Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Document 002.0 Handschriftonderzoek Omlijning, registratie-eisen en toetsingsprocedure – Versie 2.0

Geldend van 06-02-2014 t/m heden

Document 002.0 Handschriftonderzoek Omlijning, registratie-eisen en toetsingsprocedure – Versie 2.0 (Maart 2014 – Maart 2018)

Deel I. Omlijning Handschriftonderzoek

1. Inleiding

In het op de Wet deskundige in strafzaken gebaseerde Besluit register deskundige in strafzaken (hierna: Brdis) heeft de wetgever het College gerechtelijk deskundigen (hierna: college) van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hierna: NRGD) de taak gegeven om voor de registratie van aanvragers welomlijnde deskundigheidsgebieden te definiëren.

Het College omlijnt deskundigheidsgebieden met het doel duidelijkheid te verschaffen aan:

  • 1. Gebruikers van het register (bijvoorbeeld rechter, lid OM en advocaat), over de activiteiten waarmee een deskundige zich op het desbetreffende deskundigheidsgebied bezig houdt en over die activiteiten die daarbuiten vallen.

  • 2. Aanvragers (rapporteurs) over de grenzen van het deskundigheidsgebied waarvoor deze zich aan kunnen melden en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen om zich voor dit deskundigheidsgebied te kunnen laten registeren.

  • 3. Toetsers over de grenzen van het deskundigheidsgebied zodat deze weten aan welke activiteiten de aanvrager te toetsen.

2. Het deskundigheidsgebied Handschriftonderzoek

Opmerking vooraf:

In deze context wordt onder handschrift ook verstaan handtekeningen.

2.1. Kernactiviteiten

De kernfunctie van Handschriftonderzoek is het vaststellen of handschriftproducties van een en dezelfde schrijver afkomstig zijn.

Daarnaast mag een handschriftdeskundige ook uitspraken doen over de ‘motorische staat’ van de schrijver. Uitspraken hierover mogen alleen betrekking hebben op de wijze waarop de bewegingen van de schrijver de vorm van het handschrift hebben bepaald. Zo kan de motorische staat van de schrijver bijvoorbeeld ‘tremor’ zijn (als gevolg van de ziekte van Parkinson, drugsgebruik, emotie, etc.). Het effect van de tremor kan zichtbaar zijn in het handgeschreven spoor. Het is dan gerechtvaardigd de aanwezigheid van een tremor te signaleren, maar niet om de oorzaak daarvan te benoemen.

Naast het formuleren van conclusies over het auteurschap (de bron) van een handschriftproductie, kan een handschriftdeskundige ook een oordeel geven over het productieproces (bijvoorbeeld of een handtekening het resultaat is van een nabootsingproces). Hoewel onregelmatigheden in het schrijfspoor en het verloop van de pendruk wel duidelijk op bijvoorbeeld onderbrekingen in het schrijfproces kunnen wijzen en daar het zichtbare bewijs voor vormen, valt het buiten de competentie van een handschriftdeskundige om uitspraken te doen over de mentale of fysieke toestand dan wel de persoonlijkheidskenmerken van de schrijver.

Rechtsgebied: strafrecht.

2.2. Methodologie

Een handschriftonderzoek wordt uitgevoerd door zowel de geometrische1 en structurele2 visuele kenmerken van de tekst vast te stellen, als de gedetailleerde en meetbare eigenschappen van het schriftspoor die het resultaat zijn van het afzettingsproces van het schrijfinstrument, de toegepaste kracht op het schrijfinstrument (pendruk) en de temporele volgorde van de schrijfbeweging3. De kenmerken geassocieerd met het betwiste handschrift worden dan vergeleken met de kenmerken van het referentiehandschrift. Over het algemeen kan de mate van overeenkomst of verschil van de kenmerken gezien worden als een maatstaf bij het toetsen van de hypothesen dat het betwiste en het referentiemateriaal een gemeenschappelijke respectievelijk verschillende bron hebben.

2.3. Grenzen van het deskundigheidsgebied

Hieronder volgt een omschrijving van de activiteiten waarmee een handschriftdeskundige zich niet bezig houdt en die buiten de omlijning van het deskundigheidsgebied Handschriftonderzoek vallen.

