Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels bemonsteringsplannen sanitaire monitoring

Geldend van 01-03-2014 t/m heden

Regeling van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 februari 2014, NVWA/14/1430/AtC, houdende vaststelling van de beleidsregels bemonsteringsplannen sanitaire monitoring

Artikel 1

De beleidsregels volgens welke de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit uitvoering geeft aan de taken en bevoegdheden als bevoegde autoriteit bedoeld in bijlage II, hoofdstuk II van verordening (EG) nr. 854/2004 zijn opgenomen in de Bijlage.

Artikel 2

Deze beleidsregels treden in werking op het tijdstip waarop de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren in werking treedt.

Artikel 3

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bemonsteringsplannen sanitaire monitoring.

Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Namens deze:

H. Paul,

De Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

Bijlage

Bemonsteringsplannen sanitaire monitoring

1. Achtergrond

1.1. Aanleiding

Vanaf 1 januari 2006 geldt in geheel Europa de Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne. Voor producten van dierlijke oorsprong gelden aanvullende specifieke voorschriften (Verordening (EG) nr. 853/2004). Tevens gelden specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) nr. 854/2003). In deze verordening zijn in bijlage II, hoofdstuk II, de officiële controles op levende tweekleppige weekdieren uit geclassificeerde productiegebieden gedefinieerd. Deze bijlage verwoordt hoe de controles en de beslissingen naar aanleiding van de controles op de geclassificeerde heruitzettings- en productiegebieden moeten plaatsvinden. Hiertoe dient een bemonsteringsplan te worden opgesteld. Dit document vormt de praktische invulling van het bemonsteringsplan en is gebaseerd op bijlage II, hoofdstuk II A t/m C van de Verordening (EG) nr. 854/2004.

1.2. Totstandkoming

De voorloper op dit document is in 2006 door het Productschap Vis, als de bevoegde autoriteit in 2006, in samenspraak met de exploitanten van de diverse levensmiddelenbedrijven in de schelpdierenbranche tot stand gekomen. Voor het opstellen van het sanitaire monitoringsprogramma, de bemonsteringplannen, zijn vier interessegebieden vastgesteld; te weten:

  • gebiedsindeling;

  • monsternamepunten en frequentie;

  • laboratorium en methode van onderzoek en

  • logistiek (monstername en transport).

Voor ieder interessegebied is een werkgroep geformeerd dat enkele malen bijeen is gekomen. De leden van de werkgroepen zijn exploitanten van de diverse levensmiddelenbedrijven in de volgende schelpdiersectoren:

  • mosselen bodemcultuur;

  • mosselen hangcultuur;

  • oester vissers- en cultuur;

  • mechanische kokkel vissers;

  • handkokkel vissers en

  • ensis vissers.

Daarnaast hebben de visserijkundige ambtenaren van het Ministerie LNV (thans EZ), directie Visserij en het RIKILT Wageningen UR een ondersteunende bijdrage geleverd. In 2012 heeft het Voedsel- en Veterinair Bureau (FVO – Food and Veterinary Office) van de Europese Commissie een audit uitgevoerd naar het controlesysteem voor de productie en het in de handel brengen van tweekleppige weekdieren. Opmerkingen inzake de Nederlandse productiegebieden zijn in dit document zoveel mogelijk meegenomen.

1.3. Afbakening

Uitgangspunt van de bemonsteringsplannen berusten op de geclassificeerde productiegebieden voor alle levende tweekleppige weekdieren, pecten uitgezonderd, zoals beschreven in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren. De plannen zijn niet van toepassing op levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen. Tevens zijn de bemonsteringsplannen niet van toepassing voor heruitzettingsgebieden. Op dit moment zijn er in Nederland geen heruitzettingsgebieden aangewezen. Wanneer er heruitzettingsgebieden aangewezen worden, zullen voor deze gebieden, indien noodzakelijk, ook bemonsteringsplannen worden vastgesteld.

De bemonsteringsplannen zijn gericht op de sanitaire kwaliteit van schelpdieren en omvat de monitoring op:

  • de microbiologische kwaliteit van de levende tweekleppige weekdieren;

  • de aanwezigheid van toxineproducerende algen;

  • de aanwezigheid van biotoxine in levende tweekleppige weekdieren en

  • het nagaan of er niet gewenste chemische contaminanten in levende tweekleppige weekdieren aanwezig zijn [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, B, 1b), 1c), 1d)].

1.4. Indeling bemonsteringsplan

Na dit inleidende hoofdstuk waarin de totstandkoming en de afbakening van het bemonsteringplan zijn verwoord, komt in hoofdstuk 2 de gebiedsindeling aan bod. Tevens wordt er invulling gegeven aan de verwatergebieden en de hangcultuurgebieden.

In hoofdstuk 3 wordt een concrete uitwerking gegeven aan de monstername punten en frequentie van de reguliere bemonstering en de herbemonstering (intensieve bemonstering). Hoofdstuk 4 geeft invulling aan de beslissingen die genomen worden naar aanleiding van de controles, met name naar aanleiding van overschrijdingen.

2. Gebiedsindeling

Aan gebieden in zee kunnen verschillende bestemmingen worden toegekend. Voor de productie en de verwatering van schelpdieren worden productiegebieden en verwatergebieden aangewezen in de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren. Geadviseerd wordt om die regeling steeds te raadplegen voor de meest actuele lijst met productie- en verwatergebieden.

2.1. Aanwijzing productiegebieden

Productiegebieden zijn gebieden in zee, in een lagune of in een estuarium waarin zich hetzij natuurlijke gronden voor tweekleppige weekdieren, hetzij voor de kweek van tweekleppige weekdieren gebruikte gebieden bevinden en waar levende tweekleppige weekdieren worden verzameld (Verordening (EG) nr. 853/2004).

De grenzen en de plaats van de Nederlandse productiegebieden zijn vastgesteld in Bijlage I bij de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren. De ligging van de verschillende gebieden is weergegeven in figuur 2.1. Gedetailleerdere indelingen staan in bijlage 1 t/m 7.

Bijlage 253264.png
Figuur 2.1. Ligging productiegebieden.

De aanwijzing van de Nederlandse productiegebieden is gebaseerd op de aanwezigheid van visserij en/of cultuur op levende tweekleppige weekdieren in het desbetreffende gebied (tabel 2.1) [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, A, 1), 2)].

Tabel 2.1. De aangewezen productiegebieden in Nederland.

Productiegebied

Aangewezen voor

Voornaamste visserijactiviteiten

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

Mesheften (ensis arcuratus, ensis minor, ensis siliqua, ensis americanus, ensis ensis)

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Halfgeknotte strandschelp (spisula subtruncata) en

– Stevige strandschelp (spisula solida);

– Nonnetjes (macoma balthica)

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mesheften (ensis arcuratus, ensis minor, ensis siliqua, ensis americanus, ensis ensis)

Westelijke Waddenzee Zuid

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (crassostrea gigas)

Westelijke Waddenzee Midden

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (crassostrea gigas)

Westelijke Waddenzee Noord

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (crassostrea gigas)

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Kokkels (cerastoderma edule);

– Oesters (crassostrea gigas)

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Kokkels (cerastoderma edule);

– Oesters (crassostrea gigas)

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Kokkels (cerastoderma edule);

– Oesters (crassostrea gigas)

Grevelingenmeer

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Oesters (ostrea edulis en Crassostrea gigas)

Veerse Meer

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (crassostrea gigas)

Oosterschelde Noord

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (ostrea edulis en crassostrea gigas);

Oosterschelde Midden

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (ostrea edulis en crassostrea gigas);

Oosterschelde West

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (ostrea edulis en crassostrea gigas);

Oosterschelde Oost

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Mosselen (mytilus edulis);

– Oesters (ostrea edulis en crassostrea gigas);

Westerschelde West

Alle tweekleppige weekdieren exclusief pecten

– Kokkels (cerastoderma edule)

Westerschelde Oost

Kokkels (Cerastoderma Edule)

– Kokkels (cerastoderma edule)

2.2. Indeling productiegebieden

2.2.1. Visserijzone

Op basis van bronnen van vervuiling, afwateringsgebieden en stroompatroon is de visserijzone ingedeeld in drie productiegebieden, allen binnen de 12-mijlszone (tabel 2.2).

Bronnen van vervuiling

De Noordzee kent nagenoeg geen directe bronnen van menselijke vervuilingen. Water van rioolwaterzuiveringsinstallaties1 komt in de Noordzee terecht via verschillende grote rivieren. Ter hoogte van Scheveningen in de Visserijzone Midden binnen de 12 mijlszone mondt de rioolwaterzuivering (RWZI) Houtrust uit. Deze RWZI is in beheer bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Er bevinden zich twee riooloverstorten2 binnen de Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone welke lozen op de Noordzee, één ter hoogte van Egmond aan Zee en één ter hoogte van Wijk aan Zee (figuur 2.2).

Bijlage 253265.png
Figuur 2.2. Bronnen van vervuiling rondom de Visserijzone.

Afwateringsgebieden

Via de grote rivieren stroomt zoetwater de Noordzee in. Via het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg komt polderwater via gemalen en gezuiverd rioolwater via de rioolwaterzuiveringsinstallaties van de grote steden Amsterdam, Rotterdam en lozingen van industriële afval- en koelwaterlozingen uiteindelijk in de Noordzee terecht. Het Noordzeekanaal is gesitueerd in Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone, de Nieuwe Waterweg ligt in Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone op de grens met Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone.

In Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone komt water via spui- en schutsluizen van het Haringvliet in de Noordzee terecht, alsmede via de verschillende Zeeuwse stromen, zoals de Oosterschelde en de Westerschelde. Zie hiervoor de toelichting verder in dit hoofdstuk.

Stroompatroon

Het stroompatroon wordt sterk bepaald door de getijden. Het verschil tussen hoog- en laagwater kan van veel zaken afhangen. Structureel bepalen de bodem en de kustvorm de hoogteverschillen en het verloop van het getij. Op de Noordzee komt een groot gedeelte van de ‘hoogwatermassa’ uit het Noorden en komt een klein gedeelte via het Kanaal uit het Zuiden. Die twee bewegingen die elkaar tegenkomen voor de Hollandse kust, veroorzaken het verschijnsel dat het niet keurig overal ‘6 uur afgaand en 6 uur opkomend water’ is (figuur 2.3). Ondanks bovenstaande komt voor de Hollandse kust het hoogwater toch uit het Zuiden op (‘het stroomt naar het Noorden’). De ebstroom naar het Zuiden is zwakker, omdat het afgaand tij langer duurt.

Incidentele verschillen op één plaats ontstaan door windrichting en windkracht. De wind kan het water metershoog opstuwen. Bij de Wadden is het niveauverschil tussen eb en vloed onder normale omstandigheden ongeveer 2 meter. In de Oosterschelde is het niveauverschil ongeveer 3 meter. In de Westerschelde meer dan 4 meter. Aan de Hollandse Noordzeekust is het 1,5 meter en aan de Belgische Noordzeekust is het bijna 4 meter.

Bijlage 253266.png
Figuur 2.3. Getijdenbewegingen langs de Nederlandse kust (nauticlink).
Tabel 2.2. De indeling van de Visserijzone.

Productiegebied

Grenzen ¹,²

Uitgezonderd

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

– een rechte lijn westwaarts vanaf de vuurtoren De Lange Jaap (bij Den Helder) tot de 12-mijlszone;

– de buitengrens van de-12 mijlszone tot aan de Nederlands-Duitse grens;

– de Nederlands-Duitse grens tot aan de basislijn;

– de basislijn vanaf het meest oostelijke punt (bij Rottumeroog) tot de vaste wal van Noord Holland.

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf lozingspunten binnen de grenzen van het productiegebied.

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

– een rechte lijn westwaarts vanaf de vuurtoren De Lange Jaap (bij Den Helder) tot de 12 mijlszone;

– de buitengrens van de 12-mijlszone tot de lijn recht op de rode lichten van de noordelijke strekdam van de inloop van de Nieuwe Waterweg, en vervolgens recht op deze strekdam tot de kust;

– de Noordzeekust van Zuid Holland;

– de Noordzeekust van Noord Holland.

– de gebieden in een straal van 1.500 m vanaf de mond van de haven van IJmuiden en vanaf de Maasmond (bij Hoek van Holland);

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf de mond van de havens van Katwijk en Scheveningen en vanaf het lozingspunt van de rioolpersleiding van ’s Gravenhage;

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf overige lozingspunten binnen de grenzen van het productiegebied.

