Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Registratie-eisen en toetsingsprocedure 005.1 Verdovende Middelen – analyse en interpretatie – Versie 1.0

Geldend van 30-01-2014 t/m heden

Registratie-eisen en toetsingsprocedure 005.1 Verdovende Middelen – analyse en interpretatie – Versie 1.0

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensische deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) is gebaseerd. Het College gerechtelijk deskundigen (College) formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van algemene criteria nadere eisen die specifiek zijn voor het deskundigheidsgebied. Tevens specificeert het College de toetsingsprocedure voor elk deskundigheidsgebied.

Dit document verduidelijkt de professionele eisen waaraan deskundigen Verdovende Middelen – analyse en interpretatie moeten voldoen en de specifieke toetsingsprocedure gebruikt door de toetsingsadviescommissies om deskundigen Verdovende Middelen – analyse en interpretatie die een aanvraag doen voor registratie in het NRGD te toetsen.

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van informatie, waaronder documenten (zoals zaaksrapporten en bewijsstukken), in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken.

A. Eisen voor registratie als deskundige Verdovende Middelen – analyse en interpretatie

De algemene eisen van het tweede lid van artikel 12 Brdis zijn in onderstaande tekst letterlijk opgenomen (in cursief) met verwijzing naar hun respectieve aanduiding van de subleden. Bij elke algemene eis volgen de nadere, specifieke eisen voor het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen – analyse en interpretatie. Wanneer geen nadere specificaties zijn aangegeven, zijn de algemene eisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 Brdis vooralsnog voldoende bevonden voor dat onderdeel van het artikel en zijn geen nadere eisen nodig.

Het tweede lid van artikel 12 Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College: 12(2) a. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Een aanvrager dient:

  • te werken op het niveau van iemand die een academisch masterdiploma bezit (zoals chemie, farmacie, farmaceutische wetenschappen);

  • een academisch masterdiploma te bezitten waarin tenminste organische chemie (12 ECTS1) en analytische chemie (12 ECTS) aan de orde zijn gekomen, of een diploma van het hoger beroepsonderwijs (hbo) te bezitten waarin tenminste organische chemie (12 ECTS) en analytische chemie (12 ECTS) aan de orde zijn gekomen;

  • kennis te hebben van de meest voorkomende:

    • verdovende middelen zoals genoemd op lijst I en II van de Opiumwet (voorkomen, werking, gebruik);

    • versnijdingsmiddelen;

    • (genees)middelen op de drugsgebruikersmarkt;

  • grondige kennis te hebben van de analysetechnieken (kwalitatief en kwantitatief) gas- en vloeistofchromatografie, massaspectrometrie en infraroodspectroscopie en deze technieken adequaat te kunnen toepassen en bekend te zijn met andere analysetechnieken;

  • kennis te hebben van de syntheseroutes voor gangbare synthetische drugs en precursoren en de daarbij gevormde bijproducten en afvalstromen;

  • kennis te hebben van de productie van cocaïne en heroïne, de daarbij gevormde bijproducten en overige geëxtraheerde bestanddelen van de plant;

  • in de afgelopen 4 jaar aantoonbaar een minimum van 12 bij voorkeur uiteenlopende zaken (type onderzoek, verschillende middelen) (die bij voorkeur onderworpen waren aan review), geïnterpreteerd en hierover gerapporteerd te hebben;

    • Review in deze praktische situatie omvat schaduwen/medetekenen door een andere deskundige bekwaam op dit gebied. De andere deskundige hoeft niet werkzaam te zijn bij dezelfde instantie.

  • bekend te zijn met de voorgestelde literatuur en richtlijnen (zie Annex A) en dient de ontwikkelingen op het gebied van nieuwe middelen, analysetechnieken, wetgeving bij te houden;

  • recente ervaring te hebben met het interpreteren en rapporteren van zaken op het moment van zijn aanvraag voor registratie; dit betekent voor dit deskundigheidsgebied niet langer dan 1 jaar niet gerapporteerd hebben;

  • in staat te zijn vraagstellingen te beantwoorden in het kader van het productieprocesonderzoek en vergelijkend onderzoek in de interpretatiefase (zie document Omlijning 3b en 4b);

  • in staat te zijn vraagstellingen te beantwoorden in het kader van het identificerend- en kwantitatief onderzoek, sporenonderzoek, productieprocesonderzoek en vergelijkend onderzoek in de fase van het chemisch fysisch onderzoek (1a, 2a, 3a en 4a);

  • bekend te zijn met de mogelijkheden en beperkingen van de beantwoording van vraagstellingen in het kader van de interpretatiefase van het sporenonderzoek (2b).

12(2) b. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.
  • De generieke eisen zijn de volgende:

    Een aanvrager heeft voldoende kennis van het Nederlandse strafrecht:

    • context van het strafrecht

      Trias Politica en onderscheid privaat-, bestuurs- en strafrecht.