Een handschriftdeskundige maakt geen nadere gevolgtrekkingen en beantwoordt geen andere vragen over de schrijver van een geanalyseerde handschriftproductie dan die hierboven staan vermeld. Een handschriftdeskundige trekt alleen conclusies op basis van handschriftproducties geschreven in een schrifttype (alfabet) dat binnen zijn deskundigheid valt. Voor de meeste Europese handschriftdeskundigen zal dit het Latijnse schrift zijn (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Cyrillische of Arabische schrift). Een uitzondering kan gemaakt worden voor handtekeningen. Handtekeningen kunnen leesbaar (tekstgebaseerd) of onleesbaar (gestileerd) zijn. Handtekeningen in een schrifttype waarmee de onderzoeker niet vertrouwd is, kunnen tot op zekere hoogte worden onderzocht als onleesbare handtekeningen. De conclusies van een handschriftonderzoeker moeten altijd worden ondersteund door verwijzing naar de zichtbare kenmerken in het schrijfspoor.

Een handschriftonderzoeker dient voldoende kennis te hebben om te kunnen beoordelen wanneer de diensten van een documentonderzoeker vereist zijn.

De volgende activiteiten vallen met nadruk niet onder het deskundigheidsgebied van Handschriftonderzoek:

  • het doen van uitspraken over persoonlijkheidskenmerken van de schrijver op basis van zijn handschrift;

  • het doen van uitspraken over de algemene of momentane mentale of fysieke toestand van de schrijver op basis van zijn handschrift;

  • het doen van uitspraken op grond van de linguïstische kenmerken van een handgeschreven tekst. Een handschriftonderzoeker mag echter wel kenmerken van spelling en interpunctie beschrijven;

  • het doen van uitspraken over handschriftproducties met behulp van computers (elektronisch schrijftablet). Dit vereist een specifieke expertise met een aantoonbare ervaring.

3. Registratie

Het register zal de desbetreffende deskundige vermelden als een deskundige op het gebied van Handschriftonderzoek.

Deel II. Registratie-eisen Handschriftonderzoek

1. Inleiding

De kwaliteitseisen, geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Brdis vormen de algemene criteria waarop de toetsing door het NRGD van forensisch deskundigen is gebaseerd. Het College formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van de algemene criteria specifieke eisen.

Deel II geeft de registratie-eisen voor het deskundigheidsgebied Handschriftonderzoek weer waaraan de deskundige moet voldoen die een aanvraag voor (her)inschrijving in het register indient.

De registratie-eisen verschillen per type aanvrager. Het NRGD onderscheidt twee typen aanvragers: de initiële aanvrager (A) en de heraanvrager (B). De initiële aanvrager is een rapporteur die nog niet eerder geregistreerd is geweest voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet. De heraanvrager is een deskundige die al is geregistreerd in het NRGD, al dan niet voor beperkte duur, voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet.

Deze twee typen aanvragers worden voorts als volgt onderverdeeld:

  • A. Initiële aanvrager: een ervaren rapporteur (i) of een nieuwe rapporteur (ii).

    (i) Een ervaren rapporteur heeft zelfstandig zaaksrapporten opgemaakt. (ii) Een nieuwe rapporteur is (nog) niet in staat geweest zelfstandig zaaksrapporten op te maken.

  • B. Heraanvrager: een geregistreerde deskundige die na registratie voor een periode van vier jaar een aanvraag indient om zich te laten herregistreren (iii) en een geregistreerde deskundige die na registratie voor beperkte duur een aanvraag indient om zich te laten registreren voor een periode van vier jaar (iv).

2. Registratie-eisen

De algemene, ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het Brdis aan de te (her)registreren deskundige te stellen eisen zijn in onderstaande tekst in cursief opgenomen met een verwijzing naar de onderdelen (a t/m i). Bij de algemene eis volgen, indien van toepassing, een of meer specifieke eisen. Wanneer geen specifieke eis is aangegeven, is de desbetreffende algemene eis op zich reeds afdoende bevonden.