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

– de buitengrens van het Nederlands continentaal plat vanaf Nederlands-Belgische grens (Zwin) (51.22,3205 NB / 3.21,7211 OL WGS84) tot aan de buitengrens van de 12-mijlszone;

– de buitengrens van de

– 12-mijlszone tot de lijn recht op de rode lichten van de noordelijke strekdam van de inloop van de Nieuwe Waterweg, en vervolgens recht op deze strekdam tot de kust;

– de Noordzeekust van Zuid Holland;

– de Noordzeekust van Zeeland tot de Nederlands-Belgische grens (Zwin).

– de haven van Stellendam;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf de mond van de haven van Stellendam;

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf overige lozingspunten binnen de grenzen van het productiegebied.

¹ De basislijn (nul-meter lijn) van de Nederlandse kust is de lijn die voorkomt op de meest recente grootschalige kaart van de Noordzee van de Dienst der Hydrografie en voorvloeit uit de Wet Grenzen Nederlandse Territoriale zee 1985.

² De 12 mijlszone is de maritieme grens die voorkomt op de meest recente uitgave van de middelgroot- en grootschalige kaarten van de Noordzee van de Dienst der Hydrografie.

2.2.2. Waddenzee en Eems

Op basis van mogelijke bronnen van vervuiling, afwateringsgebieden en voornamelijk stromingsprofielen is het gebied Waddenzee en Eems opgedeeld in zes productiegebieden: drie in het westelijke deel van de Waddenzee (Zuid, Midden en Noord) (tabel 2.3) en drie in het oostelijke deel van de Waddenzee (Friese Wad, Groninger Wad en Eems/Dollard) (tabel 2.4). In het productiegebied Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard vindt geen schelpdiervisserij plaats.

Bronnen van vervuiling

Het westelijke deel van de Waddenzee en Eems kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er vinden op verschillende plaatsen lozingen van gezuiverd rioolwater plaats. In de Westelijke Waddenzee Zuid vindt er lozing van de RWZI van Texel plaats. Op Texel waren vijf rioolwaterzuiveringsinstallaties, te weten: ’t Horntje, Oudeschild, Everstekoog, Oosterend en De Cocksdorp, in 2012 zijn de meeste RWZI’s komen te vervallen. Omdat voornamelijk tijdens het toeristisch hoogseizoen de capaciteit van de RWZI’s ‘t Horntje en De Cocksdorp te laag is, is de RWZI Everstekoog uitgebreid, zodat Texel voldoende capaciteit heeft om rioolwater te zuiveren. De enige nog werkzame RWZI op Texel is daardoor Everstekoog, welke in beheer is bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In de Westelijke Waddenzee Midden betreft het aan de Friese kust, RWZI Harlingen. Deze RWZI is in beheer bij Wetterskip Fryslân. In de Westelijke Waddenzee Noord betreft het de RWZI Terschelling en RWZI Vlieland (figuur 2.4).

Bijlage 253267.png
Figuur 2.4. Bronnen van vervuiling rondom de westelijke Waddenzee.

Ook het oostelijke deel van de Waddenzee en Eems kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er zijn in dit deel drie RWZI’s. In de Oostelijke Waddenzee Friese Wad is RWZI Ameland gesitueerd en in de Oostelijke Waddenzee Groninger Wad is RWZI Schiermonnikoog gesitueerd. Beide RWZI’s zijn in beheer bij Wetterskip Fryslân. Aan de Groningse kust is een RWZI gesitueerd, welke in verbinding staat met het Lauwersmeer, RWZI Ulrum. Deze is in beheer bij het Waterschap Noorderzijlvest. Verder is er in de Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard een RWZI in Delfzijl welke loost op het Eemskanaal (figuur 2.5).

Bijlage 253268.png
Figuur 2.5. Bronnen van vervuiling rondom de oostelijke Waddenzee.

Afwateringsgebieden

In het westelijke deel van de Waddenzee en Eems zijn drie schut- en spuisluizen. In de Westelijke Waddenzee Zuid vindt er uitwisseling van brak IJsselmeer water met de Waddenzee plaats door de Stevinsluizen (schutsluizen) en spuisluis bij Den Oever. De schut- en spuisluizen zorgen voor wateruitwisseling van zoet water. In de Westelijke Waddenzee Midden vindt tevens via de schut- en spuisluizen (Lorentzsluizen) bij Kornwerderzand uitwisseling van brak IJsselmeer water met de Waddenzee plaats. Daarnaast wordt in dit productiegebied bij Harlingen via de Tsjerk-Hiddessluis en een spuisluis water vanuit het Harinxmakanaal afgevoerd naar de Waddenzee.

In de Westelijke Waddenzee Zuid bevinden zich verschillende gemalen, welke lozen vanuit de polders op de Waddenzee, op Texel zijn dit gemaal De Schans en Dijkmanshuizen bij Oudeschild, gemaal Krassekeet bij Oosterend/Oost en gemaal De Cocksdorp bij De Cocksdorp. In Noord Holland wordt geloosd op de Westelijke Waddenzee Zuid via het gemaal De Helsdeur bij Den Helder. Het vaste land van Friesland voor het westelijke deel de Waddenzee en Eems bestaat voor een deel uit polders. Deze polders lozen polderwater via twee gemalen, waarvan één gelegen is in het westelijke deel van de Waddenzee. In de Westelijke Waddenzee Midden via het gemaal Roptazijl bij Roptazijl. In de Westelijke Waddenzee Noord wordt geloosd vanaf Terschelling op de Waddenzee bij de gemalen Nieuwe Sluis bij Kinnum en Liessluis bij Lies.

De polders in Friesland lozen in de Oostelijke Waddenzee Friese Wad via het gemaal H.G. Miedemagemaal (Zwarte Haan). Daarnaast bevindt zich op Ameland de Uitwateringsduiker Skutehon. In de Oostelijke Waddenzee Groninger Wad bevindt zich het lozingspunt van de HOWA (Hoogkerk-Waddenzeeleiding) bij Noordpolderzijl. In dit productiegebied wordt via de sluizen bij Lauwersoog uit het Lauwersmeergebied zoetwater aangevoerd in de Waddenzee.

In de Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard komt er via een spuisluis en schutsluizen water uit het Eemskanaal, via het Zeehavenkanaal van Delfzijl in de Waddenzee terecht. Op het Eemskanaal wordt water geloosd van RWZI Gamerwolde: de rioolwaterzuiveringsinstallatie van de stad Groningen. Daarnaast wordt geloosd via het gemaal Rozema bij Termunterzijl.

Stroompatroon

De Waddenzee wordt gekenmerkt door het getij. Tweemaal per dag bij eb en vloed komt met vloed miljarden kubieke meter water de Waddenzee binnen. Het niveauverschil tussen eb en vloed bedraagt ongeveer 2 meter. De Waddenzee beslaat een oppervlakte van 8.000 km2, waarvan zo´n 4.000 km2 bij laagwater droog valt.

Tabel 2.3. De indeling van de Waddenzee en Eems – westelijke Waddenzee.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Westelijke Waddenzee Zuid

– de basislijn vanaf de vuurtoren De Lange Jaap bij Den Helder, via het eiland Noorderhaaks naar Texel;

– de kust van Texel;

– een lijn van de vuurtoren Eierland op Texel (53.10,920 NB / 4.51,310 OL WGS84), (tussen de perceelblokken van Zuidoost Rak en Scheurrak) via een punt nabij de Paardenhoek /Scheurrak-Omdraai

– (53.08,699 NB / 5.09,553 OL WGS84), naar een punt in de knik op de Afsluitdijk ten westen van de sluizen van Kornwerderzand

– (53.04,021 NB / 5.17,759 OL WGS84);

– de Afsluitdijk;

– de kust van Noord Holland.

– de havens van Den Oever, ’t Horntje, Oudeschild en Den Helder;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Den Oever, ’t Horntje en Oudeschild;

– het gebied in een straal van 300 m vanaf de mond van de haven van Den Helder;

– het gebied in een straal van 300 m vanaf het lozingspunt van het gemaal ‘De Helsdeur’ (bij Den Helder);

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten vanaf het gemaal ‘Krassekeet’ (bij Oosterend), het gemaal ‘De Schans’ (bij Oudeschild), het gemaal ‘Dijkmanshuizen’ (bij Oudeschild) op Texel.

Westelijke Waddenzee Midden

– een lijn van de vuurtoren Eierland op Texel (53.10,920 NB / 4.51,310 OL WGS84), (tussen de perceelblokken van Zuidoost Rak en Scheurrak) via een punt nabij de Paardenhoek/Scheurrak-Omdraai (53.08,699 NB / 5.09,553 OL WGS84), naar een punt in de knik op de Afsluitdijk ten westen van de sluizen van Kornwerderzand (53.04,021 NB / 5.17,759 OL WGS84);

– de Afsluitdijk;

– de Friese kust;

– de rechte lijn gaande vanaf de kerktoren van Oosterbierum

– (53.14,043 NB / 05.30,627 OL WGS84) naar de vuurtoren Vuurduin op Vlieland (53.17,750 NB / 05.03,485 OL WGS84);

– de kust van Vlieland;

– de basislijn tussen Vlieland en Texel;

– de kust van Texel.

– de haven van Harlingen;

– het gebied in een straal van 300 m vanaf de mond van de haven van Harlingen;

– de sluizen van Kornwerderzand;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf de mond van de sluizen van Kornwerderzand;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf de lozingspunt van het gemaal ‘Roptazijl’ (bij Roptazijl);

– het gebied in een straal van 100 m vanaf het lozingspunt vanaf het gemaal ‘De Cocksdorp’ (bij De Cocksdorp) op Texel.

Westelijke Waddenzee Noord

– de rechte lijn van de Noordkaap op Terschelling (53.26,617 NB / 5.32,680 OL WGS84) zuidwaarts naar de Friese kust (53.16,266 NB / 5.33,765 OL WGS84);

– de kust van Friesland;

– de rechte lijn gaande vanaf de kerktoren van Oosterbierum

– (53.14,043 NB / 05.30,627 OL WGS84) naar de vuurtoren Vuurduin op Vlieland (53.17,750 NB / 05.03,485 OL WGS84);

– de basislijn tussen Vlieland en Terschelling;

– de kust van Terschelling.

– de havens van Oost-Vlieland en West-Terschelling;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Oost-Vlieland en West-Terschelling;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten ten westen van de jachthaven op Vlieland, de gemalen ‘Liessluis’ (bij Lies) en ‘Nieuwe Sluis’ (bij Kinnum) op Terschelling.

Tabel 2.4. De indeling van de Waddenzee en Eems – oostelijke Waddenzee.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

– de basislijn van Ameland naar Terschelling;

– de rechte lijn van de Noordkaap op Terschelling (53.26,617 NB / 5.32,680 OL WGS84) zuidwaarts naar de kust van Friesland

– (53.16,266 NB / 5.33,765 OL WGS84);

– de kust van Friesland;

– de rechte lijn gaande vanaf het groene havenlicht van de haven van Lauwersoog (53.24,686 NB / 06.11,977 OL WGS84) via twee punten ten westen van de Zoutkamperlaag (53.25,836 NB / 06.06,325 OL WGS84) (53.27,222 NB / 06.04,011 OL WGS84) naar een punt midden in het Westgat op de basislijn tussen Ameland en Schiermonnikoog (53.28,690 NB / 06.04,568 OL WGS84);

– de basislijn tussen Schiermonnikoog en Ameland;

– de kust van Ameland.

– de haven van Nes;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf de mond van de haven van Nes;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf het lozingspunt van het ‘H.G. Miedemagemaal’ (bij Zwarte Haan/Sint-Jacobiparochie);

– het gebied in een straal van 100 m vanaf het lozingspunt vanaf de Uitwateringsduiker ‘Skutehon’.

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

– de rechte lijn gaande vanaf het groene havenlicht van de haven van Lauwersoog (53.24,686 NB / 06.11,977 OL WGS84) via twee punten ten westen van de Zoutkamperlaag (53.25,836 NB / 06.06,325 OL WGS84) (53.27,222 NB / 06.04,011 OL WGS84) naar een punt midden in het Westgat op de basislijn tussen Ameland en Schiermonnikoog (53.28,690 NB / 06.04,568 OL WGS84);

– de basislijn tussen Ameland en Schiermonnikoog;

– de kust van Schiermonnikoog;

– de basislijn tussen Schiermonnik-oog en het meest oostelijke punt van de basislijn (bij Rottumeroog)

– tot de Nederlands-Duitse grens;

– de Nederlands-Duitse grens;

– de rechte lijn vanaf een punt haaks op de Nederlands-Duitse grens naar het groene havenlicht van de Eemshaven (53.27,744 NB / 06.50,088 OL WGS84);

– de kust van Groningen.

