Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Private Sector Investeringsprogramma[Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 08-03-2014 t/m 31-12-2014

Besluit van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 16 december 2013, nr. DDE-692/2013, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor het Private Sector Investeringsprogramma

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 gelden voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 voor het Private Sector Investeringsprogramma de in de bijlagen bij dit besluit opgenomen beleidsregels (‘Subsidiehandleiding PSI Regulier’ en ‘Subsidiehandleiding PSI Plus’).

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2015]

Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Private Sector Investeringsprogramma, geldt voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een subsidieplafond van € 37.000.000. Dit plafond geldt onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking stelt.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Het Private Sector Investeringsprogramma valt uiteen in twee deelprogramma’s, PSI Regulier (bijlage 1) en PSI Plus (bijlage 2). Voor beide deelprogramma’s geldt hetzelfde gezamenlijke subsidieplafond.

  • 2 Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Private Sector Investeringsprogramma moeten uiterlijk 10 maart 2014, 15.00 uur zijn ontvangen..

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Voor PSI Regulier en PSI Plus gezamenlijk verplichtingen kunnen verplichtingen worden aangegaan tot een maximum van € 30.000.000. Dit plafond geldt onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking stelt.

  • 2 Voor PSI in de Arabische regio (Algerije, Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Libië, Marokko, de Palestijnse gebieden en Tunesië) kunnen verplichtingen worden aangegaan tot een maximum van € 7.000.000.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2015]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2015 .

Dit besluit zal met de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

De

minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze:

de Plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

A.C.C. Rebergen

Bijlage 1. Subsidiehandleiding PSI Regulier [Vervallen per 01-01-2015]

Private Sector Investeringsprogramma: deelprogramma PSI Regulier [Vervallen per 01-01-2015]

1. Inhoud en inlichtingen [Vervallen per 01-01-2015]

Het PSI-programma valt uiteen in twee deelprogramma’s, PSI Regulier en PSI Plus. Beide worden met het besluit waarbij deze Handleiding een bijlage is voor de laatste maal opengesteld. Deze bijlage bevat de subsidiehandleiding voor PSI Regulier. PSI Regulier heeft betrekking op investeringen in 50 ontwikkelingslanden. Zie de landenlijst in paragraaf 5.1 van deze bijlage. PSI Plus richt zich op Afghanistan, Burundi, Democratische Republiek Congo, Guatemala, Irak, Jemen, Pakistan, Palestijnse Gebieden, Sierra Leone en Zuid-Sudan. De handleiding van PSI Plus is opgenomen in bijlage 2.

De subsidiehandleiding maakt u wegwijs bij het aanvragen van subsidie in het kader van PSI Regulier. De subsidiehandleiding vormt tevens het formele kader voor de beoordeling van subsidieaanvragen. Het aanvraagformulier maakt integraal onderdeel uit van de subsidiehandleiding.

De subsidiehandleiding is als volgt ingedeeld. Paragraaf 2 bevat een algemene toelichting over de inhoud van het programma. Paragraaf 3 licht toe welke kosten subsidiabel zijn. Vervolgens wordt toegelicht aan welke criteria het voorstel dient te voldoen. Dit zijn de formele vereisten (paragraaf 4), ingangscriteria (paragraaf 5) en toetsingscriteria (paragraaf 6). Ook treft u een beschrijving aan van de beoordelingsprocedure (paragraaf 7) en enkele regels ten aanzien van de uitvoering (paragraaf 8).

Appendix I bevat het aanvraagformulier en appendix II de begrippenlijst. De subsidiehandleiding, het aanvraagformulier, de begrippenlijst en aanvullende informatie kunt u downloaden van de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, voorheen Agentschapnl, www.rvo.nl/psi, tel: 088-602 9000).

2. Algemeen [Vervallen per 01-01-2015]

Doel: De doelstelling van PSI is het stimuleren van duurzame economische ontwikkeling door middel van het bevorderen van significant vernieuwende investeringen in de private sector in ontwikkelingslanden. Hiermee wordt beoogd een relevante en positieve bijdrage te leveren aan zelfredzaamheid en armoedevermindering door het creëren van economische bedrijvigheid, werkgelegenheid en inkomensverbetering.

Typering van een PSI-project: Een PSI-project is een investeringsproject dat wordt uitgevoerd door een Nederlandse (of buitenlandse) onderneming in samenwerking met een lokale onderneming in één van de ontwikkelingslanden waarvoor PSI is opengesteld. PSI subsidieert het project, dat bestaat uit zowel hardware (zoals machines) als technische assistentie (zoals training, projectmanagement).

Het project is significant vernieuwend voor het betreffende land. Het innovatieve karakter dient tenminste het type product of dienst, de productiemethode of de dienstverleningswijze te betreffen. PSI verkleint de risico's voor het lokale en het buitenlandse bedrijf die samen een dergelijke investering doen, door een financiële bijdrage in de investeringslasten. Het is de bedoeling dat na afloop van de projectperiode vervolginvesteringen worden gerealiseerd die leiden tot verdere groei van omzet en werkgelegenheid. Daarnaast dient het project commercieel haalbaar te zijn en positieve impact te hebben op de lokale economie.

Uitvoerder: De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van de subsidieregeling opgedragen aan RVO.nl, de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor internationaal ondernemen en samenwerken.

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO): De Nederlandse overheid hecht veel belang aan IMVO en verwacht dat PSI-projecten op dit gebied voorop lopen in het betreffende land en sector. Certificering, ook op sociaal gebied, is hierbij van belang. IMVO wordt integraal meegenomen in de beoordeling van de subsidieaanvraag. PSI zal geen activiteiten financieren die op de FMO uitsluitingslijst worden genoemd. De aanvrager dient een goede reputatie te hebben op het gebied van MVO, hetgeen blijkt uit een vastgelegd MVO-beleid voor de eigen onderneming dat de aanvrager al heeft of binnen het eerste projectresultaat zal opleveren. Van bedrijven die gebruik maken van PSI wordt geëist dat zij zorgen dat zowel de deelnemende bedrijven als het consortium zich houdt aan de OESO richtlijnen.

In het kader van de in 2011 herziene OESO richtlijnen wordt vereist dat bedrijven hun ketenverantwoordelijkheid serieus nemen. Hiertoe zullen zij een risicoanalyse volgens de OESO-richtlijnen uitvoeren m.b.t. de toeleveringsketens van de kernactiviteit van het op te zetten bedrijf. Op basis van deze risicoanalyse zal een plan moeten worden opgesteld om eventuele negatieve effecten te voorkomen dan wel te mitigeren. De project partners zullen de in dit plan voorgestelde maatregelen uitvoeren en hierover communiceren.

3. Subsidiabele kosten [Vervallen per 01-01-2015]

De PSI-subsidie bestaat uit een bijdrage in de kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van het project. Voor PSI Regulier is de bijdrage 50% van de subsidiabele kosten, met een maximumbijdrage van € 750.000. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen bestaan uit:

  • kosten van duurzame kapitaalgoederen (hardware) die ingezet worden in het productieproces, met uitzondering van bestaande gebouwen en land.