Het tweede lid van artikel 12 van het Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:
  • 12(2) a. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

    Een aanvrager dient:

    Als algemene basis:

    • te werken op het niveau van iemand die een HBO Bachelor diploma heeft behaald;

    • recente ervaring te hebben met het analyseren van zaken op het moment van zijn aanvraag voor (her)registratie;

    • adequate kennis van de standaardliteratuur te hebben en de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden, inclusief de meest recente ontwikkelingen (zie de aanbevolen literatuur in Bijlage A);

    • adequate kennis te hebben van de motorische processen bij het schrijven en de motorische vaardigheden die leiden tot het schriftspoor op papier;

    • adequate kennis te hebben van documentonderzoek;

    • adequate kennis te hebben van beeldbewerkingtechnieken;

    • op de hoogte te zijn van digitale handschriftvergelijkingsmethoden en de ontwikkelingen op dit gebied bij te houden;

    • adequate kennis te hebben van de concepten van criminalistiek, zoals descriptieve en inferentiële statistiek (zie de aanbevolen literatuur in Bijlage A).

    en

    onderscheiden per type aanvrager

    • A. Initiële aanvrager

      • (i) Een ervaren rapporteur of (ii) een nieuwe rapporteur dient in de afgelopen 4 jaar:

        • aantoonbaar een minimum van 40 zaaksrapporten te hebben geschreven die zijn onderworpen aan collegial review;

        • ten minste 2 maal te hebben deelgenomen aan een ringonderzoek en kan hiervan de resultaten overleggen.

    • B. Heraanvrager

      • (iii) Een geregistreerde deskundige die na registratie een aanvraag tot herregistratie indient, dient in de afgelopen 4 jaar:

        • aantoonbaar een minimum van 40 zaaksrapporten te hebben geschreven die zijn onderworpen aan collegial review;

        • minimaal 32 uur per jaar te hebben besteed aan deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld het bijwonen van congressen, het geven of volgen van cursussen, publicaties);

        • ten minste 2 maal te hebben deelgenomen aan een ringonderzoek en kan hiervan de resultaten overleggen.

      • (iv) Een geregistreerde deskundige die na registratie voor beperkte duur een aanvraag tot registratie indient, dient in de afgelopen twee jaar:

        • aantoonbaar een minimum van 20 zaaksrapporten te hebben geschreven die zijn onderworpen aan collegial review;

        • minimaal 16 uur per jaar te hebben besteed aan forensische deskundigheidsbevordering (bijvoorbeeld het bijwonen van congressen, het geven of volgen van cursussen, publicaties);

        • ten minste één maal te hebben deelgenomen aan een ringonderzoek en kan hiervan de resultaten overleggen.

    Toelichting bij artikel 12 (2) a:

    Collegial review

    Onder collegial review verstaat het College het beoordelen van andermans werk in het kader van continue kwaliteitsbewaking van iemands deskundigheid. Hierbij is geen sprake van een hiërarchische maar een horizontale verhouding tussen ‘vakinhoudelijke’ collega’s. Voor Handschriftonderzoek geldt specifiek dat een tweede gekwalificeerde handschriftonderzoeker een onafhankelijk onderzoek uitvoert, zonder kennis te hebben genomen van de onderzoeksresultaten van de eerste handschriftonderzoeker. De eerste handschriftonderzoeker maakt van deze procedure melding in zijn rapport (of in de bijlage van het rapport).

    Verzoek om uitzondering

    Indien de aanvrager wil dat het College een uitzondering voor hem maakt op grond van hetgeen hiervoor staat weergegeven, dan wel omdat de aanvrager wegens omstandigheden nog niet (volledig) aan de eis van 12 (2) onder a van het Besluit voldoet, dient de aanvrager hiertoe bij het College een verzoek in te dienen. Het gemotiveerde verzoek moet als begeleidende brief bij de (her)aanvraag worden ingediend.

  • 12(2) b. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

    Een aanvrager heeft voldoende kennis van het Nederlandse strafrecht:

    • context van het strafrecht:

      • Trias Politica, onderscheid privaat-, bestuurs- en strafrecht;

    • kennis van het strafprocesrecht:

      • onderzoek door de rechter-commissaris;

      • dwangmiddelen;

      • procesfasen;

      • actoren in de strafrechtsketen (taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden);

      • regelgeving deskundige in het Wetboek van Strafvordering (positie en bevoegdheden opdrachtgever, rechtspositie deskundige, positie en bevoegdheden van advocaat, vormen van tegenonderzoek, deskundigenregister in de strafrechtelijke context);

      • wettelijke besluitvormingskader van de rechter in de strafzaak (beslissingsschema art. 350 Sv), ook met het oog op de relevantie van de opdracht aan de deskundige en op de vraagstelling;

      • verloop van de strafzaak ter zitting en de positie van de deskundige in de rechtsgang.