– de havens van Noordpolderzijl, Lauwersoog, Schiermonnikoog;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Noordpolderzijl, Lauwersoog en Schiermonnikoog;

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf de lozingspunten van de vuilwaterpersleiding bij Hoogkerk (Groningen).

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard*

– de rechte lijn vanaf een punt haaks op de Nederlands-Duitse grens naar het groene havenlicht van de Eemshaven (53.27,744 NB / 06.50,088 OL WGS84);

– de Nederlands-Duitse grens;

– de kust van Groningen.

– de haven van Eemshaven;

– het gebied in een straal van 300 m vanaf de mond van de haven van Eemshaven.

* voor de begrenzing van de Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard is uitgegaan van de Nederlandse grensbepaling (midden Eems/Dollard).

2.2.3. Grevelingenmeer

Op basis van afwateringsgebieden en stroompatroon in het productiegebied is het Grevelingenmeer niet verder onderverdeeld (tabel 2.4).

Bronnen van vervuiling

Het Grevelingenmeer kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er zijn geen rioolwaterzuiveringsinstallaties die hun (gezuiverde) water lozen op het Grevelingenmeer.

Bijlage 253269.png
Figuur 2.6. Bronnen van vervuiling rondom het Grevelingenmeer.

Afwateringsgebieden

Het land rondom het Grevelingenmeer bestaat voornamelijk uit polders. Deze polders lozen via verschillende gemalen van het Waterschap Scheldestromen op het Grevelingenmeer. Aan de noordzijde van het Grevelingenmeer betreffen dit de gemalen Kilhaven, De Drie Polder en gemaal Battenoord. Aan de zuidzijde van het Grevelingenmeer betreffen dit het gemaal Den Osse (via de haven van Den Osse) en het gemaal Dreischor (figuur 2.6).

Stroompatroon

Als gevolg van de afdamming is het Grevelingenmeer ontstaan en is de eb- en vloedbeweging verdwenen. Het waterpeil ligt vast op 0,2 meter beneden NAP waardoor ondiepe delen, die voorheen alleen bij eb droogvielen, voorgoed boven water zijn komen te liggen. Het Grevelingenmeer staat in verbinding met de Noordzee door middel van een sluis in de Brouwersdam. Hierdoor wordt het water in het Grevelingenmeer regelmatig ververst met zout Noordzeewater.

Tabel 2.4. De indeling van het Grevelingenmeer.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Grevelingenmeer

– de Grevelingendam;

– de kust van Schouwen Duiveland;

– de Brouwersdam;

– de kust van Goeree Overflakkee.

– de havens van Bruinisse, Aqua Delta, Brouwershaven, Den Osse, Scharendijke, Port Zélande, Ouddorp en Herkingen;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Bruinisse, Aqua Delta, Brouwers-haven, Den Osse, Scharendijke, Port Zélande, Ouddorp en Herkingen;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf het gemaal ‘Dreischor’ (bij Dreischor) en vanaf de lozingspunten ‘Kilhaven’ (Kop van Goeree), ‘De Drie Polders’ (bij Herkingen), en ‘Battenoord’ (bij Battenoord).

2.2.4. Veerse Meer

Op basis van afwateringsgebieden en stroompatroon in het productiegebied is het Veerse Meer is niet verder onderverdeeld. En er is nagenoeg geen stroompatroon aanwezig (tabel 2.5).

Bronnen van vervuiling

Het Veerse Meer kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er zijn geen rioolwaterzuiveringsinstallaties die hun (gezuiverde) water lozen op het Veerse Meer.

Bijlage 253270.png
Figuur 2.7. Bronnen van vervuiling rondom het Veerse Meer.

Afwateringsgebieden

Het land rondom het Veerse Meer bestaat voornamelijk uit polders. Deze polders lozen via verschillende gemalen van het Waterschap Scheldestromen op het Veerse Meer. Op Noord-Beveland wordt geloosd via de gemalen Jacoba, Willem en Adriaan. Op Zuid-Beveland via de gemalen Oranjeplaat, De Piet, Muidenweg, Oosterlandpolder en Wilhelminapolder. Op Walcheren via de gemalen Oostwatering, Kieverskerke en Aalvanger (figuur 2.7).

Stroompatroon

Als gevolg van de afdamming is het Veerse Meer ontstaan en is de eb- en vloedbeweging nagenoeg verdwenen (de getijdenbeweging bedraagt circa 15 cm). In de zomer ligt het waterpeil op 0,05 meter beneden NAP. In de winter van 2009 lag het waterpeil op 50 cm onder NAP. Het winterpeil wordt in 2010 en 2011 verhoogd met 10 cm, zodat het winterpeil uiteindelijk op 30 cm onder NAP ligt. Het Veerse Meer staat door middel van een doorlaatmiddel (uitwateringssluis) in open verbinding met de Oosterschelde.

Tabel 2.5. De indeling van het Veerse Meer.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Veerse Meer

– de Veerse Gatdam;

– de kust van Walcheren;

– de kust van Zuid Beveland;

– de Zandkreekdam

– en -sluis;

– de kust van Noord Beveland.

– de havens van Kortgene, Wolphaartsdijk, Veere (inclusief jachthaven Oostwatering), Arnemuiden (Oranjeplaat) en Kamperland;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Kortgene, Wolphaartsdijk, Veere (inclusief jachthaven Oostwatering), Arnemuiden (Oranjeplaat) en Kamperland.

2.2.5. Oosterschelde

Op basis van bronnen van vervuiling, afwateringsgebieden en stroompatroon is de Oosterschelde opgedeeld in vier productiegebieden (Noord, Midden, West en Oost) (tabel 2.6).

Bronnen van vervuiling

De Oosterschelde kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er vinden op twee plaatsen in de Oosterschelde lozingen van gezuiverd rioolwater plaats. Deze twee rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) zijn in beheer bij het Waterschap Scheldestromen. Het betreffen in Oosterschelde Noord de RWZI Mastgat en in Oosterschelde West de RWZI Westerschouwen. Met de indeling is rekening gehouden met lozingen van deze twee rioolwaterzuivingsinstallaties, omdat in de Oosterschelde productie van schelpdieren in de buurt van deze rioolwaterzuiveringsinstallaties plaats vindt.

Bijlage 253271.png
Figuur 2.8. Bronnen van vervuiling rondom de Oosterschelde.

Afwateringsgebieden

Het land rondom de Oosterschelde bestaat voor het grootste deel uit polders. Deze polders lozen polderwater via verschillende gemalen op de Oosterschelde. In Oosterschelde Noord via gemaal De Luyster en via gemaal Duiveland. In Oosterschelde Midden via de gemalen ’t Sas, Zuidhoek (beiden in Zierikzee), P.J.J. Dekker en De Noord. In Oosterschelde West via gemaal Prommelsluis en via gemaal De Valle (via de haven van Colijnsplaat). In Oosterschelde Oost via gemaal J.A. v.d. Graaff en via gemaal Loohoek. Daarnaast mondt in het kanaal door Zuid-Beveland het gemaal De Moer uit. Dit kanaal heeft een open verbinding met Oosterschelde Midden.

Naast poldergemalen komt er schutwater in de Oosterschelde door sluizen met aangrenzende wateren. In Oosterschelde Noord betreft dit de Grevelingensluis, de verbinding met het Grevelingenmeer, en de Krammersluis, de verbinding met het Volkerak. In Oosterschelde Midden vindt uitwisseling plaats door de Zandkreeksluis en de Spuisluis, de verbindingen met het Veerse Meer. De spuisluis zorgt ervoor dat er bij hoog water schoon Oosterschelde water in het brakke Veerse Meer stroomt en bij laag water mogelijk brak water afvoert. Deze spuisluis is sinds het najaar van 2004 in werking getreden. In Oosterschelde Oost vindt wateruitwisseling plaats door de Bergsediepsluis, de verbinding met het Zoommeer.

Tevens vindt er uitwisseling plaats tussen de Westerschelde en het Kanaal van Zuid-Beveland door de Sluizen van Hansweert. Echter, de afstand van Hansweert tot aan de Oosterschelde (Midden) bedraagt meer dan 8 km. Het is denkbaar dat uitwisseling daardoor nagenoeg niet plaatsvindt. Met de indeling is rekening gehouden met de wateruitwisseling van de verschillende sluizen.

Stroompatroon

De Oosterschelde is een getijdengebied. De totale oppervlakte is circa 33.000 ha. Iedere zes uur komt tijdens de vloed 1.100 miljoen m3 water de Oosterschelde binnen en tijdens de volgende zes uur stroomt een zelfde hoeveelheid water terug de Noordzee in. Het niveauverschil veroorzaakt door eb en vloed is ongeveer 3 meter.

Tabel 2.6. De indeling van het gebied Oosterschelde.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Oosterschelde Noord

– de rechte lijn van het uiteinde van de Zuidbout te Ouwerkerk (51.36,8460 NB / 3.57,5219 OL WGS84) naar een punt gelegen tussen de dijkpalen 856 en 857 op de kust van Tholen (51.35,8153 NB / 4.01,0956 OL WGS84);

– de kust van Schouwen Duiveland;

– de Grevelingendam;

– de Philipsdam;

– de kust van Sint Philipsland;

– de Mosselkreekdam;

– de kust van Tholen.

– de havens van Bruinisse, Sint Philipsland en Sint Annaland;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Bruinisse, Sint Philipsland en Sint Annaland;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten van de Krammersluizen, het gemaal ‘De Luyster’ (op Sint Philipsland), het gemaal ‘Duiveland’ (bij Ouwerkerk) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie ‘Mastgat’ (bij Oosterland);

– verwatergebieden, bedoeld in artikel 3 en artikel 6, eerste lid, onder d, en heruitzettingsgebieden, bedoeld in artikel 4 en artikel 6, eerste lid, onder e.

Oosterschelde Midden

– de kust van Schouwen Duiveland;

– de rechte lijn van het uiteinde van de Zuidbout te Ouwerkerk (51 36,8460 NB / 3 57,5219 OL WGS84) naar een punt gelegen tussen de dijkpalen 856 en 857 op de kust van Tholen (51.35,8153 NB / 4.01,0956 OL WGS84);

– de kust van Tholen;

– de rechte lijn van het sectorlicht van Gorishoek (51.31,5244 NB / 4.04,5969 OL WGS84) naar de hoek van de Kijkuit te Yerseke (51.30,2058 NB / 4.03,2184 OL WGS84);

– de kust van Zuid Beveland;

– de Zandkreekdam;

– de kust van Noord Beveland;

– de rechte lijn van het licht op het westelijke haven-hoofd van Colijnsplaat (51.36,2399 NB / 3.51,0167 OL WGS84), naar het licht op het westelijke havenhoofd van Zierikzee (51.37,9058 NB / 3.53,3908 OL WGS84).

– de havens van Stavenisse (inclusief het havenkanaal van Stavenisse), Wemeldinge en Kats;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Wemeldinge en Kats;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van het havenkanaal van Stavenisse en het Kanaal door Zuid-Beveland;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten van het gemaal ‘De Noord’ (bij Sint Maartensdijk) en het gemaal ‘P.J.J. Dekker’ (bij Wemeldinge);

– Het gebied in een straal van 100 m vanaf de sluis van het havenkanaal naar Goes (Het Sas);

– het gebied in een straal van 50 m van het remmingswerk bij Yerseke (inlaat verswaterpijp) ter hoogte van boei

– SvI 7 (51.30,203 NB / 3.03.239 OL WGS84).

Oosterschelde West

– de kust van Noord Beveland;

– de rechte lijn van het licht op het westelijke haven-hoofd van Colijnsplaat (51.36,2399 NB / 3.51,0167 OL WGS84), naar het licht op het westelijke havenhoofd van Zierikzee (51.37,9058 NB / 3.53,3908 OL WGS84).

– de kust van Schouwen Duiveland;

– de Oosterscheldekering.