  • kosten voor technische assistentie, zoals projectmanagement, training, advieskosten, certificering.

Op grond van artikel 9 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt de subsidie geweigerd indien de subsidie wordt aangevraagd na aanvang van de activiteiten. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat activiteiten die vóór de indiening van de aanvraag worden gemaakt ter voorbereiding van het project niet leiden tot weigering van de subsidie, maar dat de kosten daarvan niet voor subsidie in aanmerking komen. Het aanvraagformulier bevat een nadere toelichting op de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten.

4. Formele vereisten [Vervallen per 01-01-2015]

De aanvraag dient te voldoen aan onderstaande formele vereisten. Indien aan deze vereisten niet is voldaan, neemt RVO.nl de aanvraag niet in behandeling.

  • 1. De aanvraag dient schriftelijk (1 origineel en 3 kopieën) en volledig te worden ingediend bij RVO.nl conform het aanvraagformulier in appendix I.

  • 2. De aanvraag dient tijdig te zijn ontvangen door RVO.nl: voor de beoordelingsronde op maandag 10 maart 2014, 15.00 uur

  • 3. Het adres waar de aanvraag dient te worden ingediend is:

    Bezoekadres

    Postadres

    Rijksdienst voor Ondernemend Nederland t.a.v. PSI

    Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. PSI

    Prinses Beatrixlaan 2

    Postbus 93144

    Den Haag

    2509 AC Den Haag

  • 4. Tegelijkertijd met de schriftelijke aanvraag moet een elektronische kopie worden ingeleverd op een digitaal opslagmedium met USB-poort (USB-stick). Elektronische kopieën aangeleverd op een andere wijze, zoals bijvoorbeeld per e-mail, worden niet geaccepteerd.

  • 5. Het formulier dient voorzien te zijn van de naam van de aanvrager. Een tekenbevoegde vertegenwoordiger van de aanvrager dient het formulier te ondertekenen.

  • 6. Naast de aanvrager dient de lokale partner het projectvoorstel mede te ondertekenen. De lokale partner geeft hiermee aan bekend te zijn met de inhoud van de aanvraag en zich in te zetten voor de succesvolle uitvoering van het project. Overigens is uitsluitend de aanvrager de subsidieontvanger, indien de aanvraag is goedgekeurd. Dat betekent dat alle verplichtingen op de aanvrager rusten, onverschillig wie de uitvoering ter hand neemt.

  • 7. De project partners dienen te verklaren dat zij bekend zijn met de OESO-Richtlijnen voor multinationale bedrijven met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, de ILO-Verklaring inzake fundamentele rechten en principes voor werk en de VN-Conventie over Biologische Diversiteit en dat ze hiernaar zullen handelen. Informatie over deze documenten staat op de website van RVO.nl, www.rvo.nl/psi.

  • 8. De aanvrager dient te verklaren dat de te financieren projectactiviteiten niet op de FMO uitsluitingslijst vermeld staan. Een link naar deze lijst staat op de website van RVO.nl.

  • 9. De aanvraag dient in de Engelse taal gesteld te zijn.

5. Ingangscriteria [Vervallen per 01-01-2015]

Een aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien aan onderstaande ingangscriteria niet is voldaan:

  • 1. Landen:

    • De aanvraag dient betrekking te hebben op een investering in één van de volgende 50 landen: Albanië, Algerije, Angola, Armenië, Bangladesh, Benin, Bolivia, Bosnië-Herzegovina, Burkina Faso, Cambodja, Colombia, Djibouti, Egypte, Ethiopië, Filippijnen, Gambia, Georgië, Ghana, Indonesië, Jordanië, Kaapverdië, Kenia, Kosovo, Laos, Libië, Macedonië, Madagaskar, Malawi, Mali, Marokko, Moldavië, Mongolië, Mozambique, Myanmar, Nepal, Nicaragua, Nigeria, Peru, Rwanda, Senegal, Sri Lanka, Sudan, Suriname, Tanzania, Thailand, Tunesië, Uganda, Vietnam, Zambia en Zuid-Afrika.

  • 2. Aanvrager:

    Subsidie kan alleen worden aangevraagd door:

    • een in Nederland gevestigde onderneming die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

    óf

    een in het buitenland gevestigde onderneming indien de aanvraag betrekking heeft op een project in een van de volgende 25 landen: Angola, Bangladesh, Benin, Bolivia, Burkina Faso, Cambodja, Djibouti, Ethiopië, Gambia, Ghana, Laos, Madagaskar, Malawi, Mali, Mozambique, Myanmar, Nepal, Nicaragua, Rwanda, Senegal, Sudan, Tanzania, Uganda, Zambia en Zuid-Afrika. De onderneming dient te zijn geregistreerd bij de lokale Kamer van Koophandel (of vergelijkbare instantie) en mag niet gevestigd zijn in het land waarop de aanvraag betrekking heeft.

    • Deze onderneming dient ten minste twee jaar te bestaan.

    • De aanvrager mag op het moment van indiening niet meer dan één PSI- of PSOM-project in uitvoering hebben en mag niet meer dan één aanvraag per tender indienen.

  • 3. Samenwerkingsverband en lokale partner:

    • De aanvrager dient het project uit te voeren samen met een lokale partner.

    • De lokale partner is een onderneming in het land waar het project plaatsvindt en is geregistreerd bij de lokale Kamer van Koophandel (of vergelijkbare instantie). Overheidsorganisaties mogen niet meer dan 25% van het eigendom van deze onderneming in bezit hebben. Deze eis geldt niet voor Vietnam.

    • Het samenwerkingsverband van aanvrager en lokale partner heeft niet eerder PSI-subsidie ontvangen of een PSOM-project uitgevoerd.

  • 4. Projectduur, projectomvang en cofinanciering:

    • De projectduur is 30 maanden. Voor seizoensafhankelijke projecten (visserij-, land-, tuin- en bosbouwprojecten) is de projectduur 36 maanden.

    • De subsidie voor PSI bestaat uit een vergoeding van 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000. Het maximale projectbudget bedraagt € 1.500.000.

    • Cofinanciering van het project door andere programma’s van de Nederlandse overheid of van andere overheden is niet toegestaan. De aanvrager moet cofinanciering door andere niet-commerciële partijen in zijn aanvraag vermelden. De PSI-bijdrage in combinatie met financiële bijdragen van andere niet-commerciële partijen mag niet meer dan 80% van het projectbudget bedragen.

6. Toetsingscriteria [Vervallen per 01-01-2015]

Wanneer aan de hiervoor genoemde formele vereisten en ingangscriteria is voldaan, beoordeelt RVO.nl de aanvraag op basis van de toetsingscriteria hieronder. In het aanvraagformulier worden deze criteria nader toegelicht.

  • 1. Partners:

    • a. De aanvrager en de lokale partner moeten reeds bestaande ondernemingen zijn met substantiële economische activiteiten.