    • materiële strafrecht:

      • sancties en strafuitsluitingsgronden (zeer globaal).

    • kennis van de juridische context van de kwaliteitswaarborging van de deskundige en het onderzoek:

      • positie en rol van ketenpartners bij de kwaliteitsborging van de rapportage;

      • beroepscodes en verwante regelgeving in relatie tot de Gedragscode gerechtelijk deskundigen.

    Toelichting:

    Voor (buitenlandse) deskundigen die overwegen een aanvraag voor inschrijving in te dienen is artikel 19 Brdis van belang. Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is een registratie voor beperkte duur mogelijk indien de aanvrager niet voldoet aan de eisen genoemd in artikel 12, tweede lid, onder b.

  • 12(2) c. (...) In staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

  • 12(2) d, e en f

    • d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;

    • e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;

    • f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

    Voor zover nodig maakt een handschriftonderzoeker gebruik van relevante onderzoeksinstrumenten, zoals een stereomicroscoop of een ESDA4.

  • 12(2) g. (...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

    Naast de vereiste administratieve gegevens (naam van de opdrachtgever, datum van de opdracht, datum van het rapport, referentie opdrachtgever, eigen referentie, nummer en type van bijlagen etc.) dient het rapport van een forensisch handschriftonderzoek de volgende onderdelen te bevatten:

    • een beschrijving van de ontvangen materialen, met informatie over de datum en wijze van aanlevering, of originelen dan wel kopieën zijn ontvangen. Andere condities van het materiaal die relevant kunnen zijn voor het onderzoek worden ook vermeld (bijvoorbeeld niet-gerapporteerde schade aan de documenten, of de documenten zichtbaar behandeld zijn met chemicaliën voor vingerafdrukkenonderzoek);

    • een specificatie van het betwiste en het referentiemateriaal;

    • elke relevante achtergrondinformatie die de interpretatie van de onderzoeksresultaten zou kunnen beïnvloeden;

    • vragen gesteld door de opdrachtgever en zo nodig hetgeen is besproken tussen opdrachtgever en onderzoeker conform artikel 12(2) c;

    • de door de handschriftonderzoeker gehanteerde hypothesen;

    • de gebruikte onderzoeksmethode(n);

    • de beoordeling van het betwiste materiaal;

    • de beoordeling van het referentiemateriaal;

    • de resultaten van het onderzoek;

    • de interpretatie van de resultaten van het onderzoek;

    • de conclusies (met gebruikte schaal en de verklaring daarvan).

  • 12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn.

  • 12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

Zie de op de website van het NRGD gepubliceerde Gedragscode NRGD die door het College gerechtelijk deskundigen is vastgesteld.

Deel III. Toetsingsprocedure voor Handschriftonderzoek

1. Inleiding

Om te beoordelen of een expert voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied Handschriftonderzoek en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

2. Te verstrekken informatie

De toetsing geschiedt in beginsel op basis van informatie die de aanvrager heeft verstrekt:

  • algemene gegevens als onderdeel van het aanvraagpakket;

  • bewijsstukken van competentie, waaronder:

    • A. Initiële aanvrager

      verplicht

      • (i) Een ervaren rapporteur en (ii) een nieuwe rapporteur:

        • certificaten van onderwijs en ervaring;

        • een lijst van 40 zaaksrapporten opgemaakt in de laatste 4 jaar, die het hele deskundigheidsgebied omvat;

        • de resultaten van deelname aan twee ringonderzoeken;

        • een minimum van drie gedetailleerde zaaksrapporten, inclusief kopieën van de onderzochte monsters, opgemaakt in de laatste 4 jaar en geselecteerd door de toetsingsadviescommissie uit de lijst van 40 zaaksrapporten ingeleverd door de aanvrager. Een aanvrager kan ook een gedetailleerd zaaksrapport naar eigen keuze inleveren bovenop de zaaksrapporten geselecteerd door de toetsingsadviescommissie;

        • referenties van handschriftonderzoekers.

