Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 maart 2014, nr. 2014-0000018380, tot het opnieuw vaststellen van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers teneinde deze uit te breiden met Asbestose (Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, en 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:

      • a. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4);

      • b. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5);

      • c. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5);

      • d. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5);

      • e. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6);

      • f. crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4);

    • asbestose: een aandoening die is gekenmerkt door verbindweefseling (longfibrose) van de long als gevolg van asbestblootstelling;

    • huisgenoot: de persoon met wie de werknemer een duurzaam hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning ten tijde van de blootstelling aan asbest;

    • Instituut Asbestslachtoffers: Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ‘s-Gravenhage;

    • lasten:

      • a. voorschot;

      • b. vergoedingen die door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling;

    • maligne mesothelioom: door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies als bedoeld in het protocol diagnostiek maligne mesothelioom;

    • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • nabestaanden:

      • a. de langstlevende van de echtgenoten;

      • b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

      • c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in gezinsverband leefde;

    • productaansprakelijke: de producent, bedoeld in artikel 187, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wiens gebrekkig product oorzaak is van de asbestose of het maligne mesothelioom bij de werknemer;

    • protocol diagnostiek asbestose: protocol diagnostiek asbestose, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    • protocol diagnostiek maligne mesothelioom: protocol diagnostiek maligne mesothelioom, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;

    • SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet SUWI;

    • voorschot: een uitkering als voorschot op de eventuele vordering op de werkgever op wie de immateriële schade kan worden verhaald;

    • werkgever: de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de werknemer arbeid in Nederland verricht of het verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    • werknemer: degene die voor een natuurlijke of rechtspersoon arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    • Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

  • 3 In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Artikel 2. Arbeid op vaartuig

Arbeid die wordt verricht aan boord van schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, wordt ten opzichte van de bemanning aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.

Hoofdstuk 2. Het recht op en de hoogte van een voorschot in geval van maligne mesothelioom

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot

De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek maligne mesothelioom de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld heeft recht op een voorschot, indien:

  • a. hij aannemelijk heeft gemaakt dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

  • b. hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 19.988,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

  • c. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onder d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

  • d. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers;

  • e. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

  • f. hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onder d; en

  • g. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onder f.

Artikel 4. Recht op voorschot nabestaanden

De nabestaanden hebben in plaats van de werknemer recht op het voorschot indien de werknemer is overleden:

  • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad; of

  • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad.

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

  • 1 Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een betaling van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 3 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 19.988,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

Artikel 6. Hoogte voorschot

  • 1 Het voorschot strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 19.988,–.

  • 2 Indien de werkgever of de productaansprakelijke in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 19.988,– of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 19.988,–.

Artikel 7. Toepassingsgebied

Deze regeling is, met inachtneming van de artikelen 8 en 9, van overeenkomstige toepassing op huisgenoten.

Artikel 8. Het recht van huisgenoten op het voorschot

In afwijking van artikel 3, onder a, heeft de huisgenoot die op het moment van aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek maligne mesothelioom de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld, recht op een voorschot als bedoeld in artikel 3 indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat:

  • a. er sprake is van een duurzaam hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid;

  • b. de werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is blootgesteld aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer, en

  • c. hij als gevolg hiervan de ziekte maligne mesothelioom heeft opgelopen.

Artikel 9. Beperkingen recht van huisgenoten op het voorschot

Voor de huisgenoot bestaat geen recht op een voorschot indien aan de huisgenoot of diens nabestaanden reeds een voorschot op grond van deze regeling of een betaling als bedoeld in de artikelen 3, onder b, en 10, onder b, van € 19.988,– of hoger door de werkgever of de productaansprakelijke is betaald.