    • het strafproces

      • actoren in de strafrechtsketen;

        (taken/bevoegdheden/verantwoordelijkheden);

      • procesfasen;

      • gerechtelijk vooronderzoek, dwangmiddelen;

      • verloop van de strafzitting en besluitvorming van de rechter;

      • positie van de deskundige in de rechtsgang.

    • materiële strafrecht

      • Sancties en strafuitsluitingsgronden (zeer globaal).

    • positionering deskundige als professional

      • Beroepscodes en verwante regelgeving in relatie tot de Gedragscode gerechtelijk deskundigen.

  • In aanvulling op de generieke eisen, dient een aanvrager bekend te zijn met de Opiumwet, de Europese verordeningen waar naar verwezen wordt in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, of een middel gerelateerd aan de in deze wetgeving genoemde middelen (zoals designerdrugs en versnijdingsmiddelen, chemicaliën gebruikt bij productieprocessen), de Geneesmiddelenwet (art. 1,18,40), relevante jurisprudentie en de ontwikkelingen hiervan bij te houden.

    Voor (buitenlandse) deskundigen die een aanvraag overwegen in het register is artikel 19 van het Besluit register deskundige in strafzaken van belang. Volgens dit artikel is een voorwaardelijke registratie mogelijk, indien de deskundige nog niet voldoet aan de eis van artikel 12(2) b.

12(2) c. (...) in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

Een aanvrager dient:

  • bekend te zijn met de beperkingen van zijn eigen onderzoek en dient te weten wanneer een andere deskundige binnen hetzelfde of een ander deskundigheidsgebied moet worden geraadpleegd of een vervolgonderzoek moet worden aanbevolen;

  • bekend te zijn met andere onderzoeksgebieden zoals dactyloscopie/DNA en de aspecten die invloed kunnen hebben op het eigen onderzoeksgebied (zoals de volgorde en planning van het onderzoek).

12(2) d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren.
  • kennis te hebben van de voor- en nadelen van de verscheidene wetenschappelijke methoden gebruikt in het deskundigheidsgebied, zich bewust te zijn van de mogelijkheden en beperkingen van deze methoden, in staat te zijn deze uit te leggen;

  • kennis te hebben van de geldende richtlijnen (zie Annex A).

12(2) e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen.

Een aanvrager dient:

  • in staat te zijn op verantwoorde wijze monsters te nemen (denk hierbij aan: veiligheid, contaminatie en technische richtlijnen als Drug Sampling (zie Annex A));

  • in staat te zijn bestaande bemonstering te toetsen aan de geldende richtlijnen en de mogelijkheid van contaminatie;

  • kennis te hebben van de logistieke processen met betrekking tot het onderzoeksmateriaal (chain of custody).

12(2) f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Een aanvrager dient:

  • kennis te bezitten over kwaliteits- en controlesystemen voor het onderzoek;

  • kennis te bezitten over de meetonzekerheid van het eigen kwantitatieve onderzoek;

  • kennis te hebben van selectieprocedures met betrekking tot bemonsteren;

  • met behoud van validiteit bestaande onderzoeksmethoden aan te kunnen passen.

12(2) g. (...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

  • in staat te zijn, op basis van de resultaten, aan een leek te rapporteren over een interpretatie en conclusie (zowel schriftelijk als mondeling) en deze statistisch te ondersteunen waar relevant;

  • in staat te zijn hypothesen te formuleren en resultaten te interpreteren;

  • in staat te zijn de bewijswaarde van het onderzoek aan te kunnen geven (onderbouwing, aannames en beperkingen);

  • Naast de vereiste administratieve gegevens (naam van de opdrachtgever, datum van de opdracht, datum van het rapport, referentie opdrachtgever, eigen referentie, nummer en type van bijlagen etc.) dient een rapport de volgende onderdelen te bevatten:

    • een beschrijving van het ontvangen materiaal, met informatie over de datum en wijze van aanlevering;

    • een specificatie van het onderzochte materiaal;

    • elke relevante achtergrondinformatie die de interpretatie van de onderzoeksresultaten zou kunnen beïnvloeden, met vermelding van wie deze informatie afkomstig is, en wanneer en hoe die informatie verkregen is;

    • de vragen gesteld door de opdrachtgever, zo mogelijk in de vorm van hypothesen, en waar relevant de communicatie daarover;

    • de gebruikte onderzoeksmethode(n);

    • de resultaten van het onderzoek;

    • de interpretatie van de resultaten van het onderzoek;

    • de conclusies inclusief de gebruikte waarschijnlijkheidsschaal.

12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn. 12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

B. Toetsingsprocedure voor deskundigen Verdovende Middelen – analyse en interpretatie

Om te beoordelen of een aanvrager voldoet aan de eisen voor Verdovende Middelen – analyse en interpretatie en in aanmerking komt voor registratie in het register schrijft het College NRGD een toetsingsprocedure voor die bestaat uit verplichte en optionele elementen. De toetsingsadviescommissies hebben een discretionaire bevoegdheid te bepalen of en zo ja, welke optionele onderdelen in de toetsingen worden opgenomen.