    • b. Het projectvoorstel moet logisch voortvloeien uit de huidige activiteiten (core business) en strategie van de aanvrager en de lokale partner;

    • c. De partners moeten beschikken over de nodige kennis en ervaring om het project tot een succes te maken.

    • d. De partners moeten een samenwerkingsverband aangaan voor de lange termijn. Dit betreft veelal een joint venture.

    • e. De partners moeten laten zien over voldoende financiële middelen te beschikken om de eigen bijdrage en het werkkapitaal te kunnen financieren voor het project. Enkele richtlijnen die RVO.nl hiervoor hanteert staan vermeld in het aanvraagformulier. Wanneer sprake is van een joint venture dient de eigen bijdrage in redelijke verhouding te staan tot het eigendomspercentage van elk van de partners.

    • f. De voorkeur gaat uit naar MKB-bedrijven.

    • g. De voorkeur gaat uit naar een lokale partner die direct of indirect in handen is van personen met de lokale nationaliteit en die geen eigendomsrelatie heeft met de aanvrager. In de Arabische regio gaat de voorkeur bovendien uit naar vrouwelijke ondernemers en jonge ondernemers (jonger dan 35 jaar).

    • h. De voorkeur gaat uit naar aanvragers die nog niet eerder een PSOM- of PSI-project hebben uitgevoerd.

    • i. De partners dienen een goede reputatie te hebben op het gebied van MVO. De aanvrager dient bij de aanvraag een formeel vastgelegd MVO-beleid van de eigen onderneming te overleggen. Indien er geen vastgelegd MVO-beleid van de eigen onderneming beschikbaar is op het moment van de aanvraag dan dient de aanvrager dit alsnog op te leveren binnen het eerste projectresultaat. Het MVO-beleid moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de OESO, IFC of ISO 26.000 en dient ook te beschrijven hoe dit beleid in de praktijk wordt gebracht (management instrumenten) en hoe daarover gecommuniceerd wordt.

    De overige project partners dienen in de aanvraag te beschrijven hoe zij binnen de eigen onderneming de diverse OESO thema's in de praktijk ten uitvoer brengen.

  • 2. Project:

    Commercieel plan
    • a. Er moet een aantoonbare markt zijn voor de producten of diensten die het project voortbrengt.

    • b. De voorgestelde activiteit moet significant vernieuwend zijn voor het land waar het project wordt uitgevoerd. De vernieuwing dient ten minste het type product of dienst, de productiemethode of de dienstverleningswijze te betreffen. Met deze vernieuwende projecten wordt beoogd om onderontwikkelde economieën te helpen ontwikkelen. De aanvraag wordt afgewezen indien het project niet vernieuwend is en/of leidt tot marktverstoring in de betreffende sector in het project-land.

    • c. Het projectvoorstel moet een realistische analyse van de bedrijfsrisico’s en mitigerende maatregelen bevatten.

    • d. Ketenverantwoordelijkheid: De aanvrager levert een risicoanalyse aan volgens de OESO richtlijnen van mogelijke ongewenste effecten in de toeleveringsketens van het te financieren project. Het betreft een analyse van de ketens van de meest elementaire grondstoffen en halffabricaten voor de fabricatie van het eindproduct. In het geval er reële risico's bestaan op niet-naleving van de OESO richtlijnen in deze ketens, dient het aanvragende bedrijf aan te geven welke maatregelen het zal nemen om deze risico's te ondervangen, hoe het bedrijf de naleving ervan zal monitoren en hoe deze informatie beschikbaar zal zijn voor belangstellende stakeholders (proces van due diligence). In het geval de risico-inschatting nog niet volledig kan worden gedaan voor aanvang van het project, omdat de project locatie nog niet bekend is en/of de toeleveranciers nog niet geïdentificeerd zijn, dient de aanvrager dit aan te geven in het voorstel en het ontbrekende deel van de risicoanalyse op te nemen als onderdeel van Resultaat 1 van het projectplan.

    Operationeel plan
    • e. Het operationeel plan dient duidelijk en logisch beschreven te zijn en concrete resultaten te bevatten. Deze moeten voldoende specifiek, meetbaar en realiseerbaar zijn.

    • f. De capaciteit van de hardware die wordt aangeschaft dient in verhouding te staan tot de beoogde productie aan het eind van het project.

    • g. Het project zelf dient van bescheiden omvang te zijn, zodat het leidt tot vervolginvesteringen. Hiermee wordt het opstartkarakter ('pilot') benadrukt;

    • h. De technologie die wordt gebruikt dient commercieel bewezen te zijn. PSI is niet bedoeld voor technologieontwikkeling.

    • i. Het operationeel plan dient een relevant en kwalitatief voldoende trainingsprogramma te bevatten voor personeel en belangrijke partijen in de keten.

    • j. Het operationeel plan dient voldoende de uitgangspunten van IMVO te reflecteren en hier ook resultaten op te benoemen (voorbeelden per sector zijn te vinden op k. Het projectbudget moet in verhouding staan tot de beschreven resultaten.

    Financieel plan
    • k. Uit de cijfers moet blijken dat de activiteit commercieel haalbaar is. Het project moet uiteindelijk leiden tot een winstgevende onderneming.

    • l. Het kasstroomoverzicht moet helder zijn en logisch voortvloeien uit het commerciële en operationele plan. Vervolginvesteringen dienen niet meegenomen te worden in dit overzicht.

    • m. Financiering van de voorgestelde activiteit anders dan in het kader van PSI is niet mogelijk. Banken, andere financiële instellingen en private bronnen zijn niet bereid het project te financieren vanwege de hoge risico’s. Het project komt ook niet in aanmerking voor financiering uit andere Nederlandse of internationale instrumenten.

  • 3. Impact:

    Op de onderneming:
    • a. Het project heeft de potentie om na afloop door te groeien, waarbij significante vervolginvesteringen en extra omzet worden gerealiseerd.

    • b. Het project leidt tot de creatie van duurzame werkgelegenheid, waarbij goede beloning en werkomstandigheden in acht worden genomen. De voorkeur gaat uit naar bedrijven die leefbaar loon betalen. In de Arabische regio gaat de voorkeur uit naar creatie van werkgelegenheid voor jonge werknemers (jonger dan 25 jaar) en vrouwelijke werknemers.

    • c. Het project moet het kennisniveau van lokale werknemers, management of toeleveranciers verhogen en nieuwe vaardigheden overdragen.

    Op de keten:
    • d. Het project heeft bij voorkeur positieve lange termijn effecten voor de keten zoals contractboeren, toeleveranciers, klanten en consumenten (bijvoorbeeld door kennisdelen, toename van omzet en door toegenomen kwaliteit van het eindproduct).

    Op de sector:
    • e. Het project heeft bij voorkeur een positief lange termijn effect op stakeholders in de sector, waaronder andere bedrijven, associaties en kennisinstellingen (bijvoorbeeld door kennisdelen of door de introductie van standaarden). De voorkeur gaat uit naar projecten die een positieve impact hebben op voedselzekerheid en/of de beschikbaarheid van water.