– de havens van Zierikzee (inclusief het havenkanaal van Zierikzee), Colijnsplaat, Sophiahaven (Roompot Marina) en Burghsluis;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de mond van de havens van Colijnsplaat, Sophiahaven (Roompot Marina) en Burghsluis;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf het lozingspunt van het gemaal ‘Prommelsluis’ (bij Kerkwerve).

Oosterschelde Oost

– de rechte lijn van het sectorlicht van Gorishoek (51.31,5244 NB / 4.04,5969 OL WGS84) naar de hoek van de Kijkuit te Yerseke (51.30,2058 NB / 4.03,2184 OL WGS84);

– de kust van Zuid Beveland;

– de Oesterdam;

– de kust van Tholen.

– de haven van Yerseke;

– het gebied in een straal van

– 100 m vanaf de mond van de haven van Yerseke;

– de geul langs de Korringaweg te Yerseke;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten van het gemaal ‘Loohoek’ (bij Poortvliet) en het gemaal ‘J.A. van de Graaff’ (bij Rilland);

– het gebied in een straal van

– 50 m van het remmingswerk bij Yerseke (inlaat verswaterpijp) ter hoogte van boei SvI 7 (51.30,203 NB / 3.03.239 OL WGS84);

– verwatergebieden, bedoeld in artikel 3 en artikel 6, eerste lid, onder d, en heruitzettingsgebieden, bedoeld in artikel 4 en artikel 6, eerste lid, onder e.

Hangcultuurgebieden

Hangcultuurgebieden maken onderdeel uit van de productiegebieden, met name in de Oosterschelde (tabel 2.7). Het betreffen gebieden in een estuarium die gebruikt worden voor de kweek van tweekleppige weekdieren. De methode van kweken wijkt af ten opzichte van de bodemcultuur. De microbiologische kwaliteit van de levende tweekleppige weekdieren van hangcultuurkweek, opgroei in de waterkolom, kunnen mogelijk verschillen van microbiologische kwaliteit van de levende tweekleppige weekdieren die opgegroeid zijn op de bodem3.

Tabel 2.7. Hangcultuurgebieden in de Oosterschelde.

Hangcultuurgebied

Grenzen

Productiegebied

Hang 1 en 4

Deel van de Oosterschelde (werkhaven Oostkop) aan de Grevelingendam gemeente Schouwen Duiveland zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Noord

Hang 2

Deel van de Oosterschelde (Krammer) nabij de sluis in de Grevelingendam te Bruinisse zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Noord

Hang 6

Deel van de Oosterschelde (voormalige veer-haven te Anna Jacobapolder) zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Noord

Hang 8

Deel van de Oosterschelde (westzijde van de Philipsdam) zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Noord

Hang 7

Deel van de Oosterschelde (Tholense Gat) nabij de Bergsediepsluis in de Oesterdam zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Oost

Hang 10

Deel van de Vluchthaven Neeltje Jans aan de westzijde van de Oosterscheldekering zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde West

Hang 11

Deel van de Oosterschelde (voormalige veerhaven Zijpe gemeente Bruinisse) zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde Noord

Hang 9

De compartimenten 2 en 3 van de voormalige bouwput Schaar van Neeltje Jans aan de Oosterscheldekering zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde West

Hang 12 en 13*

Twee delen van de Mattenhaven aan de Oosterscheldekering zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

Oosterschelde West

* Nog niet als zodanig vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

2.2.6. Verwatergebieden in de Oosterschelde

Verwatergebieden (tabel 2.8) zijn gebieden op natuurlijke gronden waar verwatering plaatsvindt. Verwatering is de behandeling waarbij levende tweekleppige weekdieren die komen uit productiegebieden van klasse A, zuiveringscentra of verzendingscentra, worden opgeslagen in bassins of andere installaties met schoon zeewater, dan wel op natuurlijke gronden ten einde zand, slik of slijm te verwijderen en organoleptische eigenschappen te behouden of te verbeteren, en om ervoor te zorgen dat zij in goede staat van vitaliteit verkeren voordat de (onmiddellijke) verpakking wordt aangebracht [Verordening (EG) nr. 853/2004, Bijlage I, 2, definitie 2.3]. Wanneer de verwatering op natuurlijke gronden plaatsvindt, kunnen alleen gebieden worden gebruikt, die door de bevoegde autoriteit zijn ingedeeld als gebied met een klasse A [Verordening (EG) nr. 853/2004 Bijlage III, sectie VII, hoofdstuk II, B, 1 d)]. Tevens mogen alleen tweekleppige weekdieren op de natuurlijke gronden verwaterd worden als zij voldoen aan de klasse A [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, hoofdstuk II, B, 1 a)].

De grenzen en de plaats van de Nederlandse verwatergebieden zijn in 2006 door het Productschap Vis, bevoegde autoriteit in 2006, in overleg met de exploitanten van de schelpdierbranche vastgesteld.

Voor de indeling van de verwatergebieden voor monitoring van de microbiologische kwaliteit is, waar mogelijk en van toepassing is, rekening gehouden met:

  • de bronnen van vervuiling van menselijke of dierlijke oorsprong;

  • het vrijkomen van organische verontreinigde stoffen gedurende verschillende perioden van het jaar te onderzoeken, rekening houdend met onder andere afwateringsgebied, neerslagniveaus en de behandeling van afvalwater en

  • de stroompatronen, dieptemetingen en de getijdencyclus in het productiegebied

    [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, A, 6 a) b) c)].

Daarnaast is voor de indeling van de verwatergebieden de gesteldheid van de bodem van belang om zand, slik of slijm te verwijderen en organoleptische eigenschappen te behouden of te verbeteren.

Aanwijzing verwatergebieden

De aanwijzing van de Nederlandse verwatergebieden4 is gebaseerd op het verwateren van levende tweekleppige weekdieren op natuurlijke gronden en bassins. Deze behoefte komt voort uit de Nederlandse manier van produceren en verwerken van tweekleppige weekdieren.

Tabel 2.8. De indeling van de Verwatergebieden.

Productiegebied

Soort verwatering tweekleppige weekdieren

Verwatergebieden

Verwatering is van toepassing op de tweekleppige weekdieren:

Mosselen (Mytilus edulis)

Oesters (Ostrea edulis) en (Crassostrea gigas)

2.2.7. Westerschelde

Op basis van de mogelijke bronnen van vervuiling, afwateringsgebieden en stromingsprofielen is een indeling van de productiegebieden Westerschelde Oost en Westerschelde West gemaakt voor dat deel van de Westerschelde dat aangewezen is als productiegebied (tabel 2.9).

Bronnen van vervuiling

De Westerschelde kent geen vervuiling van menselijke oorsprong. Er vinden op zes plaatsen in de Westerschelde lozingen van gezuiverd rioolwater plaats, allen in beheer van het Waterschap Scheldestromen. Het betreft in Westerschelde Oost de RWZI Willem Anna Polder (bij ’s-Gravenpolder). In Westerschelde West de RWZI Walcheren (Ritthem), de RWZI Breskens en de RWZI De Drie Ambachten (Terneuzen) (figuur 2.9).

Daarnaast zijn er nog twee rioolwaterzuiveringsinstallaties die buiten de productiegebieden Westerschelde West en Westerschelde Oost vallen. Dit betreffen de RWZI Waarde en de RWZI Kloosterzande, deze liggen beiden ten oosten van het productiegebied Westerschelde Oost. Naast lozingen van gezuiverd rioolwater via rioolwaterzuiveringsinstallaties vinden er industriële afval- en koelwaterlozingen plaats. Deze vinden voornamelijk plaats rondom de havens van Terneuzen en Vlissingen. Daarnaast komen er twee Belgische rioolwaterzuiveringsinstallaties uit op de Westerschelde. Dit betreffen de RWZI Schijnpoort (Deurne – Antwerpen) en de RWZI Merksum, deze vallen buiten de productiegebieden.

Bijlage 253272.png
Figuur 2.9. Bronnen van vervuiling rondom de Westerschelde.

Afwateringsgebieden

Ook de Westerschelde is rondom gekenmerkt met polderlandschap. Deze polders lozen via gemalen op de Westerschelde. In Westerschelde Oost via de gemalen Groenewege en Maelstede en via het gemaal Campen, bij de haven van Kruiningen ligt het gemaal Joh. Glerum. In Westerschelde West via de gemalen Hellewoud, Borssele, Quarles en Zuidwatering en via de gemalen Othene (Otheense Kreek), Nummer Eén, Nieuwe Sluis en Cadzand. Ook zijn er nog een aantal gemalen die lozen in de Westerschelde die buiten de productiegebieden Westerschelde Oost en Westerschelde West vallen (zoals de gemalen Waarde en Paal).

In Westerschelde West komt via de Sluizen van Terneuzen, de verbinding met het Kanaal van Gent naar Terneuzen en via de Sluizen bij Vlissingen, de verbinding met het Veerse Meer via het Kanaal door Walcheren schutwater in de Westerschelde. In Westerschelde Oost gebeurt dit via de Sluizen van Hansweert, de verbinding met de Oosterschelde via het Kanaal door Zuid-Beveland.

Stroompatroon

De Westerschelde is een open estuarium met een totaal oppervlak van circa 47.000 ha, die ongehinderd met de zee in verbinding staat en onder invloed staat van de getijde beweging. Er is een groot verschil tussen eb en vloed. Bij Vlissingen bedraagt dat verschil ongeveer 4 meter. Bij elke vloed stroomt er ongeveer 1 miljard m3 zeewater tussen Vlissingen en Breskens de Westerschelde binnen. Diezelfde enorme hoeveelheid stroomt ook twee keer per etmaal weer naar buiten. Door die stroming ontstaan allerlei geulen.

Tabel 2.9. De indeling van het gebied Westerschelde.

Productiegebied

Grenzen

Uitgezonderd

Westerschelde Oost

– de kust van Zuid Beveland.

– de rechte lijn van de hoek van Ellewoutsdijk (51.23,1286 NB / 3.48,7594 OL WGS84) naar Eendragt (nabij Terneuzen) (51.21,4410 NB / 3.54,3244 OL WGS84);

– de kust van Zeeuws Vlaanderen;

– de rechte lijn van oostelijke dam van de vroegere veerhaven Kruiningen

– (51.26,3458 NB / 4.00,7774 OL WGS84) naar de oostelijke havendam van de vroegere veerhaven Perkpolder

– (51.24,0396 NB / 4.01,3187 OL WGS84).

– de havens van Perkpolder, Hoedekenskerke, Hansweert en Kruiningen;

– het Kanaal door Zuid-Beveland;

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf de mond van de havens van Perkpolder, Hansweert en Kruiningen;

– het gebied in een straal van 300 m vanaf de mond van het Kanaal door Zuid-Beveland;

– het gebied rondom het lozingspunt van het gemaal Campen, omvattende het gedeelte van de Platen van Hulst dat ligt tussen de lijn gaande van de hoek van de Kamperse Dijk, loodrecht op de laagwaterlijn en de daaraan evenwijdige lijn op een afstand van 1 km in noordoostelijke richting;

– het gebied rondom het lozingspunt van het gemaal Maelstede, omvattende de Biezelingsche Ham;

– het gebied in een straal van 100 m vanaf het lozingspunt van de rioolwaterzuivering Willem-Annapolder.

Westerschelde West

– de lijn gaande van de hoek van Ellewoutsdijk (51.23,1286 NB / 3.48,7594 OL WGS84)

– naar Eendragt (nabij Terneuzen)

– (51.21,4410 NB / 3.54,3244 OL WGS84);

– de kust van Zeeuws Vlaanderen tot aan de Nederlands-Belgische grens (Zwin)

– (51.22,3205 NB / 3.21,7211 OL WGS84);

– de basislijn vanaf deze grens naar het Molenhoofd te Westkapelle

– (51.31,5842 NB / 3.26,0520 OL WGS84);

– de kust van Walcheren en Zuid Beveland.

– de havens van Terneuzen, Braakmanhaven, Breskens, Vlissingen en Vlissingen-Oost (Sloehaven);

– de gebieden in een straal van 300 m vanaf de mond van de havens van Terneuzen, Braakmanhaven, Breskens, Vlissingen en Vlissingen-Oost (Sloehaven);

– het gebied in een straal van 300 m vanaf de mond van het Kanaal Terneuzen-Gent;

– de gebieden in een straal van 100 m vanaf de lozingspunten ‘Otheense Kreek’ (bij Terneuzen), ‘Nummer Een’ (bij Slijkplaat), ‘Nieuwe Sluis’ (ten westen van Breskens), gemaal ‘Cadzand’ (bij Cadzand-Bad), gemaal ‘Zuidersluis’ (bij Ritthem), ‘Borssele’ (bij Borssele), ‘Hellewoud’ (bij Ellewoutsdijk) en de uitwaterende sluis (bij Ellewoutsdijk).

