Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

Samenvatting

In het Besluit OM-afdoening (Stb. 2012, 150), zoals dit per 1 mei 2012 is gewijzigd, is krachtens artikel 257ba, eerste lid, Sv voor onderscheidenlijk:

  • 1) daarin aangewezen zaken betreffende misdrijven of overtredingen in de sfeer van de milieuwetgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (milieufeiten), en

  • 2) daarin aangewezen zaken betreffende overtredingen van waterschapskeuren, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (keurfeiten)

binnen daarbij gestelde grenzen een strafbeschikkingsbevoegdheid verleend aan een aantal lichamen en personen, met een publieke taak belast. Ingevolge het tweede lid van artikel 257ba is het College van procureurs-generaal (hierna: College) belast met het toezicht op en het opstellen van richtlijnen voor het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door de aangewezen lichamen en personen.

Deze richtlijn treedt in de plaats van de Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbe-voegdheid milieu- en keurfeiten (257ba, tweede lid, Sv) die op 1 mei 2012 in werking is getreden (Stcrt. 2012, 8342).

De richtlijn bevat regels voor het gebruik van de twee in het Besluit OM-afdoening onderscheiden bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheden. Daarnaast bevat zij boetebedragen voor milieu- en keurfeiten.

De richtlijn is gericht tot de aangewezen lichamen en personen, hierna aangeduid als: bevoegd gezag.

Voor zover een bevoegd gezag het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid overeenkomstig deze richtlijn heeft gemandateerd aan een ander, dient het bevoegd gezag ervoor te zorgen dat de betrokken persoon de richtlijn eveneens in acht neemt. Deze zorgplicht ziet in het bijzonder op de wijze waarop wordt omgegaan met de hieronder te noemen contra-indicaties voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid, de rechtswaarborgen voor de verdachte en de boetebedragen. Bij het toezicht door het College op het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn.

1. Achtergrond

Sinds 1 februari 2008 biedt het Wetboek van Strafvordering (Sv) een meervoudige grondslag voor de buitengerechtelijke afdoening van misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat, en alle overtredingen door middel van een strafbeschikking.1 Hierin kan een straf, maatregel of aanwijzing worden opgelegd. Met deze regeling heeft de wetgever beoogd de transactie als buitengerechtelijk afdoeningsmiddel geleidelijk te vervangen door de strafbeschikking. Daarom mag worden verwacht dat de strafbeschikkingsbevoegdheid het meest zal worden gebruikt voor het opleggen van een geldboete.

De wetgever onderscheidt drie soorten strafbeschikking:

  • a. de OM-strafbeschikking, uit te vaardigen door officieren van justitie (art. 257a Sv)

  • b. de politiestrafbeschikking, uit te vaardigen door bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaren (art. 257b Sv)

  • c. de bestuurlijke strafbeschikking, uit te vaardigen door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamen of personen, met een publieke taak belast (art. 257ba Sv).

Naar haar aard verschilt de strafbeschikking op enkele punten van een transactie. Anders dan bij de transactie het geval is, berust een strafbeschikking op een schuldvaststelling; een strafbeschikking mag alleen worden uitgevaardigd nadat is vastgesteld dat de verdachte het feit heeft begaan. Dit brengt mee dat een verdachte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld.

Waar de transactie strekt tot voorkoming van vervolging, is het uitvaardigen van een strafbeschikking een daad van vervolging. Een strafbeschikking levert zonder tussenkomst van de rechter een executoriale titel op. Het procesinitiatief komt bij de verdachte te liggen: als hij het niet eens is met de uitgevaardigde strafbeschikking kan hij verzet doen, waarna de zaak alsnog in volle omvang door de strafrechter zal worden beoordeeld (art. 257e Sv).

Bij de implementatie van de Wet OM-afdoening is ervoor gekozen om het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) een centrale rol te geven bij het toezenden van een strafbeschikking aan de verdachte, bij het innen van de daarbij opgelegde geldboete en bij het monitoren van de toepassing van de onderscheiden soorten strafbeschikkingen.

Om zijn uitvoerende taken goed te kunnen vervullen, dient het CJIB te beschikken over de namen en andere relevante gegevens van:

  • a. de lichamen en personen die, al dan niet krachtens mandaat, een bestuurlijke strafbeschikking kunnen uitvaardigen

  • b. de opsporingsambtenaren die ten behoeve van de tot het uitvaardigen van bestuurlijke strafbeschikkingen bevoegde lichamen of personen een proces-verbaal kunnen opmaken.

2. Bestuurlijke strafbeschikking milieufeiten

2.1. Bevoegd gezag

De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor milieufeiten, waarin een geldboete wordt opgelegd, berust bij:

  • a. De directeuren van de regionale uitvoeringsdiensten (RUD)

  • b. De Colleges van gedeputeerde staten2

  • c. De dagelijkse besturen van de waterschappen

  • d. De hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat

  • e. De inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport

  • f. De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

  • g. De algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane

De datum waarop een bevoegd gezag feitelijk gebruik kan gaan maken van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, is afhankelijk van de reactie van het CJIB op een melding van dat bevoegd gezag dat het dit instrument wil gaan toepassen en de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen.

De directeuren van de RUD’s die nog niet in werking zijn, worden door het CJIB benaderd, zodra het CJIB van het Functioneel Parket (FP) bericht heeft gekregen dat Gedeputeerde Staten (GS) voornemens is de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid op een bepaalde datum over te dragen aan de directeur van een (nieuwe) RUD in de provincie.

2.2. Mandaatbevoegdheid

De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor milieufeiten kan door een bevoegd gezag worden gemandateerd aan één of meer functionarissen binnen de eigen organisatie, dan wel binnen een andere organisatie waarmee het bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten ten behoeve van een effectief gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid. Zo zou de directeur van een RUD voor feiten die liggen op het werkterrein van de dienst, de bevoegdheid kunnen mandateren aan een functionaris binnen de eigen dienst. Voor feiten waarvoor de directeur wel bevoegd is, maar die buiten het werkterrein van de dienst vallen – bijvoorbeeld havengerelateerde milieuovertredingen van afvalstoffenregelingen – kan ervoor worden gekozen om de bevoegdheid te mandateren aan een functionaris binnen het desbetreffende havenschap, voor zover het gaat om feiten die worden geconstateerd door opsporingsambtenaren van dat havenschap.

De bevoegdheid wordt niet gemandateerd aan opsporingsambtenaren die krachtens hun taakomschrijving zijn belast met het opsporen van strafbare feiten. Hierbij speelt de hoogte van de boete een rol. Deze ligt namelijk slechts voor één milieufeit onder de grens (€ 340,– of meer) die in artikel 10:3, vierde lid, juncto artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is gesteld voor het kunnen geven van een mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.3

Degene aan wie de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt gemandateerd, dient een leidinggevende of coördinerende functie op het vlak van handhaving te vervullen en te beschikken over voldoende deskundigheid om de voorstellen van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete te kunnen beoordelen op rechtmatigheid, effectiviteit en proportionaliteit. Indien in een concreet geval die functionaris buitengewoon of algemeen opsporingsambtenaar is, behoeft deze omstandigheid aan mandatering niet in de weg te staan, mits hij niet zelf krachtens zijn taakomschrijving is belast met het opsporen van strafbare feiten.4

Indien een bevoegd gezag besluit tot mandatering, dient het FP hiervan op de hoogte te worden gesteld.

2.3. In te zetten opsporingsambtenaren

Voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid is het bevoegd gezag primair aangewezen op processen-verbaal van buitengewoon opsporingsambtenaren, bevoegd tot opsporing van milieufeiten. De buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen in dienst zijn van of werkzaam zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag.5 De betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar valt in een dergelijke situatie onder het gezag van het aangewezen lichaam, dan wel de aangewezen persoon; derhalve niet onder het gezag van de officier van justitie.

Voor buitengewoon opsporingsambtenaren die niet in dienst zijn of al dan niet werkzaam zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag, is vereist dat de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaarkrachtens een samenwerkingsovereenkomst tussen diens werkgever en het bevoegd gezag is aangewezen om werkzaam te zijn voor dat bevoegd gezag voor het opmaken van een verkort proces-verbaal voor op de feitenlijst voorkomende milieu-overtredingen.

Hiertoe kan een nieuwe overeenkomst worden gesloten of een bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken partijen worden aangevuld. Het is van belang dat hierin in elk geval duidelijk worden omschreven:

  • het geografisch gebied en de boa’s (met aktenummer) waarop de overeenkomst betrekking heeft en wie hun direct toezichthouder is,

  • voor welke feiten van de milieufeitenlijst deze boa’s een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking van het bevoegd gezag kunnen opmaken, en

  • hoe wordt omgegaan met het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen (indien van toepassing).

Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst moet ter kennis worden gebracht van de betrokken direct toezichthouder(s) en de hoofdofficier van hetFP.

Daarnaast kunnen ook algemeen opsporingsambtenaren, zoals bedoeld in artikel 141, onder b t/m d, Sv behorend tot een algemene of bijzondere opsporingsdienst, proces-verbaal opmaken ten behoeve van de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door een bevoegd gezag, voor zover hierover tussen dat bevoegd gezag en de desbetreffende opsporingsdienst schriftelijke afspraken zijn gemaakt, met instemming van de hoofdofficier van het FP. Bij voorkeur worden dergelijke afspraken met de politie gemaakt met het oog op een slagvaardig optreden tegen overtredingen in het buitengebied (zogenoemde ‘vrije-veldovertredingen’) of havens die een algemeen opsporingsambtenaar tijdens een surveillance of na een melding constateert. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan functionarissen belast met basispolitiezorgtaken. Daarnaast kan ook worden gedacht aan eenvoudige overtredingen die als ‘bijvangst’ van een opsporingsonderzoek van een politiemilieuteam of een bijzondere opsporingsdienst worden geconstateerd. Een eventuele samenwerkingsovereenkomst met de politie mag er echter niet toe leiden dat het opmaken van een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking ten koste gaat van de opsporingscapaciteit van een politiemilieuteam voor (middel)zware milieucriminaliteit.

2.4. Bevindingen van toezichthouders

De constatering van een overtreding die in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking behoeft overigens niet altijd te zijn gedaan door een opsporingsambtenaar. Constateringen door een toezichthouder gedaan in het kader van zijn toezichthoudende taak, kunnen bruikbaar zijn als startinformatie voor een onderzoek door een opsporingsambtenaar en als strafrechtelijk bewijs voor de overtreding. Voorwaarde is dat de toezichthouder bij het verrichten van zijn toezichtshandelingen niet alleen de bestuursrechtelijke, maar ook de strafvorderlijke rechtswaarborgen in acht heeft genomen.

Voor een rechtmatig gebruik van toezichtsgegevens is het van belang dat toezichthouders die in het kader van de uitoefening van hun taak kunnen stuiten op overtredingen die vatbaar zijn voor een bestuurlijke strafbeschikking, goed worden geïnformeerd over de rol die zij kunnen spelen bij de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Zij zullen er dan rekening mee kunnen houden dat gedurende een toezichttraject aanwijzingen naar voren kunnen komen, dan wel een vermoeden kan rijzen dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon op wie het toezicht zich richt, tevens verdachte is of kan worden en niet meer kan worden verplicht mondeling of schriftelijk inlichtingen te geven met betrekking tot de desbetreffende overtreding(en). In dat geval zal de toezichthouder de betrokkene hierover moeten inlichten.

Zo zal de toezichthouder die met betrekking tot de desbetreffende overtreding(en) inlichtingen wil krijgen van de betrokkene, nadat een aanwijzing voor of vermoeden van een strafbaar feit naar boven is gekomen, deze, voordat hij vragen stelt, erop moeten wijzen dat hij niet verplicht is om de gewenste inlichtingen te verstrekken. Het gaat dan om vrijwillige medewerking. In dit verband kan worden gesproken van een 'bestuurlijke cautie'. De aldus verkregen informatie is dan onmiddellijk bruikbaar voor het bewijs of als startinformatie in een strafrechtelijk onderzoek.6 Voor het overige kan de toezichthouder zijn toezichttaak bij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht blijven uitoefenen.

Mondelinge of schriftelijke verklaringen die door de betrokkene in het kader van het toezicht verplicht zijn afgelegd, voordat er sprake was van een aanwijzing of verdenking tegen hem, zijn wel bruikbaar als startinformatie of als informatie voor de toepassing van opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen, maar mogen niet voor het bewijs worden meegenomen. Gebruik als bewijs is dan uitsluitend mogelijk, indien de betrokkene (als verdachte) tijdens een verhoor door de behandelend buitengewoon opsporingsambtenaar ermee instemt dat die verklaringen worden opgenomen in een proces-verbaal ten behoeve van het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, of, na te zijn gewezen op zijn zwijgrecht, verklaart dat hij blijft bij de verklaringen die hij in de fase van het toezicht heeft afgelegd.

De vereiste vrijwilligheid bij het verlenen van medewerking ziet niet op documenten, voorwerpen of ander materiaal, die bestaan onafhankelijk van de wil van de betrokkene, tevens (mogelijke) verdachte. Dergelijke informatie, bijvoorbeeld resultaten van door de betrokkene ingevolge een wettelijk voorschrift verrichte metingen van lucht- of wateremissies, mag als bewijs in een latere strafzaak tegen hem worden gebruikt, ook als zij verplicht door de betrokkene is afgegeven. In het kader van toezicht verkregen monsters of analyseresultaten ervan zijn uitsluitend bruikbaar als strafrechtelijk bewijs, indien hierbij is gehandeld overeenkomstig de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten, 2009A017 (College van procureurs-generaal, Stcrt. 2009, 14714). Ook foto’s kunnen als bewijs dienen, mits duidelijk is vastgelegd wanneer en waar zij zijn genomen.

In een dergelijk geval heeft de toezichthouder twee mogelijkheden om zijn bevindingen ter kennis te brengen van een buitengewoon opsporingsambtenaar:

  • 1) schriftelijk melden van de geconstateerde overtreding(en) aan een buitengewoon opsporingsambtenaar, met overlegging van een afschrift van zijn controlerapport. Naar aanleiding van de melding wordt de toezichthouder vervolgens als getuige gehoord over wat hij heeft waargenomen. De melding en de getuigeverklaring, alsmede door de toezichthouder overgelegde stukken worden onderdeel van het proces-verbaal.

  • 2) aangifte doen van de geconstateerde overtreding(en) bij een buitengewoon opsporingsambtenaar, met overlegging van een afschrift van zijn controlerapport. Bij de aangifte legt de opsporingsambtenaar de verklaring van de toezichthouder vast in een proces-verbaal van aangifte.

Alvorens de bevindingen van de toezichthouder voor de zaak te kunnen gebruiken, zal de buitengewoon opsporingsambtenaar het controlerapport en eventuele andere bijbehorende stukken dienen te verifiëren. De buitengewoon opsporingsambtenaar hoort, zo nodig, in aanvulling hierop de toezichthouder nogmaals als getuige. Veelal zal een bezoek ter plaatse nodig zijn. Ook zal de verdachte moeten worden gehoord.

2.5. Feitenlijst en boetebedragen

In bijlage 1 van deze richtlijn is de bij het Besluit OM-afdoening behorende lijst met milieufeiten opgenomen. De feitenlijst bestaat uit een aantal clusters met milieuovertredingen die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren. De feiten behorend tot het cluster ‘Wet hygiëne en veiligheid bad- en zweminrichtingen’, zijn overtredingen. De overige feiten, die alle vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. De praktijk heeft het OM geleerd dat bij economische delicten veelal sprake is van op z’n minst voorwaardelijke opzet, ook al omdat de delictsomschrijvingen geen bewijs van opzet vereisen met betrekking tot het wederrechtelijke karakter van de gedraging (kleurloos opzet). Dit ervaringsgegeven is als uitgangspunt gehanteerd bij het vaststellen van de lijst met boetebedragen voor milieufeiten.

In de feitomschrijving zelf wordt het onderscheid misdrijf/overtreding niet gemaakt, behoudens bij enkele overtredingen van de Flora- en faunawet. Uit het proces-verbaal van een economisch delict moet blijken of de geconstateerde overtreding opzettelijk of niet opzettelijk is gepleegd. Zie ook § 5, onder b.

Indien de betrokken opsporingsambtenaar op grond van zijn onderzoek tot de slotsom komt dat er voldoende bewijs is voor een opzettelijk gepleegde overtreding, kan hij vervolgens een voorstel doen aan het bevoegd gezag tot het opleggen van de boete die hiervoor staat. Echter, indien er volgens de betrokken opsporingsambtenaar geen of onvoldoende bewijs voor opzet is, wordt het opgemaakte verkort proces-verbaal ter afdoening rechtstreeks naar de betrokken regionale vestiging van het FP gestuurd. De officier van justitie kan dan zelf een strafbeschikking met een passende boete uitvaardigen, wanneer ook hij van mening is dat in het concrete geval niet sprake is van een misdrijf, maar van een overtreding.

Deze omstandigheid wordt in § 2.8, onder 3, genoemd als een contra-indicatie voor het kunnen gebruiken van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid.

Per milieufeit zijn in bijlage 1 van deze richtlijn de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen aangegeven. Het gaat telkens om vaste bedragen, d.w.z. hiervan kan niet naar boven of beneden worden afgeweken. Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie. Dit neemt niet weg dat in een concreet geval, gelet op de feiten en omstandigheden, het aangegeven boetebedrag als niet passend kan worden beschouwd. Dan kan, na overleg met de betrokken regionale vestiging van het FP, door het bevoegd gezag worden besloten het verkort proces-verbaal rechtstreeks ter afdoening te sturen naar dat parket. Zie ook § 5, onder e.

Voor alle feiten ligt het aangegeven boetebedrag onder de in artikel 257c, tweede lid, Sv gestelde hoorgrens van € 2.000 voor een natuurlijk persoon en, voor zover het een economisch delict betreft, € 10.000 voor een rechtspersoon.