    Op de samenleving:
    • f. Het project heeft bij voorkeur een positief effect op het milieu. Het mag in ieder geval niet milieubelastend zijn.

    • g. Het project heeft bij voorkeur een positief effect op de positie van vrouwen, in het bijzonder in managementposities. De positie van vrouwen mag in ieder geval niet verslechteren.

    • h. Het project heeft bij voorkeur een positieve impact op de lokale gemeenschap in de omgeving van het project, door middel van verbeteringen van de lokale infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, kinderopvang, sport.

    • i. Het project heeft bij voorkeur een positieve lange termijn effect op de lokale en/of nationale overheid, bijvoorbeeld door het genereren van belastinginkomsten, positieve invloed op de handelsbalans of omdat het leidt tot ontwikkeling van de lokale regelgeving.

7. Beoordelingsprocedure [Vervallen per 01-01-2015]

Stap 1. Formele vereisten: RVO.nl neemt de aanvraag in behandeling wanneer aan de formele vereisten (paragraaf 4) is voldaan. Indien de subsidieaanvraag op één of meer onderdelen onvolledig is, wordt de aanvrager, onverminderd artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de gelegenheid gesteld de aanvraag alsnog te completeren binnen 7 kalenderdagen nadat RVO.nl de aanvrager van de onvolledigheid in kennis heeft gesteld. Wanneer niet correct of niet tijdig is hersteld, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Stap 2. Ingangscriteria: Vervolgens stelt RVO.nl vast of de aanvraag voldoet aan alle ingangscriteria (paragraaf 5). Indien aan één of meerdere van deze criteria niet is voldaan wordt de aanvraag afgewezen.

Stap 3. Toetsingscriteria: RVO.nl beoordeelt daarna de aanvraag inhoudelijk en financieel op basis van de toetsingscriteria (paragraaf 6). Indien het voorstel onvoldoende scoort op één of meerdere onderdelen, wordt de aanvraag afgewezen.

Stap 4. Rangschikking: RVO.nl maakt twee rangschikkingen van de positief beoordeelde voorstellen. Eén rangschikking is voor de Arabische regio (Algerije, Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Libië, Marokko, de Palestijnse Gebieden en Tunesië). De andere rangschikking is voor de overige PSI-landen. De rangschikkingen worden bepaald door een score die is gebaseerd op alle toetsingscriteria (paragraaf 6).

Het in de Staatscourant gepubliceerde budget wordt toegewezen aan de positief beoordeelde PSI Regulier en PSI Plus aanvragen in de orde van de rangschikkingen tot het budget uitgeput is. Het is dus mogelijk dat een project voldoende scoort en toch wordt afgewezen, omdat het budget van die ronde niet toereikend is om alle voorstellen die voldoende scoren te subsidiëren. Bij de verdeling van de voor de Arabische regio beschikbare middelen wordt zoveel mogelijk gestreefd het meest kwalificerende project per land subsidie te verlenen, opdat het beschikbaar budget zoveel mogelijk over alle PSI-Arab landen wordt verdeeld.

Stap 5. Externe adviescommissie: RVO.nl legt de inhoudelijke beoordeling en de rangschikking ter toetsing voor aan een externe Adviescommissie die is aangesteld door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Dit is de Adviescommissie Private Sector Investeringsprogramma (APSI). De commissie bestaat uit tenminste drie leden die worden benoemd door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. De leden van de commissie zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn niet werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken of bij RVO.nl. De commissie geeft een positief of negatief advies bij elk voorstel. In beginsel volgt RVO.nl het advies van de commissie op.

Verificatie: RVO.nl kan het projectvoorstel gedurende de procedure voor advies voorleggen aan de Nederlandse ambassade in het betreffende land en aan een extern expert. Tevens is het mogelijk dat een vertegenwoordiger van RVO.nl een bedrijfsbezoek aflegt bij de aanvrager en eventueel naar het land zelf reist om informatie in te winnen bij de lokale partner of de leveranciers in de keten van het project. Ook kan een extern bureau in opdracht van RVO.nl een dergelijk onderzoek uitvoeren.

Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan RVO.nl zelfstandig contact opnemen met de projectpartners en hen vragen om een nadere toelichting.

8. Subsidieverlening en uitvoering [Vervallen per 01-01-2015]

Subsidieverlening: Binnen 13 weken na de sluitingsdatum van het betreffende tijdvak zal RVO.nl beslissen over de subsidieaanvraag. Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal 22 weken.

Voortgangsrapportages: De subsidieontvanger dient eenmaal per 12 maanden te rapporteren over de gerealiseerde activiteiten en kosten. Het bereiken van Resultaat 1 is essentieel voor de verdere uitvoering van het subsidieproject. Indien Resultaat 1 niet, niet tijdig of niet volledig is gerealiseerd, kan dit gevolgen hebben voor continuering van de subsidieverstrekking en kan de subsidiebeschikking worden gewijzigd of zelfs worden ingetrokken. De eerste voortgangsrapportage wordt daarom ingediend binnen 4 weken na afloop van de termijn voor het realiseren van Resultaat 1.

De termijn voor het indienen van de daaropvolgende voortgangsrapportages is telkens 12 maanden na de termijn voor het indienen van de vorige voortgangsrapportage, met dien verstande dat in het laatste jaar van het subsidietijdvak de eindrapportage in de plaats treedt van de voortgangsrapportage. De rapportages dienen in het Engels te worden opgesteld volgens het beschikbaar gestelde model (zie www.rvo.nl/psi).

Meldingsplicht: De subsidieontvanger is verplicht onverwijld een schriftelijke melding te doen, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, dan wel hij niet aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden zal voldoen.

Internationale normen: De subsidieontvanger is verplicht het project uit te voeren volgens de OESO Richtlijnen voor multinationale bedrijven, de ILO-Verklaring inzake fundamentele rechten en principes voor werk en de VN-Conventie voor Biologische Diversiteit.

Verplichting tot bijzondere meldingsplicht in het kader van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten subsidies: De subsidieontvanger dient er zorg voor te dragen dat de partners en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze bedrijven onverwijld te melden bij RVO.nl.

Voorschotten: Bij de subsidieverstrekking zal worden bepaald op welke wijze bevoorschotting plaatsvindt. Gedurende het project bedragen de voorschotten in totaal niet meer dan 90% van de verstrekte subsidie. Na het behalen van resultaat 1 worden de voorschotten gefaseerd, eens per drie maanden, verstrekt.

Subsidievaststelling: De aanvrager moet binnen twee maanden na afronding van de activiteiten de inhoudelijke en financiële eindrapportage aanleveren. Deze eindrapportage dient te worden ingediend overeenkomstig het beschikbaar gestelde model (www.rvo.nl/psi).

RVO.nl beslist binnen 13 weken over de subsidievaststelling. Een fysieke inspectie ter plaatse kan onderdeel uitmaken van de beoordeling van de aanvraag tot subsidievaststelling. In dat geval kan RVO.nl de beslistermijn verlengen tot 22 weken.