Hoofdstuk 3. Het recht op en de hoogte van een voorschot in geval van asbestose

Artikel 10. Voorwaarden recht op een voorschot

De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek asbestose de ziekte asbestose is vastgesteld en waarbij sprake is van een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 en 4 van het protocol diagnostiek asbestose heeft recht op een voorschot, indien:

  • a. hij aannemelijk heeft gemaakt dat de asbestose is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

  • b. hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte asbestose van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 19.988,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

  • c. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onder d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

  • d. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers;

  • e. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

  • f. hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onder d, en

  • g. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onder f.

Artikel 11. Recht op voorschot nabestaanden

De nabestaanden hebben in plaats van de werknemer recht op het voorschot indien de werknemer is overleden:

  • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad; of

  • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad.

Artikel 12. Beperking recht op voorschot

  • 1 Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte asbestose een betaling van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 10 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 19.988,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

Artikel 13. Hoogte voorschot

  • 1 Het voorschot strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 19.988,–.

  • 2 Indien de werkgever of productaansprakelijke in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte asbestose een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 19.988,– of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 19.988,–.

Hoofdstuk 4. Het geldend maken van het recht op het voorschot

Artikel 14. De aanvraag om het voorschot

  • 1 De SVB stelt op aanvraag van de werknemer vast of recht op het voorschot bestaat.

  • 2 Een aanvraag om het voorschot wordt bij de SVB ingediend.

  • 3 Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van het voorschot daarbij inbegrepen.

Artikel 15. Overlijden na verzoek tot bemiddeling of aanvraag

  • 1 De behandeling van de aanvraag respectievelijk de behandeling van het verzoek tot bemiddeling en vervolgens de aanvraag worden ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen, indien de werknemer is overleden:

    • a. nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist; of

    • b. voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het Instituut Asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend.

Artikel 16. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

  • 1 De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot in ieder geval de inlichtingen en bewijsstukken die noodzakelijk zijn ter vaststelling van maligne mesothelioom of asbestose.

  • 2 In verband met de voorwaarde dat aannemelijk wordt gemaakt dat het maligne mesothelioom of asbestose is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer verstrekt de werknemer de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot voorts in ieder geval de inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken omtrent:

    • a. de blootstelling aan asbest gedurende het verrichten van arbeid als werknemer;

    • b. de periode gedurende welke die blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden; c. degenen die in verband met de arbeid waarbij de blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt.

  • 3 De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.

  • 4 Indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is dit artikel op hen van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Betaling en terugvordering

Artikel 17. Uitbetaling

Het voorschot wordt door de SVB zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de werknemer of de nabestaande, bedoeld in artikel 14, derde lid.

Artikel 18. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1 De SVB herziet een besluit tot toekenning van het voorschot of trekt dat in indien degene aan wie het voorschot is toegekend of de nabestaande hiervan:

    • a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op het voorschot, of

    • b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3, onder c, f en g, 10, onder c, f en g, en 16 niet of niet behoorlijk zijn nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het voorschot.

  • 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

  • 3 Het voorschot dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie het voorschot is toegekend, of de nabestaande hiervan, teruggevorderd.

Artikel 19. Indexering van bedragen

De in deze regeling genoemde bedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari gewijzigd met het percentage van de wijziging van het wettelijk minimumloon en door of namens de minster bekendgemaakt in de Staatscourant.

Hoofdstuk 6. Uitvoering en financiering

Artikel 20. Uitvoeringsorgaan

Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Artikel 21. Advies Instituut Asbestslachtoffers

  • 1 De SVB kan over het recht op het voorschot advies vragen aan het Instituut Asbestslachtoffers.

  • 2 De SVB stelt de eisen vast waaraan het advies voldoet en stelt een termijn binnen welke het advies wordt verwacht.

Artikel 22. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

  • 1 De SVB en het Instituut Asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.

  • 2 In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:

    • a. op welke wijze de behandeling van aanvragen van een voorschot plaatsvindt;

    • b. op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;

    • c. op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;

    • d. welke vergoeding door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers zal worden verstrekt;

    • e. op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld onder d, zal worden ingericht;

    • f. dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;

    • g. welke informatie door het Instituut Asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de minister;

    • h. hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.