2.6. Territoriale reikwijdte bevoegdheid

De bevoegdheid van een bevoegd gezag strekt zich uit tot alle milieufeiten uit de feitenlijst, indien binnen zijn werkgebied 7:

  • het feit is begaan,

  • de verdachte zich bevindt,

  • de verdachte natuurlijke persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft, of

  • de verdachte rechtspersoon zijn statutaire vestigingsplaats heeft.

Het ligt voor de hand dat elk bevoegd gezag het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid primair richt op de milieufeiten die passen binnen de taakomschrijving en expertise van de buitengewone opsporingsambtenaren die door hen hiervoor worden ingezet. Het is de verantwoordelijkheid van elk bevoegd gezag om, al dan niet in overleg met andere aangewezen lichamen of personen, te zorgen voor een zo goed mogelijke benutting van de beschikbare capaciteit aan buitengewoon opsporingsambtenaren. Dit laatste is temeer relevant omdat de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking milieu meebrengt dat door de milieuteams van de politie aan het merendeel van de hieronder vallende milieufeiten in beginsel geen aandacht meer zal worden gegeven. Ook is het wenselijk dat er onderling afspraken worden gemaakt over afstemming ter voorkoming van strafrechtelijk optreden door meer dan één bevoegd gezag ter zake van dezelfde overtreding.

2.7. Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen

De strafbeschikkingsbevoegdheid is een zelfstandige bevoegdheid van de aangewezen lichamen of personen. Zij kunnen, binnen de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen, in hoge mate zelf bepalen voor welke soorten milieufeiten en in welke concrete gevallen de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt ingezet, tenzij sprake is van één of meer van de hierna te noemen contra-indicaties, die meebrengen dat in het concrete geval niet sprake is van een ‘strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard’ (§ 2.8).

Bij het gebruik van zijn bevoegdheid dient een bevoegd gezag rekening te houden met de beginselplicht tot handhaving, geformuleerd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State,8 en, indien sprake is van een in oorsprong Europees voorschrift, de zogenoemde doelgebonden handhavingsplicht op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

In het Besluit OM-afdoening zijn grenzen gesteld aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor milieufeiten. De bevoegdheid blijft, om te beginnen, beperkt tot strafbare feiten die worden genoemd in bijlage II, hoofdstuk 1, van dat besluit, en dan uitsluitend, voor zover zij van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (art. 4.3 Besluit OM-afdoening).

Van de bevoegdheid mag echter geen gebruik worden gemaakt, indien:

  • a. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;

  • b. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam

  • c. degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen;9

  • d. voor opsporing van het strafbare feit is internationale rechtshulp nodig;

  • e. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;

  • f. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon;

  • g. sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van (vermoedelijk) meer dan € 5.000;

  • h. het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(art. 4.4 Besluit OM-afdoening).

Indien een strafbaar feit wordt geconstateerd dat weliswaar voorkomt in de lijst van milieufeiten, maar buiten de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen valt, wordt het door de betrokken opsporingsambtenaar opgemaakte, al dan niet verkorte, proces-verbaal van de geconstateerde overtreding(en) rechtstreeks ingestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde regionale vestiging van het FP.10

De onder e en f verwoorde grenzen strekken er toe dat een combinatie van op te leggen boetes steeds blijft beneden de in artikel 257c, derde lid, Sv neergelegde hoorgrens. Het bevoegd gezag heeft echter in beginsel wel de ruimte om dit te bereiken door niet voor alle geconstateerde overtredingen een boete op te leggen. Indien echter een complex van strafbare feiten met het karakter van meerdaadse samenloop11 wijst op een structureel tekortschietende naleving, is overleg met de regionale vestiging van het FP over overdracht van het proces-verbaal aangewezen.

N.B. Bij afstand van inbeslaggenomen voorwerpen moet een kennisgeving van inbeslagneming worden gestuurd naar de regionale vestiging van het FP, zodat het daar juridisch kan worden afgehandeld (art. 116, tweede lid, Sv).

2.8. Contra-indicaties voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking

Met de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking is beoogd het bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium aan te vullen met een slagvaardig in te zetten instrument bij overtredingen van geringe ernst of eenvoudige aard die een betrekkelijk beperkte inbreuk vormen op wettelijk beschermde belangen. In de praktijk kunnen overtredingen van de in de feitenlijst opgenomen wettelijke bepalingen echter, afhankelijk van de omstandigheden waaronder zij worden begaan, de mate van ernst van het feit in het licht van de door de desbetreffende regelgeving beschermde belangen of de persoonlijkheid van de overtreder zodanig uiteenlopen dat niet steeds kan worden gesproken van een overtreding van eenvoudige aard. In zo’n geval is het gewenst dat het feit wordt afgedaan door het OM of de strafrechter. Dit brengt mee dat er behoefte is aan een nadere afbakening van wat tot het bestuurlijke, respectievelijk het strafrechtelijk domein behoort. Hiertoe zijn drie clusters van contra-indicaties ontwikkeld. Deze brengen mee dat in gevallen waarin bij een concrete overtreding sprake is van een omstandigheid die toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid ongewenst maakt, de zaak ter afdoening aan het OM moet worden overgedragen.

Vanwege het brede toepassingsbereik en de grote verscheidenheid aan situaties, zijn de contra-indicaties onvermijdelijk veelal tamelijk globaal geformuleerd. Dit biedt aan de ene kant een zekere mate van flexibiliteit en beoordelingsruimte, maar kan ook onzekerheid scheppen. Het is daarom gewenst dat het bevoegd gezag, dan wel de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, in geval van twijfel of in het concrete geval van een contra-indicatie sprake is, overlegt met een parketsecretaris van de regionale vestiging van het FP, in wier ambtsgebied de overtreding is geconstateerd.

Na het constateren van een milieufeit dient telkens te worden nagegaan of één of meer van de volgende contra-indicaties van toepassing zijn:

  • 1) Er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden die de bewijsopdracht voor de opsporingsambtenaar verzwaren of wijzen op een ernstige inbreuk op beschermde belangen:

    • a. een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt,

    • b. een wederrechtelijke gedraging met een afvalstof in niet verwaarloosbare hoeveelheden,

    • c. een wederrechtelijke gedraging in of handeling met een inrichting waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen danwel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt

    • d. een wederrechtelijk verhandelen van specimens van beschermde in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten in een niet verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens of met een niet te verwaarlozen invloed op de instandhouding van de soort

    • e. een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade wordt of dreigt te worden toegebracht aan de habitat van een beschermde dier- of plantensoort

    • f. een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade wordt of dreigt te worden toegebracht aan een beschermde habitat.

    Voor het inschatten van de mate van (dreigende) schade als bedoeld onder a, c, e en f, kunnen de vermoedelijke opruimings- of herstelkosten in veel gevallen een indicator zijn.

  • 2) Er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden die wijzen op een aanmerkelijk calculerende, dan wel malafide instelling van de overtreder:

    • a. agressief of dreigend gedrag ten opzichte van een toezichthouder of opsporingsambtenaar tijdens of na de constatering van de overtreding

    • b. samenloop met één of meer milieufeiten waarvoor geen bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend

      (toelichting: dit ziet op situaties waarin kennelijk sprake is van structureel slechte naleving en een samenhangende opsporing en vervolging door het OM aangewezen is; in geval van twijfel is overleg met OM wenselijk),

    • c. samenloop met ernstige commune misdrijven, bijvoorbeeld valsheid in geschrift (art. 225 e.v. Wetboek van Strafrecht) en omkoping van ambtenaar (art. 177, 177a Wetboek van Strafrecht)

      (toelichting: in dit soort situaties is, na overleg met het OM, overdracht aan de politie of een bijzondere opsporingsdienst aangewezen),

    • d. volgens de gegevens waarover de (organisatie van) het bevoegd gezag of de betrokken opsporingsambtenaar beschikt, is sprake van een meer dan incidenteel tekortschietend nalevingsgedrag (d.w.z. in een periode van vijf jaar is ten minste driemaal door een toezichthouder of een opsporingsambtenaar een relevante overtreding van omgevingsrechtelijke of economische regelgeving geconstateerd, waartegen sanctionerend is opgetreden).

  • 3) In geval van een economisch milieufeit dat in bijlage 1 is omschreven zonder dat hierbij onderscheid is gemaakt tussen de opzet- en de overtredingsvariant: er is geen of onvoldoende bewijs dat een geconstateerd economisch delict opzettelijk is begaan.

    (toelichting: zie § 2.5).

In gevallen waarin sprake is van een contra-indicatie, leent de geconstateerde milieuovertreding zich niet voor afdoening door middel van een bestuurlijke strafbeschikking, maar vraagt om afdoening door het OM. Hiertoe zal een proces- verbaal van de geconstateerde overtreding(en) dienen te worden opgemaakt dat rechtstreeks wordt gestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde regionale vestiging van hetFP. Het verdient aanbeveling in een dergelijk geval vooraf contact op te nemen met dat parket. Dat kan onder meer uitwijzen of en, zo ja, in hoeverre met een verkort proces-verbaal kan worden volstaan.

Indien in de verzetsfase het OM constateert dat een bestuurlijke strafbeschikking is uitgevaardigd terwijl een contra-indicatie van toepassing was, kan dit voor de officier van justitie reden zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 257e, achtste lid, Sv tot intrekking of wijziging van de strafbeschikking. Zie § 7.

2.9. Wie als verdachte kunnen worden aangemerkt

Voor een overtreding begaan in het kader van (bedrijfsmatige) activiteiten van een rechtspersoon, kan de rechtspersoon als verdachte wordt aangemerkt. Met rechtspersoon worden in het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld: maatschap en vennootschap onder firma.

In gevallen waarin het bevoegd gezag van mening is dat, gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, een nadrukkelijk verwijt moet worden gemaakt aan één of meer hierbij betrokken natuurlijke personen, kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Naast of in plaats van de rechtspersoon kan een natuurlijk persoon in drie rollen als verdachte worden aangemerkt:

  • a. als degene die feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon,

  • b. als degene die opdracht heeft gegeven tot de verboden gedraging van de rechtspersoon,

  • c. als degene die de overtreding feitelijk heeft begaan (de materiële dader), mits het overtreden voorschrift mede is gericht tot deze persoon.12 Hiervan is in elk geval sprake als een ieder normadressaat is.

Wanneer een overtreding buiten het verband van een rechtspersoon wordt begaan, kan uitsluitend een natuurlijk persoon als verdachte worden aangemerkt. Dit is ook het geval als de overtreding is begaan in het verband van een eenmanszaak.

3. Bestuurlijke strafbeschikking keurfeiten

3.1. Bevoegd gezag

De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor keurfeiten, waarin een geldboete wordt opgelegd, berust bij:

  • a. de dagelijkse besturen van de waterschappen en

  • b. de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat.

De datum waarop een bevoegd gezag feitelijk gebruik kan gaan maken van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, is afhankelijk van de reactie van het CJIB op een melding van dat bevoegd gezag dat het dit instrument wil gaan toepassen en de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen.

3.2. Mandaatbevoegdheid

De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking kan worden gemandateerd aan buitengewoon opsporingsambtenaren, domein 2 van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar, uitsluitend voor zover het gaat om keurfeiten waarvoor in bijlage 2 een boetebedrag is aangegeven onder € 340,–.13

Voor bestuurlijke strafbeschikkingen voor keurfeiten met een boete van € 340,– of meer kan de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor keurfeiten worden gemandateerd aan één of meer functionarissen binnen de eigen organisatie met een leidinggevende of coördinerende functie op het vlak van handhaving. De desbetreffende functionaris dient te beschikken over voldoende deskundigheid om de voorstellen van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete te kunnen beoordelen op rechtmatigheid, effectiviteit en proportionaliteit. Indien in een concreet geval die functionaris buitengewoon of algemeen opsporingsambtenaar is, behoeft deze omstandigheid aan mandatering niet in de weg te staan, mits hij niet zelf krachtens zijn taakomschrijving is belast met het opsporen van strafbare feiten.14

Indien een bevoegd gezag besluit tot mandatering, dient het FP hiervan op de hoogte te worden gesteld.

3.3. In te zetten opsporingsambtenaren

Voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid is het bevoegd gezag primair aangewezen op processen-verbaal van buitengewoon opsporingsambtenaren, bevoegd tot opsporing van keurfeiten, die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor diens organisatie.15 De betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar valt in een dergelijke situatie onder het gezag van het aangewezen lichaam, dan wel de aangewezen persoon; derhalve niet onder het gezag van de officier van justitie.

Om als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) werkzaam te kunnen zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag, zonder daarbij in dienst te zijn, is vereist dat de betrokken persoon:

  • a. krachtens het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen als onbezoldigd boa van de organisatie van het bevoegd gezag, of

  • b. krachtens een samenwerkingsovereenkomst tussen diens werkgever en het bevoegd gezag is aangewezen om werkzaam te zijn voor dat bevoegd gezag door het opmaken van een verkort proces-verbaal voor op de feitenlijst voorkomende keurovertredingen.

    Hiertoe kan een nieuwe overeenkomst worden gesloten of een bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken partijen worden aangevuld. Het is van belang dat hierin in elk geval duidelijk worden omschreven:

    • het geografisch gebied en de boa’s (met aktenummer) waarop de overeenkomst betrekking heeft en wie hun direct toezichthouder is,

    • voor welke feiten van de keurfeitenlijst deze boa’s een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking van het bevoegd gezag kunnen opmaken, en

    • hoe wordt omgegaan met het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen (indien van toepassing).

    Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst moet ter kennis worden gebracht van de betrokken direct toezichthouder(s) en de hoofdofficier van het FP.

3.4. Bevindingen van toezichthouders

De constatering van een overtreding die in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking behoeft overigens niet altijd te zijn gedaan door een opsporingsambtenaar. Constateringen door een toezichthouder gedaan in het kader van zijn toezichthoudende taak, kunnen bruikbaar zijn als startinformatie voor een onderzoek door een opsporingsambtenaar en als strafrechtelijk bewijs voor de overtreding. Voorwaarde is dat de toezichthouder bij het verrichten van zijn toezichtshandelingen niet alleen de bestuursrechtelijke, maar ook de strafvorderlijke rechtswaarborgen in acht heeft genomen. Zie voor meer toelichting § 2.4.

3.5. Feitenlijst en boetebedragen

In bijlage 2 van deze richtlijn is de bij het Besluit OM-afdoening behorende lijst met keurfeiten opgenomen. De feitenlijst bestaat uit overtredingen van de keur die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren. De feiten zijn overtredingen.

Per keurfeit zijn in bijlage 2 van deze richtlijn de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen aangegeven. Het gaat telkens om vaste bedragen, d.w.z. hiervan kan niet naar boven of beneden worden afgeweken. Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie. Dit neemt niet weg dat in een concreet geval, gelet op de feiten en omstandigheden, het aangegeven boetebedrag als niet passend kan worden beschouwd. Dan kan, na overleg met het betrokken arrondissementsparket, door de buitengewoon opsporingsambtenaar of het bevoegd gezag worden besloten om het verkort proces-verbaal ter afdoening te sturen naar dat parket. Zie ook § 5, onder e.

Voor alle feiten ligt het aangegeven boetebedrag onder de in artikel 257c, tweede lid, Sv gestelde hoorgrens van € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon.

3.6. Territoriale reikwijdte bevoegdheid

De bevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar of bevoegd gezag strekt zich uit tot alle keurfeiten uit de feitenlijst, indien binnen zijn ambtsgebied:

  • het feit is begaan,

  • de verdachte zich bevindt,

  • de verdachte natuurlijke persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft, of

  • de verdachte rechtspersoon zijn statutaire vestigingsplaats heeft.

3.7. Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen

De strafbeschikkingsbevoegdheid is een zelfstandige bevoegdheid van de aangewezen lichamen of personen. Zij kunnen, binnen de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen, in hoge mate zelf bepalen voor welke soorten keurfeiten en in welke concrete gevallen de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt ingezet, tenzij sprake is van één of meer van de hierna te noemen contra-indicaties, die meebrengen dat in het concrete geval niet sprake is van een ‘strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard’ (§ 3.8).

Bij het gebruik van zijn bevoegdheid dient een buitengewoon opsporingsambtenaar of bevoegd gezag rekening te houden met de beginselplicht tot handhaving, geformuleerd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.16

In het Besluit OM-afdoening zijn grenzen gesteld aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor keurfeiten. De bevoegdheid blijft, om te beginnen, beperkt tot strafbare feiten die worden genoemd in bijlage II, hoofdstuk 2, van dat besluit, en dan uitsluitend, voor zover zij van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (art. 4.3 Besluit OM-afdoening).

Van de bevoegdheid mag echter geen gebruik worden gemaakt, indien:

  • a. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;

  • b. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam

  • c. degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen;17

  • d. voor opsporing van het strafbare feit is internationale rechtshulp nodig;

  • e. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;

  • f. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon;

  • g. sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van (vermoedelijk) meer dan € 5.000;

  • h. het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(art. 4.4 Besluit OM-afdoening).

Indien een strafbaar feit wordt geconstateerd dat weliswaar voorkomt in de lijst van keurfeiten, maar buiten de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen valt, wordt het door de betrokken opsporingsambtenaar opgemaakte, al dan niet verkorte, proces-verbaal van de geconstateerde overtreding(en) rechtstreeks ingestuurd naar het ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket.

De onder e en f verwoorde grenzen strekken er toe dat een combinatie van op te leggen boetes steeds blijft beneden de in artikel 257c, derde lid, Sv neergelegde hoorgrens. Het bevoegd gezag heeft echter in beginsel wel de ruimte om dit te bereiken door niet voor alle geconstateerde overtredingen een boete op te leggen. Indien echter een complex van strafbare feiten met het karakter van meerdaadse samenloop18 wijst op een structureel tekortschietende naleving, is overleg met het ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket over overdracht van het proces-verbaal aangewezen.

N.B. Bij afstand van inbeslaggenomen voorwerpen moet een kennisgeving van inbeslagneming worden gestuurd naar het ter hiervan bevoegde arrondissementsparket, zodat het daar juridisch kan worden afgehandeld (art. 116, tweede lid, Sv).

3.8. Contra-indicaties voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking

Met de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking is beoogd het bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium aan te vullen met een slagvaardig in te zetten instrument bij overtredingen van geringe ernst of eenvoudige aard die een betrekkelijk beperkte inbreuk vormen op wettelijk beschermde belangen. In de praktijk kunnen overtredingen van de in de feitenlijst opgenomen wettelijke bepalingen echter, afhankelijk van de omstandigheden waaronder zij worden begaan, de mate van ernst van het feit in het licht van de door de desbetreffende regelgeving beschermde belangen of de persoonlijkheid van de overtreder zodanig uiteenlopen dat niet steeds kan worden gesproken van een overtreding van eenvoudige aard. In zo’n geval is het gewenst dat het feit wordt afgedaan door het OM of de strafrechter. Dit brengt mee dat er behoefte is aan een nadere afbakening van wat tot het bestuurlijke, respectievelijk het strafrechtelijk domein behoort. Hiertoe zijn enkele contra-indicaties ontwikkeld. Deze brengen mee dat in gevallen waarin bij een concrete overtreding sprake is van een omstandigheid die toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid ongewenst maakt, de zaak ter afdoening aan het OM moet worden overgedragen.

Hieronder volgen de voor de keurfeiten relevante contra-indicaties. Vanwege het brede toepassingsbereik en de grote verscheidenheid aan situaties, zijn die onvermijdelijk veelal tamelijk globaal geformuleerd. Dit biedt aan de ene kant een zekere mate van flexibiliteit en beoordelingsruimte, maar kan ook onzekerheid scheppen. Het is daarom gewenst dat het bevoegd gezag, dan wel de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, in geval van twijfel of in het concrete geval een contra-indicatie wordt vervuld, overlegt met een parketsecretaris van het arrondissementsparket, in wiens ambtsgebied de overtreding is geconstateerd.

Na het constateren van een keurfeit dient telkens te worden nagegaan of sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden, die een contra-indicatie opleveren:

  • 1. agressief of dreigend gedrag ten opzichte van een toezichthouder of opsporingsambtenaar tijdens of na de constatering van de overtreding,

  • 2. samenloop met één of meer milieu- of keurfeiten waarvoor geen bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend,

  • 3. samenloop met enstige commune misdrijven, bijvoorbeeld valsheid in geschrift (art. 225 Wetboek van Strafrecht) en omkoping van ambtenaar (art. 177, 177a Wetboek van Strafrecht),

  • 4. volgens de gegevens waarover de (organisatie van) het bevoegd gezag of de betrokken opsporingsambtenaar beschikt, is sprake van een meer dan incidenteel tekortschietend nalevingsgedrag (d.w.z. in een periode van vijf jaar is ten minste driemaal door een toezichthouder of een opsporingsambtenaar een relevante overtreding van omgevingsrechtelijke of economische regelgeving geconstateerd, waartegen sanctionerend is opgetreden).

In gevallen waarin sprake is van een contra-indicatie, leent de geconstateerde keurovertreding zich niet voor afdoening door middel van een bestuurlijke strafbeschikking, maar vraagt om afdoening door het OM. Hiertoe zal een proces- verbaal van de geconstateerde overtreding(en) dienen te worden opgemaakt dat rechtstreeks wordt gestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket. Het verdient aanbeveling in een dergelijk geval vooraf contact op te nemen met dat parket. Dat kan onder meer uitwijzen of en, zo ja, in hoeverre met een verkort proces-verbaal kan worden volstaan.

Indien in de verzetsfase het OM constateert dat een bestuurlijke strafbeschikking is uitgevaardigd terwijl een contra-indicatie van toepassing was, kan dit voor de officier van justitie reden zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 257e, achtste lid, Sv tot intrekking of wijziging van de bestuurlijke strafbeschikking. Zie § 7.

3.9. Wie als verdachte kunnen worden aangemerkt

Voor een toelichting wie als verdachte kunnen worden aangemerkt wordt verwezen naar § 2.9.

4. Combinatie met bestuursrechtelijke sanctiebevoegdheid

De bestuurlijke strafbeschikking is een strafrechtelijk boete-instrument in handen van bestuurlijke functionarissen. Het instrument heeft een punitief karakter. Daarmee onderscheidt de bestuurlijke strafbeschikking zich van bestuursrechtelijke sanctiebevoegdheden als de last onder bestuursdwang of de bestuurlijke dwangsom en, in bepaalde gevallen, een intrekking van een begunstigende beschikking19, zogenaamde herstelsancties.

Voor de feiten waarvoor een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, kan tevens een bestuursrechtelijke herstelsanctie als een last onder bestuursdwang of dwangsom worden opgelegd. De toekenning van de strafbeschikkingsbevoegdheid maakt het mogelijk om per overtreding te bekijken welke sanctie of combinatie van sancties in het concrete geval het meest effectief en passend is. Hiermee kan het complementaire karakter van beide soorten sancties goed tot zijn recht komen.

Sommige feiten lenen zich niet voor een herstelsanctie, bijvoorbeeld het niet tijdig melden van een ongewoon voorval of een eenmalige afvalwaterlozing waarvan de gevolgen niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. In dit geval ligt de keuze voor uitsluitend de bestuurlijke strafbeschikking voor de hand. In gevallen waarin de overtreding nog niet is beëindigd of de gevolgen nog kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt, zal een combinatie van een bestuurlijke strafbeschikking en last onder bestuursdwang vaak het meest aangewezen zijn. Hierbij kan o.a. worden gedacht aan een afvaltransport zonder de juiste documenten of informatie, een voortgaande afvalwaterlozing in strijd met de voorschriften of een nog niet beëindigde illegale ontgronding of grondwateronttrekking. Ook een combinatie met een last onder dwangsom kan onder omstandigheden passend zijn; bijvoorbeeld wanneer in een badinrichting gedurende de openstelling niet in voldoende mate toezicht wordt uitgeoefend of voorgeschreven keuringen van apparaten of metingen niet met de juiste frequentie worden uitgevoerd.

Van het bevoegd gezag wordt daarom verwacht dat bij de hantering van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid de vraag of een combinatie met een herstelsanctie in het concrete geval aangewezen is, telkens nadrukkelijk aandacht krijgt en wordt beantwoord.

Als algemene regel kan worden gehanteerd dat een bevoegd gezag voor de feiten die genoemd zijn in de bijlage, naast een bestuurlijke strafbeschikking, ook een herstelsanctie oplegt wanneer een overtredig voortduurt en de gevolgen van die overtreding beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.

5. Waarborgen bij uitvaardigen bestuurlijke strafbeschikking

Teneinde de rechtmatigheid van een strafbeschikking te kunnen waarborgen, mag zij uitsluitend worden uitgevaardigd met inachtneming van de onderstaande strafvorderlijke vereisten.

a. Verklaring van de verdachte

Vóór de afsluiting van het opsporingsonderzoek dient de betrokken opsporingsambtenaar degene die wordt verdacht van de overtreding, in de gelegenheid te stellen om een verklaring af te leggen over het geconstateerde feit, nadat hem de cautie is gegeven. Dit wil zeggen dat hem of haar wordt meegedeeld dat er geen plicht is om over de overtreding een verklaring af te leggen of op door de opsporingsambtenaar gestelde vragen antwoord te geven. De verklaring wordt vastgelegd in het proces-verbaal, dat door de opsporingsambtenaar op ambtseed/-belofte wordt opgemaakt en ondertekend.

Indien de overtreding kan worden toegerekend aan een rechtspersoon, dient namens de rechtspersoon iemand te worden gehoord die gerechtigd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen.

Als de verdachte niet de gelegenheid is geboden tot het afleggen van een verklaring of aan de verdachte niet voor het verhoor de cautie is gegeven, mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd.

b. Bewijsregels

Voor alle bestanddelen van het strafbare feit moet er voldoende bewijs zijn, anders mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd. Het is de taak van de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, om het bewijs te vergaren en in een onder ambtseed/ -belofte op te maken proces-verbaal vast te leggen. Ten aanzien van feiten die vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten, zal uit het proces-verbaal duidelijk moeten blijken of en, zo ja, in hoeverre zij opzettelijk zijn begaan. Ook zal aan de hand van het proces-verbaal moeten kunnen worden beoordeeld of de voor de bewijsvergaring ingezette opsporingsbevoegdheden rechtmatig zijn toegepast, d.w.z. niet in strijd met het Wetboek van Strafvordering of de Wet op de economische delicten.

c. Schuldvaststelling

Op basis van het proces-verbaal van de behandelend opsporingsambtenaar moet de schuld van de verdachte kunnen worden vastgesteld. Een strafbeschikking mag niet worden uitgevaardigd wanneer het strafbare feit niet aan de overtreder kan worden verweten. Indien er twijfel bestaat over diens schuld, mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd.

d. Horen van de verdachte door bevoegd gezag

Er is geen verplichting voor het bevoegd gezag om de verdachte te horen voordat een bestuurlijke strafbeschikking wordt uitgevaardigd.

In gevallen waarin het voornemen bestaat een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen in combinatie met een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking waarover de betrokkene op grond van de Algemene wet bestuursrecht moet worden gehoord, is het echter wel gewenst dat hij dan tevens als verdachte wordt gehoord over de bestuurlijke strafbeschikking. In dit geval zijn de procedurevoorschriften voor het horen in de Algemene wet bestuursrecht leidend. Wel zal in dat geval aan de verdachte de cautie moeten worden gegeven. Tevens is het wenselijk dat van het horen een schriftelijk verslag wordt opgemaakt. Dit dient bij het proces-verbaal te worden gevoegd.

e. Evenredigheid

Wanneer het voornemen bestaat een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen, zal telkens moeten worden beoordeeld of het opleggen van de in de feitenlijst aangegeven hoogte van de geldboete in het concrete geval evenredig is in verhouding tot de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de overtreding voor de overtreder zelf. Van het uitvaardigen van een strafbeschikking zal in elk geval moeten worden afgezien indien:

  • a. de overtreding een zo geringe inbreuk op de rechtsorde is of zo weinig schade heeft veroorzaakt, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig hoog is in verhouding tot wat heeft plaatsgevonden, of

  • b. het feit, door samenwerking van meer dan één persoon gepleegd, op zichzelf wel ernstig genoeg is voor een geldboete, maar het aandeel van de verdachte daarin zo gering is, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig zwaar zou zijn,

  • c. de verdachte door de overtreding zelf ernstige financiële schade, rechtstreeks uit het feit voortvloeiend of door verplichte schadevergoeding, lijdt of heeft geleden, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig hoog is in verhouding tot die schade.

f. Ne bis in idem

Er kan niet tweemaal een strafbeschikking worden uitgevaardigd voor hetzelfde feit. Wanneer iemand gelijktijdig twee of meer overtredingen pleegt, kan hij wel voor beide afzonderlijk worden gestraft, mits:

  • de som van de boetes voor economische milieufeiten niet hoger is dan € 2.000 (natuurlijk persoon), onderscheidenlijk € 10.000 (rechtspersoon) of

  • de som van de boetes voor niet-economische milieufeiten niet hoger is dan € 2.000 (natuurlijk persoon of rechtspersoon) of

  • de som van de boetes voor keurfeiten niet hoger is van € 1.500 (natuurlijk persoon), onderscheidenlijk € 2.000 (rechtspersoon).

Soms kan bij overtreding van twee of meer voorschriften toch sprake zijn van hetzelfde feit. Dit is soms lastig vast te stellen.

Drie situaties kunnen worden onderscheiden:

  • a. één gedraging valt ‘automatisch’ onder verschillende strafbepalingen (eendaadse samenloop).

    In dit geval moeten de overtredingen worden behandeld als één feit. Er wordt één boete opgelegd. Indien het boetebedrag voor de te onderscheiden strafbepalingen in de feitenlijst verschilt, wordt gekozen voor de hoogste boete.

  • b. verschillende gedragingen worden gelijktijdig verricht zonder dat sprake is van een inhoudelijke samenhang (meerdaadse samenloop20).

    In dit geval worden de overtredingen behandeld als afzonderlijke feiten waarvoor afzonderlijke boetes worden opgelegd.

  • c. verschillende gedragingen worden gelijktijdig verricht onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid en de wezenlijke samenhang in het handelen en in de schuld van de dader, dat sprake is van hetzelfde feit.

    Nadat is vastgesteld wat het feit is, wordt de hierbij behorende boete opgelegd.

    Aangesloten moet worden bij de jurisprudentie over artikel 68 Wetboek van Strafrecht.

6. Grondslag: proces-verbaal van opsporingsambtenaar

De grondslag voor een bestuurlijke strafbeschikking is een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar die bevoegd is tot de opsporing van de feiten genoemd in de milieufeitenlijst of de keurfeitenlijst. Tevens moet de opsporingsambtenaar bij het CJIB zijn aangemeld door een bevoegd gezag als een persoon die processen-verbaal ten behoeve van het uitvaardigen van bestuurlijke strafbeschikkingen voor milieufeiten en/of keurfeiten kan opmaken.

Voor aanmelding bij het CJIB komen allereerst in aanmerking buitengewoon opsporingsambtenaren behorend tot domein 2 of domein 6, voorzover het de Douane betreft, van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar, die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor de organisatie van een bevoegd gezag (zie § 2.1 en 3.1). Zij zijn op grond van hun akte van opsporing bevoegd tot de opsporing van alle feiten van de milieufeitenlijst en van alle feiten van de keurfeitenlijst. Indien er een samenwerkingsovereenkomst is tussen het bevoegd gezag en de politie of een bijzondere opsporingsdienst kunnen ook algemeen opsporingsambtenaren bij het CJIB worden aangemeld.

Voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking kan worden volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal op het hiervoor door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde standaardformulier (zogenoemde ‘combibon’). Hierin wordt op hoofdzaken het bewijs voor de overtreding en de schuld van de verdachte beschreven. Ook de door de verdachte afgelegde verklaring maakt hiervan deel uit.

Dit proces-verbaal heeft een drieledige functie:

  • a. kennisgeving van bekeuring aan de verdachte,

  • b. onderbouwing van het voorstel aan het bevoegd gezag tot het opleggen van een boete,

  • c. informatiebron voor het CJIB ten behoeve van het verzenden van een bestuurlijke strafbeschikking.

Voor het geval tegen een bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- of keurfeiten verzet wordt gedaan door de verdachte of sprake is van mislukte executie van de strafbeschikking, dient de betrokken opsporingsambtenaar in elk geval afzonderlijk vast te leggen en te bewaren:

  • indien aanwezig: startinformatie, bijvoorbeeld een rapport van een toezichthouder of een melding,

  • een overzicht van de verrichte opsporingshandelingen en

  • eventueel vergaarde aanvullende gegevens met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, en de instelling (bijv. aanmerkelijk calculerend) of bijzondere gedragingen van de verdachte

  • in de gevallen waarin de verdachte door het bevoegd gezag is gehoord over een voornemen tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking: het verslag hiervan.

De resultaten van verrichte opsporingshandelingen met betrekking tot natuurlijke personen die als verdachte of getuige betrokken zijn geweest bij een feit waarvoor een proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking is opgemaakt, zijn gegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarom wordt van het bevoegd gezag verwacht dat het toereikende maatregelen treft ter voldoening aan de toepasselijke bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens met betrekking tot het registreren of anderszins bewaren van die gegevens.

7. Verzet

Wanneer een verdachte verzet doet tegen een bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- of keurfeiten wordt het bevoegd gezag dat de strafbeschikking heeft uitgevaardigd daarvan door het CJIB op de hoogte gebracht. Dan wordt verzocht om een uitgewerkt proces-verbaal. Nadat het CJIB het uitgewerkte proces-verbaal van het bevoegd gezag heeft ontvangen, draagt het CJIB de zaak (inclusief het uitgewerkte proces-verbaal) ter behandeling over aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM).21

Dit laat onverlet dat tijdens de behandeling van het verzet kan blijken dat de officier van justitie of de strafrechter behoefte heeft aan een aanvullend proces-verbaal.

Een besluit tot intrekking van een bestuurlijke strafbeschikking wordt niet genomen door de officier van justitie zonder voorafgaand overleg met het bevoegd gezag.

Het betrokken bevoegd gezag krijgt bericht over de afloop van de behandeling van het verzet.

8. Informatieverstrekking

Openbaarheid

De openbaarheid van een strafbeschikking is geregeld in artikel 257h Sv. Zo wordt in het tweede lid bepaald dat ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman de officier van justitie kan verzoeken om verstrekking van een afschrift. Aan dit verzoek dient in beginsel te worden voldaan. Verstrekking blijft alleen achterwege, indien naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degenen ten aanzien waarvan de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd. In dat laatste geval kan een geanonimiseerd afschrift worden verstrekt.

Aangezien de wetgever hierbij kennelijk het oog heeft gehad op strafbeschikkingen die door of onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie zijn verstrekt, en bij een bestuurlijke strafbeschikking de officier van justitie niet betrokken is, tenzij de verdachte hiertegen verzet heeft gedaan, ligt het in de rede dat, het betrokken bevoegd gezag beslist op een verzoek tot verstrekking van een afschrift van een bestuurlijke strafbeschikking, naar analogie van de regeling van artikel 257h, tweede lid, Sv.

Indien binnen veertien dagen geen afschrift, dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie. Het klaagschrift en de processtukken dienen in dat geval onverwijld ter kennis worden gebracht van de rechtbank (art. 257h, derde lid, Sv). Zo nodig, zal de officier van justitie het bevoegd gezag verzoeken om verstrekking van processtukken.

Kennisneming van alle processtukken

Met de uitreiking van een kennisgeving van bekeuring door de betrokken opsporingsambtenaar krijgt de verdachte de beschikking over het opgemaakte verkort proces-verbaal. Daarbij dient hem tevens mede te worden gedeeld dat het CJIB tevens een bedrag van € 7,– aan administratiekosten in rekening brengt.