2.3. Indeling productiegebieden op basis van aanwezigheid chemische contaminanten

Voor de bepaling van aanwezigheid van chemische contaminanten wordt gebruik gemaakt van de productiegebieden zoals vastgesteld in Bijlage I bij de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren. Zie paragraaf 2.1 van dit hoofdstuk [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, A, 1)].

Daarnaast kan worden opgemerkt dat er, naast de Verordeningen inzake levensmiddelenhygiëne voor producten van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) nr. 852/2004, 853/2004 en 854/2004), er de Kaderrichtlijn Water is (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid). Deze richtlijn beoogt een goede waterkwaliteit voor de schelpdieren. Deze functie is toegekend aan een deel van de Noordzee (voordelta), de Waddenzee (Waddenzee, Waddenzee vastelandkust en de Eems-Dollard kust) en het Zeeuwse Deltagebied (Grevelingenmeer, Oosterschelde en Westerschelde).

Om de waterkwaliteit te beoordelen zijn verschillende parameters gedefinieerd, waarvan er een aantal alleen bij vermoeden van onvoldoende kwaliteit moeten worden getoetst.

3. Monsterpunten en frequentie

De Verordening geeft aan dat door de bevoegde autoriteit een monstername programma voor tweekleppige weekdieren opgezet moet worden. Dit monstername programma dient op basis van onderzoek van verzamelde gegevens, met een zodanig aantal monsters en een zodanige geografische spreiding en frequentie van de bemonsteringspunten dat de resultaten zo representatief mogelijk zijn voor het betrokken gebied [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, A, 6 d)/ B, 2].

3.1. Monsternameprogramma

De bepaling van de plaats en het aantal monsters van de bemonsteringspunten in de productiegebieden voor de bepaling van de microbiologische kwaliteit5 van levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:

  • de geografische spreiding

    [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, A, 6 d)];
  • de visserijactiviteiten.

Als er (tijdelijke) geen visserijactiviteiten plaatsvinden, vindt er geen bemonstering plaats of vindt bemonstering met een lage frequentie plaats, afhankelijk van de oorzaak en soort visserijactiviteiten.

Geografische spreiding

Er zijn dusdanig vier monsterpunten per gebied gekozen, dat er een geografische spreiding wordt gewaarborgd. De keuze van vier monsterpunten is gebaseerd op het rapport ‘Evaluatie monitoring sanitaire kwaliteit schelpdieren’ [rapport DK nr. 2005/dk009, Ede 2005 / rapport TNO Voeding nr. V6301, Zeist 2005]. Het rapport geeft door middel van grafieken aan, dat de signaleringskans met meer dan vier monsters per gebied nauwelijks toeneemt.

De bepaling van de plaats van de monstername voor de bepaling van de aanwezigheid van toxineproducerend plankton en de aanwezigheid van biotoxine in levende tweekleppige weekdieren is gebaseerd op:

  • de stroompatronen;

  • de geografische spreiding;

  • de perioden van algenbloei en

  • de visserijactiviteiten.

Afhankelijk van het voorkomen van de soorten tweekleppige weekdieren in een productiegebied zal zo veel mogelijk geprobeerd moeten worden tweekleppige weekdieren te bemonsteren, die het meest vatbaar zijn voor accumulatie van mariene biotoxine [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, B, 4 b)/6].

Voor alle monsternamepunten geldt dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de hierna genoemde punten, maar dit is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er geen schelpdieren op beschikbaar zijn. Het kan dus voorkomen dat andere (naastgelegen) percelen worden gebruikt voor de monstername. In geval er perceelblokken vermeld staan, kan een monster van elk van de genoemde percelen afkomstig zijn.

3.1.1. Visserijzone

De Visserijzone is ingedeeld in 3 productiegebieden; Noord, Midden en Zuid binnen de 12-mijlszone. Omdat de visserij van tweekleppige weekdieren in de Visserijzone voornamelijk visserij op spisula en ensis (zwaarschedes) betreft, zijn er geen vaste terugkerende visgebieden (banken) aan te wijzen, zoals bij schelpdierkweek aan de orde is. De monstername van de Visserijzone vindt plaats door de vissers zelf. Dit heeft te maken met de specifieke vangsttechnieken van de spisula- en ensisvisserij. De plaats van de monstername in desbetreffende productiegebieden kan dan ook per monstername verschillen. Uitgangspunt is om de monsterplaatsen dusdanig te selecteren, dat een geografische verdeling in het productiegebied gewaarborgd kan worden (tabel 3.1). In de gehele Visserijzone wordt bemonsterd op Ensis.

Tabel 3.1. Het aantal monsters per productiegebied in de Visserijzone.

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x Biotoxinen

1 x per maand

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x Biotoxinen

1 x per maand

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x Biotoxinen

1 x per maand

* Indien visserij activiteiten

3.1.2. Waddenzee en Eems

Het productiegebied Waddenzee en Eems is ingedeeld in 6 productiegebieden: de productiegebieden Westelijke Waddenzee Noord, Midden en Zuid en de productiegebieden Oostelijke Waddenzee Friese Wad, Groninger Wad en Eems/Dollard. In de productiegebieden gelegen in het westelijke deel van de Waddenzee vindt voornamelijk mosselvisserij- en cultuur plaats, voor de monstername worden daarom voornamelijk mosselen gebruikt. In de productiegebieden gelegen in het oostelijke deel van de Waddenzee vindt voornamelijk (hand)kokkelvisserij plaats, voor de monstername worden voornamelijk kokkels gebruikt. In beide gebieden worden tevens oesters geraapt, gedurende een aantal weken vindt daarom ook bemonstering plaats op oesters. Voor oesters en kokkels zijn geen vaste monsternamepunten. Uitgangspunt is om de monsterplaatsen dusdanig te selecteren, dat een geografische verdeling in de productiegebieden gewaarborgd kan worden (tabel 3.2 en 3.3).

Afhankelijk van de visserijactiviteiten, stroompatroon en de mogelijkheid van voorkomen van algenbloei zal het aantal monsterpunten voor fytoplankton en biotoxinen per periode verschillen [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, B, 5].

Tabel 3.2. Het aantal monsters per productiegebied in de Westelijke Waddenzee voor microbiologie (E.coli).

Periode

Week 27 t/m 43 ¹

Week 44 t/m 26 ²

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Frequentie monstername*

Westelijke Waddenzee Zuid

1 x Scheurrak 2–10A

1 x Scheurrak 45–49

1 x Scheer 17–20

1 x Doove Balg 4–14

2 x per maand

1 x per maand

Westelijke Waddenzee Midden

1 x Inschot 13–18

1 x Inschot 37–45

1 x Inschot 46–50

1 x Inschot 60–65

2 x per maand

1 x per maand

Westelijke Waddenzee Noord

1 x Oosterom 2–6

1 x Balgen 12–17

1 x Meep 5–12

1 x Meep 32–37

2 x per maand

1 x per maand

¹ juli t/m oktober

² november t/m juni, van week 44 tot en met 53 aanvullend 1 x per maand (oesters)

* Indien visserij activiteiten

Tabel 3.3. Het aantal monsters per productiegebied in de Westelijke Waddenzee voor fytoplankton en biotoxinen.

Periode

week 27 t/m 34 ¹

week 35 t/m 43 ²

week 44 t/m 26 ³

Productiegebied

Monsterpunten

Frequentie monstername*

Westelijke Waddenzee Zuid

Scheer 17

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

  Scheurrak 47

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

Westelijke Waddenzee Midden

Inschot 36 (Wolfshoek)

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

  Inschot 60

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

Westelijke Waddenzee Noord

Oosterom 1

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

  Meep 6

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per week

1 x per maand

  Balgen 14

1 x biotoxinen

1 x per week

¹ juli en augustus

² september en oktober

³ november t/m juni, van week 44 tot en met 53 aanvullend 1 x per maand (oesters)

* Indien visserij activiteiten

Voor het oostelijke deel van de Waddenzee en Eems geldt betreffende de monstername hetzelfde als in de Visserijzone, al heeft het in het oostelijke deel niet specifiek met de vangsttechnieken te maken, maar meer met de soort visserij. Er zijn geen vaste terugkerende visgebieden (banken) aan te wijzen, zoals bij schelpdierkweek aan de orde is. Monsters kunnen dan ook alleen genomen worden op plaatsen waar zich schelpdieren (kokkels en oesters) bevinden. Dit kan per monstername verschillen. Uitgangspunt is om de monsterplaatsen dusdanig te selecteren, zodat een geografische verdeling in de productiegebieden gewaarborgd kan worden (tabel 3.4).

Tabel 3.4. Het aantal monsters per productiegebied in de Oostelijke Waddenzee.

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername* ¹

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 (of 2) x per maand

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 (of 2) x per maand

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per maand

¹ September t/m december, van week 36 tot en met 53 aanvullend 1 x per maand (oesters)

* Indien visserij activiteiten

3.1.3. Grevelingenmeer

Het Grevelingenmeer is niet ingedeeld in verschillende productiegebieden. De plaats van de monstername zal per keer verschillend zijn (tabel 3.5 en 3.6). Om toch inzicht te verschaffen in de geografische spreiding van het gebied, zal per monstername de plaats wijzigen. Het Grevelingenmeer kent geen specifieke stromingspatroon door eb en vloed. Doordat er geen stroompatroon in het Grevelingenmeer is, heeft het Grevelingenmeer te maken met stratificatie, gelaagdheid van waterlagen. Voor de bepaling van aanwezigheid van toxineproducerende plankton worden dan ook monsters genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem [Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk III, B, 7]. In het Grevelingenmeer wordt bemonsterd op oesters.

Tabel 3.5. Het aantal monsters in het Grevelingenmeer.

Periode

Week 36 t/m 52 1

Week 1 t/m 35 2

Monsterplaats

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Frequentie monstername*

Variërend Noord, Oost, Zuid of West

4 x E.coli

2 x per maand

1 x per maand

Periode

 

Week 36 t/m 43 3

Week 44 t/m 35 4

Variërend Noord, Oost, Zuid of West

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

2 x per maand

1 x per maand

1 september t/m december

2 januari t/m augustus

3 september t/m oktober

4 november t/m augustus

* Indien visserij activiteiten

Tabel 3.6. Monsterplaatsen (= periode) in het Grevelingenmeer.

Noord

GV 65-93

Oost

GV 22-60a

Zuid

GV 61-64 en 140-172

West

GV 97-131

3.1.4. Veerse Meer

Het productiegebied Veerse Meer is niet ingedeeld in verschillende productiegebieden, omdat er nagenoeg geen stroompatroon aanwezig is. Ondanks dat, lijkt het meer geen stratificatie te hebben. Om inzicht te verschaffen in de geografische spreiding van het gebied, zal per monstername de plaats kunnen wijzigen (tabel 3.7). In het Veerse Meer wordt voornamelijk bemonsterd op mosselen.

Tabel 3.7. Het aantal monsters in het Veerse Meer.

Periode

Week 36 t/m 43 ¹

Week 44 t/m 35 ²

Monsterplaats

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Frequentie monstername*

Variërend

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

2 x per maand

1 x per maand

¹ September t/m oktober

² November t/m augustus

* Indien visserij activiteiten

3.1.5. Oosterschelde

Het productiegebied Oosterschelde is ingedeeld in 4 productiegebieden: Noord, Midden, Oost en West. De plaats van de monsterpunten is bepaald aan de hand van het stroompatroon, afwateringsgebieden en uitwisseling met brak water door middel van schut- en uitwateringssluizen. Vervolgens zijn aanvullende monsterpunten bepaald om een geografische spreiding te kunnen waarborgen. De frequentie van de monstername verschilt in het productiegebied Oosterschelde Oost ten opzichte van de overige productiegebieden in de Oosterschelde (West, Midden en Noord). In productiegebied Oosterschelde Oost vindt voornamelijk oestervisserij- en cultuur plaats. De periode van deze visserijactiviteiten wijkt af ten opzicht van de mosselvisserij- en cultuur, die voornamelijk in de productiegebieden Oosterschelde Noord, Midden en West plaatsvinden (tabel 3.8 en 3.9).