Artikel 23. Raming baten en lasten

  • 1 Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de minister in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

  • 2 In de opgave van de uitkeringslasten, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de posten genoemd in artikel 25, tweede lid.

Artikel 24. Betaling voorschot

  • 1 De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.

  • 2 De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onder a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 23, van:

    • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en

    • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

  • 3 De minister kan, na overleg met de SVB, van de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 25. Afrekening

  • 1 In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde uitkeringslasten komen in mindering:

  • 3 Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 26. Overgangsrecht

Op een aanvraag voor een eenmalige uitkering of een voorschot ingediend voor 1 april 2014, alsmede op de financiële afwikkeling daarvan, wordt beslist met toepassing van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers zoals die regeling luidde op 31 maart 2014.

Artikel 28. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 21 maart 2014

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher.

Bijlage 1. behorende bij artikel 1, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014

Protocol diagnostiek asbestose

1. Algemeen

  • 1.1 Asbestose is een aandoening gekenmerkt door verbindweefseling (‘fibrose’) van de long in reactie op asbestblootstelling. Asbeststapeling in macrofagen die achterblijven in de longblaasjes en het longweefsel speelt een oorzakelijke rol. De longfibrose kent doorgaans zijn begin rondom de kleinste vertakkingen van de luchtwegen en breidt zich daarna uit in de omliggende longstructuren. Dit geeft aanleiding tot bindweefselvorming, verschrompeling en verlies van elasticiteit van de long. Tevens ontstaat hierdoor een verstoring van het zuurstof opnemend vermogen van de long. Een en ander resulteert in geleidelijk toenemende kortademigheid die kan leiden tot invaliditeit en uiteindelijk tot de dood.

  • 1.2 Asbestose kan alleen ontstaan na intensieve en langdurige blootstelling aan asbest. Intensiteit en duur van de blootstelling zijn beide van belang voor het moment waarop de asbestose zich manifesteert, maar tussen het begin van de blootstelling en het moment waarop de diagnose longfibrose door de behandelend arts is gesteld, verstrijkt in de praktijk tenminste 15 jaar. Er bestaat een verband tussen de cumulatieve blootstellingdosis en de ernst van de aandoening (respons).

  • 1.3 Asbestose is een aandoening die in principe een progressief beloop kent. De snelheid van het ziekteproces en het verlies van longfunctie kunnen echter per individu sterk verschillen.

2. Vaststellen van asbestose

Asbestose is een vorm van longfibrose, ontstaan door blootstelling aan asbest. Voor de diagnose is essentieel dat een longfibrose wordt vastgesteld (zie 2.1 en 2.2) én dat er een significante asbestexpositie is geweest (zie 2.4)

  • 2.1 Longfibrose kan worden vastgesteld door middel van high-resolution computertomografie. Hierbij kunnen in de vroege stadia reticulaire verdichtingen, intralobulaire lijnen, curvilineaire subpleurale lijnen en interlobulaire septale verdikkingen gezien worden, vaak posterobasaal in de long gelocaliseerd. In latere, ernstiger stadia van asbestose is ook sprake van honeycombing, tractie-bronchiectasiën en parenchymateuse fibrotische banden.

  • 2.2 Longfibrose kan worden bevestigd door middel van patholoog anatomisch onderzoek van (open) longbiopten.

  • 2.3 Het nemen van een longbiopt bij patiënten met longfibrose in een gevorderd stadium is een ingreep met hoge kans op complicaties. Omdat er geen behandeling bestaat die bij asbestose werkzaam is, wordt een biopsie bij leven niet verantwoord geacht als het gaat om het bevestigen van de diagnose uitsluitend ten behoeve van de aanvraag bij het IAS.

  • 2.4 Vaststellen asbestblootstelling

    Een vermeende asbestblootstelling wordt ten behoeve van een aanvraag bij het Instituut Asbestslachtoffers vastgesteld aan de hand van een arbeidsanamnese.