Ingeval een verdachte verzet doet tegen de opgelegde boete, heeft hij recht op inzage van alle processtukken (art. 33 Sv). Een verzoek hiertoe kan worden gericht aan het parket dat op de bestuurlijke strafbeschikking is vermeld.

9. Toezicht

Het College is belast met toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Dit toezicht zal primair worden gericht op de rechtmatigheid van de toepassing en de kwaliteit van processen-verbaal. Daarnaast zal ook aandacht worden besteed aan de uitvoerbaarheid en werking van de regeling in het licht van de doelstellingen ervan. Met het oog op een goede vervulling van deze taak wordt mandaat verleend aan:

  • a. de hoofdofficier van justitie van het FP tot het uitoefenen van het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor milieufeiten en

  • b. de hoofdofficieren van de arrondissementsparketten tot het uitoefenen van het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor keurfeiten.

Van de betrokken hoofdofficieren wordt verwacht dat zij ten minste eenmaal per jaar aan het College schriftelijk verslag doen van hun bevindingen.

Het is aan de betrokken hoofdofficieren om zelf te bepalen hoe zij op een doelmatige wijze een goed beeld kunnen krijgen van de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door of namens het bevoegd gezag. Bij het toezicht met betrekking tot de bestuurlijke strafbeschikking keurfeiten is enigerlei vorm van onderlinge afstemming om twee redenen echter wenselijk. Het territoir van een bevoegd gezag is namelijk soms groter is dan dat van een arrondissementsparket. Bovendien kan het nuttig zijn om de toezichtbevindingen van de arrondissementsparketten op bepaalde punten te kunnen vergelijken.

Belangrijke bronnen van informatie voor het toezicht zijn de gegevens van het CJIB over de instroom van aanleverende instanties, de tenuitvoerlegging van bestuurlijke strafbeschikkingen, en ervaringen en inzichten die tijdens de verzetsfase worden verkregen. Daarnaast kunnen gesprekken met het bevoegde gezag of diens medewerkers nuttige informatie opleveren over de uitvoerbaarheid van de regeling, met inbegrip van de richtlijnen van het College, en over de samenwerking tussen het bevoegd gezag en het OM. Deze gesprekken kunnen ook worden benut voor het van gedachten wisselen over de bij het toezicht door het OM gedane bevindingen ten aanzien van het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid en de kwaliteit van bestuurlijke strafbeschikkingen en de hieraan ten grondslag liggende processen-verbaal, mede in het licht van de wettelijke eisen en de richtlijnen van het College.

De resultaten van het toezicht kunnen, om te beginnen, leiden tot adviezen tot verbetering van de uitvoeringspraktijk bij zowel het bevoegd gezag als het OM en het CJIB. Daarnaast kunnen zij aanleiding geven tot een advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie tot aanpassing van de regelgeving. In het uiterste geval zal een hoofdofficier gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het tijdelijk intrekken van de bevoegdheid van een bevoegd gezag, overeenkomstig artikel 4.5 van het Besluit OM-afdoening.

10. Overgangsperiode

Na de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit OM-afdoening zal het, naar verwachting, enige tijd kunnen duren voordat de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door alle aangewezen lichamen en personen wordt toegepast. Om te voorkomen dat als gevolg hiervan aan processen-verbaal opgemaakt door een buitengewoon opsporingsambtenaar (domein 2) voor in de feitenlijst opgenomen overtredingen, geen passend vervolg zou kunnen worden gegeven, kunnen deze processen-verbaal tot uiterlijk 1 januari 2014 worden gestuurd naar het betrokken parket. Dit zal deze strafzaken op de tot nu gebruikelijke wijze beoordelen en afdoen.22

Bijlage

Bijlage bij Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba Sv)
       

Feit

 

Overtreden artikel

 

Tarief in euro per feit en categorie

               

1

2

       

Bestuurlijke strafbeschikking milieu

         
       

Categorie-indeling F:

         
       

1- Natuurlijk persoon;

         
       

2- Rechtspersoon.

         
       

Nummers BM 001 – BM 010 en BM 612 – BM 613: Wet Milieubeheer

         
       

zich niet houden aan de voorschriften bij de inzamelvergunning

         

BM

001

a

 

zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 1–5 m3

  10.2 Wet milieubeheer  

750

3.000

BM

001

b

 

zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 5–10 m3

 

10.2 Wet milieubeheer

 

1.500

6.000

BM

003

   

zich door afgifte aan een ander hebben ontdaan van bedrijfsafvalstoffen; max. 10 m3

  10.37 lid 1 Wm  

750

3.000

BM

004

   

niet registreren van één of meer gegevens als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 Wet milieubeheer bij afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen

 

10.38 lid 1 Wm

 

1.000

2.000

BM

005

   

geen melding maken met betrekking tot afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen aan het bevoegd gezag

 

10.38 lid 3 Wm

 

1.000

2.000

BM

006

   

niet verstrekken van een begeleidingsbrief, welke ten minste de gegevens bevat die zijn genoemd in art. 10.39 lid 1 onder a en 10.38 lid 1 van de Wet milieubeheer bij afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen aan een persoon als bedoeld in art. 10.37 lid 2 onder a tot en met e Wet milieubeheer

 

10.39 lid 2 Wm

 

1.000

2.000

BM

007

   

niet melden van afgifte van bedrijfsafvalstoffen aan het bevoegd gezag door een persoon als bedoeld in art. 10.37 lid 2 onder a of b van de Wet milieubeheer

  10.40 lid 1 Wm  

1.000

2.000

BM

008

   

in ontvangst nemen van bedrijfsafvalstoffen door een persoon als bedoeld in art. 10.40 lid 1 Wet milieubeheer zonder dat daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 lid 1 onder a en b Wet milieubeheer worden verstrekt

 

10.40 lid 2 Wm

 

1.000

2.000

BM

009

   

tijdens het vervoer van bedrijfsafvalstoffen geen begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 Wet milieubeheer aanwezig hebben, zolang degene die afvalstoffen onder zich heeft

  10.44 lid 1 Wm  

1.000

2.000

BM

010

   

bedrijfsafvalstoffen inzamelen zonder vermelding op een lijst van inzamelaars

  10.45 lid 1 onder a Wm  

1.000

2.000

BM

612

   

zich niet houden aan de voorschriften bij de inzamelvergunning

 

18.18 Wm jo 10.49 lid 2 Wm

 

750

2.000

BM

613

   

zonder vermelding als vervoerder en/of handelaar en/of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars, tegen vergoeding vervoeren voor anderen en/of verhandelen en/of bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen

  10.55 lid 1 Wm  

750

2.000

                   
       

Nummers BM 030, BM034, BM 036 – BM 037, BM 042, BM 636 – BM 638 en BM 710: Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA)

         

BM

030

   

overbrengen van afvalstoffen zonder de betrokken bevoegde autoriteiten zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen van een – wegens onvoorziene omstandigheden benodigde – routewijziging bij een algemene kennisgeving

 

10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 13 lid 2 EVOA

 

1.200

1.200

BM

034

   

overbrengen van afvalstoffen terwijl het vervoersdocument niet volledig of onjuist is ingevuld of niet is ondertekend door de kennisgever

 

10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder a EVOA

 

1.200

1.200

BM

036

   

overbrengen van afvalstoffen waarbij het transport van afvalstoffen op een andere dan de opgegeven transportdatum plaatsvindt

 

10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder b EVOA

 

1.200

1.200

BM

037

   

overbrengen van afvalstoffen waarbij het vervoer niet vergezeld gaat van de juiste documenten (vervoersdocument, de afschriften van het kennisgevingsdocument met de schriftelijke toestemmingen en de voorwaarden die door de betrokken bevoegde autoriteiten resp. zijn verleend en gesteld)

 

10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder c, tweede volzin EVOA

 

1.800

5.000

BM

042

   

niet gedurende ten minste 5 jaar door de kennisgever en/of de ontvanger en/of de inrichting die de afvalstoffen heeft ontvangen, bewaren van aan of door de bevoegde autoriteiten verzonden documenten inzake de overbrenging van afvalstoffen

 

10.56 Wm i.v.m. 5 Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen

 

1.700

1.700

BM

636

   

niet gedurende drie jaar door de kennisgever, de ontvanger, de inrichting die de afvalstoffen heeft ontvangen, bewaren van aan of door de bevoegde autoriteiten verzonden documenten inzake de kennisgeving van een transport

 

10.60 lid 7 onder a Wm ivm art. 20 lid 1 EVOA

 

1.700

1.700

BM

637

   

niet gedurende drie jaar bewaren van de uit hoofde van artikel 18 lid 1 EVOA verstrekte informatie door de opdrachtgever, de ontvanger en de inrichting die de afvalstoffen ontvangt

 

10.60 lid 7 onder a Wm ivm art. 20 lid 2 EVOA

 

1.700

1.700

BM

638

   

overbrengen van groene lijst afvalstoffen voor nuttige toepassing zonder of met onvolledige bijlage VII informatie

 

10.60 lid 2 Wm ivm 2 lid 35 sub g onder iii EVOA

 

1.800

3.000

BM

710

   

het niet voorhanden hebben van een juridisch bindend contract bij aanvang van de overbrenging

 

10.60 lid 5 sub a Wm ivm 18 lid 2 EVOA

 

750

750

                   
       

Nummers BM 012 – BM 015: Besluit beheer autowrakken

         

BM

012

a

 

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: een landelijk dekkend innamesysteem voor autowrakken

  8 sub a Besluit beheer autowrakken  

1.500

5.000

BM

012

b

 

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: het om niet kunnen afgeven van autowrakken

 

8 sub b Besluit beheer autowrakken

 

1.500

5.000

BM

012

c

 

als producent en/of importeur van voertuigen die onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland aan een ander ter beschikking zijn gesteld geen zorg dragen voor: het opzetten van een verwerkingssysteem voor autowrakken

 

8 sub c Besluit beheer autowrakken

 

1.500

5.000

BM

013

   

als producent en/of importeur van voertuigen niet binnen dertien weken nadat dit besluit op hem van toepassing is geworden, aan Onze Minister mededeling doen over de wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de verplichtingen

  12 lid 1 Besluit beheer autowrakken  

1.500

5.000

BM

014

   

als producent en/of importeur van voertuigen niet de verplichtingen uitvoeren overeenkomstig de mededeling, zoals onze minister daarmee heeft ingestemd

  14 Besluit beheer autowrakken  

1.500

5.000

BM

015

   

als producent en/of importeur van voertuigen niet voor 1 augustus van elk jaar aan Onze Minister een verslag zenden over de uitvoering van de verplichtingen in het voorafgaande kalenderjaar

  15 lid 1 Besluit beheer autowrakken  

1.500

5.000

                   
       

Nummer BM 016: Besluit beheer batterijen en accu's 2008

         

BM

016

   

als producent en/of fabrikant van batterijen en/of accu’s niet binnen dertien weken nadat de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 op hem van toepassing is geworden, mededeling doen aan Onze Minister

  2 lid 1 Besluit beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

                   
       

Nummers BM 017 – BM 021: Regeling beheer batterijen en accu's 2008

         

BM

017

   

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s geen zorg dragen voor een inzamelingssysteem dat de eindgebruikers in staat stelt om zich in hun nabijheid kosteloos op een in voldoende mate toegankelijk inzamelpunt in Nederland van die draagbare batterijen en accu’s te ontdoen

  5 lid 1 Regeling beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

BM

018

   

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s geen zorg dragen voor een systeem voor de verwerking en de recycling als materiaal van afgedankte batterijen en accu’s

  7 lid 1 sub a Regeling beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

BM

019

   

als producent van draagbare batterijen en/of accu's niet zorgen dat die batterijen en/of accu’s en/of batterijpakken zijn voorzien van het symbool, bedoeld in bijlage II, van richtlijn 2006/66/EG (afvalcontainer met kruis)

  9 lid 1 sub a Regeling beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

BM

020

   

als producent van draagbare batterijen en/of accu’s zich niet laten registreren bij de Minister van Infrastructuur en Milieu

  12 Regeling beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

BM

021

   

als fabrikant en/of producent van draagbare batterijen en/of accu’s niet voor 1 augustus van elk jaar aan de Minister van Infrastructuur en Milieu een verslag zenden

  13 lid 1 Regeling beheer batterijen en accu’s 2008  

1.500

5.000

                   
       

Nummers BM 025, BM 500 en BM 619 – BM 621: Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

         

BM

025

a

 

als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een symbool zoals opgenomen is in bijlage IV bij richtlijn nr. 2002/96/EG (afvalcontainer met kruis)

  15 lid 1 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur  

1.500

5.000

BM

025

c

 

als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een aanduiding waaruit blijkt dat het apparaat na 13 augustus 2005 op de markt is gebracht

  16 lid 4 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur  

1.500

5.000

BM

500

   

als distributeur bij het ter beschikking stellen van een nieuw product, een soortgelijk na gebruik vrijgekomen product – zijnde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur – van particuliere huishoudens, dat hem wordt aangeboden niet ten minste om niet innemen

  4 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur  

250

500

BM

618

a

 

verwerken van ingenomen afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zonder conformiteitsverklaring

 

11 lid 2 sub d Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur jo 9.5.2 Wet milieubeheer

 

1.000

2.500

BM

618

b

 

verwerken van ingenomen afgedankte elektrische en elektronische apparatuur in strijd met de WEEELABEX Standard

 

11 lid 2 sub d Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur jo 9.5.2 Wet milieubeheer

 

1.000

2.500

BM

619

   

als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur zich niet melden bij het register

  19 lid 1 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur  

1.500

5.000

BM

620

   

als producent en/of zijn gemachtigde niet de in deel A van bijlage X bij de richtlijn nr. 2012/19/EU genoemde informatie verstrekken bij de registratie en/of niet actueel houden van de informatie

 

19 lid 2 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

 

1.500

5.000

BM

621

   

als producent en/of zijn gemachtigde niet de in deel B van bijlage X bij de richtlijn nr. 2012/19/EU genoemde informatie voor 1 mei over het voorafgaande kalenderjaar verstrekken aan het register

 

19 lid 3 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

 

1.500

5.000

                   
       

Nummer BM 622 – BM 627: Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

         

BM

622

   

het in de handel brengen van elektrische en/of elektronische apparatuur, met inbegrip van kabels en/of reserveonderdelen voor het repareren en/of hergebruiken en/of het aanpassen van de functionele aspecten en/of het verbeteren van de capaciteit ervan, indien deze in bijlage II van richtlijn nr. 2011/65/EU opgenomen stoffen bevat, waarbij in een homogeen materiaal de in bedoelde bijlage II genoemde maximale concentratiewaarden worden overschreden

  3 lid 1 Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur  

1.500

5.000

BM

623

   

als fabrikant die elektrische en/of elektronische apparatuur in de handel brengt geen EU-conformiteitsverklaring opstellen als bedoeld in artikel 10 Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur, wanneer met de onder artikel 4 lid b bedoelde procedures is aangetoond dat de elektrische en elektronische apparatuur voldoet aan de toepasselijke eisen

  4 lid 1 c Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur  

1.000

3.000

BM

624

   

als fabrikant niet tenminste 10 jaar nadat apparatuur in de handel is gebracht de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring van elektrische en elektronische apparatuur bewaren

 

4 lid 3 Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

 

500

1.500

BM

625

   

als importeur elektrische en/of elektronische apparatuur in de handel brengen zonder CE-markering en/of zonder de vereiste documenten

  6 lid 1 c Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur  

1.000

3.000

BM

626

   

als importeur niet 10 jaar na het in de handel brengen van elektrische en/of elektronische apparatuur bewaren van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring

 

6 lid 7 Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

 

500

1.000

BM

627

   

als distributeur niet uit de handel nemen of terugroepen van door hem in de handel gebrachte elektrische en/of elektronische apparatuur welke niet aan deze regeling voldoet

  7 lid 3 b Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur  

1.500

4.000

                   
       

Nummers BM 043 – BM 044, BM 530 en BM 643 – BM 648: Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Avb)

         

BM

529

   

bij concentratie asbestvezel risicoklasse 2 of 2A laten uitvoeren van handelingen door een niet-gecertificeerde asbestverwijderaar

  6 lid 1 Avb  

2.000

4.000

BM

530

   

als opdrachtgever niet verstrekken van het asbestinventarisatierapport aan degene die het werk uitvoert

  5 Avb  

1.500

5.000

BM

043

   

bij het afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of object, niet beschikken over een asbestinventarisatierapport

  3 lid 1 Avb  

1.500

 

BM

044

   

bij het verwijderen van een asbesthoudend product uit een bouwwerk of object, niet beschikken over een asbestinventarisatierapport

 

3 lid 2 Avb

 

1.500

 

BM

643

   

Het asbest of asbesthoudend product niet verwijderen voordat het bouwwerk of object geheel of gedeeltelijk wordt afgebroken of uit elkaar wordt genomen

  7 sub a Avb  

1.500

 

BM

644

   

het niet onmiddellijk scheiden en verzamelen van verwijderd asbest of asbesthoudende producten

 

7 sub b Avb

 

1.500

 

BM

645

   

niet op de juiste wijze verpakken van asbest of asbesthoudende producten

 

7 sub c Avb

 

1.500

 

BM

646

   

niet op juiste wijze opslaan van verpakt asbesthoudend materiaal

 

7 sub d en sub e Avb

 

1.500

 

BM

647

   

niet op de juiste wijze aangeven dat de verpakking asbesthoudend materiaal bevat

 

7 sub f Avb

 

1.500

 

BM

648

   

asbesthoudend materiaal is niet binnen 2 weken na het vrijkomen afgevoerd naar een daarvoor erkende inrichting

 

7 sub g Avb

 

1.500

 
                   
       

Nummer BM 531 en BM 649: Besluit asbestwegen milieubeheer

         

BM

531

   

als degene die een asbestbevattende weg voorhanden heeft de aanwezigheid hiervan niet melden

  5 lid 1 Besluit asbestwegen milieubeheer  

1.500

5.000

BM

649

   

het voorhanden hebben van een asbesthoudende weg

  2 lid 1 Besluit asbestwegen milieubeheer  

1.500

5.000

                   
       