      A. Type (i) en (ii)

      indien aanwezig

      • bewijs van deskundigheidsbevordering verkregen door of tijdens het bijwonen van congressen en/of het geven of bijwonen van lezingen/cursussen en/of collegiaal gereviewde publicaties op het gebied van Handschriftonderzoek. Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten;

      • een verklaring betreffende het accreditatieniveau van zijn werkomgeving, indien van toepassing.

    • B. Heraanvrager

      verplicht

      • (iii) Een geregistreerde deskundige die na registratie een aanvraag tot herregistratie indient:

        • certificaten van onderwijs en ervaring;

        • bewijs van deskundigheidsbevordering verkregen door of tijdens het bijwonen van congressen en/of het geven of bijwonen van lezingen/cursussen en/of collegiaal gereviewde publicaties op het gebied van Handschriftonderzoek. Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten;

        • de resultaten van deelname aan twee ringonderzoeken;

        • een lijst van 40 zaaksrapporten opgemaakt in de laatste 4 jaar, die het hele deskundigheidsgebied omvat;

        • een minimum van drie gedetailleerde zaaksrapporten, inclusief kopieën van de onderzochte monsters, opgemaakt in de laatste 4 jaar en geselecteerd door de toetsingsadviescommissie uit de lijst van 40 zaaksrapporten ingeleverd door de aanvrager. Een aanvrager kan ook een gedetailleerd zaaksrapport naar eigen keuze inleveren bovenop de zaaksrapporten geselecteerd door de toetsingsadviescommissie;

        • referenties van handschriftonderzoekers.

      • (iv) Een geregistreerde deskundige die na registratie voor beperkte duur een aanvraag tot registratie indient:

        • certificaten van onderwijs en ervaring;

        • bewijs van deskundigheidsbevordering verkregen door of tijdens het bijwonen van congressen en/of het geven of bijwonen van lezingen/cursussen en/of collegiaal gereviewde publicaties op het gebied van Handschriftonderzoek. Het wordt aan de aanvrager overgelaten in welke vorm dit bewijs wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van een logboek of door middel van certificaten;

        • de resultaten van deelname aan één ringonderzoek;

        • een lijst van 20 zaaksrapporten opgemaakt in de laatste 2 jaar, die het hele deskundigheidsgebied omvat;

        • een minimum van drie gedetailleerde zaaksrapporten, inclusief kopieën van de onderzochte monsters, opgemaakt in de laatste 2 jaar en geselecteerd door de toetsingsadviescommissie uit de lijst van 20 zaaksrapporten ingeleverd door de aanvrager. Een aanvrager kan ook een gedetailleerd zaaksrapport naar eigen keuze inleveren bovenop de zaaksrapporten geselecteerd door de toetsingsadviescommissie;

        • referenties van handschriftonderzoekers;

        • indien van toepassing, bewijs dat aan de andere voorwaarden gesteld door het College in de beslissing om de aanvrager beperkt te registreren is voldaan.

      B. Type (iii) en (iv)

      indien aanwezig

      • een verklaring betreffende het accreditatieniveau van zijn werkomgeving, indien van toepassing, en indien dit niveau tijdens de registratieperiode is gewijzigd.

Toelichting:

De hiervoor genoemde lijst met zaaksinformatie bevat ten minste de volgende gegevens:

  • I. Zaaksinformatie:

    • de datum;

    • het type zaak:

      • of het een tekst of een handtekening betrof of beide;

      • of het ging om een simpele of complexe zaak (meerdere groepen betwist materiaal, twee of meer verdachten);

      • of conclusies getrokken zijn;

      • of de conclusies van het onderzoek positief, negatief of beide waren;

      • of het ging om een zaak met mogelijke verdraaid of nagebootst schrift (tekst of handtekeningen);

      • of enige document-technisch onderzoek is gedaan;

      • de kwantiteit van het betwiste materiaal;

      • of het rapport aanleiding gaf tot nadere discussie of een andere analyse door een andere onderzoeker.

  • II. Procedurele aspecten:

    • de rapporteur/supervisor, danwel

    • of de zaken collegial gereviewed zijn en door wie.

  • III. Optreden in de rechtszaal:

    • of de deskundige in de rechtszaal heeft opgetreden in deze zaak.