Afhankelijk van de visserijactiviteiten en de mogelijkheid van voorkomen van algenbloei zal het aantal monsterpunten voor fytoplankton en biotoxinen per periode verschillen6[Verordening (EG) nr. 854/2004 Bijlage II, Hoofdstuk II, B, 5].

Tabel 3.8. Het aantal monsters per productiegebied in de Oosterschelde voor microbiologie (E.coli).

Periode

Week 22 t/m 43 1

Week 44 t/m 21 2

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Frequentie monstername*

Oosterschelde Noord

1 x Mastgat 1–7

1 x Mastgat 11–19

1 x Mastgat 22–33

1 x Slaak

2 x per maand

1 x per maand

Oosterschelde Midden

1 x OSWD 1–33

1 x OSWD 33–144

1 x OSWD 176–182B

1 x OSWD 185–192

2 x per maand

1 x per maand

OosterscheldeWest

1 x Hammen 10–30/68–84

1 x Hammen 96–110

1 x Hammen 173–180A

1 x Hammen 81–186

2 x per maand

1 x per maand

   

Week 36 t/m 52 3

Week 1 t/m 35 4

OosterscheldeOost

1 x YB 570

1 x YB 380

1 x HK 28

1 x BB 41

2 x per maand

1 x per maand

1 juni t/m oktober

2 november t/m mei

3 september t/m december

4 januari t/m augustus

* Indien visserij activiteiten

Tabel 3.9. Het aantal monsters per productiegebied in de Oosterschelde voor fytoplankton en biotoxinen.

Periode

 

Week 27 t/m 43 ¹

Week 44 t/m 26 ²

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Frequentie monstername*

Oosterschelde Noord

Hang 2

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per maand

  OSWD 28

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week**

 

Oosterschelde Midden

OSWD 56-90

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per maand

Oosterschelde West

Hammen 182

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per maand

  Hammen 62

1 x biotoxinen

1 x per week**

 

Oosterschelde Oost

YB 570

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per week

1 x per maand

¹ juli t/m oktober

² november t/m juni

* Indien visserij activiteiten

** week 35 t/m 43 (september t/m oktober)

3.1.6. Verwatergebieden in de Oosterschelde

Verwatergebieden zijn gebieden waar verwatering op natuurlijke gronden plaatsvindt. In Nederland betreffen dit aangewezen gebieden binnen Oosterschelde Oost: op de Yerseke Bank (YB), de Speelmansplaten (SP) en binnen Oosterschelde Noord: in het Mastgat, de zogenaamde mossel verwatergebieden en aangewezen gebieden bij Oosterschelde Oost in de Oesterputcomplexen, de zogenaamde oester verwatergebieden. Enkel voor de mossel- en oestersector zijn verwatergebieden aangewezen. Dit komt omdat in Nederland de mossel- en oestersector gebaseerd zijn op cultuur in plaats van visserij. Andere schelpdiersectoren zijn gebaseerd op visserij.

De verwatergebieden worden niet los bemonsterd op toxinevormende algen en biotoxinen, maar worden geacht over dezelfde status te beschikken als het (Nederlandse) productiegebied waaruit de ladingen afkomstig zijn.

De verwaterpercelen worden ook wel gezien als nat pakhuis, waarbij enkel verwatering plaatsvindt, voordat de mosselen of oesters verder verwerkt worden. In de oesterputten wordt bemonsterd op oesters (crassostrea gigas). Op de mosselverwaterpercelen wordt bemonsterd op mosselen (mytilus edulis) (tabel 3.10).

Tabel 3.10. Het aantal monsters per verwatergebied voor microbiologie (E.coli).7

Verwatergebieden

Monsterplaats

Aantal monsters ²

Frequentie monstername*

1 vak of put per huurder /pachter/eigenaar ³

1

1 x per maand

² Het aantal monsters in de verwatergebieden is gebaseerd op het aantal monsters voor E.coli wat is voorgeschreven in bijlage I van de Verordening inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 2073/2005). Voor E.coli geldt dat het monster moet bestaan uit minimaal 10 afzonderlijke dieren.

³ Per keer wordt zoveel mogelijk een ander vak van een perceel of put van een putcomplex bemonsterd.

* Indien visserij-activiteiten

3.1.7. Westerschelde

De Westerschelde bestaat uit twee productiegebieden: Westerschelde Oost en Westerschelde West. Omdat de visserij van tweekleppige weekdieren in Westerschelde Oost en West (mechanische) visserij op kokkels betreft, zijn er geen vaste terugkerende visgebieden (banken) aan te wijzen, zoals bij schelpdierkweek aan de orde is. De monstername in Westerschelde Oost en West vindt plaats door de vissers zelf. Dit heeft te maken met de specifieke vangsttechnieken van de mechanische kokkelvisserij. De plaats van de monstername in desbetreffende productiegebied kan dan ook per monstername verschillen. Uitgangspunt is om de monsterplaatsen dusdanig te selecteren, dat een geografische verdeling in het productiegebied gewaarborgd kan worden (tabel 3.11).

Tabel 3.11. Het aantal monsters voor de productiegebieden in de Westerschelde.

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername*

Westerschelde Oost

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per maand

Westerschelde West

4 x E.coli

1 x water (fytoplankton)

1 x biotoxinen

1 x per maand

* Indien visserij activiteiten

3.2. Indeling op basis aanwezigheid chemische contaminanten

De vaststelling van bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen op basis van chemische contaminanten is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 1881/2006[Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, B, 8]. Deze verordening dient tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde (chemische) verontreiniging in levensmiddelen.

Voor tweekleppige weekdieren is het maximumgehalte voor drie zware metalen vastgesteld: Lood (Pb), Cadmium (Cd) en Kwik (Hg) (Verordening (EG) nr. 1881/2006). Daarnaast is voor tweekleppige weekdieren het maximum gehalte voor verschillende Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s) vastgesteld (Verordening (EU) nr. 835/2011) en maximumgehalten voor verschillende dioxinen en Polychloorbifylen (PCB’s) (Verordening (EU) nr. 1259/2011). Jaarlijks worden monsters genomen voor de bepaling van chemische contaminanten in de productiegebieden (tabel 3.12). De monsters worden genomen op de locaties voor biotoxinen. Wanneer meerdere biotoxinen-meetpunten worden genoemd, dan wordt het eerstgenoemde meetpunt gebruikt voor de meting van chemische contaminanten.

Tabel 3.12. Het aantal monsters per productiegebied.

Productiegebied

Aantal monsters

Frequentie monstername* ¹

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Westelijke Waddenzee Zuid

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Westelijke Waddenzee Midden

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Westelijke Waddenzee Noord

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Grevelingenmeer

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Veerse Meer

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oosterschelde Noord

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oosterschelde Midden

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oosterschelde West

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Oosterschelde Oost

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Westerschelde Oost

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

Westerschelde West

1 x zware metalen

1 x PAK’s

1 x PCB’s

1 x per jaar

¹ De frequentie van de monstername voor chemische contaminanten is vastgesteld op 1 x per jaar, deze frequentie is gebaseerd op de resultaten van het onderzoek ‘Spoorelementen in visserijproducten (1985-1993) door het RIVO (thans IMARES)’. Uit dit onderzoek blijkt dat het de norm voor zwarte metalen (kwik, lood, cadmimum, nikkel, chroom, arseen, zink, koper en seleen) in eetbare gedeelte van visserijproducten, waaronder tweekleppige weekdieren, niet worden overschreden. Ook uit onderzoek van het Productschap Vis in 2006 bleek dat de norm voor lood, cadmium, kwik en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s) niet werden overschreden.

Uitzondering hierop zijn de verwatergebieden. Deze gebieden worden niet los bemonsterd op chemische contaminanten, maar worden geacht over dezelfde chemische kwaliteit te beschikken als het productiegebied waaruit de ladingen afkomstig zijn.

* Indien visserij activiteiten

4. Beslissingen naar aanleiding van controles

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) neemt als de bevoegde autoriteit tijdelijke maatregelen. Naar aanleiding van microbiologische overschrijdingen kan de NVWA een gebied tijdelijk declasseren naar een klasse B of C. Als blijkt dat aan de overige gezondheidsnormen niet wordt voldaan of dat er anderszins een risico voor de menselijke gezondheid kan bestaan, kan de NVWA voorzorgsmaatregelen nemen of het betrokken gebied sluiten [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C 1)/ A, 3 t/m 5].

4.1. Beslissingen op basis van microbiologische kwaliteit productiegebieden – overschrijdingen

Bij overschrijding van de norm [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, A, 3 t/m 5] in één of meerdere monsterpunten zal de NVWA voor het desbetreffende productiegebied of in uitzonderlijke gevallen in een deel van het productiegebied maatregelen treffen. De maatregel kan betreffen een tijdelijke declassering naar een B of C gebied of een sluiting van het gebied. Vervolgens zal herbemonstering plaatsvinden. De herbemonstering houdt in dat desbetreffende productiegebied of deel van het productiegebied in de daarop volgende week wordt herbemonsterd.

Het gebied zal gedeclasseerd of gesloten blijven, totdat uit de herbemonstering, in de daaropvolgende week, blijkt dat weer aan de norm wordt voldaan [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2)].

4.2. Beslissingen op basis van microbiologische kwaliteit verwatergebieden – overschrijdingen

Bij overschrijding van de norm [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, A, 3 t/m 5] in een verwatergebied, een vak van een perceel of een put van een putcomplex, zal de NVWA het desbetreffende vak of put direct tijdelijk declasseren naar een B of C gebied of sluiten. Vervolgens zullen gelijk de omringende vakken of putten, maximaal 8, worden bemonsterd, om te beoordelen of de overschrijding zich heeft uitgebreid (figuur 4.1), mits hierop product aanwezig is. Hiervoor wordt per vak of put één mengmonster van 5 eenheden genomen. Heeft de overschrijding zich uitgebreid, dan zal de NVWA desbetreffende vak of put vervolgens tijdelijk declasseren naar een B of C gebied of sluiten. Ook de omringende vakken of putten, maximaal 8, zullen worden bemonsterd, om te beoordelen of de overschrijding zich nog verder heeft uitgebreid. Het gebied zal tijdelijk gedeclasseerd of gesloten blijven, totdat uit de herbemonstering, in de daaropvolgende week, blijkt dat weer aan de norm wordt voldaan [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2].

Bijlage 253273.png
Figuur 4.1. Bij overschrijding in één vak, omliggende vakken bemonsteren.

4.3. Beslissingen op basis van aanwezigheid van toxineproducerende algen en biotoxine – overschrijdingen

De controles op aanwezigheid van toxineproducerende algen (fytoplanktonsoorten) dienen representatief te zijn en informatie te verschaffen over zowel de aanwezigheid van toxineproducerende algen als de populatietrends. Als er veranderingen in de populatie worden aangetroffen die kunnen leiden tot een accumulatie van toxines, dient bij wijze van voorzorgsmaatregel de frequentie van de bemonstering opgevoerd te worden en de gebieden tijdelijk afgesloten te worden, totdat de resultaten van de toxineanalyses bekend zijn [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, B, 7].

De acties (beslissingen), maatregelen en uitzondering bij aanwezigheid van toxine- producerend algen en biotoxinen zijn gebaseerd op het drie-fasen systeem: Fase 0, Fase 1 en Fase 2. Bij Fase 0 zijn er geen potentieel toxineproducerende algencellen in het water van de productiegebieden boven de gestelde norm(en). Bij Fase 1 is er een verhoogd aantal potentieel toxineproducerende algencellen in het water, boven de gestelde norm(en). Bij Fase 2 is er een verhoogde hoeveelheid biotoxine geconstateerd, boven de gestelde norm(en). Naast tijdelijke maatregelen aangaande het gebied, kunnen ook tijdelijke maatregelen genomen worden voor het gebruik van Registratiedocumenten Vervoer levende tweekleppige weekdieren (bijlage 8), in de volksmond Registratiedocumenten genaamd, en Registratiedocumenten voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (bijlage 9), in de volksmond Verzaaidocumenten genaamd.

4.3.1. Fase 0

Als er geen potentieel toxineproducerende algencellen in het water en geen toxine boven de norm in levende tweekleppige weekdieren wordt waargenomen is Fase 0 van toepassing (tabel 4.1). Er worden geen maatregelen genomen aangaande Registratiedocument Vervoer levende tweekleppige weekdieren (bijlage 8).