Nummer BM 532 – BM 537, BM 575 – BM 589 en BM 650 – BM 656: Bouwbesluit (Bb)

         

BM

532

   

zonder sloopmelding slopen, terwijl daarbij asbest is of zal worden verwijderd

  1.26 lid 1 Bouwbesluit  

1.000

3.000

BM

533

a

 

door degene die sloopt c.q. degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet binnen wettelijke termijnen voorafgaande aan de feitelijke aanvang van de sloop of sanering aan het bevoegd gezag de datum of het tijdstip van de feitelijke aanvang van de sloop- en/of saneringswerkzaamheden melden

 

1.33 Bb jo 120 lid 2 Ww

 

1.500

3.000

BM

533

b

 

door degene die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, niet schriftelijk melden van de datum van voltooiing van de sloop c.q. sanering binnen de wettelijke termijnen na beëindiging van de sloop- of saneringswerkzaamheden aan het bevoegd gezag

 

1.33 Bb jo 120 lid 2 Ww

 

1.500

3.000

BM

533

c

 

als degene die de sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd niet binnen twee weken na beëindiging van de werkzaamheden een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling verstrekken aan het bevoegd gezag

 

1.33 lid 3 Bb

 

1.500

3.000

BM

533

d

 

als degene die sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd geen opgave van hoeveelheid vrijgekomen afvalstoffen overleggen aan bevoegd gezag

 

1.33 lid 4 Bb

 

1.500

3.000

BM

534

   

niet onmiddellijk in kennis stellen bevoegd gezag van ontdekken asbest dat niet is opgenomen in asbestinventarisatierapport

 

1.26 lid 8 Bb

 

1.000

3.000

BM

535

   

in en/of op en/of aan een bouwwerk en/of op een open terrein voorwerpen en/of stoffen geplaatst en/of handelingen verricht waardoor voor de omgeving hinderlijke en/of schadelijke wijze rook en/of roet en/of walm en/of stof wordt verspreid

  7.22 sub a Bb  

750

1.500

BM

536

   

geen kooldioxidemeter in een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs aanwezig hebben

  7.23 lid 1 Bb  

500

500

BM

537

   

niet naleven nadere voorwaarden opgelegd door bevoegd gezag bij sloopmelding

  1.29 Bb  

1.500

3.000

BM

575

   

zonder gebruiksmelding een bouwwerk in gebruik nemen

  1.18 lid 1 onder a Bb  

1.000

1.000

BM

576

   

niet hebben van noodverlichting in een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert

  6.3 lid 1 Bb  

1.500

1.500

BM

577

   

niet hebben van een brandmeldinstallatie conform NEN 2535

  6.20 lid 1 Bb  

2.000

5.000

BM

578

   

niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven brandmeldinstallatie

 

6.20 lid 1 onder 6 Bb

 

750

750

BM

579

   

niet hebben van rookmelders conform NEN 2555

 

6.21 jo art. 1.16 Bb

 

500

500

BM

580

   

niet hebben van een ontruimingsalarminstallatie conform NEN 2575

  6.23 lid 1 Bb  

1.500

2.500

BM

581

   

niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie

 

6.23 lid 4 Bb

 

750

750

BM

582

   

niet hebben van een ontruimingsplan

 

6.23 lid 6 Bb

 

750

750

BM

583

a

 

niet hebben van vluchtrouteaanduiding(en), te weten 1 tot 3 ontbrekende aanduidingen

  6.24 Bb  

500

500

BM

583

b

 

niet hebben van vluchtrouteaanduidingen, te weten 4 tot 6 ontbrekende aanduidingen

 

6.24 Bb

 

1.000

1.000

BM

583

c

 

niet hebben van vluchtrouteaanduidingen, te weten meer dan 6 ontbrekende aanduidingen

 

6.24 Bb

 

1.500

1.500

BM

584

   

in een vluchtroute hebben van deuren die bij het openen tegen de vluchtroute indraaien

  6.25 Lid 5 Bb  

500

500

BM

585

   

niet hebben van een brandslanghaspel

  6.28 Bb  

1.000

1.000

BM

586

a

 

niet aanwezig hebben van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen, te weten 1 tot 3 ontbrekende blustoestellen

  6.31 Bb  

1.000

1.000

BM

586

b

 

niet aanwezig hebben van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen, te weten 4 tot 6 ontbrekende blustoestellen

 

6.31 Bb

 

1.500

2.000

BM

586

c

 

niet aanwezig hebben van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen, te weten meer dan 6 ontbrekende blustoestellen

 

6.31 Bb

 

2.000

3.000

BM

587

   

niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven automatische brandblusinstallatie

  6.32 Bb  

750

750

BM

588

   

in geopende stand vastzetten van een zelfsluitend constructieonderdeel (tenzij automatisch losgelaten)

  7.3 Bb  

250

250

BM

589

   

opslaan van brandbare goederen in een ruimte met een of meer verbrandingstoestellen (stookruimte)

  7.8 Bb  

500

500

BM

650

   

een gebruiksmelding niet ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik schriftelijk hebben ingediend

  1.19 lid 1 Bb  

1.000

1.000

BM

651

   

het niet hebben van bescheiden tijdens het bouwen

  1.23 Bb  

750

1.500

BM

652

   

het niet hebben van bescheiden tijdens het slopen

  1.32 Bb  

750

1.500

BM

653

   

aankleding in een besloten ruimte levert brandgevaar op

  7.4 Bb  

1.000

2.000

BM

654

   

het niet nemen van maatregelen tijdens uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden

  8.2 Bb  

1.000

2.000

BM

655

   

tijdens bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden niet houden aan de geluidseisen

  8.3 Bb  

1.000

2.000

BM

656

   

tijdens bouw- of sloopwerkzaamheden geen maatregelen getroffen tegen visueel waarneembare stofverspreiding

  8.5 Bb  

1.000

2.000

                   
       

Nummer BM 715: Productenbesluit asbest (PbA)

         

BM

715

a

 

het invoeren van asbest of asbesthoudende producten

  4 PbA  

500

1.500

BM

715

b

 

het voor handen hebben van asbest of asbesthoudende producten

 

4 PbA

 

500

1.500

BM

715

c

 

het aan een ander beschikbaar stellen van asbest of asbesthoudende producten

 

4 PbA

 

500

5.000

BM

715

d

 

het toepassen van asbest of asbesthoudende producten

 

4 PbA

 

500

5.000

BM

715

e

 

het bewerken van asbest of asbesthoudende producten

 

4 PbA

 

500

5.000

                   
       

Nummers BM 045 – BM 066: Besluit gebruik meststoffen (BGM)

         

BM

045

   

gebruiken van meststoffen

  1a lid 1 BGM  

900

1.500

BM

046

   

gebruiken van zuiveringsslib en overige organische meststoffen

  1b lid 1 BGM  

900

1.500

BM

047

   

gebruiken van zuiveringsslib op weideland gedurende de periode van beweiding

  1d onderdeel a BGM  

900

1.500

BM

048

   

gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor de teelt van voedergewassen, minder dan drie weken voor de oogst

 

1d onderdeel b BGM

 

1.200

1.800

BM

049

   

gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor groente- of fruitaanplant, met uitzondering van fruitbomen, gedurende de groeiperiode van de groente onderscheidenlijk het fruit

 

1d onderdeel c BGM

 

1.200

1.800

BM

050

   

gebruiken van zuiveringsslib op grond die is bestemd voor de teelt van groenten of vruchten, die gewoonlijk in rechtstreeks contact met de bodem staan en rauw worden geconsumeerd, minder dan tien maanden voor de oogst alsmede tijdens de oogst

 

1d onderdeel d BGM

 

1.200

1.800

BM

051

a

 

gebruiken van dierlijke meststoffen of compost: op natuurterrein

  2 lid 1 BGM  

1.200

1.800

BM

051

b

 

gebruiken van dierlijke meststoffen of compost: op overige grond

 

2 lid 1 BGM

 

900

1.500

BM

052

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, of een mengsel met deze meststoffen, terwijl de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw

  3 lid 1 BGM  

900

1.500

BM

053

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen, terwijl de bovenste bodemlaag met water is verzadigd

  3a BGM  

900

1.500

BM

054

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen in de periode van 1 september tot en met 31 januari, terwijl de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd

  3b lid 1 BGM  

900

1.500

BM

055

   

gebruiken van vaste dierlijke meststoffen of steekvast zuiveringsslib in de periode van 1 september tot en met 31 januari

  4 lid 1 BGM  

900

1.500

BM

056

   

gebruiken van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in de periode van 1 augustus tot en met 15 februari

 

4 lid 3 BGM

 

900

1.500

BM

057

   

gebruiken van stikstofkunstmest op bouwland of grasland in de periode van 16 september tot en met 31 januari

  4a lid 1 BGM  

900

1.500

BM

058

   

vernietigen van de graszode op grasland

  4b lid 1 BGM  

500

900

BM

059

   

niet emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen op bouwland of grasland of niet beteelde grond

  5 BGM  

900

1.500

BM

060

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt

  6 BGM  

500

900

BM

061

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op grond met een hellingspercentage van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door geulenerosie

  6a lid 1 BGM  

500

900

BM

062

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer

  6b lid 1 BGM  

500

900

BM

063

   

gebruiken van stikstofkunstmest op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer

  6c BGM  

500

900

BM

064

   

gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op bouwland met een hellingspercentage van 18 of meer

  6d BGM  

500

900

BM

065

   

niet direct aansluitend na de teelt van maïs op zand- en lössgronden telen van een bij ministeriële regeling aangewezen gewas

  8a lid 1 BGM  

500

900

BM

066

   

vernietigen van gewassen die na maïs worden geteeld, bedoeld in het eerste lid, voor 1 februari van het daarop volgende jaar

 

8a lid 2 BGM jo 8a lid 1 BGM

 

500

900

                   
       

Nummers BM 067 – BM 078 en BM 668 – BM 671: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz)

         

BM

067

   

door de houder van een badinrichting geen zorg dragen dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico dat niet wordt voldaan aan het eerste lid van artikel 2a Bhvbz

 

2a lid 2 Bhvbz jo 2a lid 1 Bhvbz

 

2.000

2.000

BM

068

   

door de houder van een badinrichting niet binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse bedoeld in artikel 2a Bhvbz een beheersplan opstellen voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting of niet binnen drie maanden een bestaand beheersplan herzien, terwijl uit risicoanalyse blijkt dat sprake is van het in artikel 2a, tweede lid, Bhvbz bedoelde risico

 

2b lid 1 Bhvbz jo 2a Bhvbz

 

2.000

2.000

BM

069

   

door de houder van een badinrichting de in het beheersplan, bedoeld in artikel 2b, eerste lid, Bhvbz, vermelde risicopunten niet ten minste halfjaarlijks op de aanwezigheid van Legionella laten onderzoeken door een laboratorium als bedoeld in artikel 10 Bhvbz

 

2c lid 1 jo 10 Bhvbz

 

1.500

1.500

BM

070

   

door de houder van een badinrichting niet onmiddellijk na de vaststelling van een concentratie van legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, Bhvbz bedoelde risicopunten, gedeputeerde staten hiervan in kennis stellen

  2d lid 1 Bhvbz  

1.500

1.500

BM

071

   

ontbreken in de toevoer naar of afvoer van de filters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, van een voorziening waarmee de hoeveelheid water kan worden bepaald, die in een bepaalde tijdseenheid wordt toegevoerd, onderscheidenlijk afgevoerd

  6 lid 1 Bhvbz  

500

500

BM

072

   

ontbreken bij gesloten zandfilters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt, van een voorziening waardoor dit in fluïdisatie geraken waargenomen kan worden

  7 lid 2 Bhvbz  

500

500

BM

073

   

door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in bijlage I van Bhvbz, niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, onderzoeken

 

9 lid 1 Bhvbz jo bijlage I Bhvbz

 

1.000

1.000

BM

074

   

door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I van Bhvbz niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, op de in de bijlage IV van Bhvbz aangegeven wijze, laten onderzoeken door een laboratorium dat voldoet aan de in artikel 10, eerste lid, Bhvbz gestelde eisen

  10 lid 1 Bhvbz  

2.000

2.000

BM

075

   

door de houder van een badinrichting de uitkomsten van een onderzoek als bedoeld in artikel 10 lid 1 Bhvbz, niet laten noteren in een aan hem uit te brengen rapport

 

10 lid 2 Bhvbz jo 10 lid 1 Bhvbz

 

1.000

1.000

BM

076

   

vloeren van badinrichtingen die bestemd zijn om met blote voeten te worden betreden, zijn niet zodanig aangelegd dat het afvloeien van schrobwater of regenwater in het bassin niet mogelijk is

  15 lid 1 onder c Bhvbz  

1.000

1.000

BM

077

   

diepte van het zwem- en badwater van een badinrichting is voor de zwemmers en baders niet duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar dit met het oog op hun veiligheid van belang is

  21 Bhvbz  

500

500

BM

078

   

in de badinrichting wordt gedurende de openstelling niet in voldoende mate toezicht uitgeoefend

  25 Bhvbz  

2.000

2.000

BM

668

   

het niet hebben van een volledig legionellabeheersplan

 

2b lid 4 jo. 2b lid 1 Bhvbz

 

1.500

1.500

BM

669

   

het niet hebben van een volledige legionellarisicoanalyse

 

2a lid 4 Bhvbz

 

1.500

1.500

BM

670

   

niet in kennis stellen van Gedeputeerde Staten van voornemen om een badinrichting op te richten en/of te wijzigen en/of uit te breiden

 

10 lid 1 Bhvbz

 

1.000

2.000

BM

671

   

het zwem- en badwater voldoet niet aan de normen die in de bij Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden behorende bijlage I zijn aangegeven

  3 lid 1 Bhvbz  

1.500

2.500

                   
       

Nummers BM 079 – BM 081 en BM 706: Ontgrondingenwet (Ogw)

         

BM

079

a

 

ontgronden zonder vergunning: als degene die ontgrondt

  3 Ogw  

1.000

3.000

BM

079

b

 

ontgronden zonder vergunning: als zakelijk gerechtigde of als gebruiker van enig onroerende zaak

 

3 Ogw

 

750

1.500

BM

080

   

niet melden van een van de vergunningplicht vrijgestelde ontgronding

  7 Ogw  

750

1.500

BM

081

   

starten met een ontgronding zonder machtiging verleend door bevoegd gezag na verstrijken termijn als bedoeld in artikel 3:16 Awb

  12 Ogw  

1.000

3.000

BM

706

   

handelen in strijd met een voorschrift van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Ontgrondingenwet

  3a Ogw  

750

2.000

                   
       

Nummers BM 082 – BM 089 en BM 590 – BM 593: Wet bodembescherming (WBB)

         

BM

082

a

 

niet melden van (voorschriften opgenomen in de beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): start sanering overeenkomstig vastgestelde termijn of voorafgaand aan de feitelijke sanering

 

39a WBB / Provinciale Milieu Verordening (PMV)

 

1.800

5.000

BM

082

b

 

niet melden van (voorschriften opgenomen in de beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): het bereiken van de einddiepte van een grondsanering vóór het aanbrengen van aanvulgrond of deklaag

 

39a WBB / Provinciale Milieu Verordening (PMV)

 

1.800

2.000

BM

083

   

door degene die voornemens is te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd en/of verplaatst overeenkomstig de regels gesteld krachtens het eerste lid van artikel 39 a, eerste lid WBB, dat voornemen niet vijf werkdagen voor de start van de bussanering melden aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie

 

39b lid3 WBB (jo 2.1 RUS)

 

1.500

3.000

BM

084

a

 

door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 0 t/m 5 m3

  13 WBB  

750

2.500

BM

084

b

 

door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 6 t/m 10 m3

 

13 WBB

 

1.500

5.000

BM

085

   

door degene die voornemens is de bodem te saneren, bij de melding daarvan bij Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie niet verstrekken van de juiste gegevens

  28 WBB  

1.000

2.000

BM

086

   

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, hebben van een depot langer dan de duur van de sanering of langer dan 6 maanden

 

39a WBB en 2.1. Wabo

 

1.000

1.500

BM

087

a

 

door degene die bouw- en sloopafval bewerkt met een mobiele puinbreker niet (tijdig) melden van dat bewerken aan burgemeester en wethouders

  4 lid 1 Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval  

1.000

2.500

BM

088

   

door degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan niet zo spoedig mogelijk een verslag indienen bij Gedeputeerde Staten of in dat verslag niet de vereiste gegevens verstrekken

  39c WBB  

1.500

5.000

BM

089

   

door degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, het nazorgplan niet tegelijk, dan wel niet zo spoedig mogelijk na de toezending van het saneringsverslag indienen

  39d WBB  

1.500

5.000

BM

590

   

niet melden van (voorschriften opgenomen in de beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): wijzigingen op het saneringsplan

 

39a Wbb/PMV

 

1.000

3.000

BM

591

   

niet melden van (voorschriften opgenomen in de beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): einde sanering

 

39a Wbb/PMV

 

1.000

1.000

BM

592

   

zonder milieukundige begeleiding uitvoeren van de sanering

 

39a Wbb/PMV

 

1.800

5.000

BM

593

   

niet melden bij het bevoegd gezag van het voornemen de bodem te saneren, dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst

  28 lid 1 Wbb  

2.000

8.000

                   
       

Nummers BM 090 – BM 104 en BM 594 – BM 595: Besluit uniforme saneringen (BUS) en Regeling uniforme saneringen (RUS)

         

BM

090

   

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afdoende afsluiten en/of omgeven van de saneringslocatie en/of depots met een hekwerk

 

2 lid 2 BUS (jo 2.2 lid 3 RUS)

 

1.500

1.500

BM

091

   

door de milieukundig begeleider van de sanering niet bijhouden van een logboek

 

2 lid 2 BUS (jo 2.3, derde lid RUS)

 