  • IV. Overige relevante aspecten.

3. De toetsingsprocedure

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van schriftelijke stukken waaronder in ieder geval zaaksrapporten en bewijsstukken, in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken uit de schriftelijke stukken.

Voor alle typen geldt dat de toetsing ook kan plaatsvinden op basis van nadere informatie zoals een onderzoek in open bronnen of andere gedetailleerde rapporten, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een adequate toetsing.

De toetsingswijzen voor de verschillende typen aanvragers zijn:

  • A. Initiële aanvrager

    • (i) De ervaren rapporteur die een initiële aanvraag indient, wordt getoetst in de volgende fasen:

      • a. administratief, door het Bureau NRGD;

      • b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

      • c. inhoudelijk, door de onder b. vermelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken;

      • d. beslissing van het College: registratie, registratie voor beperkte duur of geen registratie.

    • (ii) De nieuwe rapporteur die een initiële aanvraag indient, wordt getoetst in de volgende fasen:

      • a. administratief, door het Bureau NRGD;

      • b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

      • c. inhoudelijk, door de onder b. vermelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken;

      • d. beslissing van het College: registratie voor beperkte duur of geen registratie.

  • B. Heraanvrager

    • (iii) De geregistreerde deskundige die na registratie een aanvraag tot herregistratie indient, wordt getoetst in de volgende fasen:

      • a. administratief, door het Bureau NRGD;

      • b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste twee personen op basis van het schriftelijke beschikbare materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en vakinhoudelijke toetser; De toetsers toetsen eerst individueel, zonder overleg en bespreken daarna hun bevindingen met elkaar. Zijn zij unaniem in het oordeel dat de deskundige voldoet, dan volgt een positief advies aan het College.

        In ieder ander geval volgt een nadere toetsing:

      • c. inhoudelijk, door de onder b. vermelde TAC waaraan één vakinhoudelijke toetser wordt toegevoegd, afkomstig uit hetzelfde deskundigheidsgebied als de aanvrager op basis van het beschikbare schriftelijke materiaal;

      • d. inhoudelijk, door de onder c. bedoelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager (in tweede instantie) duidelijk is gebleken;

      • e. beslissing van het College: registratie, registratie voor beperkte duur of geen registratie.

    • (iv) De geregistreerde deskundige die na registratie voor beperkte duur een aanvraag tot registratie indient, wordt getoetst in de volgende fasen:

      • a. administratief, door het Bureau NRGD;

      • b. inhoudelijk, door een toetsingsadviescommissie (TAC) van ten minste drie personen op basis van het schriftelijke beschikbare materiaal. Deze TAC bestaat in beginsel uit een jurist en twee vakinhoudelijke toetsers;

      • c. inhoudelijk, door de onder b. vermelde TAC door middel van een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken;

      • d. beslissing van het College: registratie, registratie voor beperkte duur of geen registratie.

Mondelinge toetsing

Tijdens de mondelinge toetsing kan de toetsingsadviescommissie informeren naar de volgende elementen:

  • de theorie van het handschriftonderzoek;

  • de recente literatuur op het gebied van handschriftonderzoek;

  • de verschillende wetenschappelijke methoden gebruikt in het veld;

  • de forensische theorie en praktijk van handschriftonderzoek in Nederland;

  • de technieken van digitale beeldbewerking;

  • het begrip van statistische onzekerheid;

  • kennis van niet-destructief documentonderzoek;

  • kennis van de literatuur over ‘motor control’ (psychomotorische processen) relevant voor het veld;

  • kennis van het relevante rechtsdomein.

Bijlage A. Aanbevolen literatuur 002.0 handschriftonderzoek (2014-2018)

  • Budowle et al. (2009). A Perspective on Errors, Bias, and Interpretation in the Forensic Sciences and Direction for Continuing Advancement. Journal of Forensic Science, July 2009, Vol. 54, No. 4, pp. 798–809.

  • Ellen, D. (1998). The Scientific Examination of Questioned Documents. Ellis Horwood Ltd., Chichester.

  • Found, B. & Rogers, D. (1998). A consideration of the theoretical basis of forensic handwriting examination: The application of ‘Complexity Theory’ to understand the basis of handwriting identification, in: International Journal of Forensic Document Examiners, 4(2), pp.109–118.