Acties

Geen

Maatregelen

Geen

Uitzonderingen

Geen

Tabel 4.1. Het schema voor het aantal water- en schelpdiermonsters in Fase 0.

Productiegebied

Aantal water-monsters*

Aantal schelpdier-monsters*

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

1

1

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

1

1

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

1

1

Westelijke Waddenzee Zuid

1

2

Westelijke Waddenzee Midden

1

2

Westelijke Waddenzee Noord

1

2–3**

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

1

1

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

1

1

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

1

1

Grevelingenmeer

1(2) ¹

1

Veerse Meer

1

1

Oosterschelde Noord

1

1–2**

Oosterschelde Midden

1

1

Oosterschelde West

1

1–2**

Oosterschelde Oost

1

1

Westerschelde Oost

1

1

Westerschelde West

1

1

¹ Eén monsterlocatie, bestaande uit een monster genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem.

* Indien visserij-activiteiten

** In week 35-43 2 of 3 monsters, overige weken 1 of 2 monsters

4.3.2. Fase 1

Fase 1 is van toepassing als er een verhoogd aantal potentieel toxine- producerende algen in het water worden waargenomen (tabel 4.2). De afgegeven Registratiedocumenten Vervoer levende tweekleppige weekdieren (bijlage 8) worden tijdelijk ongeldig verklaard. De volgende maximumgehalten worden in Nederland gehanteerd voor potentieel toxineproducerende algen:

100 cellen/liter DSP vormende algen89

500.000 cellen/liter ASP vormende algen10

1.000 cellen/liter PSP vormende algen36

Acties

  • De NVWA neemt het besluit dat er tijdelijk maatregelen worden genomen voor het verdachte gebied;

  • De NVWA zal de tijdelijke maatregelen voor het verdachte gebied intrekken, als uit de algen herbemonstering in het verdachte gebied geen toxinevormende algen boven de norm zijn aangetoond [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2].

Tabel 4.2. Het schema van het aantal water- en schelpdiermonsters voor Fase 1.

Productiegebied

Aantal watermonsters*

Locaties watermonsters*

Aantal schelpdiermonsters*

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Westelijke Waddenzee Zuid

3

– Boei T-20

– Boei VL-1

– Boei SO-5

2

Westelijke Waddenzee Midden

3

– Boei VL-8/WM-1

– Boei IN-8

– Boei BS-7

2

Westelijke Waddenzee Noord

3

– Oosterom 1

– Boei NM-1/ZM-2

– Boei NB-3

2–3**

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Grevelingenmeer

2(4) ¹

– Boei G37-PG2

– Boei G-13

1

Veerse Meer

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Oosterschelde Noord

2

– Hang 2

– Boei Kt8

1–2**

Oosterschelde Midden

2

– OSWD 56-90

– Boei O3

1

Oosterschelde West

2

– Hammen 182

– Boei H5

1-2**

Oosterschelde Oost

2

– YB 570

– Boei TG1-LG2

1

Westerschelde Oost

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

Westerschelde West

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

1

¹ Monstername van twee locaties, elk bestaande uit een monster genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem. De monsters worden genomen op de locatie waar de overschrijding is vastgesteld en de dichtstbijzijnde volgende monsterpunt waar visserij plaatsvindt.

* Indien visserij-activiteiten

** In week 35–43 (september t/m oktober) 2 of 3 monsters, in de overige weken 1 of 2 monsters

Maatregelen

  • De NVWA neemt het besluit dat er tijdelijk maatregelen worden genomen voor het verdachte gebied;

  • De NVWA zal de tijdelijke maatregelen voor het verdachte gebied intrekken, nadat uit de algen herbemonstering in het verdachte gebied, geen toxine- vormende algen én biotoxinen boven de norm zijn aangetoond [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2].

Maatregelen: specifieke aanvullende maatregelen voor mosselen en oesters

  • De NVWA neemt het besluit dat partijen mosselen en oesters uit het verdachte gebied die in een verwatergebied zijn gebracht daar zullen verblijven, totdat de uitslag van de eerst volgende (reguliere) bemonstering in het verdachte gebied uitsluitsel biedt, dat de partijen mosselen en oesters geen biotoxine boven de norm bevatten;

  • De NVWA neemt het besluit dat het overbrengen van partijen mosselen en oesters geschikt voor menselijke consumptie uit een verdachte gebied naar ander niet verdacht gebied verbiedt, uitgezonderd de verplaatsing naar de verwatergebieden.

Maatregelen: specifieke uitzonderingen voor mosselen en oesters 11

  • Het verplaatsen van partijen mosselen en oesters binnen een verdacht gebied zal worden toegestaan;

  • Het overbrengen van partijen mosselen en oesters van een verdacht gebied naar een andere verdacht gebied zal worden toegestaan;

  • Het overbrengen van partijen mosselen en oesters, welke niet bestemd zijn voor menselijke consumptie, afkomstig van een verdacht gebied naar een niet verdacht gebied kan worden toegestaan, mits een Registratiedocument voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (bijlage 9) wordt aangevraagd door een bedrijf dat een partij wil verplaatsen en verstrekt wordt door de NVWA.

Maatregelen: specifieke uitzonderingen33

  • De NVWA neemt het besluit dat het vissen van schelpdieren geschikt voor menselijke consumptie, in een verdacht gebied is toegestaan als er alternatieve bemonstering wordt toegepast. Deze alternatieve bemonstering valt buiten het monitoringsprogramma en zal bekostigd moeten worden door de desbetreffende sector. Er dient gebruik gemaakt te worden van de wettelijk bepaalde methode voor de betreffende toxine. Er dient een mengmonster per partij genomen te worden, welke representatief is voor de gehele lading. De lading mag niet in de handel worden gebracht voordat de uitslag van de alternatieve bemonstering bekend is en de uitslag aantoont dat geen toxine boven de norm aanwezig is. Een mengmonster bestaat minimaal uit 5 eenheden op 5 willekeurige plaatsen genomen binnen een partij.

4.3.3. Fase 2

Een fase 2 is van toepassing als er een hoeveelheid mariene biotoxine boven de maximaal vastgestelde norm [Verordening (EG) nr. 853/2004, bijlage II, sectie VII, hoofdstuk V, 2] in levende tweekleppige weekdieren of delen daarvan wordt vastgesteld (tabel 4.3). De afgegeven Registratiedocumenten Vervoer levende tweekleppige weekdieren worden tijdelijk ongeldig verklaard.

Tabel 4.3. Maximale gehalten biotoxinen in levende tweekleppige weekdieren.

PSP

800 μg/kg

ASP

20 mg/kg

‘Okadaic acid’, dinophysistoxines en pectenotoxines

160 μg/kg

Yessotoxines

1.000 μg/kg (1 mg/kg)

Azaspiracides

160 μg/kg

Acties

  • De NVWA stelt tijdelijk de gebieden met biotoxine vast;

  • Het aantal monsters zal worden opgevoerd naar 2 danwel 3 monsters per productiegebied (tabel 4.4).

Tabel 4.4. Het schema van het aantal water- en schelpdiermonsters voor fase 2.

Productiegebied

Aantal watermonsters*

Aantal schelpdiermonsters*

Locaties schelpdiermonsters*

Visserijzone Noord binnen de 12-mijlszone

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Visserijzone Midden binnen de 12-mijlszone

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Visserijzone Zuid binnen de 12-mijlszone

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Westelijke Waddenzee Zuid

3

3

– Scheer 17

– Scheurrak 47

– Scheurrak 10

Westelijke Waddenzee Midden

3

2

– Inschot 36

– Inschot 60

Westelijke Waddenzee Noord

3

3

– Oosterom 1

– Meep 6

– Balgen 14

Oostelijke Waddenzee Friese Wad

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Oostelijke Waddenzee Groninger Wad

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Oostelijke Waddenzee Eems/Dollard

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Grevelingenmeer

2(4) ¹

2

Variërend Noord, Oost, Zuid of West

Veerse Meer

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Oosterschelde Noord

2

3

– Hang 2

– OSWD 28

– MG 18

Oosterschelde Midden

2

3

– OSWD 56-90

– OSWD 176C-192

– Zandkreek

Oosterschelde West

2

3

– Hammen 182

– Hammen 62

– Hammen 8

Oosterschelde Oost

2

3

– YB 570

– HK 28

– BB 41

Westerschelde Oost

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

Westerschelde West

2

2

Afhankelijk van visserij-activiteiten

¹ Monstername van twee locaties, elk bestaande uit een monster genomen aan de oppervlakte en net boven de bodem. De monsters worden genomen op de locatie waar de overschrijding is vastgesteld en de dichtstbijzijnde volgende monsterpunt waar visserij plaatsvindt.

* Indien visserij-activiteiten

Acties: aanvullende acties voor mosselen en oesters

  • Aanwezige mosselen in vakken van verwaterpercelen of oesters in putten van de putcomplexen die afkomstig zijn uit een gebied, waarin biotoxine boven de norm is vastgesteld en welke uitgezaaid zijn tussen het moment dat biotoxine boven de norm is vastgesteld en de voorgaande bemonstering, worden als verdacht beschouwd en moeten onderzocht worden op aanwezigheid van biotoxine;

  • De verdenking van aanwezigheid van biotoxine boven de norm wordt opgeheven, indien het mengmonster per vak ter bepaling van biotoxine in mosselen in vakken van verwaterpercelen en in oesters in putten van de putcomplexen aantoont dat de mosselen en/of oesters geen biotoxine boven de norm bevatten. De bemonstering van een mengmonster van 5 eenheden op 5 willekeurige plaatsen in het vak van het verwaterpercelen of put van de putcomplexen en analyse van het monster ter bepaling van biotoxine vindt plaats voor rekening van het desbetreffende bedrijf.

Maatregelen

  • De NVWA neemt het besluit dat het gebied tijdelijk wordt gesloten voor visserij op tweekleppige weekdieren;

  • De NVWA zal het tijdelijk gesloten gebied heropenen, nadat uit ten minste twee achtereenvolgende biotoxine herbemonsteringen met een interval van ten minste 48 uur, in het gesloten gebied geen biotoxine meer boven de norm wordt aangetoond [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2].

Maatregelen: specifieke aanvullende maatregelen voor mosselen en oesters

  • Indien het onderzoek aantoont dat de verdachte partijen mosselen in vakken van verwaterpercelen of oesters in putten van de putcomplexen biotoxine boven de norm bevatten, zullen de desbetreffende vakken van de verwaterpercelen en/of de putten van de putcomplexen tijdelijk worden gesloten door de NVWA;

  • De NVWA zal tijdelijk gesloten vakken van de verwaterpercelen en/of putten van de putcomplexen heropenen, nadat uit twee achtereenvolgende biotoxine herbemonsteringen met een interval van ten minste 48 uur, in de/het gesloten vak(ken) van de verwaterpercelen en/of de/het gesloten put(ten) van de putcomplexen, geen biotoxine meer boven de norm wordt aangetoond

    [Verordening (EG) nr. 854/2004, bijlage II, hoofdstuk II, C, 2];
  • De NVWA neemt het besluit dat het overbrengen van partijen mosselen en oesters geschikt voor menselijke consumptie uit de gebieden waar biotoxine is vastgesteld naar andere gebieden waar geen biotoxine boven de norm is vastgesteld verbiedt.

Maatregelen: specifieke uitzonderingen voor mosselen en oesters 12

  • Het verzamelen en uitzaaien van partijen mosselen en oesters binnen een gebied waar biotoxine is vastgesteld, zal worden toegestaan, mits een Registratiedocument voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (bijlage 9) wordt aangevraagd door een bedrijf dat een partij wil verplaatsen en verstrekt wordt door de NVWA.

  • Het overbrengen van partijen mosselen en oesters van een gebied waar biotoxine is vastgesteld naar een andere gebied waar biotoxine is vastgesteld zal worden toegestaan, mits een Registratiedocument voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren (bijlage 9) wordt aangevraagd door een bedrijf dat een partij wil verplaatsen en verstrekt wordt door de NVWA

4.4. Beslissingen op basis van aanwezigheid van chemische contaminanten – overschrijdingen

Bij overschrijding van de aangegeven niveaus voor lood (Pb), cadmium (Cd) en kwik (Hg) (tabel 4.5), Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s) (tabel 4.6), dioxinen en Polychloorbifenylen (PCB’s) (tabel 4.7) gesteld in de Verordening tot de vaststelling van maximum gehalten aan bepaalde verontreiniging in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006, Verordening (EU) nr. 835/2011 en Verordening (EU) nr. 1259/2011), zal de NVWA in overleg treden met de beheerder van het schelpdierwater. De beheerder van rijkswateren waar de schelpdierwateren onderdeel van uitmaken, betreft Rijkswaterstaat, onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Tabel 4.5. maximumgehalte voor zware metalen (Verordening (EG) nr. 1881/2006).

Lood (Pb)

1,5 mg/kg vers gewicht

Cadmium (Cd)

1,0 mg/kg vers gewicht

Kwik (Hg)

0,5 mg/kg vers gewicht.

Tabel 4.6. maximum gehalte voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s) (Verordening (EU) nr. 835/2011).

Benzo[a]pyreen

5,0 μg/kg vers gewicht

Som van benzoa]pyreen, chryseen, benzo[a]anthraceen en benzo[b]fluorantheen

30,0 μg/kg vers gewicht

Tabel 4.7. maximumgehalten voor dioxinen en pcb’s (Verordening (EU) nr. 1259/2011).

Som van dioxinen

3,5 pg/g vers gewicht

Som van dioxinen en dioxineachtige PCB’s

6,5 pg/g vers gewicht

Som van PCB28, PCB52, PCB101, PCB138, PCB153 en PCB180

75 ng/g vers gewicht

4.5. Beslissingen bij het niet hebben van monitoringsresultaten

4.5.1. Geen monitoring

In het geval dat bij het laboratorium geen analyses verricht kunnen worden, wordt geprobeerd een standaard procedure te volgen. Het niet kunnen verrichten van de analyses kan verschillende oorzaken hebben: de monsters kunnen onder andere door weersomstandigheden niet genomen zijn, de monsters komen niet aan op het juiste laboratorium, in geval van microbiologische (E.coli) analyses kunnen de monsters met een te hoge temperatuur aankomen, waardoor analyses niet meer ingezet worden. Dit omdat dan onbetrouwbaar is of de bacteriekolonies die worden gemeten een maat zijn voor de status van het productiegebied of dat er vermeerdering van kolonies tijdens het transport hebben plaatsgevonden. Eventueel kan apparatuur niet (juist) functioneren, waardoor monsters (op dat moment) niet ingezet kunnen worden. In alle gevallen geldt dat er geen uitslag is van het betreffende productiegebied voor het betreffende monitoringsmoment.

De te nemen maatregelen kunnen sterk afhangen van (weers)omstandigheden en visserijactiviteiten. Indien geen visserij plaatsvindt in het betreffende productiegebied, wordt er herbemonstering geregeld voor de week erop. Vindt er voor langere tijd geen visserij activiteit plaats (meer dan drie pogingen tot herbemonstering), dan wordt het gebied (tijdelijk) gesloten voor schelpdiervisserij, zie Herbemonstering.

Is een gebied voor langere tijd gesloten (meer dan een jaar) dan wordt bij het opnieuw opstarten van visserij activiteiten een productiegebied opnieuw geclassificeerd, zie (Her)opening gebied. Indien het gebied binnen een jaar wordt heropend kan volstaan worden met een normale bemonstering, zolang er geen aanwijzingen zijn voor afwijkende waarden. Tevens moet uit de resultaten van meerdere jaren blijken dat in de periode dat het bemonsteren en visserij wordt hervat er een laag risico is op E.coli, potentieel toxische algen en toxinen.

Vinden er visserijactiviteiten plaats in het productiegebied én is het niet mogelijk voor de analyses gebruik te maken van de reeds genomen monsters, dan wordt zo snel mogelijk een herbemonstering geregeld. Zijn er geen aanwijzingen voor afwijkende waarden, dan wordt volstaan met een herbemonstering, waarbij voor het gebied geen beperkende maatregelen gelden. Zijn er aanwijzingen (bijvoorbeeld door hoge algen waarden) voor afwijkende waarden, dan worden in het productiegebied voorzorgsmaatregelen genomen. In geval dat er aanwijzingen zijn voor hoge E.coli waarden, kan het gebied tijdelijk gedeclasseerd worden. In geval van aanwijzingen voor biotoxinen, dan kan in het productiegebied tijdelijk fase 1 van kracht zijn, of kan het gebied (tijdelijk) worden gesloten.

Visserij activiteiten

→ mogelijk maatregelen

Geen visserij activiteiten

→ herbemonstering

4.5.2. Herbemonstering

Indien er geen reguliere schelpdiermonitoring (E.coli en toxinen) kan plaatsvinden, is het noodzakelijk een herbemonstering uit te voeren. Deze (poging tot) herbemonstering vindt wekelijks plaats tot dat de herbemonstering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Indien uit de herbemonstering blijkt dat er geen extra risicofactoren zijn, kan het reguliere programma hervat worden. Indien er aanwijzingen zijn, dat niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden of de drie pogingen tot herbemonstering, met tussenpozen van maximaal één week per poging, niet kan worden bereikt, kan ervoor gekozen worden om het gebied uit voorzorg (eerder) te sluiten en/of een extra bemonstering uit te voeren voordat het reguliere programma gevolgd kan worden.

Bovenstaande schema wordt aangehouden wanneer maandelijkse bemonstering plaatsvindt, hierbij vinden drie pogingen tot herbemonstering plaats (A). In de periode dat meer dan één keer per maand wordt bemonsterd geldt sluiting na de 2e herbemonstering (B).

Indien er geen reguliere watermonitoring (toxische algen) kan plaatsvinden, wordt afhankelijk van de omstandigheden besloten of maatregelen in het gebied noodzakelijk wordt geacht.

4.5.3. (her)opening gebied

Indien in een gebied voor langere tijd (meer dan één jaar) geen bemonstering plaatsvindt en het wenselijk is om in een gebied weer schelpdieren te vissen/kweken, is het noodzakelijk het productiegebied opnieuw te classificeren en besmettingsbronnen te inventariseren. Hierbij wordt, indien mogelijk, gebruik gemaakt van ‘Microbiological Monitoring of Bivalve Mollusc Harvesting Areas, Guide to Good Practice’ (Gids voor goede praktijken voor microbiologische monitoring van kweek- en/of visgebieden levende tweekleppige weekdieren) van CEFAS (Centre for Environment, Fisheries & Aquaculture Science). Hierbij wordt rekening gehouden met:

  • bronnen van vervuiling van menselijke of dierlijke oorsprong;

  • organische verontreinigde stoffen gedurende verschillende perioden van het jaar, rekening houdend met onder andere afwateringsgebied, neerslagniveau’s en de behandeling van afvalwater en

  • stroompatronen, dieptemetingen en getijdencyclus in het productiegebied.

Om een goed beeld te krijgen van het (nieuwe) productiegebied wordt gekeken naar:

  • de vorm van schelpdiervisserij (grootte visserij, gebied, seizoensgebondenheid, locatie, soort schelpdieren, etc.);

  • de bronnen van vervuiling vastleggen (grootte, locatie, behandelingsmethode etc. van zuiveringsinstallaties, (wilde) dieren, landgebruik, schepen etc.);

  • kustlijnonderzoek om de theorie te toetsen aan de praktijk;

  • hydrografie en hydrodynamiek van het productiegebied;

  • bacteriologisch onderzoek en

  • (onderzoek saliniteit).

Preliminaire classificatie

In de fase voorafgaand aan de classificatie wordt geadviseerd om minimaal 12 bacteriologische monsters te nemen voor elk monsternamepunt in het productiegebied, over een minimale periode van 6 maanden. Waarbij tussen de monsternames minimaal een week moet zitten en maximaal 3 maanden.

Classificatie

Bij een productiegebied wat minder dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren. Ook bij productiegebied wat langer dan drie jaar is geclassificeerd wordt geadviseerd minimaal maandelijks te bemonsteren, maar kan hiervan afgeweken worden in uitzonderlijke situaties.

Bij het evalueren van een bestaand productiegebied, worden de resultaten van de laatste drie jaar (mits beschikbaar) meegenomen. Mochten er significante veranderingen hebben plaatsgevonden vanuit besmettingsbronnen, dan worden enkel de resultaten meegenomen na de verandering. Vanuit deze resultaten wordt jaarlijks de classificatie van elk productiegebied vastgesteld.

Bijlagen

Alle afbeeldingen in de bijlagen zijn indicatief. Er kunnen geen rechten aan ontleend worden.

Bijlage 1. Visserijzone

Bijlage 253274.png
Bijlage 253275.png
Bijlage 253276.png

Bijlage 2. Westelijke Waddenzee

Bijlage 253277.png
Bijlage 253278.png
Bijlage 253279.png

Bijlage 3. Oostelijke Waddenzee

Bijlage 253280.png
Bijlage 253281.png
Bijlage 253282.png

Bijlage 4. Grevelingenmeer en Veerse Meer

Bijlage 253283.png
Bijlage 253284.png

Bijlage 5. Oosterschelde

Bijlage 253285.png
Bijlage 253286.png
Bijlage 253287.png
Bijlage 253288.png

Bijlage 6. Verwatergebieden in de Oosterschelde

Bijlage 253289.png
Bijlage 253290.png

Bijlage 7. Westerschelde

Bijlage 253291.png
Bijlage 253292.png

Bijlage 8. Voorbeeld Registratiedocument vervoer levende tweekleppige weekdieren

Bijlage 253293.png

Bijlage 9. Voorbeeld Registratiedocument voor verzaaien van levende tweekleppige weekdieren

Bijlage 253294.png
  • ^ [1]

    Rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn installaties die rioolwater zuiveren en het gezuiverde water lozen op oppervlakte wateren.

  • ^ [2]

    Een riooloverstort is een put of buis waaruit, in geval van extreme regenval, een deel van het afvalwater, verdund met regenwater, wegstroomt naar het oppervlaktewater.

  • ^ [3]

    Zolang er geen onderbouwende gegevens beschikbaar zijn, waaruit blijkt dat de microbiologische kwaliteit van hangcultuurkweek afwijkt van bodemcultuur wordt er vanuit gegaan dat de microbiologische gesteldheid gelijk is. Wenselijk is om hier onderzoek naar te verrichten en indien noodzakelijk aparte hangcultuurproductiegebieden aan te wijzen.

  • ^ [4]

    Voor de lijst met erkende Nederlandse verwatergebieden zie bijlage II bij de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren.

  • ^ [5]

    De microbiologische kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid aanwezige kolonievormende éénheden E.coli, waarbij E.coli wordt gebruikt als een indicator van faecale vervuiling. De norm bedraagt <230 kve/100 gram vlees en lichaamsvocht. Zie bijlage I van de Verordening inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (2073/2005).

  • ^ [6]

    Zolang er geen onderbouwende gegevens beschikbaar zijn, waaruit blijkt dat de biotoxinen-gehaltes van hangcultuurkweek afwijkt van bodemcultuur, wordt er vanuit gegaan dat de biotoxine-gesteldheid gelijk is. Wenselijk is om hier onderzoek naar te verrichten en indien noodzakelijk aparte hangcultuurproductiegebieden aan te wijzen.

  • ^ [7]

    De microbiologische kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid aanwezige E.coli (kolonievormende eenheden – kve), waarbij E.coli wordt gebruikt als een indicator van faecale vervuiling. De norm voor E.coli bedraagt < 230 kve/100 gram vlees en lichaamsvocht. Zie bijlage I van de Verordening inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 2073/2005).

  • ^ [8]

    De norm voor DSP vormende algen is gebaseerd op basis van een publicatie van Marie Kat getiteld ‘Toxic and non-toxic dinoflagellat blooms on the Dutch coast’ [copyright 1989 bij Elsevier Sciences Publishing Co.].

  • ^ [9]

    Deze normen worden gebruikt als actienorm sinds de implementatie van Richtlijn 91/492.

  • ^ [10]

    Op basis van bevindingen is door het RIKILT voorgesteld om de actiegrens voor Pseudo-nitzschia spp. cellen (ASP vormende algen) te verhogen van 100.000 cellen/liter naar 500.000 cellen/liter.

  • ^ [11]

    Deze uitzonderingen zijn niet van toepassing bij aanwezigheid van PSP vormende algen en hun cysten.

  • ^ [12]

    Deze uitzonderingen zijn niet van toepassing bij aanwezigheid van PSP vormende algen en hun cysten.