1.000

3.000

BM

092

   

door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet (tijdig) melden van wijzigingen o.b.v. het Besluit uniforme saneringen en de daarbij behorende Regeling uniforme saneringen

 

10 lid 1 en 2 bus en art. 1.4 lid 1 en 2 RUS

 

1.000

3.000

BM

093

   

door degene die de bodem saneert of door degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet deugdelijk afdekken van opgeslagen bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond en/of bodemvreemd materiaal

 

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

 

1.500

1.500

BM

094

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet deugdelijk afdekken van containers voor tijdelijke opslag van bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond en/of bodemvreemd materiaal

 

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

 

750

2.000

BM

095

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, tijdelijke depots met bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond of bodemvreemd materiaal na afronding van de grondsanering of langer dan 6 maanden in werking hebben

 

2 lid 2 BUS (jo 2.4 RUS) 8.1 Wm

 

1.000

3.000

BM

096

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, vrijgekomen asbesthoudende grond of bodemmateriaal niet uiterlijk binnen vier weken na het vrijkomen ervan afvoeren

 

2 lid 2 BUS (jo 2.5 RUS)

 

1.500

4.000

BM

097

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, de verontreinigingssituatie onder de isolatielaag niet beschrijven in het evaluatieverslag m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen

 

2 lid 2 BUS (jo 3.1.9 RUS)

 

1.800

5.000

BM

098

a

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen: t/m 10 m3

 

2 lid 2 en 3 BUS (jo 3.1.2 RUS, jo 3.2.2 onder b)

 

1.000

2.000

BM

098

b

 

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond m.b.t. kleinschalige immobiele verontreinigingen: van 11 m3 tot 40 m3

 

2 lid 2 en 3 BUS (jo 3.1.2 RUS, jo 3.2.2 onder b)

 

1.800

5.000

BM

099

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, langer dan 3 werkdagen opslaan van verontreinigde grond op de saneringslocatie ter bepaling van de afvoerbestemming m.b.t. kleinschalige mobiele verontreinigingen

 

2 lid 2 BUS (jo 3.2.7 RUS)

 

1.000

1.000

BM

100

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet melden van de datum waarop de einddiepte van de ontgraving zal worden bereikt uiterlijk één werkdag voorafgaande aan het bereiken van dat punt aan het bevoegd gezag gemeld m.b.t. kleinschalige mobiele verontreinigingen

 

2 lid 2 BUS (jo 3.2.6 RUS)

 

1.500

1.500

BM

101

   

door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert m.b.t. tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde grond de grond niet terugplaatsen in de ontgraving

 

2 lid 2 en en 3 en 7 BUS (jo 3.3.2 RUS)

 

1.500

1.500

BM

102

   

niet schriftelijk melden van de datum van voltooiing van de sanering binnen twee weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden aan het bevoegd gezag

 

11 BUS (jo 4.1 RUS)

 

1.000

1.000

BM

103

   

door degene die de landbodem of waterbodem heeft gesaneerd, niet na de uitvoering van de sanering daarvan binnen acht weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk verslag doen aan het bevoegd gezag of niet de juiste gegevens verstrekken in het verslag

  13 BUS  

1.500

3.000

BM

104

   

door degene die saneert, niet uiterlijk vijf werkdagen voorafgaande aan de aanvang van de sanering aan het bevoegd gezag schriftelijk de datum of het tijdstip van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden melden

 

39b lid3 Wbb, 2, lid 2 BUS jo 2.1 RUS

 

1.800

4.000

BM

594

   

het laten uitvoeren van de sanering door een persoon of instelling zonder erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit

 

2 lid 2 BUS jo 2.2 lid 1 RUS

 

2.000

8.000

BM

595

   

het laten uitvoeren van de werkzaamheden, zonder milieukundige begeleiding

 

2 lid 2 BUS jo 2.3 lid 1 RUS

 

1.800

5.000

                   
       

Nummers BM 105 – BM 112 en BM 541 – BM 542: Besluit bodemkwaliteit (Bbk)

         

BM

105

a

 

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald overeenkomstig de bij ministeriele regeling gestelde methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning

  28 lid 1 onder a Bbk  

1.500

8.000

BM

105

b

 

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: een bij ministeriele regeling aangewezen persoon of instelling op een bij ministeriele regeling voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet zijn overschreden

 

28 lid 1 onder b Bbk

 

1.500

8.000

BM

105

c

 

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: uit een milieuhygiënische verklaring blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b

 

28 lid 1 onder c Bbk

 

1.500

8.000

BM

105

d

 

vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij ministeriele regeling vastgestelde gegevens bevat

 

28 lid 1 onder d Bbk

 

1.000

2.000

BM

106

   

door degene die voornemens is een bouwstof toe te passen, dit voornemen niet ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden

  32 lid 1 Bbk  

1.500

3.000

BM

107

   

door degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30, dat voornemen niet ten minste vier weken voor het toepassen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden

 

32 lid 2 Bbk

 

1.800

8.000

BM

108

   

door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, niet overeenkomstig de bij ministeriele regeling bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, de kwaliteit van de grond of baggerspecie laten vaststellen

  38 lid 1 Bbk  

1.800

8.000

BM

109

   

geen milieuhygiënische verklaring aanwezig hebben bij een partij grond en/of baggerspecie

 

38 lid 2 Bbk

 

1.800

8.000

BM

110

   

de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond en/of baggerspecie wordt toegepast, niet laten vaststellen overeenkomstig de bij regeling van onze ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning

 

40 lid 1 jo 9 lid 1 Bbk

 

1.800

8.000

BM

111

   

niet aanwezig hebben van een milieuhygiënische verklaring waaruit de kwaliteit van de bodem blijkt

  40, lid 2 Bbk  

1.000

1.500

BM

112

a

 

door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van tevoren aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden < 250 m3

 

42 jo 35 Bbk

 

250

1.500

BM

112

b

 

door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van tevoren aan de Minister van Infrastructuur en Milieu melden > 250 m3

 

42 jo 35 Bbk

 

1.000

5.000

BM

541

   

een werkzaamheid uitvoeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument

  18 lid 1 Bbk  

1.000

5.000

BM

542

   

door degene die de bouwstoffen toepast niet bewaren van de bijbehorende milieuhygiënische verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn toegepast

  28 lid 3 Bbk  

500

1.000

                   
       

Nummers BM 119 – BM 123: Besluit detectie radioactief besmet schroot

         

BM

119

a

 

een inrichting drijven en niet onverwijld de ioniserende straling van het schroot dat binnen de inrichting wordt gebracht meten: meetapparatuur wel aanwezig

  3 Besluit detectie radioactief besmet schroot  

1.200

5.000

BM

120

   

een inrichting drijven zonder een register van de metingen, bedoeld in art. 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot, bij te houden

 

5 Besluit detectie radioactief besmet schroot jo 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

 

1.500

5.000

BM

121

   

metingen als bedoeld in artikel 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten

 

6 jo 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot

   

10.000

BM

122

   

de registratie van de gegevens als bedoeld in artikel 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten

 

6 jo 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot

   

10.000

BM

123

   

het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit verwijderen van radioactief besmet schroot

 

7/8/9 Besluit detectie radioactief besmet schroot

   

10.000

                   
       

Nummers BM 124 – BM 126 Besluit stralingsbescherming

         

BM

124

   

het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het afvoeren van afgedankte hoogactieve bron

  20d Besluit stralings-bescherming    

10.000

BM

125

a

 

voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de minister verstrekken van: informatie over volume van de bron en bronhouder en vaste afscherming

  20f Besluit stralingsbescherming  

1.800

5.000

BM

125

b

 

voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de Minister van EL&I verstrekken van: schriftelijk bewijs dat fin. zekerheid is gesteld

 

20f Besluit stralingsbescherming

 

1.000

2.500

BM

126

   

als ondernemer die handelingen als bedoeld in art. 120 van het Besluit stralingsbescherming verricht geen administratie bij houden van die handelingen

 

120 Besluit stralings-bescherming

 

1.500

5.000

                   
       

Nummers BM 127 – BM 135 en BM 515 – BM 526: Scheepsafvalstoffenbesluit (SAB)

         

BM

127

   

als schipper er geen zorg voor dragen dat bilgewater en overige olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen aan boord in de bilge van de machinekamer, onderscheidenlijk gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs, worden verzameld en bewaard

  11 SAB  

500

1.000

BM

128

   

als schipper voor de opslag van afgewerkte olie los aan dek staande verzamelreservoirs gebruiken

  12 lid 2 SAB  

500

1.000

BM

129

   

als schipper er niet zorg voor dragen dat een geldig olie-afgifteboekje aan boord aanwezig is

  14 lid 1 SAB  

250

750

BM

130

   

als schipper, na verkrijging van een nieuw olie-afgifteboekje, niet het voorgaande olie-afgifteboekje ten minste zes maanden na de datum van de laatste daarin opgenomen vermelding van een afgifte aan boord bewaren

 

14 lid 4 SAB

 

150

500

BM

131

a

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het schip bij het laden vrij van overslagresten of het verwijderen van overslagresten na het laden

 

33 jo 41 SAB

   

5.000

BM

131

b

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van droge lading van of uit het laadruim van een schip de in het laadruim achtergebleven restlading en/of verpakkings-en stuwingsmateriaal verwijderen en zoveel mogelijk toevoegen aan geloste lading

 

33 jo 42 SAB

   

5.000

BM

131

c

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van vloeibare lading uit een ladingtank van een schip met behulp van een leiding, aangesloten op het nalenssysteem van het schip, de restlading uit de ladingtank verwijderen, zodanig dat de losstandaard nagelensde ladingtank wordt bereikt

 

33 jo 43 SAB

   

5.000

BM

131

d

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: bij het lossen uit een laadruim of een ladingtank van een schip het laadruim of die ladingtank wassen en het afvalwater met ladingrestanten innemen

 

33 jo 45 SAB

   

7.500

BM

131

g

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: voorleggen van de losverklaring in drievoud aan de schipper dan wel, als het schip niet onder gezag van de schipper staat, aan de exploitant van het schip

 

33 jo 53, vierde lid SAB

   

1.000

BM

131

h

 

als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het bewaren van het ingevolge artikel 54 SAB ontvangen exemplaar van de losverklaring in de bedrijfsadministratie

 

33 SAB

   

1.000

BM

132

   

de schipper draagt er geen zorg voor dat de losverklaringen, ontvangen overeenkomstig art 53 SAB, het transport begeleiden

  56 SAB  

500

1.000

BM

133

   

als schipper met het schip na het laden de laadplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat de overslagresten zijn verwijderd

  55 lid 1 SAB  

750

1.500

BM

134

a

 

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: de overslagresten zijn verwijderd

 

55, lid 2, onderdeel a SAB

 

750

1.500

BM

134

b

 

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: alle geloste laadruimen zijn nagelost en/of ladingtanks nagelensd

 

55, lid 2, onderdeel a SAB

 

750

1.500

BM

134

c

 

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: voldaan is aan de wasverplichting indien die van toepassing is dan wel hem daartoe volgens de bepalingen uit art 47 SAB een voorziening is toegewezen

 

55, lid 2, onderdeel a SAB

 

750

1.500

BM

134

d

 

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: het afvalwater dat ladingresten bevat, is ingenomen, dan wel hem daartoe een ontvangstvoorziening is toegewezen, in een geval als bedoeld in artikel 45 SAB

 

55, lid 2, onderdeel a SAB

 

750

1.500

BM

135

   

als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder te voldoen aan de bepalingen ten aanzien van de losverklaring uit artikel 54 SAB

 

55, lid 2, onderdeel a SAB

 

500

1.000

BM

515

   

door de schipper niet onverwijld waarschuwen van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit, terwijl vanaf een schip scheepsafvalstoffen dan wel delen van de lading in een oppervlaktewaterlichaam zijn geraakt of dreigen te geraken

  6 SAB  

750

1.500

BM

516

   

aan boord van een schip verbranden van scheepsafvalstoffen

  7 SAB  

250

500

BM

517

   

reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer dan wel in het bilgewater doen geraken

  13 lid 1 SAB  

500

1.000

BM

518

   

door degene die een inrichting voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen drijft niet of niet juist invullen of ondertekenen van het olie-afgifteboekje

  17 SAB    

750

BM

519

   

door de schipper niet of niet juist invullen of ondertekenen van het olie-afgifteboekje

  18 SAB  

200

750

BM

520

   

als degene die feitelijk lost, met betrekking tot het lossen van een schip, niet bewaren in de bedrijfsadministratie van het ingevolge artikel 54, tweede lid, terug ontvangen exemplaar van de losverklaring

  57 SAB    

1.000

BM

521

   

als schipper, bij het afgeven van afvalwater dat ladingrestanten bevat aan een ontvangstvoorziening, niet in tweevoud de door hem ondertekende losverklaring voorleggen aan degene die de ontvangstvoorziening drijft of een door deze aangewezen persoon

  66 SAB  

500

1.000

BM

522

   

door degene die een inrichting voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen drijft, na ondertekening niet terugbezorgen van een exemplaar van de ondertekende losverklaring aan de schipper

  68, lid 1, SAB  

500

1.000

BM

523

   

als schipper niet gedurende zes maanden aan boord bewaren van de terugontvangen ondertekende losverklaring

 

68, lid 3, SAB

 

500

1.000

BM

524

   

als exploitant van het schip niet bewaren in de bedrijfsadministratie van de terugontvangen ondertekende losverklaring

 

68, lid 4, SAB

 

500

1.000

BM

525

   

als schipper er geen zorg voor dragen dat huisvuil, slops, zuiveringsslib en klein gevaarlijk afval aan boord naar categorie gescheiden worden gehouden en gescheiden worden aangeboden bij een ontvangstvoorziening

  73, lid 1 SAB  

250

500

BM

526

   

als exploitant van een passagiersschip, dat is uitgerust met een boordzuiveringsinstallatie voor afvalwater, niet aanbieden van het zuiveringsslib van die installatie bij een ontvangstvoorziening

  74 SAB  

1.500

3.000

                   
       

Nummers BM 136 – BM 165, BM 502, BM 503 en BM 560 – BM 569: Vuurwerkbesluit (Vwb)

         

BM

136

   

als ondernemer consumentenvuurwerk aan een particulier afleveren buiten de verkoopruimte

  2.3.4 Vwb  

650

650

BM

137

a

 

andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage I Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2

 

1.500

1.500

BM

137

b

 

andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage I Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2

   

6.000

BM

138

a

 

in de bewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3

 

1.500

1.500

BM

138

b

 

in de bewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3

   

6.000

BM

139

a

 

de deur van de (buffer)bewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4

 

1.500

1.500

BM

139

b

 

de deur van de (buffer)bewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4

   

6.000

BM

140

a

 

niet voldoen aan inrichting (buffer)bewaarplaats volgens voorschrift 3.6 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6

 

1.500

1.500

BM

140

b

 

niet voldoen aan inrichting (buffer)bewaarplaats volgens voorschrift 3.6 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6

   

6.000

BM

141

a

 

tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk meer dan 500 kg consumentenvuurwerk aanwezig hebben in de verkoopruimte: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

 

1.500

1.500

BM

141

b

 

tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk meer dan 500 kg consumentenvuurwerk aanwezig hebben in de verkoopruimte: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

   

6.000

BM

142

a

 

buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk anders dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk in de verkoopruimte aanwezig hebben: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

 

1.500

1.500

BM

142

b

 

buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk anders dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk in de verkoopruimte aanwezig hebben: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1

   

6.000

BM

146

a

 

het niet voldoen aan de constructie-eisen terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 2

 

1.800

2.000

BM

146

b

 

het niet voldoen aan de constructie-eisen terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 2

   

6.000

BM

148

a

 

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 5

 

1.800

2.000

BM

148

b

 

het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 5

   

6.000

BM

149

a

 

in gebruik nemen van een (buffer)bewaarplaats en een verkoopruimte zonder een, door een inspectie-instelling afgegeven inspectierapport, waaruit blijkt dat de brandbeveiligingsinstallatie voldoet aan het goedgekeurde uitgangspuntendocument: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 5.3

 

1.500

1.500

BM

149

b

 

in gebruik nemen van een (buffer)bewaarplaats en een verkoopruimte zonder een, door een inspectie-instelling afgegeven inspectierapport, waaruit blijkt dat de brandbeveiligingsinstallatie voldoet aan het goedgekeurde uitgangspuntendocument: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 5.3

   

6.000

BM

150

   

het niet registreren van hetgeen onder artikel 1.4.2 lid 1 onder a en b Vuurwerkbesluit staat genoemd, indien men vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vervaardigt, binnen het grondgebied van Nederland brengt of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft

 

1.4.2 lid 1 Vwb

   

6.500

BM

152

   

het niet ten minste 48 uur voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, een elektronische melding indienen bij het bevoegd gezag

  1.3.2 lid 1 Vwb    

4.000

BM

153

   

het niet ten minste 48 uur voorafgaand aan het ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk aan een groothandelaar of professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een ander, een elektronische melding indienen bij het bevoegd gezag

  1.4.1 lid 1 Vwb    

4.000

BM

156

   

vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel brengen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 1A.4.1, 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen

  1A.2.1 lid 3 Vwb    

7.500

BM

157

   

in strijd met artikel 1.2.5 Vuurwerkbesluit niet ononderbroken een vervoermiddel met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik beladen en/of daaruit lossen

 

1.2.5 lid 1 onder b Vwb

 

1.800

5.000

BM

159

a

 

er geen zorg voor dragen dat de burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, en het bestuur van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 van het Vuurwerkbesluit: opslag voor doorvoer

 

1.4.3 jo 1.1.4 Vwb

   

7.500

BM

159

b

 

er geen zorg voor dragen dat de burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, en het bestuur van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 van het Vuurwerkbesluit: opslag consumentenvuurwerk

 

1.4.3 jo 2.2.1 Vwb

 

1.500

2.500

BM

159

c

 

er geen zorg voor dragen dat de burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, en het bestuur van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 van het Vuurwerkbesluit: opslag professioneel vuurwerk eventueel met consumentenvuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