Arbeidsanamnese: vaststellen intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig. De vermeende asbestblootstelling kan allereerst worden vastgesteld door middel van een historisch onderzoek naar de blootstelling aan asbest. Hierin dient te worden vastgesteld dat betrokkene als werknemer of anderszins beroepsmatig langdurig en intensief aan asbest is blootgesteld. De Gezondheidsraad adviseert in haar advies inzake asbestose (1999) een ondergrens van vijf vezeljaren aan te houden.

De beoordeling van deze voorwaarde vindt plaats conform bijlage E: Risicomatrix van het protocol asbestziekten: asbestose van de Gezondheidsraad (1999). De matrix bepaalt hoeveel jaar bepaalde werkzaamheden moeten zijn verricht of gewerkt moet zijn in een bepaald beroep om de blootstellingsdrempel voor asbestose te overschrijden1.

Om de blootstellingsdrempel te bepalen worden allereerst de werkzaamheden of het beroep van de betrokkene ingedeeld in één van de genoemde werkzaamheden en beroepen in de matrix. Vervolgens moet worden bepaald in welke kalenderjaren de betrokkene is blootgesteld. Aan de hand van deze twee factoren kan in de tabel worden afgelezen welke blootstellingsdrempel van toepassing is. Indien de aanvrager niet gedurende het gehele kalenderjaar voltijds (minimaal 36 uur per week) werkzaam was, maar in deeltijd werkte of slechts een gedeelte van het jaar heeft gewerkt dan wordt dat kalenderjaar slechts gedeeltelijk meegeteld bij de beoordeling of is voldaan aan de blootstellingsdrempel. Het equivalent van 1 jaar blootstelling in voltijd kan dan worden bereikt door de blootstellingsduren in verschillende jaren bij elkaar op te tellen. Het equivalent van 1 jaar blootstelling in voltijd wordt bereikt als iemand in totaal 12 maanden is blootgesteld tijdens zijn arbeid. Hierbij geldt, indien nodig, dat 1 maand gelijk is aan 4 weken of 20 dagen.

Als de betrokkene minimaal is blootgesteld aan de volgens de matrix vastgestelde blootstellingsdrempel wordt voldaan aan de voorwaarde. Indien betrokkene niet aan deze voorwaarden voldoet, komt hij niet in aanmerking voor voorschot en bemiddeling. In de situatie waarin het beroep van betrokkene of diens werkzaamheden niet te koppelen zijn aan de risicomatrix kan niet worden vastgesteld dat betrokkene aan deze voorwaarde voldoet. Het Nederlands Asbestose Panel (NAP – voor toelichting zie art. 4.2) is bevoegd om in het geval waarin op basis van de arbeidsanamnese wel duidelijk sprake is geweest van intensieve en langdurige asbestblootstelling te oordelen dat aan de blootstellingsdrempel is voldaan.

  • Tussen het begin van de blootstelling en het moment waarop de diagnose longfibrose door de behandelend arts is gesteld, verstrijkt in de praktijk tenminste 15 jaar.

  • Het Instituut Asbestslachtoffers voert dit onderzoek uit en concludeert of op basis van bovenstaande beoordelingsmethodiek sprake is van intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig.

3. Vaststelling van de ernst van de stoornis van de longfunctie

De ernst van de beperkingen die een aanvrager ondervindt als gevolg van de asbestose dient te worden vastgesteld.

  • 3.1 De beoordeling van de ernst van de stoornis van de longfunctie geschiedt aan de hand van longfunctieonderzoek. Het gaat hierbij om de vitale capaciteit (FVC), de maximale expiratoire 1-seconde waarde (FEV1), de diffusiecapaciteit en inspanningsonderzoek (fietsergometrie) ter bepaling van de maximale zuurstofopnamecapaciteit (VO2-max).