Spin-off fase: De spin-off fase is de periode van twee jaar na subsidievaststelling. Gedurende deze periode is de subsidieontvanger verplicht om een redelijke financiële investering in de joint venture te doen.

Informatie na vaststelling: Tot 24 maanden na vaststelling van de subsidie kan RVO.nl de aanvrager verzoeken informatie te verstrekken over de impact van het project.

Appendices [Vervallen per 01-01-2015]

  • I. Aanvraagformulier en model projectvoorstel PSI Regulier (te downloaden via www.rvo.nl/psi)

  • II. Begrippenlijst PSI Regulier (te downloaden via www.rvo.nl/psi)

Bijlage 2. Subsidiehandleiding PSI Plus [Vervallen per 01-01-2015]

Private Sector Investeringsprogramma: deelprogramma PSI Plus [Vervallen per 01-01-2015]

1. Inhoud en inlichtingen [Vervallen per 01-01-2015]

Het PSI-programma valt uiteen in twee deelprogramma’s, PSI Regulier en PSI Plus. Beide worden met het besluit waarbij deze Handleiding een bijlage is voor de laatste maal opengesteld. Deze bijlage bevat de subsidiehandleiding voor PSI Plus. PSI Plus heeft betrekking op Afghanistan, Burundi, Democratische Republiek Congo, Guatemala, Irak, Jemen, Pakistan, de Palestijnse Gebieden, Sierra Leone en Zuid-Sudan. PSI Regulier richt zich op 50 andere landen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Midden en Oost Europa. De handleiding van PSI Regulier is opgenomen in bijlage 1.

De subsidiehandleiding maakt u wegwijs bij het aanvragen van subsidie in het kader van PSI Plus. De subsidiehandleiding vormt tevens het formele kader voor de beoordeling van subsidieaanvragen. Het aanvraagformulier maakt integraal onderdeel uit van de subsidiehandleiding.

De subsidiehandleiding is als volgt ingedeeld. Paragraaf 2 bevat een algemene toelichting over de inhoud van het programma. Paragraaf 3 licht toe welke kosten subsidiabel zijn. Vervolgens wordt toegelicht aan welke criteria het voorstel dient te voldoen. Dit zijn de formele vereisten (paragraaf 4), ingangscriteria (paragraaf 5) en toetsingscriteria (paragraaf 6). Ook treft u een beschrijving aan van de beoordelingsprocedure (paragraaf 7) en enkele regels ten aanzien van de uitvoering (paragraaf 8).

Appendix I bevat het aanvraagformulier en appendix II de begrippenlijst. De subsidiehandleiding, het aanvraagformulier, de begrippenlijst en aanvullende informatie kunt u downloaden van de website van RVO.nl (www.rvo.nl/psi): Voor nadere inlichtingen kunt u zich wenden tot RVO.nl, tel: 088-6029000.

2. Algemeen [Vervallen per 01-01-2015]

Doel: De doelstelling van PSI is het stimuleren van duurzame economische ontwikkeling door middel van het bevorderen van significant vernieuwende investeringen in de private sector in ontwikkelingslanden. Hiermee wordt beoogd een relevante en positieve bijdrage te leveren aan zelfredzaamheid en armoedevermindering door het creëren van economische bedrijvigheid, werkgelegenheid en inkomensverbetering.

Typering van een PSI-project: Een PSI-project is een investeringsproject dat wordt uitgevoerd door een Nederlandse (of buitenlandse) onderneming in samenwerking met een lokale onderneming in één van de ontwikkelingslanden waarvoor PSI is opengesteld. PSI subsidieert het project, dat bestaat uit zowel hardware (zoals machines) als technische assistentie (zoals training, projectmanagement).

Het project is significant vernieuwend voor het betreffende land. Het innovatieve karakter dient ten minste het type product of dienst, de productiemethode of de dienstverleningswijze te betreffen. PSI verkleint de risico's voor het lokale en het buitenlandse bedrijf die samen een dergelijke investering doen, door een financiële bijdrage in de investeringslasten. Het is de bedoeling dat na afloop van de projectperiode vervolginvesteringen worden gerealiseerd die leiden tot verdere groei van omzet en werkgelegenheid. Daarnaast dient het project commercieel haalbaar te zijn en positieve impact te hebben op de lokale economie.

Uitvoerder: De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van de subsidieregeling opgedragen aan RVO.nl, divisie NL EVD Internationaal, de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor internationaal ondernemen en samenwerken.

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO): De Nederlandse overheid hecht veel belang aan IMVO en verwacht dat PSI-projecten op dit gebied voorop lopen in het betreffende land en sector. Certificering, ook op sociaal gebied, is hierbij van belang. IMVO wordt integraal meegenomen in de beoordeling van de subsidieaanvraag. PSI zal geen activiteiten financieren die op de FMO uitsluitingslijst worden genoemd. De aanvrager dient een goede reputatie te hebben op het gebied van MVO, hetgeen blijkt uit een vastgelegd MVO-beleid voor de eigen onderneming dat de aanvrager al heeft of binnen het eerste projectresultaat zal opleveren. Van bedrijven die gebruik maken van PSI wordt geëist dat zij zorgen dat zowel de deelnemende bedrijven als het consortium zich houdt aan de OESO richtlijnen.

In het kader van de in 2011 herziene OESO richtlijnen wordt vereist dat bedrijven hun ketenverantwoordelijkheid serieus nemen. Hiertoe zullen zij een risicoanalyse volgens de OESO-richtlijnen uitvoeren m.b.t. de toeleveringsketens van de kernactiviteit van het op te zetten bedrijf. Op basis van deze risicoanalyse zal een plan moeten worden opgesteld om eventuele negatieve effecten te voorkomen dan wel te mitigeren. De project partners zullen de in dit plan voorgestelde maatregelen uitvoeren en hierover communiceren.

3. Subsidiabele kosten [Vervallen per 01-01-2015]

De PSI-subsidie bestaat uit een bijdrage in de kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van het project. Voor PSI Plus is de bijdrage 60% van de subsidiabele kosten, met een maximumbijdrage van € 900.000. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen bestaan uit:

  • kosten van duurzame kapitaalgoederen (hardware) die ingezet worden in het productieproces, met uitzondering van bestaande gebouwen en land;

  • kosten voor technische assistentie, zoals projectmanagement, training, advieskosten, certificering;

  • kosten voor de beveiliging.

Tevens kunnen de premiekosten voor een verzekering (conform gebruikelijke MIGA SIP tarieven) voor schade als gevolg van (burger)oorlog, onlusten, onteigening en beperkingen in de uitvoer van valuta voor een periode van 3 jaar worden vergoed.

Op grond van artikel 9 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt de subsidie geweigerd indien de subsidie wordt aangevraagd na aanvang van de activiteiten. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat activiteiten die vóór de indiening van de aanvraag worden gemaakt ter voorbereiding van het project niet leiden tot weigering van de subsidie, maar dat de kosten daarvan niet voor subsidie in aanmerking komen. Het aanvraagformulier bevat een nadere toelichting op de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten.