 

1.4.3 jo 3.2.1 Vwb

   

5.000

BM

159

d

 

er geen zorg voor dragen dat de burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, en het bestuur van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de actuele gegevens als bedoeld in artikel 1.4.3 van het Vuurwerkbesluit: opslag pyrotechnische artikelen voor theatergebruik eventueel met consumentenvuurwerk of professioneel vuurwerk

 

1.4.3 jo 3A.2.1 Vwb

   

5.000

BM

160

   

zonder daartoe verleende vergunning consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding verwijderen

  3B.1 lid 1 Vwb  

1.800

5.000

BM

162

   

ter dekking van de aansprakelijkheid, geen verzekering of anderszins financiële zekerheid van ten minste € 2.500.000 per gebeurtenis stellen bij de aanvraag en in stand houden tot het moment waarop de vergunning vervalt

  3B.2 lid 3 en 4 Vwb    

8.000

BM

163

   

geen melding doen aan het bevoegd gezag voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van ten hoogste 20 kg theatervuurwerk of ten hoogste 200 kg consumentenvuurwerk

  3B.4 lid 1 Vwb  

1.000

1.000

BM

164

   

niet ten minste 2 weken voordat de artikelen tot ontbranding worden gebracht een melding als bedoeld in art. 3b.4 lid 1 Vwb doen toekomen aan het bevoegd gezag

 

3B4 lid 4 Vwb

 

1.000

1.000

BM

165

   

niet voldoen aan hetgeen in artikel 3B.6 van het Vuurwerkbesluit m.b.t. het bijhouden van een register is opgenomen

  3B.6 Vwb  

1.800

4.000

BM

502

   

ander vuurwerk dan consumentenvuurwerk dat voldoet aan de wettelijk eisen hiervoor, aanprijzen of aanbevelen als consumentenvuurwerk

  1.2.6 lid 1a Vwb  

1.500

4.000

BM

503

a

 

gelijktijdig andere goederen en consumentenvuurwerk in de (buffer)bewaarplaats: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 jo bijlage 1 vs 3.1 Vwb

 

1.500

1.500

BM

503

b

 

gelijktijdig andere goederen en consumentenvuurwerk in de (buffer)bewaarplaats: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 jo bijlage 1 vs 3.1 Vwb

   

6.000

BM

560

   

in strijd met artikel 1.2.5 Vuurwerkbesluit het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden

 

1.2.5 lid 1 onder a. Vwb

 

1.800

5.000

BM

561

   

ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk aan een particulier buiten de vastgestelde data genoemd in artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit door degene die een inrichting drijft waar consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt: minder dan 25 kg

 

2.3.2 lid 1 Vwb

 

750

1.500

BM

562

   

ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk aan een particulier buiten de vastgestelde data genoemd in artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit door degene die een inrichting drijft waar consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt: 25 kg tot 50 kg

 

2.3.2 lid 1 Vwb

 

1.000

2.000

BM

563

   

per levering meer dan 25 kg consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking stellen binnen de vastgestelde data genoemd in artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit

  2.3.3 Vwb  

500

1.000

BM

564

   

verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan particulieren jonger dan 12 jaar: categorie 1 vuurwerk

  2.3.5 Vwb  

500

1.000

BM

565

   

verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan particulieren jonger dan 16 jaar: categorie 2 vuurwerk

 

2.3.5 Vwb

 

750

1.200

BM

566

   

verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan particulieren jonger dan 18 jaar: categorie 3 vuurwerk

 

2.3.5 Vwb

 

1.000

1.500

BM

567

a

 

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen buiten het bereik van de sprinklerinstallatie: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

 

1.500

1.500

BM

567

b

 

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen buiten het bereik van de sprinklerinstallatie: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

   

6.000

BM

568

a

 

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen binnen het bereik van de sprinklerinstallatie, maar niet buiten het bereik van het publiek: inrichtingen t/m 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

 

1.500

1.500

BM

568

b

 

het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen binnen het bereik van de sprinklerinstallatie, maar niet buiten het bereik van het publiek: inrichtingen vanaf 10.000 kg

 

2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2

   

6.000

BM

569

   

ander vuurwerk dan consumentenvuurwerk dat voldoet aan de wettelijk eisen hiervoor, aanprijzen of aanbevelen, wetend of vermoedend dat het voor een ander doel zal worden aangewend dan waarvoor het geschikt is

  1.2.6 lid 1b Vwb  

1.500

4.000

                   
       

Nummers BM 166 – BM 168: Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg)

         

BM

166

   

als houder van een vergunning of een bewijs van toestemming voor de overbrenging van explosieven, niet deze explosieven tot aan de plaats waar de overbrenging eindigt en/of bij het verlaten van het grondgebied van Nederland, doen vergezellen van deze vergunning of dit bewijs van toestemming

  14 Wecg  

1.000

5.000

BM

167

   

als degene voor wie de explosieven bestemd zijn en/of als onderneming uit de sector explosieven niet op verzoek van de autoriteit, die daarom verzoekt als bedoeld in artikel 16 Wet explosieven civiel gebruik, de gegevens die hem ter beschikking staan, zenden aan deze bevoegde autoriteit

 

16 Wecg

 

1.000

5.000

BM

168

   

geen registratie bijhouden die voldoet aan hetgeen in artikel 21 Wet explosieven voor civiel gebruik is gesteld

 

21 Wecg

 

1.000

5.000

                   
       

Nummers BM 332 en BM 700 – BM 702: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

         

BM

332

   

zonder een omgevingsvergunning oprichten, veranderen of veranderen van de werking, of in werking hebben van een inrichting

  2.1 lid 1 onder e Wabo  

1.500

3.000

BM

700

a

 

het kappen van 1–5 bomen voorzover daarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing vereist is

  2.2 lid 1 onder g Wabo  

500

1.000

BM

700

b

 

het kappen van bomen zonder provinciale of gemeentelijke verordening, een vergunning of ontheffing (meer dan 5)

 

2.2 lid 1 onder g Wabo

 

1.500

3.000

BM

701

   

zonder omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk

 

2.1 lid 1 onder a Wabo

 

2.000

5.000

BM

702

a

 

zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening een monument slopen, verstoren, verplaatsen of herstellen

 

2.2 lid 1 onder b Wabo

 

1.000

 

BM

702

b

 

zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale of gemeentelijke verordening een bouwwerk slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads-of dorpsgezicht

 

2.2 lid 1 onder c Wabo

   

5.000

                   
       

Nummers BM 170 – BM 172: Wet milieubeheer

         

BM

170

   

niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting

  17.2, 1e lid Wm  

1.500

5.500

BM

171

   

niet (tijdig) verstrekken van voorgeschreven gegevens met betrekking tot een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting

 

17.2, 2e lid jo 1e lid Wm

 

1.500

3.000

BM

172

   

niet zo spoedig mogelijk (binnen 48 uur) melden van een gebeurtenis m.b.t. een afvalvoorziening, niet zijnde een BRZO-inrichting

  17.5a, 1e lid WM  

1.000

3.000

                   
       

Nummers BM 174 – BM 220, BM 329 – BM 330, BM 596 – BM 611, BM 657 – BM 666 en BM 690 – BM694: Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm)

         

BM

657

   

bovengrondse tank is niet voorzien van een geldig normdocument (tank-installatiecertificaat KIWA)

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

750

1.500

BM

658

   

niet binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting en/of de IPPC-installatie en/of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank indienen van een rapport van bodemonderzoek

  2.11 lid 3 Abm  

1.500

3.000

BM

659

   

kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde niet voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlakte

  3.56 Abm  

1.200

2.500

BM

660

   

kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde niet voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlakte

 

3.56 Abm

 

2.000

5.000

BM

661

   

bij toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang bovenzijde van de kas niet zodanig afschermen dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlakte

  3.57 Abm    

2.500

BM

662

   

bij toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang bovenzijde van de kas niet zodanig afschermen dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlakte

 

3.57 Abm

   

5.000

BM

663

   

tijdens donkerteperiode toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlakte

  3.58 Abm  

1.200

2.500

BM

664

   

tijdens donkerteperiode toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlakte

 

3.58 Abm

 

2.000

5.000

BM

665

   

bij toepassen assimilatiebelichting vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang gevel niet zodanig afschermen dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn: 50 meter of minder gevel niet in orde

  3.59 Abm  

500

1.000

BM

666

   

bij toepassen assimilatiebelichting vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang gevel niet zodanig afschermen dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn: meer dan 50 meter gevel niet in orde

 

3.59 Abm

 

1.200

2.500

BM

174

a

 

verbranden van afvalstoffen in een inrichting: < 5 m3

  2.14a lid 1 Abm  

750

1.500

BM

174

b

 

verbranden van afvalstoffen in een inrichting: 5 – 10 m3

 

2.14a lid 1 Abm

 

1.500

3.000

BM

175

   

niet binnen 8 weken na beëindiging van de inrichting de daarin aanwezige afvalstoffen uit de inrichting afvoeren

 

2.14a 7e lid Abm

 

1.100

5.500

BM

176

   

niet aanwezig hebben van een actuele beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van ontvangen afvalstoffen, i.v.m. doelmatig beheer van de op- en/of overgeslagen en/of te verwerken afvalstoffen binnen de inrichting

  2.14b 1e lid Abm  

1.500

1.500

BM

178

   

niet aanwezig hebben van een bedrijfsnoodplan of aantoonbaar veiligheidsbeheerssysteem voor inrichtingen waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en/of C in werking zijn

  3.12 lid 1 Abm  

1.100

2.200

BM

179

   

ontbreken van de in artikel 3.12, tweede lid, Abm voorgeschreven informatie in het bedrijfsnoodplan, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Abm

 

3.12 2e lid Abm

 

550

1.100

BM

180

   

niet aan bevoegd gezag toesturen van een bedrijfsnoodplan, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Abm, of wijzigingen daarvan

 

3.12 3e lid Abm

 

550

1.100

BM

181

   

bedienend personeel geen toegang bieden tot de documenten, bedoeld in artikel 3.12, vijfde lid, Abm

 

3.12 5e lid Abm

 

1.100

2.200

BM

182

   

niet ten minste eenmaal per kalenderjaar laten beoordelen van een windturbine op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op dat gebied

  3.14 1e lid Abm  

1.100

2.200

BM

183

   

niet onverwijld opheffen van afwijkingen geconstateerd tijdens de uitvoering van de in artikel 3.20, vijfde lid, bedoelde controle van een systeem voor dampretour Stage-II

 

3.20 lid 7 Abm

 

1.500

2.200

BM

184

   

de resultaten van de metingen en/of herkeuring en/of controle, bedoeld in artikel 3.20, Abm worden niet ten minste drie jaar opgenomen in een installatieboek

  3.22 1e lid jo 3e lid Abm  

550

550

BM

185

   

ontbreken in het installatieboek van een plattegrond op een schaal van ten minste één op tweehonderdvijftig aanduidende uit- en inwendige samenstelling van de inrichting en toebehoren en/of alle bewijzen van gecertificeerde en/of geaccrediteerde aanleg en inspectie uit te voeren op grond van het Abm

 

3.22 2e lid Abm

 

550

550

BM

186

   

niet ten minste eenmaal per kalenderjaar keuren van een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel op veilig functioneren

  3.16d lid 2 Abm  

1.500

2.200

BM

188

a

 

controle van een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel niet laten verrichten door degene die het onderhoud uitvoert en/of niet over een vakbekwaamheidscertificaat beschikt

 

3.15d lid 3 jo lid 2 Abm

 

1.500

2.200

BM

192

   

binnen een inrichting in de buitenlucht hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen m.b.v. een nevelspuit coaten of lijmen dan wel m.b.v. een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten

  4.22 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

193

   

binnen een inrichting in de buitenlucht rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten m.b.v. een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel m.b.v. een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten

  4.28 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

194

   

binnen een inrichting in de buitenlucht verspanende en/of thermische bewerkingen en/of mechanische eindafwerking van metalen uitvoeren

  4.32 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

195

   

binnen een inrichting in de buitenlucht laswerkzaamheden verrichten

  4.39 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

196

   

binnen een inrichting in de buitenlucht straalwerkzaamheden verrichten

  4.49 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

197

   

binnen een inrichting in de buitenlucht anorganische deklagen op metalen aanbrengen

  4.57 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

198

   

binnen een inrichting in de buitenlucht steen mechanisch bewerken

  4.74aa 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

199

   

binnen een inrichting in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit vluchtige organische stoffen houdende lijmen, harsen of coating aanbrengen op steen

  4.74e 1e lid Abm  

1.800

2.500

BM

200

   

niet aanhouden van een afstand van ten minste 20 meter tussen een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie alsmede het vulpunt voor het afleveren van lichte olie aan vaartuigen en buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten

  4.77 2e lid Abm  

550

2.200

BM

596

   

het niet indienen van een akoestisch rapport bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Abm

  1.11 Abm  

1.500

3.000

BM

597

   

de binnen de inrichting aanwezige als bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer of verharding of geomembraanbaksysteem niet (tijdig) laten beoordelen door een instelling die beschikt over een erkenning

 

2.9 Abm jo 2.1 Arm

 

1.000

2.000

BM

598

   

het verrichten van bodembedreigende activiteiten zonder dat sprake is afdoende bodembeschermende voorzieningen

 

2.9 Abm jo 2.4 Arm

 

1.000

2.000

BM

599

   

niet tenminste eenmaal per jaar bemonsteren grondwaterpeilbuizen

 

2.10 lid 1 Abm jo 2.2 lid 4 Arm

 

1.000

2.000

BM

600

   

ten behoeve van een verwaarloosbaar bodemrisico de kathodische bescherming niet ten minste eens per jaar op goede werking controleren

 

2.10 lid 2 jo 3.36 lid 1 Arm

 

1.000

2.000

BM

601

   

het niet binnen 3 maanden na oprichting van de inrichting indienen van een bodemonderzoek

 

2.11 lid 1 Abm

 

1.000

2.000

BM

602

   

het niet eenmaal per twee jaar op goede werking controleren van het temperatuurgevoelige element van een vaste afleverinstallatie van vloeibare brandstoffen

 

3.19 Abm jo 3.21 lid 2 Arm

 

1.000

2.000

BM

603

   

niet binnen tien werkdagen na ontvangst van een autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig stoffen/preparaten/producten aftappen of demonteren

 

3.26a Abm jo 3.27d lid 2 Arm

 

750

1.500

BM

604

   

de binnen de inrichting aanwezige ondergrondse tank niet tijdig keuren/herkeuren

 

3.30 Abm jo 3.35 lid 2 Arm

 

1.800

2.500

BM

605

   

het binnen de inrichting meer dan 1 keer per week wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen boven een niet vloeistofdichte vloer of verharding

 

3.23b Abm jo 3.27 lid 1 Arm

 

1.000

2.000

BM

606

   

de binnen de inrichting aanwezige opslagtank bestemd voor de opslag van halfzware olie, polyesterhars of stoffen van klasse 8 van het ADR, verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar niet uitvoeren, installeren, repareren, vervangen of beoordelen overeenkomstig de aangewezen BRL of door een bedrijf dat op grond van die BRL is gecertificeerd

 

4.6 Abm jo art. 4.15 lid 1 Arm

 

1.000

2.000

BM

607

   

niet ten minste eenmaal per jaar op goede werking controleren van een EU-systeem voor dampretour stage II

  3.20 lid 5 Abm  

1.000

2.000

BM

608

   

niet ten minste eenmaal per drie jaar op goede werking controleren van een EU-systeem voor dampretour stage II bij aanwezigheid automatisch bewakingssysteem

 

3.20 lid 13 Abm

 

1.000

2.000

BM

609

   

een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstof wordt opgeslagen niet jaarlijks controleren op de aanwezigheid van water en bezinksel

 

3.30 Abm jo 3.36 lid 5 Arm

 

1.000

2.000

BM

610

   

een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstof wordt opgeslagen en die is voorzien van een inwendige coating overeenkomstig de aangewezen BRL en is aangebracht door een gecertificeerd bedrijf niet ten minste eenmaal per drie jaar controleren op de aanwezigheid van water en bezinksel

 

3.30 Abm jo 3.36 lid 7 Arm

 

1.000

2.000

BM

611

   

niet zo vaak als nodig, binnen een straal van 25 meter van de inrichting, etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd verwijderen

  2.13 Abm  

750

1.500

BM

204

   

aanwezig hebben van meer dan 4 autowrakken in een inrichting voor onderhoud en/of reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autodemontagebedrijf of een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie

  4.84 1e lid Abm  

1.100

1.100

BM

205

   

anders dan bij een demontagebedrijf verwijderen en/of nuttig toepassen van een autowrak en/of de daarin aanwezige materialen of onderdelen, tenzij sprake is van de uitzondering vermeld in artikel 4.84, derde lid, Abm

 

4.84 lid 3 Abm

 

1.100

1.100

BM

206

   

in een inrichting in de buitenlucht proefdraaien van verbrandingsmotoren

 

4.84 lid 4 Abm

 

550

550

BM

207

   

binnen een inrichting voor de eindreiniging van zeefdrukramen niet uitsluitend reinigingsmiddelen met een vlampunt groter dan 55 °C of op waterbasis gebruiken

  4.90 Abm  

1.100

1.100

BM

213

   

als drijver van de inrichting niet bewaren van het laatste keurings- en/of onderhoudsrapport met betrekking tot een machine bestemd voor het reinigen met een koolwaterstof, waaruit mede blijkt wie en wanneer de keuring of het onderhoud heeft en/of is verricht

  4.101 3e lid Abm  

550

550

BM

216

   

bij een jachthaven, die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, niet na overleg met betrokken partijen eens in de drie jaar een passend plan vaststellen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen

  3.26j 3e lid Abm  

500

500

BM

217

   

door degene die een jachthaven drijft, niet eens in de drie jaar een plan als bedoeld in artikel 3.26j Abm aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voorleggen

 

3.26j 3e lid Abm

 