  • Found, B. & Rogers, D. (Eds.) (1999). ‘Documentation of forensic handwriting comparison and identification method: A modular approach’, Journal of Forensic Document Examination, 12, pp.1–68.

  • Sita J, Found B, Rogers D.K. (2002). Forensic Handwriting Examiners’ Expertise for Signature Comparison. Journal of Forensic Science, Sept 2002, Vol. 47, N0 5, pp 1117–1124.

  • Gross, S.R. (2001). Detection of deception: The case of handwriting expertise. Virginia Law Review, 87, 1847–1855.

  • Gailbraith III, O et al. (1995). The Principle of the ‘Drunkard’s Search’ As A Proxy For Scientific Analysis: The Misuse of Handwriting Test Data In A Law Journal Article. International Journal of Forensic Document Examiners, Vol. 1, No 1, pp 7–17.

  • Hardy, H.J.J. & Fagel, W.P.F. (1995). Methodological Aspects of Handwriting Identification, in: Journal of Forensic Document Examination (8), pp.33–69;

  • Huber, R.A. & Headrick, A.M. (1999). Handwriting Identification: Facts and Fundamentals. CRC Press, Boca Raton/ New York.

  • Kam M. et al. (2001). Signature Authentication by Forensic Document Examiners. Journal of Forensic Science. 46 (4) pp 884–888.

  • Kam M. & Lin E (2003). Writer Identification Using Hand-Printed and Non-Hand-Printed Questioned Documents. Journal of Forensic Science 48 (6) pp 1391-5.

  • Michel, L. (1982). Gerichtliche Schriftvergleichung. W. de Gruyter, Berlin.

  • Mnookin, J.L. (2001). Scripting expertise: The history of handwriting identification evidence and the judicial construction of reliability. Virginia Law Review, 87, 1723–1845.

  • Morris, R. (2000). Forensic Handwriting Identification, Fundamental Concepts and Principles. Academic Press, London/ San Diego.

  • Risinger, D.M. (2002). Handwriting identification. In: D.L. Faigman, D.H. Kaye, M.J. Saks & J. Sanders (eds). Modern scientific evidence: The law and science of expert testimony. St. Paul, MI: West.

  • Risinger, D.M. & Saks, M.J. (1996). Science and nonscience in the courts: Daubert (Daubert v. Merrell Dow Pharmaceuticals, 113 S. Ct. 2786 (1993)) meets handwriting identification expertise. Iowa Law Review, 82, 21–74.

  • Saks, M.J. & Vanderhaar, H. (2005). On the ‘general acceptance’ of handwriting identification principles. Journal of Forensic Science, 50, 119–126.

  • Schomaker, L.R.B. (2008). ‘Writer identification and verification’, in: N. Ratha & V. Govindaraju (Eds.), Advances in Biometrics: Sensors, Systems and Algorithms, Springer-Verlag, pp. 247–264.

  • Seaman Kelly, J. & Lindblom, B.S. (2006). Scientific Examination of Questioned Documents. CRC Press, Boca Raton;

  • Taroni et al (2010). Data analysis in Forensic Science: A Bayesian Decision Perspective. Wiley and Sons, Ltd., Chichester.

  • Srihari, S.N., Cha, S-H., Arora, H. & Lee, S. (2002). Individuality of handwriting. Journal of Forensic Science (47), pp.856–872.

Bijlage B. Begrippenlijst NRGD

  • Aanvrager: Een aanvrager is de natuurlijke persoon die bij het NRGD een aanvraag indient tot inschrijving in het register.

  • Bureau: Het Bureau NRGD dat het College ondersteunt.

  • Brdis: Besluit register deskundige in strafzaken.

  • College: Het College (gerechtelijk deskundigen) is het orgaan als bedoeld in art 51k (2) Wetboek van Strafvordering en dat belast is met het beheer van het register.

  • Collegial review: Collegial review is het beoordelen van andermans werk in het kader van een continue kwaliteitsbewaking van iemands deskundigheid. Hierbij is geen sprake van een hiërarchische maar van een horizontale verhouding tussen ‘vakinhoudelijke’ collega’s. De reviewer ondertekent het rapport niet.