4. Formele vereisten [Vervallen per 01-01-2015]

De aanvraag dient te voldoen aan onderstaande formele vereisten. Indien aan deze vereisten niet is voldaan, neemt RVO.nl de aanvraag niet in behandeling.

  • 1. De aanvraag dient schriftelijk (1 origineel en 3 kopieën) en volledig te worden ingediend bij RVO.nl conform het aanvraagformulier in appendix I.

  • 2. De aanvraag dient tijdig te zijn ontvangen door RVO.nl: voor de beoordelingsronde op maandag 10 maart 2014, 15.00 uur.

  • 3. Het adres waar de aanvraag dient te worden ingediend is:

    Bezoekadres

    Postadres

    RVO.nl, t.a.v. PSI

    RVO.nl, t.a.v. PSI

    Prinses Beatrixlaan 2

    Postbus 93144

    Den Haag

    2509 AC Den Haag

  • 4. Tegelijkertijd met de schriftelijke aanvraag moet een elektronische kopie worden ingeleverd op een digitaal opslagmedium met USB-poort (USB-stick). Elektronische kopieën aangeleverd op een andere wijze, zoals bijvoorbeeld per e-mail, worden niet geaccepteerd.

  • 5. Het formulier dient voorzien te zijn van de naam van de aanvrager. Een tekenbevoegde vertegenwoordiger van de aanvrager dient het formulier te ondertekenen.

  • 6. Naast de aanvrager dient de lokale partner het projectvoorstel mede te ondertekenen. De lokale partner geeft hiermee aan bekend te zijn met de inhoud van de aanvraag en zich in te zetten voor de succesvolle uitvoering van het project. Overigens is uitsluitend de aanvrager de subsidieontvanger, indien de aanvraag is goedgekeurd. Dat betekent dat alle verplichtingen op de aanvrager rusten, onverschillig wie de uitvoering ter hand neemt.

  • 7. De project partners dienen te verklaren dat zij bekend zijn met de OESO-Richtlijnen voor multinationale bedrijven met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, de ILO-Verklaring inzake fundamentele rechten en principes voor werk en de VN-Conventie over Biologische Diversiteit en dat ze hiernaar zullen handelen. Informatie over deze documenten staat op de website van RVO.nl).

  • 8. De aanvrager dient te verklaren dat de te financieren projectactiviteiten niet op de FMO uitsluitingslijst vermeld staan. Een link naar deze lijst staat op de website van RVO.nl.

  • 9. De aanvraag dient in de Engelse taal gesteld te zijn.

5. Ingangscriteria [Vervallen per 01-01-2015]

Een aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien aan onderstaande ingangscriteria niet is voldaan:

  • 1. Landen:

    Voor subsidie onder het PSI Plus komen alleen voorstellen in aanmerking voor de volgende 10 landen: Afghanistan, Burundi, Democratische Republiek Congo, Guatemala, Jemen, Irak, de Palestijnse Gebieden, Sierra Leone, Pakistan en Zuid-Sudan.

  • 2. Aanvrager PSI Plus:

    Subsidie kan alleen worden aangevraagd door:

    • een in Nederland gevestigde onderneming die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

    óf

    een in het buitenland gevestigde onderneming die als zodanig is geregistreerd bij de lokale Kamer van Koophandel (of vergelijkbare instantie) en niet is gevestigd is in het land waarop de aanvraag betrekking heeft.

    óf

    een aan een onderneming gelieerde stichting ('corporate foundation’). Deze stichting dient als zodanig geregistreerd te zijn bij de Kamer van Koophandel of een vergelijkbare instantie.

    • én deze onderneming dient ten minste twee jaar te bestaan.

    • De aanvrager mag op het moment van indiening niet meer dan één PSI- of PSOM-project in uitvoering hebben en mag niet meer dan één aanvraag per tender indienen.

  • 3. Samenwerkingsverband:

    • De aanvrager dient het project uit te voeren samen met een lokale partner. Deze lokale partner is:

      een onderneming in het land waar het project wordt gevestigd en is als zodanig geregistreerd bij de lokale kamer van Koophandel (of vergelijkbare instantie). Overheidsorganisaties mogen niet meer dan 25% van het eigendom van deze onderneming in bezit hebben.

    óf

    een natuurlijke persoon in bezit van de nationaliteit van het land waar het project wordt gevestigd.

    • Het samenwerkingsverband van aanvrager en lokale partner heeft niet eerder PSI-subsidie ontvangen of een PSOM-project uitgevoerd.

  • 4. Projectduur, projectomvang en cofinanciering:

    • De projectduur is 30 maanden. Voor seizoensafhankelijke projecten (visserij-, land-, tuin- en bosbouwprojecten) is de projectduur 36 maanden.

    • De subsidie voor PSI Plus bestaat uit een vergoeding van 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 900.000. Het maximale projectbudget bedraagt € 1.500.000. Dit is exclusief de eventuele verzekeringskosten zoals genoemd in artikel 3.

    • Cofinanciering van het project door andere programma’s van de Nederlandse overheid of van andere overheden is niet toegestaan. De aanvrager moet cofinanciering door andere niet-commerciële partijen in zijn aanvraag vermelden. De PSI-bijdrage in combinatie met financiële bijdragen van andere niet-commerciële partijen mag niet meer dan 80% van het projectbudget bedragen.

6. Toetsingscriteria [Vervallen per 01-01-2015]

Wanneer aan de hiervoor genoemde formele vereisten en ingangscriteria is voldaan, beoordeelt RVO.nl de aanvraag op basis van de toetsingscriteria hieronder. In het aanvraagformulier worden deze criteria nader toegelicht.

  • 1. Partners:

    • a. De aanvrager moet een reeds bestaande onderneming of ‘corporate foundation’ zijn met substantiële economische activiteiten.

    • b. Het projectvoorstel moet logisch voortvloeien uit de huidige activiteiten (core business) en strategie van de aanvrager en de lokale partner.

    • c. De partners moeten beschikken over de nodige kennis en ervaring om het project tot een succes te maken.

    • d. De partners moeten een samenwerkingsverband aangaan voor de lange termijn. Dit betreft veelal een joint venture. Wanneer de lokale partner een natuurlijk persoon is, is de oprichting van een joint venture in de beginfase van het project verplicht.

    • e. De partners moeten laten zien over voldoende financiële middelen te beschikken om de eigen bijdrage en het werkkapitaal te kunnen financieren voor het project. Enkele richtlijnen die RVO.nl hiervoor hanteert staan vermeld in het aanvraagformulier. Wanneer sprake is van een joint venture dient de eigen bijdrage in redelijke verhouding te staan tot het eigendomspercentage van elk van de partners.

    • f. De voorkeur gaat uit naar MKB-bedrijven.

    • g. De voorkeur gaat uit naar een lokale partner die direct of indirect in handen is van personen met de lokale nationaliteit en die geen eigendomsrelatie hebben met de aanvrager. In de Arabische regio gaat de voorkeur bovendien uit naar vrouwelijke ondernemers en jonge ondernemers (jonger dan 35 jaar).

    • h. De voorkeur gaat uit naar aanvragers die nog niet eerder een PSOM of PSI-project hebben uitgevoerd.

    • i. De partners dienen een goede reputatie te hebben op het gebied van MVO. De aanvrager dient bij de aanvraag een formeel vastgelegd MVO-beleid van de eigen onderneming te overleggen. Indien er geen vastgelegd MVO-beleid van de eigen onderneming beschikbaar is op het moment van de aanvraag dan dient de aanvrager dit alsnog op te leveren binnen het eerste projectresultaat. Het MVO-beleid moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de OESO, IFC of ISO 26.000 en dient ook te beschrijven hoe dit beleid in de praktijk wordt gebracht (management instrumenten) en hoe daarover gecommuniceerd wordt.

    De overige project partners dienen in de aanvraag te beschrijven hoe zij binnen de eigen onderneming de diverse OESO thema's in de praktijk ten uitvoer brengen.

  • 2. Project:

    Commercieel plan
    • a. Er moet een aantoonbare markt zijn voor de producten of diensten die het project voortbrengt.

    • b. De voorgestelde activiteit moet significant vernieuwend zijn voor het land waar het project wordt uitgevoerd. De vernieuwing dient ten minste het type product of dienst, de productiemethode of de dienstverleningswijze betreffen. Met deze vernieuwende projecten wordt beoogd om onderontwikkelde economieën te helpen ontwikkelen. De aanvraag wordt afgewezen indien het project niet vernieuwend is en/of leidt tot marktverstoring in de betreffende sector in het project-land.

    • c. Het projectvoorstel moet een realistische analyse van de bedrijfsrisico’s en mitigerende maatregelen bevatten.

    • d. Daarnaast moet een overzicht worden gegeven van de veiligheidsrisico’s en de risico’s ten aanzien van de politiek en sociaaleconomische situatie in het betreffende land.

    • e. Ketenverantwoordelijkheid: De aanvrager levert een risicoanalyse aan volgens de OESO richtlijnen van mogelijke ongewenste effecten in de toeleveringsketens van het te financieren project. Het betreft een analyse van de ketens van de meest elementaire grondstoffen en halffabricaten voor de fabricatie van het eindproduct. In het geval er reële risico's bestaan op niet-naleving van de OESO richtlijnen in deze ketens, dient het aanvragende bedrijf aan te geven welke maatregelen het zal nemen om deze risico's te ondervangen, hoe het bedrijf de naleving ervan zal monitoren en hoe deze informatie beschikbaar zal zijn voor belangstellende stakeholders (proces van due diligence). In het geval de risico-inschatting nog niet volledig kan worden gedaan voor aanvang van het project, omdat de project locatie nog niet bekend is en/of de toeleveranciers nog niet geïdentificeerd zijn, dient de aanvrager dit aan te geven in het voorstel en het ontbrekende deel van de risicoanalyse op te nemen als onderdeel van Resultaat 1 van het projectplan.

    Operationeel plan
    • f. Het operationeel plan dient duidelijk en logisch beschreven te zijn en concrete resultaten te bevatten. Deze moeten voldoende specifiek, meetbaar en realiseerbaar zijn.

    • g. De capaciteit van de hardware die wordt aangeschaft dient in verhouding te staan tot de beoogde productie aan het eind van het project.

    • h. Het project zelf dient van bescheiden omvang te zijn, zodat het leidt tot vervolginvesteringen. Hiermee wordt het opstartkarakter ('pilot') benadrukt.

    • i. De technologie die wordt gebruikt dient commercieel bewezen te zijn. PSI is niet bedoeld voor technologieontwikkeling.

    • j. Het operationeel plan dient een relevant en kwalitatief voldoende trainingsprogramma te bevatten voor personeel en belangrijke partijen in de keten.

    • k. Het operationeel plan dient voldoende de uitgangspunten van IMVO te reflecteren en hier ook resultaten op te benoemen (voorbeelden per sector zijn te vinden op www.rvo.nl/psi.

    • l. Het projectbudget moet in verhouding staan tot de beschreven resultaten.

    Financieel plan
    • m. Uit de cijfers moet blijken dat de activiteit commercieel haalbaar is. Het project moet uiteindelijk leiden tot een winstgevende onderneming.

    • n. Het kasstroomoverzicht moet helder zijn en logisch voortvloeien uit het commerciële en operationele plan. Vervolginvesteringen dienen niet meegenomen te worden in dit overzicht.

    • o. Financiering van de voorgestelde activiteit anders dan in het kader van PSI is niet mogelijk. Banken, andere financiële instellingen en private bronnen zijn niet bereid het project te financieren vanwege de hoge risico’s. Het project komt ook niet in aanmerking voor financiering uit andere Nederlandse of internationale instrumenten.

  • 3. Impact:

    Op de onderneming:
    • a. Het project heeft de potentie om na afloop door te groeien, waarbij significante vervolginvesteringen en extra omzet worden gerealiseerd.

    • b. Het project leidt tot de creatie van duurzame werkgelegenheid, waarbij goede beloning en werkomstandigheden in acht worden genomen. De voorkeur gaat uit naar bedrijven die leefbaar loon betalen. In de Arabische regio gaat de voorkeur uit naar creatie van werkgelegenheid voor jonge werknemers (jonger dan 25 jaar) en vrouwelijke werknemers.

    • c. Het project moet het kennisniveau van lokale werknemers, management of toeleveranciers verhogen en nieuwe vaardigheden overdragen.

    Op de keten:
    • d. Het project heeft bij voorkeur positieve lange termijn effecten voor de keten zoals contractboeren, toeleveranciers, klanten en consumenten (bijvoorbeeld door kennisdelen, toename van omzet en door toegenomen kwaliteit van het eindproduct).

    Op de sector:
    • e. Het project heeft bij voorkeur een positief lange termijn effect op stakeholders in de sector, waaronder andere bedrijven, associaties en kennisinstellingen (bijvoorbeeld door kennisdelen of door de introductie van standaarden). De voorkeur gaat uit naar projecten die een positieve impact hebben op voedselzekerheid en/of de beschikbaarheid van water.

    Op de samenleving:
    • f. Het project heeft bij voorkeur een positief effect op het milieu. Het mag in ieder geval niet milieubelastend zijn.

    • g. Het project heeft bij voorkeur een positief effect op de positie van vrouwen, in het bijzonder in managementposities. De positie van vrouwen mag in ieder geval niet verslechteren.

    • h. Het project heeft bij voorkeur een positieve impact op de lokale gemeenschap in de omgeving van het project, door middel van verbeteringen van de lokale infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, kinderopvang, sport.

