Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling vermindering verhuurderheffing 2014

Geldend van 01-04-2017 t/m heden

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 december 2013, nr. 2013-0000747797, houdende regels betreffende de aanmelding van voorgenomen en gerealiseerde investeringen als bedoeld in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Regeling vermindering verhuurderheffing 2014)

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Aanmelding van een voorgenomen investering

Artikel 2

  • 1 De aanmelding van een voorgenomen investering bevat ten minste:

    • a. een overzicht van de voorgenomen investering aan de hand van de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, van de wet;

    • b. een aanduiding en een beschrijving van de voorgenomen investering;

    • c. een aanduiding van de postcodes, de adressen, dan wel de kadastrale aanduidingen van de objecten ten aanzien waarvan de voorgenomen investering wordt verricht;

    • d. een reële raming van de investeringskosten per huurwoning van de voorgenomen investering, en

    • e. indien van toepassing: een opgave van de datum waarop het bevoegd gezag de ten behoeve van een voorgenomen investering afgegeven vergunning, bedoeld in artikel 1, onderdelen b, c of d, heeft verstrekt of schriftelijk kenbaar heeft gemaakt die vergunning te zullen verstrekken.

  • 2 De belastingplichtige verklaart dat de voorgenomen investering betrekking heeft op een of meerdere huurwoningen.

Hoofdstuk 3. Aanmelding van een gerealiseerde investering

Artikel 3

  • 1 De aanmelding van een gerealiseerde investering bevat ten minste:

    • a. een overzicht van de gerealiseerde investering aan de hand van de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, van de wet;

    • b. een afschrift van de voorlopige investeringsverklaring;

    • c. een aanduiding en een beschrijving van de gerealiseerde investering;

    • d. een aanduiding van de postcodes, de adressen, dan wel de kadastrale aanduidingen van de objecten ten aanzien waarvan de gerealiseerde investering is verricht;

    • e. de datum waarop de investering is gerealiseerd;

    • f. een opgave van de reeds door de belastingplichtige betaalde investeringskosten per huurwoning, alsmede de daarop betrekking hebbende betaalbewijzen.

  • 2 Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, legt de belastingplichtige tevens over:

    • a. indien sprake is van de bouw van huurwoningen: de daarop betrekking hebbende omgevingsvergunning;

    • b. indien sprake is van de bouw van huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet: een verhuurderverklaring waaruit blijkt dat de huurprijs lager is en zal zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;

    • c. indien sprake is van grootschalige verbouw van huurwoningen: indien van toepassing: de daarop betrekking hebbende omgevingsvergunning;

    • d. indien sprake is van verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: de daarop betrekking hebbende omgevingsvergunning;

    • e. indien sprake is van sloop van huurwoningen: een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 en voor zover van toepassing de daarop betrekking hebbende onttrekkingsvergunning;

    • f. indien sprake is van een samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen: de daarop betrekking hebbende omgevingsvergunning en voor zover van toepassing de samenvoegingsvergunning;

    • g. indien sprake is van verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen die gerealiseerd is na 31 december 2017: een verhuurderverklaring waaruit blijkt dat de huurprijs lager is en zal zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag.

Hoofdstuk 3a. Vrijstelling van de heffingsvermindering

Artikel 3a

  • 1 De aanvraag van een verklaring als bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel c, van de wet bevat ten minste:

    • a. een aanduiding van de postcode en het adres van de woningen waarvan de belastingplichtige de eigendom verwerft en waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd;

    • b. een verklaring van de toegelaten instelling die de woning in eigendom verwerft dat de aankoop onderdeel uitmaakt van een plan dat beoogt uitvoering te geven aan een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, en

    • c. de datum van de eigendomsoverdracht van de woning aan de toegelaten instelling.

Hoofdstuk 4. Diensten van algemeen economisch belang

Artikel 4

  • 1 De compensatie bedraagt maximaal € 15 miljoen per belastingplichtige per jaar.

  • 2 Indien het bedrag, genoemd in het eerste lid, varieert gedurende de periode waarin aan de belastingplichtige de activiteiten, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, van de wet zijn opgedragen, wordt dit jaarbedrag berekend als het gemiddelde van de jaarlijkse compensatiebedragen die naar verwachting gedurende die periode zullen worden toegekend.

Artikel 5

De belastingplichtige administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit DAEB, verbonden met de gerealiseerde investeringen op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de heffingsvermindering.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vermindering verhuurderheffing 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 december 2013

De

Minister

voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok