4 De aanvrager/penvoerder, of in het geval van een samenwerkingsverband alle bij dit samenwerkingsverband betrokken organisaties, heeft (hebben):

  • a) aantoonbaar minimaal 5 jaar ervaring met de implementatie van ten minste 4 van de 6 strategieën (zoals genoemd in paragraaf 2.1) gericht op het tegengaan van kindhuwelijken in ontwikkelingslanden, waarbij in het geval van een samenwerkingsverband geldt dat de daarbij betrokken organisaties de vereiste ervaring met de implementatie van ten minste 4 van de 6 strategieën gezamenlijk mogen aantonen.

  • b) Tevens is de aanvrager/penvoerder, of in het geval van een samenwerkingsverband alle bij dit verband betrokken organisaties, op grond van de door haar (hun) inspanningen in de afgelopen vijf jaren behaalde resultaten in staat om (i) geplande doelstellingen en resultaten te realiseren, (ii) deze duurzaam te verankeren bij de uiteindelijke doelgroep en (iii) om de bijdragen van derden die noodzakelijk waren voor de uitvoering van zijn programma’s daadwerkelijk te verkrijgen.

Dit blijkt uit bijgevoegd track record.

Criterium D.5 De aanvrager/penvoerder toont aan dat de aanvrager, of in het geval van een samenwerkingsverband alle bij dit samenwerkingsverband betrokken organisaties:

  • a) een kwalitatief verantwoord financieel en administratief beleid voert (voeren): (i) de organisatie dient een adequaat beleid te hebben t.a.v. het financieel toezicht op organisaties met wie zij een financieringsrelatie heeft; (ii) zij dient gebruik te maken van een adequate toets om de kwaliteit van (partner)organisaties waarmee zij een financiële relatie heeft te toetsen; (iii) zij dient een financieel monitoringssysteem te hebben dat haar in staat stelt om (dreigende) verliezen of overschotten vroegtijdig te signaleren en hier met adequate maatregelen op te anticiperen; (iv) zij dient een brede donorbasis te hebben;

  • b) besteding van middelen kan (kunnen) verantwoorden via een transparante en adequate planning- en controlcyclus: (i) de gehanteerde Planning Monitoring & Evaluatie (PM&E) systematiek dient toereikend te zijn voor het bewaken van de voortgang t.a.v. outcomes, outputs en duurzaamheid op programma- en organisatieniveau; (ii) de organisatie dient periodiek onafhankelijke evaluaties te laten uitvoeren over (delen van) programma’s en het functioneren van de eigen organisatie; (iii) de organisatie dient een goed verankerd systeem voor kwaliteitsbeheer t.a.v. de hoofdprocessen te hebben.

Criterium D.6 De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 2.000.000 en maximaal € 3.000.000 en heeft betrekking op activiteiten die plaats zullen vinden tussen 15 juli 2014 en 14 juli 2015. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

Criterium D.7 Het programmavoorstel betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

Criterium D.8 Het programmavoorstel betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

Criterium D.9 De activiteiten van het programmavoorstel vinden plaats:

  • in ten minste één partnerland als genoemd in de nota Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen van 5 april 201315 óf

  • in ten minste één land dat behoort tot de 20 landen met de hoogste prevalentie van kindhuwelijken16.

Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

Criterium D.10 De activiteiten van het programmavoorstel dienen gericht te zijn op ten minste 4 van de 6 strategieën genoemd in paragraaf 2.1.

Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

Criterium D.11 De activiteiten van het programmavoorstel sluiten aan bij een al lopend programma van de aanvrager/penvoerder dan wel, in geval van een samenwerkingsverband, van één van de mede-indieners, in de landen genoemd in criterium D.9, in de vorm van (i) een opschaling van programma’s (i) naar een andere regio, (ii) een opschaling naar andere doelgroepen, (iii) een intensivering van geplande interventies en/of (iv) het opnemen van aanvullende activiteiten die doelbereiking kunnen verbeteren.

In afwijking van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking is geen criterium van toepassing dat ziet op het percentage van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt gevraagd dat plaats vindt in de partnerlanden.

4.2. De programmatoets [Vervallen per 15-07-2015]

In de programmatoets wordt de kwaliteit van het voorgestelde programma beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria:

4.2.1. Beleidsmatige criteria [Vervallen per 15-07-2015]

In aanvulling op en ter nadere invulling van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking wordt de aanvraag beoordeeld op de volgende criteria:

  • 1. De motivering van de landenkeuze.

  • 2. De mate waarin de aanvraag bijdraagt aan ten minste 4 van de 6 strategieën zoals genoemd in paragraaf. 2.1.

  • 3. De mate waaruit blijkt dat de activiteiten van het programmavoorstel aansluiten bij de uitvoering van bestaand (sub)nationaal beleid en de mate waaruit blijkt dat zij complementair zijn aan het werk van andere organisaties die activiteiten uitvoeren op het terrein van het tegengaan van kindhuwelijken.

  • 4. De mate van betrokkenheid van relevante actoren op lokaal, nationaal en internationaal niveau, waaronder overheden, traditionele en/of religieuze leiders, onderwijsinstanties, justitie, lokale ngo’s en internationale organisaties/fora zoals Girls not Brides.

  • 5. De mate waarin de activiteiten van het programmavoorstel de capaciteitsopbouw versterken van lokale en nationale organisaties die zich richten op het tegengaan van kindhuwelijken, met name bij kansarme groepen.

4.2.2. Programma-technische criteria [Vervallen per 15-07-2015]

Ten aanzien van de technische kwaliteit van de programmavoorstellen, worden de onderstaande criteria betrokken in de beoordeling:

  • 1. Contextanalyses: de mate waarin het voorstel, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een analyse van de context. De aanvrager/penvoerder laat blijken kennis te hebben van de oorzaken en prevalentie van kindhuwelijken, wetgeving, overheidsbeleid, handhaving van wetgeving en beleid, en van activiteiten van publieke instanties, donoren en maatschappelijk middenveld op het terrein van kindhuwelijken.

  • 2. Uitwerking van Outcomes en Outputs: het voorstel waarvoor organisaties financiering aanvragen dient aan te sluiten bij een al lopend programma in een of meer landen waar activiteiten moeten worden uitgevoerd om in aanmerking te kunnen komen voor een eenmalige bijdrage uit het Kindhuwelijken Fonds (zie paragraaf 2.1 Doelstelling en beleidsthema’s van het Kindhuwelijken Fonds en drempelcriterium D.9). De aanvrager/penvoerder dient aan de hand van het logical framework van het lopende programma, de verschillen in outcomes en outputs die het programmavoorstel zal bewerkstelligen toe te lichten, door op kwalitatieve en kwantitatieve wijze aan te geven hoe, waar en voor hoeveel meer mensen de additionele activiteiten de doelbereiking van het lopende programma zullen vergroten.

  • 3. Uitwerking van het verband tussen outputs, activiteiten en middelen: Het verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde activiteiten en middelen wordt beschreven in een budget. In het budget wordt duidelijk aangegeven welke tarieven voor de uitvoering van de verschillende taken worden toegepast.

  • 4. Uitwerking van beoogde outcomes, outputs en middelen in SMART-systematiek: de mate waarin de verwachte outcomes (van het reeds lopende programma), en de outputs en middelen van het nieuwe programmavoorstel Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.

  • 5. Risico’s, monitoring en bijsturing: de mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat monitoringskader en adequaat systeem voor bijsturing, en de mate waarin de middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programmavoorstel.

  • 6. Duurzaamheid: aangezien de financiering slechts beschikbaar is voor één jaar maakt de aanvrager/penvoerder aannemelijk dat het programmavoorstel zodanig aansluit op een lopend programma en, indien aanwezig, op bestaand (sub)nationaal beleid dat het (i) in korte tijd kan worden opgeschaald en/of geïntensiveerd, (ii) na afloop van de subsidie kan worden voortgezet en (iii) een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en (iv) bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de lokale partnerorganisaties.

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier zal de dag na publicatie van het subsidiekader in de Staatscourant geplaatst worden op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [2]

    http://www.girlsnotbrides.org/about-child-marriage

  • ^ [3]

    Kamerstukken 2012/2013, 33 625, nr. 1

  • ^ [4]

    Kamerstukken 2013/2014, 33 750 XVII, nr. 17

  • ^ [5]

    Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 30 januari, nr. MinBuZa-2014.58295, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Intensivering Opstap Fonds), Stcrt. 2014, nr. 3658.

  • ^ [6]

    Kamerstukken 2011/2012, 32 605, nr. 93

  • ^ [7]

    www.ohchr.org/en/udhr/pages/Language.aspx?LangID=dut

  • ^ [8]

    http://www.wetten.overheid.nl/BWBV0002909/geldigheidsdatum_17-02-2014

  • ^ [9]

    http://www.kinderrechten.nl/images/13/194.pdf

  • ^ [10]

    United Nations (2013): A new global partnership: eradicate poverty and transform economies through sustainable development. The report of the high-level panel of eminent persons on the post-2015 development agenda

  • ^ [11]

    Grotendeels gebaseerd op UNFPA (2012): Marrying too young. End child marriage

  • ^ [12]

    Artikel 9 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

  • ^ [13]

    Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 juli 2012, nr. MinBuZa-2012.16922, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking 2012), Stcrt. 2012, nr. 15896.

  • ^ [14]

    Het aanvraagformulier wordt de dag na publicatie van het subsidiekader in de Staatscourant geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [15]

    De partnerlanden zijn: Afghanistan, Benin, Burundi, Ethiopië, Ghana, Indonesië, Kenia, Mali, Mozambique, Jemen, Palestijnse Gebieden, Rwanda, Uganda, Zuid-Sudan. In afwijking van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking bestaat geen verplichting om een percentage van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt aangevraagd in de gekozen partnerlanden te doen.

  • ^ [16]

    De 20 landen met een prevalentie van kindhuwelijken van 40% of meer: Bangladesh, Burkina Faso, Centraal Afrikaanse Republiek, Dominicaanse Republiek, Eritrea, Ethiopië, Guinee, India, Madagaskar, Malawi, Mali, Mozambique, Nepal, Nicaragua, Niger, Sierra Leone, Somalië, Tsjaad, Uganda, Zambia. Data uit UNFPA (2012): Marrying too young. End child marriage.