  • 3.2 De ernst van het functieverlies door de aandoening wordt geclassificeerd volgens de normen van de American Medical Association (AMA) en beschreven in hun ‘Guides to the evaluation of permanent impairment’, 6de editie, 2008. Daarbij onderscheidt de AMA 5 klassen gebaseerd op de longfunctiebeperkingen. De voor de asbestose meest relevante longfunctieparameters dienen in de beoordeling van de ernst van de asbestose leidend te zijn bij de beoordeling van de klasse waarbinnen de longfunctiebeperking valt (conform de aanbevelingen van de AMA).Voor asbestose zijn dat de vitale capaciteit (FVC), de CO-diffusie (DLCO) en de VO2max. De parameter met het laagste percentage bepaalt de klasse waarin de patiënt valt.

    Klasse

    0

    1

    2

    3

    4

    FVC1

    ≥ 80%

    70–79%

    60–69%

    50–59%

    <50%

    DLCO1

    ≥ 75%

    65–74%

    55–64%

    45–4%

    <45%

    VO2 max (ml/kg/min)

    >25

    22–25

    18–21

    13–17

    <15

    1 de gegeven percentages zijn percentage van de voor leeftijd, lengte en geslacht voorspelde normaalwaarden.

  • 3.3 Relatie longfunctiebeperking met asbestose. Het Nederlands Asbestose Panel (NAP) dient bij iedere beoordeling aan te geven of de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak is van de longfunctiebeperking. Het NAP bestudeert de klinische gegevens en geeft aan of, naar haar mening, de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak is van het longfunctieverlies.

4. Procedure met betrekking tot de diagnose asbestose en de vaststelling van het longfunctieverlies

  • 4.1 Aanvragers bij het Instituut Asbestslachtoffers zullen worden gevraagd om een ‘medische machtiging’. Na ontvangst neemt de medisch adviseur van het IAS contact op met de behandelend longarts ter verkrijging van de relevante informatie vanuit het medisch dossier en de radiologie- en pathologieonderzoeken van betrokkene.Dit houdt tenminste in: een brief van de behandelend specialist, verslag(en) van de beeldvormende diagnostiek samen met de beeldvorming op CD-ROM, de longfunctie-onderzoeken en de inspanningsergometrie, en verslag van het histologisch en/of cytologisch onderzoek van de long. Het IAS levert dit materiaal aan het Nederlands Asbestose Panel (NAP) samen met de conclusie van het arbeidshistorisch onderzoek.

  • 4.2 Deskundigen uit de werkgroepen mesotheliomen en interstitiële longziekten van de longartsenvereniging NVALT vormen het Nederlands Asbestose Panel (NAP) dat de beoordelingen voor het IAS zal verrichten. De aanvraag zal door drie van de panelleden onafhankelijk van elkaar worden beoordeeld. Hen zal gevraagd worden de volgende vragen met ja/nee te beantwoorden:

    • 1. Is er sprake van longfibrose: ja/nee

    • 2. Is de asbestblootstelling de meest waarschijnlijke oorzaak van de longfibrose: ja/nee

    • 3. Is er longfunctieverlies: ja/nee

    • 4. Is de asbestose de meest waarschijnlijke oorzaak van het longfunctieverlies: ja/nee

    Indien alle vragen met ja zijn beantwoord zal het panellid aangeven hoe groot het longfunctieverlies is. Indien de meerderheid van de beoordelaars alle vragen met ja hebben beantwoord zal het Nederlands Asbestose Panel (NAP) het IAS de diagnose asbestose bevestigen met de bijbehorende AMA-klasse. Bij complexe casuïstiek houdt het panel zich het recht voor om haar conclusie te formuleren tijdens een plenaire vergadering van het panel. Uiteindelijk kan aan de hand van het longfunctieverlies het functieverlies volgens de AMA-klasse worden bepaald.