  • Ervaren rapporteur (aanvrager): Een ervaren rapporteur is de aanvrager die op basis van geheel zelfstandig opgemaakte rapporten een aanvraag voor inschrijving kan indienen.

  • Gebruiker: Een gebruiker is degene die gebruik maakt van het register om een geregistreerde deskundige op te zoeken en mogelijkerwijs in te schakelen.

  • Geregistreerde deskundige: De geregistreerde deskundige is de deskundige die is ingeschreven in het register.

  • Heraanvrager: De heraanvrager is degene die op het moment dat hij een heraanvraag indient al beschikt over een registratie, al dan niet voor beperkte duur.

  • Initiële aanvrager: De aanvrager die een aanvraag doet om in het register ingeschreven te worden.

  • Nieuwe rapporteur (aanvrager): De aanvrager die geen ervaring heeft met het zelfstandig rapporteren; hij is pas opgeleid of net startend. De nieuwe rapporteur komt alleen in aanmerking voor een registratie voor beperkte duur.

  • NRGD: Het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, waartoe het College en het Bureau behoren.

  • Rapporteur: Een rapporteur is degene die een rapport uitbrengt ten behoeve van de rechtspraak en/of een verklaring aflegt ter terechtzitting.

  • Register: Het landelijk openbaar register als bedoeld in artikel 51 k(1) van het Wetboek van Strafvordering, waarin de door het College geschikt geachte gerechtelijk deskundigen zijn ingeschreven.

  • Registratie: De registratie waarbij de geregistreerde deskundige voor de wettelijke periode van vier jaren in het register is ingeschreven.

  • Registratie voor beperkte duur: De registratie van een deskundige voor een door het College vastgestelde periode en mogelijk onder bepaalde voorwaarden waaraan binnen die periode moet zijn voldaan. In beginsel zal de door het College vast te stellen periode maximaal twee jaar bedragen.

  • Supervisie: Onder supervisie verstaat het NRGD het beoordelen van andermans werk, het gezamenlijk reflecteren op het werk en het begeleiden van een gesuperviseerde in het kader van een opleiding of bijscholingstraject. Supervisor en gesuperviseerde staan hierbij in een hiërarchische verhouding tot elkaar en de supervisor is de deskundige die in ieder geval wordt benoemd. De supervisor ziet het object van onderzoek (de onderzochte) zodanig dat deze het onderzoek van de gesuperviseerde kan controleren, de conclusies daarvan kan onderschrijven en voor zijn rekening kan nemen. De supervisor ondertekent het rapport in ieder geval.

  • Toetser: Een toetser is lid van een toetsingsadviescommissie.

  • Toetsingsadviescommissie: De toetsingsadviescommissie is een door het College benoemde commissie die het College adviseert over de (mate van) geschiktheid voor (her)registratie van de (her)aanvrager.

  • ^ [1]

    Geometrische kernmerken hebben betrekking op hoeken, lengtes, afstanden en oppervlakten die kunnen worden gemeten vanuit de vorm van het geschreven inktspoor. Een voorbeeld is de verhouding tussen de lengte van de opgaande lijn (stok) van een letter <b> en de hoogte van de romp van deze letter. Geometrische kenmerken zijn doorgaans kwantitatief (Zie: geometrie in de wiskunde).

  • ^ [2]

    Structurele kenmerken zijn unieke vormen of patronen die ofwel aan- ofwel afwezig zijn, zoals lussen, lijnkruisingen, haken, ligaturen, krullen, etc. (Zie: topologie in de wiskunde). Structurele kenmerken, indien aanwezig, zijn praktisch bij het rapporteren omdat ze makkelijk in woorden zijn uit te leggen aan leken dan normaal het geval is voor kwantitatieve geometrische kenmerken.

  • ^ [3]

    Voor de analyse van inktafzettingskenmerken of het indrukreliëf op de achterkant van een vel papier is doorgaans een microscoop en/of gespecialiseerde apparatuur nodig, zoals een elektrostatisch detectieapparaat (ESDA). Een voorbeeld van een inktafzettingskenmerk bij balpeninkt zijn de repeterende braamlijnen in het inktspoor (striae) veroorzaakt door de roterende bal van de balpen, die informatie over de schrijfrichting en -snelheid geven.

  • ^ [4]

    ElectroStatic Detection Apparatus.