Verplichte elementen:

De beoordeling geschiedt op basis van:

  • algemene elementen als ingeleverd door de aanvrager als onderdeel van het aanvraagpakket; en

  • bewijsstukken van competentie als ingeleverd door de aanvrager, waaronder:

    • A. in elk geval:

      • een lijst van minimaal 12 zaaksrapporten opgemaakt in de afgelopen 4 jaar waarin door de aanvrager tenminste is aangegeven:

        • het referentienummer;

        • het type onderzoek: sporenonderzoek, productieprocesonderzoek of vergelijkend onderzoek;

        • het type drugs/middelen;

        • de hoofdvraagstelling;

        • het aantal nevenvraagstellingen;

        • of de deskundige in de rechtszaal heeft opgetreden in deze zaak;

        • welke bijzonderheden in deze zaak zijn te vermelden;

        • of een review heeft plaatsgevonden;

      • 3 gedetailleerde zaaksrapportages geselecteerd door het NRGD uit de lijst van minimaal 12 rapportages (van ieder type onderzoek sporen, productieproces, vergelijkend- indien mogelijk één rapport);

      • één gedetailleerd zaaksrapport naar eigen voorkeur in aanvulling op de zaaksrapporten geselecteerd door het NRGD.

    • B. indien aanwezig:

      • certificaten van relevante trainingen/bij- en nascholing;

      • bewijsstukken van registraties;

      • bewijsstukken van collegiale review op gemaakte zaakrapporten;

      • een overzicht van relevante eigen wetenschappelijke publicaties

Optionele elementen:

Voorts kan de beoordeling ook geschieden op basis van:

  • nadere informatie zoals een onderzoek in open bronnen naar het forensisch optreden van de aanvrager in (recente) jurisprudentie of andere gedetailleerde rapporten, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een adequate toetsing.

Aanvragers worden getoetst door een toetsingsadviescommissie van tenminste drie personen. Een toetsingsadviescommissie bestaat uit een jurist en twee vakinhoudelijk deskundigen.

Bijlage

Annex A. : voorgestelde literatuur en richtlijnen registratie-eisen en toetsingsprocedure 005.1 Verdovende Middelen – analyse en interpretatie – Versie 1.0

‘Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines, deel I-VI (serie)’:

Aalberg, L. Andersson, K., Bertler, C. Borén, H. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines I: Synthesis of standards and compilation of analytical data. Forensic Science International (149) 2-3, p. 219-229.

Aalberg, L., Andersson, K., Bertler, C., Cole, M.D. e.a. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines II: Stability of impurities in organic solvents. Forensic Science International (149) 2-3, p. 231-241.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E., Finnon, Y. e.a.(2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines III: Development of the gas chromatographic method. Forensic Science International, (169) 1, p. 50-63.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E. Huizer e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines IV: Optimisation of sample preparation. Forensic Science International (169) 1, p. 64-76.

Aalberg, L., Andersson, K., Dahlén, J., Lock, E. e.a. (2007) Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines V: Determination of the variability of the optimised method. Forensic Science International (169) 1 , p. 77-85.

Andersson, K., Lock, E., Jalava, K., Huizer H. e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines VI: Evaluation of methods for comparison of amphetamine. Forensic Science International, (169) 1, p. 86-99.

Deursen, M.M. van, Lock, E.R.A., Poortman- van der Meer, A.J. (2006). Organic impurity profiling of 3,4-methylenedioxymethamphetamine (MDMA) tablets seized in the Netherlands. Science & Justice (46), p. 135-152.

Donnell jr., C. R. (2003), Forensic Investigation of Clandestine Laboratories. Professional Business Solutions, USA: O'Fallon.

International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) (2002). Guidelines for Forensic Science Laboratories. ILAC, Rhodes, Australia.

Moffat, A.C., Osselton, D. M. and Widdop, B., (2011). Clarke’s Analysis of Drugs and Poisons: in pharmaceuticals, body fluids, and postmortem material. London: Pharmaceutical Press.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1986). Recommended Methods for Testing Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1989). Recommended Methods for Testing Lysergide (LSD). New York; United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2006). Recommended Methods for the Identification and Analysis of Amphetamine, Methamphetamine and their Ring-Substituted Analogues in Seized Materials. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2009). Recommended methods for the identification and analysis of cannabis and cannabis products. New York: United Nations.

United Nations in cooperation with the Drugs Working Group of the European Network of Forensic Science Institutes (2009). Guidelines on Representative Drug Sampling. New York: United Nations.

United Nations International Drug Control Programme (1998). Recommended Methods for Testing Opium, Morphine and Heroin. New York: United Nations

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Office for Drug Control and Crime Prevention (2001). Drug Characterization/Impurity Profiling: Background and Concepts. New York: United Nations.

Website:

http://www.unodc.org/unodc/en/scientists/publications.html

  • ^ [1]

    European Credit Transfer and Accumulation System, 1 ECTS = 28 studie uur.