  • 4.3 Indien de behandelend longarts een aanzienlijke verslechtering van de longfunctie constateert, die naar verwachting leidt tot indeling in een hogere AMA-klasse, kan de aanvrager een verzoek indienen voor herbeoordeling. In dit geval neemt de medisch adviseur op basis van een nieuwe ‘medische machtiging’ opnieuw contact op met de behandelend longarts ter verkrijging van het bijgestelde medisch dossier. Indien uit het medisch dossier blijkt dat van een toename van de stoornis sprake is, beoordeelt het Nederlands Asbestose Panel (NAP) aan de hand van longfunctieonderzoek of betrokkene in een andere klasse moet worden geplaatst.

5. Medische informatieverstrekking

  • 5.1 De werkgever of diens verzekeraar kan zonder toestemming van de aanvrager geen aanspraak maken op een afschrift van het verslag van de medisch adviseur, noch van het Nederlands Asbestose Panel (NAP).

Bijlage 2. behorende bij artikel 1, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014

Protocol diagnostiek maligne mesothelioom

1. Algemeen

  • 1.1 Het maligne mesothelioom is een meestal snel dodelijk verlopend kwaadaardig proces dat primair uitgaat van een sereus vlies (weivlies) van het lichaam. Meestal gaat het hierbij om het longvlies (pleuraal maligne mesothelioom) doch het komt ook voor dat de ziekte uitgaat van het buikvlies (peritoneaal maligne mesothelioom) of, veel zeldzamer, het hartzakje (pericard) en het sereuze vlies van de teelbal (tunica vaginalis).

    Een relatie met beroepsmatige asbestcontacten is in het merendeel van de gevallen waarschijnlijk.

    De latentietijd tussen de blootstelling aan vrije asbestvezels en het zich ontwikkelen van het maligne mesothelioom is vrijwel altijd langer dan twintig jaar en bedraagt in de regel tussen de dertig en veertig jaar, doch ook een langere latentietijd, tot zeventig jaar, is waargenomen. Een latentietijd van minder dan vijftien jaar is uitzonderlijk.

  • 1.2 Het maligne mesothelioom is niet gekenmerkt door een specifiek symptomen-complex. Noch symptomatologie, lokalisatie, radiologisch beeld of klinisch beloop maken het mogelijk het maligne mesothelioom te onderscheiden van andere oorzaken.

    Hierdoor kan de diagnostiek problematisch zijn. Zo is het maligne mesothelioom in een aantal gevallen moeilijk te onderscheiden van (uitzaaiingen van) andere tumoren en bepaalde goedaardige aandoeningen.

    De grootst mogelijke zekerheid met betrekking tot de diagnose wordt verkregen door middel van histologisch onderzoek. In enkele gevallen kan met cytologisch onderzoek voldoende zekerheid verkregen worden.

2. Procedure met betrekking tot het onderzoek naar de diagnose

  • 2.1 Bij alle patiënten die mogelijk lijden aan de ziekte maligne mesothelioom en die zich gemeld hebben bij het Instituut asbestslachtoffers wordt door de medisch adviseur van het Instituut bij het Nederlands Mesotheliomenpanel (verder te noemen: NMP) geïnformeerd of reeds om een klinisch-pathologische beoordeling door het NMP is gevraagd. Indien dit zo is dan verzoekt de medisch adviseur van het instituut om een bevestiging van het oordeel van het NMP. Er vindt geen nieuw klinisch-pathologisch onderzoek plaats door het NMP tenzij er argumenten zijn op grond waarvan een nieuw of aanvullend onderzoek toch gerechtvaardigd kan worden. In dit laatste geval verzamelt de medisch adviseur, indien nodig, de relevante medische informatie zoals genoemd in punt 2.2.

  • 2.2 Indien het NMP niet in het kader van de behandeling een klinisch-pathologisch onderzoek heeft uitgevoerd, dan verzamelt de medisch adviseur van het instituut de relevante informatie, te weten:

    • de relevante klinische informatie over het ziekteproces. Dit houdt tenminste in een brief van de behandelend specialist en verslag(en) van de beeldvormende diagnostiek;

    • (zo mogelijk) de verslagen van de klinisch-patholoog, de coupes en de paraffineblokjes die betrekking hebben op de diagnose (het klinisch-pathologisch materiaal).