    • i. Het project heeft bij voorkeur een positieve lange termijn effect op de lokale en/of nationale overheid, bijvoorbeeld door het genereren van belastinginkomsten, positieve invloed op de handelsbalans of omdat het leidt tot ontwikkeling van de lokale regelgeving.

7. Beoordelingsprocedure [Vervallen per 01-01-2015]

Stap 1. Formele vereisten: RVO.nl neemt de aanvraag in behandeling wanneer aan de formele vereisten (paragraaf 4) is voldaan. Indien de subsidieaanvraag op één of meer onderdelen onvolledig is, wordt de aanvrager, onverminderd artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de gelegenheid gesteld de aanvraag alsnog te completeren binnen 7 kalenderdagen nadat RVO.nl de aanvrager van de onvolledigheid in kennis heeft gesteld. Wanneer niet correct of niet tijdig is hersteld, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Stap 2. Ingangscriteria: Vervolgens stelt RVO.nl vast of de aanvraag voldoet aan alle ingangscriteria (paragraaf 5). Indien aan één of meerdere van deze criteria niet is voldaan wordt de aanvraag afgewezen.

Stap 3. Toetsingscriteria: RVO.nl beoordeelt daarna de aanvraag inhoudelijk en financieel op basis van de toetsingscriteria (paragraaf 6). Indien het voorstel onvoldoende scoort op één of meerdere onderdelen, wordt de aanvraag afgewezen.

Stap 4. Rangschikking: RVO.nl maakt twee rangschikkingen van de positief beoordeelde voorstellen. Eén rangschikking is voor de Arabische regio (Algerije, Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Libië, Marokko, de Palestijnse Gebieden en Tunesië). De andere rangschikking is voor de overige PSI-landen. De rangschikkingen worden bepaald door een score die is gebaseerd op alle toetsingscriteria (paragraaf 6).

Het in de Staatscourant gepubliceerde budget wordt toegewezen aan de positief beoordeelde PSI Regulier en PSI Plus aanvragen in de orde van de rangschikkingen tot het budget uitgeput is. Het is dus mogelijk dat een project voldoende scoort en toch wordt afgewezen, omdat het budget van die ronde niet toereikend is. Bij de verdeling van de voor de Arabische regio beschikbare middelen wordt zoveel mogelijk gestreefd het meest kwalificerende project per land subsidie te verlenen, opdat het beschikbaar budget zoveel mogelijk over alle PSI-Arab landen wordt verdeeld.

Stap 5. Externe adviescommissie: RVO.nl legt de inhoudelijke beoordeling en de rangschikking ter toetsing voor aan een externe Adviescommissie die is aangesteld door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Dit is de Adviescommissie Private Sector Investeringsprogramma (APSI). De commissie bestaat uit ten minste drie leden die worden benoemd door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. De leden van de commissie zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn niet werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken of bij RVO.nl. De commissie geeft een positief of negatief advies bij elk voorstel. In beginsel volgt RVO.nl het advies van de commissie op.

Verificatie: RVO.nl kan het projectvoorstel gedurende de procedure voor advies voorleggen aan de Nederlandse ambassade in het betreffende land en aan een extern expert. Tevens is het mogelijk dat een vertegenwoordiger van RVO.nl een bedrijfsbezoek aflegt bij de aanvrager en eventueel naar het land zelf reist om informatie in te winnen bij de lokale partner of de leveranciers in de keten van het project. Ook kan een extern bureau in opdracht van RVO.nl een dergelijk onderzoek uitvoeren.

Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan RVO.nl zelfstandig contact opnemen met de projectpartners en hen vragen om een nadere toelichting.

8. Subsidieverlening en uitvoering [Vervallen per 01-01-2015]

Subsidieverlening: Binnen 13 weken na de sluitingsdatum van het betreffende tijdvak zal RVO.nl beslissen over de subsidieaanvraag. Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal 22 weken.

Voortgangsrapportages: De subsidieontvanger dient eenmaal per 12 maanden te rapporteren over de gerealiseerde activiteiten en kosten. Het bereiken van Resultaat 1 is essentieel voor de verdere uitvoering van het subsidieproject. Indien Resultaat 1 niet, niet tijdig of niet volledig is gerealiseerd, kan dit gevolgen hebben voor continuering van de subsidieverstrekking en kan de subsidiebeschikking worden gewijzigd of zelfs worden ingetrokken. De eerste voortgangsrapportage wordt daarom ingediend binnen 4 weken na afloop van de termijn voor het realiseren van Resultaat 1.

De termijn voor het indienen van de daaropvolgende voortgangsrapportages is telkens 12 maanden na de termijn voor het indienen van de vorige voortgangsrapportage, met dien verstande dat in het laatste jaar van het subsidietijdvak de eindrapportage in de plaats treedt van de voortgangsrapportage. De rapportages dienen in het Engels te worden opgesteld volgens het beschikbaar gestelde model (zie www.rvo.nl/psi)

Meldingsplicht: De subsidieontvanger is verplicht onverwijld een schriftelijke melding te doen, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, dan wel hij niet aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden zal voldoen.

Internationale normen: De subsidieontvanger is verplicht het project uit te voeren volgens de OESO Richtlijnen voor multinationale bedrijven, de ILO-Verklaring inzake fundamentele rechten en principes voor werk en de VN-Conventie voor Biologische Diversiteit.

Verplichting tot bijzondere meldingsplicht in het kader van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten subsidies: De subsidieontvanger dient er zorg voor te dragen dat de partners en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze bedrijven onverwijld te melden bij RVO.nl.

Voorschotten: Bij de subsidieverstrekking zal worden bepaald op welke wijze bevoorschotting plaatsvindt. Gedurende het project bedragen de voorschotten in totaal niet meer dan 90% van de verstrekte subsidie. Na het behalen van resultaat 1 worden de voorschotten gefaseerd, eens per drie maanden, verstrekt

Subsidievaststelling: De aanvrager moet binnen twee maanden na afronding van de activiteiten de inhoudelijke en financiële eindrapportage aanleveren. Deze eindrapportage dient te worden ingediend overeenkomstig het beschikbaar gestelde model (zie.

RVO.nl beslist binnen 13 weken over de subsidievaststelling. Een fysieke inspectie ter plaatse kan onderdeel uitmaken van de beoordeling van de aanvraag tot subsidievaststelling. In dat geval kan RVO.nl de beslistermijn verlengen tot 22 weken.

Spin-off fase: De spin-off fase is de periode van twee jaar na subsidievaststelling. Gedurende deze periode is de subsidieontvanger verplicht om een redelijke financiële investering in de joint-venture te doen.

Informatie na vaststelling: Tot 24 maanden na vaststelling van de subsidie kan RVO.nl de aanvrager verzoeken informatie te verstrekken over de impact van het project.

9. Appendices [Vervallen per 01-01-2015]

  • I Aanvraagformulier en model projectvoorstel PSI Plus (te downloaden via www.rvo.nl/psi)

  • II Begrippenlijst PSI Plus (te downloaden via www.rvo.nl/psi)