De volgende situaties kunnen worden onderscheiden:

  • a. Er is wel een klinisch-pathologisch onderzoek uitgevoerd doch daarbij is het NMP niet betrokken.

    Het NMP voert een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien het NMP over onvoldoende materiaal beschikt voor een betrouwbare diagnostiek dan meldt het NMP dit aan de medisch adviseur van het instituut. De medisch adviseur benadert de behandelend arts met de vraag of er aanvullend materiaal is of alsnog kan worden verkregen. Is dit het geval dan wordt het materiaal aan het NMP gezonden voor nader onderzoek. Indien geen aanvullend materiaal verkregen kan worden dan beoordeelt de medisch adviseur of op basis van de beschikbare medische gegevens een expert-beoordeling door een expertgroep van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (verder te noemen: NVALT) is aangewezen.

    Is dit naar de mening van de medisch adviseur het geval dan worden de beschikbare gegevens naar de expertgroep van de NVALT gezonden.

    Is dit naar de mening van de medisch adviseur van het instituut niet het geval dan staat de diagnose maligne mesothelioom onvoldoende vast.

  • b. Er is geen klinisch-pathologisch onderzoek uitgevoerd.

    De medisch adviseur van het instituut beoordeelt of op basis van de beschikbare medische gegevens er voldoende aanleiding is om een nader onderzoek in te stellen.

    Indien dit het geval is dan benadert de medisch adviseur van het instituut de behandelend arts met de vraag of er materiaal voor een klinisch-pathologisch onderzoek beschikbaar gesteld kan worden.

    Is dat het geval dan zendt de medisch adviseur het materiaal ter beoordeling door naar het NMP en voert deze een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien er onvoldoende materiaal is voor een betrouwbaar klinisch-pathologisch onderzoek dan meldt het NMP dit aan de medisch adviseur. De medisch adviseur benadert de behandelend arts met de vraag of er aanvullend materiaal is of alsnog kan worden verkregen. Is dit het geval dan wordt het materiaal aan het NMP gezonden en voert deze alsnog een klinisch-pathologisch onderzoek uit.

    Indien geen (aanvullend) materiaal verkregen kan worden dan beoordeelt de medisch adviseur of op basis van de beschikbare medische gegevens een beoordeling door de expertgroep van de NVALT is aangewezen.

    In het geval dat de medisch adviseur geen aanleiding heeft om een nader onderzoek in te stellen dan staat de diagnose maligne mesothelioom onvoldoende vast.

3. Procedure met betrekking tot het histologisch en cytologisch onderzoek door het NMP

  • 3.1 Wanneer reeds in het kader van de behandeling door het NMP een klinisch-pathologisch onderzoek was uitgevoerd dan wordt door het NMP binnen twee weken na ontvangst van het verzoek van de medisch adviseur het resultaat van het eerdere onderzoek medegedeeld indien er geen argumenten zijn voor een nieuw onderzoek.

  • 3.2 In de overige gevallen waarin het NMP door de medisch adviseur van het instituut wordt ingeschakeld stelt het NMP binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een voorlopig verslag op. Het voorlopig verslag heeft de opbouw van een standaard pathologieverslag bestaande uit:

    • de klinische gegevens;

    • een beschrijving van de macroscopie;

    • een beschrijving van de microscopie met daarin argumentatie voor de gestelde diagnose;

    • een voorlopige conclusie. Hierin wordt aangegeven of het gaat om een maligne mesothelioom (zeker of waarschijnlijk); of een maligne mesothelioom zeker of waarschijnlijk is uitgesloten; of er sprake is van onvoldoende materiaal voor een betrouwbare diagnostiek.

  • 3.3 Het voorlopig verslag wordt door het NMP toegestuurd aan het inzendende pathologielaboratorium en het Instituut asbestslachtoffers.

  • 3.4 Indien uit het voorlopig verslag van het NMP blijkt dat er zeker of waarschijnlijk sprake is van een maligne mesothelioom dan zal het Instituut Asbestslachtoffers een onderzoek beginnen naar het arbeidsverleden.

  • 3.5 Indien uit het voorlopig verslag blijkt dat het ingezonden materiaal onvoldoende basis biedt voor een betrouwbare diagnostiek dan zal het NMP dit melden aan de medisch adviseur van het instituut. De medisch adviseur zal beoordelen welke verdere procedure gevolgd moet worden.

  • 3.6 Het NMP komt (gemiddeld) eens in de twee maanden bijeen waarbij alle gevallen die in de daaraan voorliggende periode aan het NMP zijn voorgelegd worden beoordeeld. Deze beoordeling zal tenminste geschieden door drie leden van het panel.

    Het panel spreekt in de gevallen een definitieve conclusie uit.

  • 3.7 De definitieve conclusie wordt binnen vier werkdagen na de bijeenkomst van het NMP toegestuurd aan het inzendende pathologielaboratorium en naar het Instituut Asbestslachtoffers.

4. Beoordeling van het histologisch en cytologisch onderzoek door het NMP

  • 4.1 Bij de definitieve conclusie van het NMP zijn er de volgende categorieën:

    • I. Maligne mesothelioom. Er is geen twijfel over de diagnose;

    • II. Past bij een maligne mesothelioom. Er is enige twijfel doch het beeld past het meest bij een maligne mesothelioom. In de microscopie zal worden toegelicht waardoor de twijfel werd veroorzaakt;

    • III. Geen zekerheid. Er is een differentiaaldiagnose; in de microscopie wordt toegelicht waarop de onzekerheid met betrekking tot de diagnose berust en wat de andere mogelijkheden zijn;

    • IV. Geen maligne mesothelioom. Er is een andere diagnose;

    • V. Er is te weinig materiaal voor een betrouwbare diagnostiek.

  • 4.2 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorieën I. of II. staat de medische diagnose in voldoende mate vast.

  • 4.3 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorieën III. of IV. staat de medische diagnose in onvoldoende mate vast.

  • 4.4 In het geval van een definitieve conclusie die valt in de categorie V. wordt door de medisch adviseur van het instituut bezien of een oordeel van de expertgroep van de NVALT is geïndiceerd. Is dat het geval dan worden de beschikbare medische gegevens doorgezonden naar de expertgroep van de NVALT. Is dat niet het geval dan staat de diagnose maligne mesothelioom in onvoldoende mate vast.

5. Procedure met betrekking tot het expertoordeel van de NVALT

  • 5.1 De expertgroep van de NVALT bestaat uit de leden van de Mesotheliomenwerkgroep.

  • 5.2 Door een van de leden van de expertgroep van de NVALT zal binnen twee weken na ontvangst van de stukken die zijn toegezonden door de medisch adviseur van het instituut een voorlopige conclusie worden gezonden naar de medisch adviseur van het instituut. Indien daaruit blijkt dat een maligne mesothelioom waarschijnlijk geacht kan worden dan zal het instituut een onderzoek instellen naar het arbeidsverleden.

  • 5.3 De expertgroep van de NVALT zal binnen een periode van twee maanden de gevallen beoordelen. Deze beoordeling zal tenminste geschieden door drie leden van de expertgroep.

    De expertgroep spreekt in deze gevallen een definitieve conclusie uit.

  • 5.4 Indien de expertgroep van de NVALT de diagnose maligne mesothelioom bevestigt dan staat de medische diagnose in voldoende mate vast.

  • 5.5 De definitieve conclusie wordt binnen twee werkdagen na de bijeenkomst van de expertgroep van de NVALT toegestuurd naar het Instituut Asbestslachtoffers.

  • ^ [1]

    De matrix met de daarin opgenomen blootstellingsdrempels zal worden herzien indien de Gezondheidsraad in de toekomst hieromtrent anders adviseert.