500

500

BM

218

   

in een inrichting niet inpandig slachten van dieren en/of bewerken van dierlijke bijproducten

  3.134 lid 1 Abm  

1.000

1.500

BM

219

   

in een inrichting niet uitschakelen van de verlichting in de buitenlucht tussen 2300 uur en 0700 uur en/of als er geen sport beoefend wordt en/of als er geen onderhoud plaatsvindt

  3.148 1e lid Abm  

500

1.000

BM

220

   

in of vanuit een inrichting lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool

  3.150 2e lid Abm  

750

3.000

BM

329

   

bij het drijven van een inrichting het maximaal toegestane geluidsniveau niet in acht nemen (overschrijding: min. 10 dB(A), max. 21 dB(A))

  2.17 Abm  

1.500

3.000

BM

330

   

bij het drijven van een inrichting het maximaal toegestane geluidsniveau niet in acht nemen (overschrijding: 22 dB(A) of meer)

 

2.17 Abm

 

1.800

4.000

BM

690

   

de in de maatwerkvoorschriften vastgestelde technische voorzieningen niet hebben aangebracht en/of vastgestelde gedragsregels niet in acht hebben genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen

  2.20 lid 5 Abm  

1.500

3.000

BM

691

   

geen saneringsbewijs afvoer bovengrondse tank

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 4 Arm jo vs 3.6.1 PGS30

 

750

1.500

BM

692

   

geen schoonmaakbewijs bovengrondse tank

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 4 Arm jo vs 3.6.4 PGS30

 

750

1.500

       

een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor het opslaan van gasolie:

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

     

BM

693

a

 

is niet uitgevoerd door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

BM

693

b

 

is niet geïnstalleerd door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

BM

693

c

 

wordt niet gerepareerd door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

BM

693

d

 

wordt niet vervangen door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

BM

693

e

 

wordt niet beoordeeld door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

BM

693

f

 

wordt niet gecontroleerd overeenkomstig BRL K903 door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 1 Arm

 

1.500

3.000

       

bij bovengrondse opslagtank niet jaarlijks laten controleren:

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 8 Arm

     

BM

694

a

 

van de kathodische bescherming van ondergrondse leidingen

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 8 Arm

 

500

1.000

BM

694

b

 

van de lekdetectie van een dubbelwandige opslagtank en de dubbelwandige leidingen

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 8 Arm

 

500

1.000

BM

694

c

 

van de aarding en de potentiaalvereffening van de vul- en dampretourleiding indien in de bovengrondse opslagtank vloeistoffen van PGS-klasse 1 en 2 zijn opgeslagen

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 8 Arm

 

500

1.000

BM

694

d

 

op aanwezigheid van water in stalen bovengrondse opslagtank

 

3.54d Abm jo 3.71d lid 8 Arm

 

500

1.000

                   
       

Nummers BM 225 –- BM 229: Waterwet (Wtw)

         

BM

224

   

zonder vergunning stoffen in een oppervlaktewaterlichaam brengen

  6.2 Wtw  

1.000

2.000

BM

225

   

zonder vergunning van Gedeputeerde Staten grondwater onttrekken of water infiltreren zonder vergunning als bedoeld in artikel 6.4 Waterwet (max. 50 m³/u)

 

6.4 Wtw

 

1.800

5.000

BM

226

   

door degene die handelingen verricht als bedoeld in artikel 6.8 Waterwet, een daardoor veroorzaakte verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam niet zo spoedig mogelijk melden aan de beheerder

  6.9, lid 1 Wtw  

1.500

3.000

BM

227

a

 

met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: met motorvoertuig

  6.10 Wtw  

250

250

BM

227

b

 

met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: zonder motorvoertuig

 

6.10 Wtw

 

150

150

BM

227

c

 

het zich als persoon bevinden op een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, terwijl op een voor het publiek duidelijke wijze is aangegeven dat dit verboden is

 

6.10 Wtw

 

150

 

BM

228

a

 

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 1 t/m 10% overschrijding

  6.20, lid 3 Wtw  

200

750

BM

228

b

 

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 11 t/m 20% overschrijding

 

6.20, lid 3 Wtw

 

400

1.500

BM

228

c

 

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 21 t/m 30% overschrijding

 

6.20, lid 3 Wtw

 

600

2.200

BM

228

d

 

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 31 t/m 40% overschrijding

 

6.20, lid 3 Wtw

 

800

3.000

BM

228

e

 

brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften 41 t/m 50% overschrijding

 

6.20, lid 3 Wtw

 

1.000

4.000

BM

229

a

 

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet melden van een calamiteit met relatief beperkte gevolgen voor het oppervlaktewaterlichaam

 

6.20 lid 3 Wtw

 

1.000

2.500

BM

229

b

 

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet voldoen aan administratieve verplichtingen

 

6.20 lid 3 Wtw

 

750

1.500

BM

229

c

 

handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet treffen van voorgeschreven voorzieningen

 

6.20 lid 3 Wtw

 

1.000

2.500

                   
       

Nummers BM 230 – BM 233 en BM 540: Waterbesluit (Wtb)

         

BM

230

   

niet melden bij het bevoegd gezag van een grondwateronttrekking of infiltratie van water, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 Waterwet of een verordening van het waterschap

  6.11, lid 1 Wtb  

500

1.500

BM

231

   

niet voldoen aan de meetplicht ten aanzien van de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water

 

6.11, lid 2 Wtb

 

500

1.500

BM

232

   

niet voldoen aan de verplichting tot het meten van de kwaliteit van geïnfiltreerd water overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels

 

6.11, lid 3 Wtb

 

500

1.500

BM

233

   

niet binnen de hiervoor gestelde termijn opgave doen aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water of de kwaliteit van het geïnfiltreerde water

 

6.11, lid 4 Wtb

 

500

500

       

zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet gebruikmaken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

 

6.12 Wtb jo 6.5 Wtw

     

BM

540

a

 

- werken te maken of te behouden

     

1.000

5.000

BM

540

b

 

- vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen

     

1.000

5.000

                   
       

Nummers BM 234 – BM 235: Waterregeling (Wtr)

         

BM

234

   

niet ten minste vier weken voor de uitvoering van een werk of een activiteit waarvoor krachtens artikel 6.12 of 6.13 Waterbesluit geen vergunning is vereist, dit schriftelijk melden aan de Minister van I & M

  6.14 lid 1 Wtr  

500

1.500

BM

235

a

 

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en/of bemonsteringsvoorzieningen: in goede staat verkeren

  7.6 Wtr  

500

1.000

BM

235

b

 

niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en/of bemonsteringsvoorzieningen: overeenkomstig de voorschriften van de leverancier zijn geïnstalleerd en/of onderhouden

 

7.6 Wtr

 

500

1.000

                   
       

Nummers BM 236 – BM 239: Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah)

         

BM

236

   

lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, terwijl de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk waarop aansluiting kan plaatsvinden, 40 meter of minder bedraagt

  10 Blah  

750

1.000

BM

238

   

huishoudelijk afvalwater niet voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam door een zuiveringsvoorziening geleiden

  11 Blah  

500

750

BM

239

   

degene die voornemens is huishoudelijk afvalwater vanuit een particulier huishouden op en/of in de bodem en/of in een oppervlaktewaterlichaam te lozen, heeft dit voornemen niet ten minste zes weken voorafgaand aan het plaatsen van een zuiveringsvoorziening gemeld aan het bevoegd gezag

  13 Blah  

750

1.500

                   
       

Nummers BM 240 – BM 255: Drinkwaterbesluit (Dwb)

         

BM

240

   

niet uitvoeren van een meetprogramma dat voldoet aan de in bijlage 3 van de Drinkwaterregeling opgenomen tabellen

 

14 (via 31) Dwb jo. 10 Dwr

 

1.000

3.000

BM

241

   

niet terstond en volledig informeren van de door onze minister als zodanig aangewezen toezichthouder dat drinkwater niet voldoet aan artikel 21 lid 1 Drinkwaterwet of aan een in tabel I of II van bijlage A van het Drinkwaterbesluit gestelde eis, alsmede over het onderzoek en de te nemen herstelmaatregelen, bedoeld in artikel 22 Drinkwaterbesluit

 

23 jo 31 lid 1 Dwb

 

1.000

3.000

BM

242

   

eigenaar van een collectieve watervoorziening heeft niet of onvoldoende een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren overeenkomstig de hiervoor gestelde regels

 

37 lid 1 Dwb jo 5 Regeling legionellapreventie

 

1.000

3.000

BM

243

   

eigenaar van een collectief leidingnet heeft niet of onvoldoende een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren overeenkomstig de hiervoor gestelde regels

 

37 lid 2 Dwb jo 5 Regeling legionellapreventie

 

1.000

3.000

BM

244

   

legionella-risicoanalyse, bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel 37 Drinkwaterbesluit, laten uitvoeren door een niet daarvoor op basis van BRL 6010 gecertificeerd bedrijf, indien opgesteld na 1 juli 2011

 

37 lid 3 Dwb

 

500

1.500

BM

245

   

niet binnen drie maanden na iedere voor het in artikel 37, eerste of tweede lid, Drinkwaterbesluit bedoelde risico relevante wijziging van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, of het gebruik daarvan, dan wel een wijziging van factoren die invloed kunnen hebben op dat risico, opnieuw uitvoeren van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37 eerste lid of tweede lid Drinkwaterbesluit

 

37 lid 4 Dwb

 

500

1.500

BM

246

   

niet door een daarvoor overeenkomstig BRL 6010 gecertificeerd bedrijf op basis van de legionella-risicoanalyse laten opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan met betrekking tot de inrichting en het beheer van een collectieve watervoorziening, of collectief leidingnet, indien uit een legionella-risicoanalyse als bedoeld in artikel 37, eerste, tweede of vierde lid, Drinkwaterbesluit is gebleken dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan artikel 27 of artikel 36, eerste lid, Drinkwaterbesluit

  38 lid 1 Dwb  

500

1.500

BM

247

   

niet binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de in artikel 37, vierde lid, Drinkwaterbesluit bedoelde legionella-risicoanalyse opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan, indien de legionella-risicoanalyse daartoe aanleiding geeft

 

38 lid 2 Dwb

 

500

1.500

BM

248

   

niet uitvoeren van maatregelen en controles overeenkomstig het legionellabeheersplan

  40 lid 1 Dwb  

1.000

3.000

BM

249

   

niet in een logboek aantekening houden van de krachtens hoofdstuk 4 Drinkwaterbesluit uitgevoerde maatregelen, controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan, of gedurende drie jaar bewaren van deze gegevens

 

40 lid 2 Dwb

 

750

2.500

BM

250

   

niet terstond en volledig informeren van de door onze minister als zodanig aangewezen inspecteur dat het drinkwater, bedoeld in artikel 36 lid 1 Dwb meer dan 1.000 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat

  41 lid 3 Dwb  

1.000

3.000

BM

251

   

niet op de voorgeschreven wijze het drinkwater onderzoeken, ter uitvoering van hoofdstuk 4 van het Drinkwaterbesluit en de daarop berustende bepalingen, op de aanwezigheid van legionellabacteriën

 

42 Dwb jo 6 en 7 van de Regeling legionellapreventie

 

750

2.500

BM

252

a

 

bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: het drinkwater niet onderzoeken op de aanwezigheid van legionellabacteriën of bij de uitvoering van het onderzoek het niet in acht nemen van het vereiste aantal meetpunten

 

43 lid 1 Dwb of 43 lid 3 jo. 8 Regeling legionellapreventie

 

750

2.500

BM

252

b

 

bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: het drinkwater daarna niet ten minste om de zes maanden onderzoeken (van toepassing op alle collectieve installaties behoudens situatie c) of bij de uitvoering van het onderzoek het niet in acht nemen van het vereiste aantal meetpunten

 

43 lid 1 Dwb of 43 lid 3 jo. 8 Regeling legionellapreventie

 

750

2.500

BM

253

   

het drinkwater niet ten minste eenmaal per jaar onderzoeken indien de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet maximaal zeven maanden per jaar in gebruik is

 

43 lid 2 Dwb

 

750

2.500

BM

254

   

het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-1 bij de toepassing van fysisch of fotochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet

  44 lid 4 Dwb  

750

2.500

BM

255

   

het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-2 bij de toepassing van elektrochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet

 

44 lid 5 Dwb

 

750

2.500

                   
       

Nummers BM 256 – BM 259, BM 322 – BM 336 en BM 544 – BM 555: Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi)

         

BM

256

   

door degene die voornemens is te lozen niet ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag

  1.10 lid 1 Blbi  

750

1.500

BM

256

a

 

door degene die voornemens is een lozing te veranderen niet ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag

 

1.10 lid 2 Blbi

 

500

1.000

BM

257

   

door degene die voornemens is te lozen vanuit een bodemsanering dit lozen niet ten minste vijf werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag (in geval BUS-sanering)

  1.11 Blbi  

750

1.500

BM

258

   

bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten niet of onvoldoende treffen van bij ministeriële regeling aangegeven maatregelen om het in dat oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken

  3.10 lid 2 jo lid 1 Blbi  

1.000

2.000

BM

259

   

niet in een werkplan beschrijven van de maatregelen die worden getroffen om het lozen in een oppervlaktelichaam ten gevolge van sloop-, renovatie-, of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten te voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken

  3.11lid 1 jo lid 3 Blbi  

500

1.500

BM

322

   

lozen van grondwater in een vuilwaterriool vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming

  3.1, lid 1 jo lid 5 Blbi  

1.500

3.000

BM

323

   

lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming, terwijl dit grondwater niet op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd

 

3.1 lid 1 jo lid 5 Blbi

 

750

2.000

BM

333

   

als degene die loost niet zo spoedig mogelijk melden aan het bevoegd gezag wanneer zich met betrekking tot het lozen een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het milieu zijn ontstaan

  1.20 Blbi  

1.500

3.000

BM

334

   

lozen in een oppervlaktewaterlichaam van toiletwater vanaf een pleziervaartuig, terwijl dit toiletwater niet voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening is geleid die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen

  3.9 lid 1 Blbi  

500

2.000

BM

335

   

bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam waarbij de kwaliteit van de te baggeren of ontgraven waterbodem een bij ministeriële regeling te bepalen interventiewaarde overschrijdt, de werkzaamheden niet uitvoeren overeenkomstig een werkplan, waarin maatregelen zijn beschreven waarmee het lozen zo veel als redelijkerwijs mogelijk wordt beperkt

  3.17 lid 2 Blbi  

1.500

4.000

BM

336

   

lozen in zoet oppervlaktewater vanaf een niet varend vaartuig van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van door dat vaartuig vervoerd zeezand

  3.20 lid 3 Blbi  

750

1.500

BM

544

   

door degene die voornemens is langer dan 48 uur doch ten hoogste 8 weken grondwater te lozen bij ontwatering, dit lozen niet ten minste 5 werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag

  1.12 lid 2 Blbi  

750

1.500

BM

545

   

door degene die voornemens is te lozen niet ten minste zes maanden voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag, in geval van aanleg van wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken

  1.13 lid 1 Blbi  

500

1.000

BM

546

   

door degene die voornemens is het lozen te veranderen niet ten minste zes maanden voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag, in geval van reconstructie of ingrijpende wijziging van wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken

 

1.13 lid 2 Blbi

 

750

1.500

BM

547

   

bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt

  3.1 lid 2 Blbi  

750

1.500

BM

548

   

bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt

 

3.1 lid 3 Blbi

 

750

1.500

BM

549

   

lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer dan 50 milligram per liter bedraagt of als gevolg van het lozen visuele verontreiniging optreedt

  3.2 lid 3 Blbi  

250

.500

BM

550

   

lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen, zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag, wordt overschreden

 

3.2 lid 4 Blbi

 

250

.500

BM

551

   

het te lozen grondwater bij ontwatering kan niet op een doelmatige wijze worden bemonsterd

 

3.2 lid 9 Blbi

 

750

2.000

BM

552

   

bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam overschrijden van de toegestane waarden

  3.6 lid 5 Blbi  

250

500

BM

553

   

op- of overslaan van goederen in de buitenlucht zonder dat maatregelen zijn genomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken

  3.13 lid 4 Blbi  

500

750

BM

554

   

lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen, waarbij het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer bedraagt dan 300 milligram per liter

 

3.13 lid 7 Blbi

 

250

500

BM

555

   

het te lozen afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, kan niet worden bemonsterd

 

3.13 lid 11 Blbi

 

250

500

                   
       

Nummers BM 556 – BM 558: Regeling lozen buiten inrichtingen (Rlbi)

         

BM

556

   

opslag van goederen op een laad- of loskade binnen twee meter uit de kaderand of oever

 

2.17 Rlbi jo. 3.13 lid 4 Blbi

 

500

750

BM

557

   

opslag van goederen op een laad- of loskade, terwijl product tussen de keerwand en de kade of oever ligt

 

2.17 Rlbi jo. 3.13 lid 4 Blbi

 

500

750

BM

558

   

bij het laden en lossen van schepen met inerte goederen, het schoonmaken van de grijpers zodanig uitvoeren dat overslagresten of spoelwater in een oppervlaktewaterlichaam geraken

  2.18 lid 2 Rlbi  

250

500

                   
       

Nummer BM 684: Wet Natuurbescherming (Wnb)

         

BM

684

   

niet melden bij bevoegd gezag van een project of handeling die leidt tot stikstofdepositie, op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2.000-gebied, die hoger is dan 0,05 mol en minder dan 1 mol per hectare per jaar

 

2.9 lid 8 Wnb jo 2.7 Rnb

 

750

1.500

                   
       

Nummers BM 260 – BM 269, BM 273 – BM 277, BM 331 en BM 570: Wet Natuurbescherming (Wnb) bescherming soorten

         

BM

260

a

 

opzettelijk plukken en/of verzamelen en/of afsnijden en/of ontwortelen en/of vernielen van planten van soorten van Europees belang

  3.5 lid 5 Wnb  

750

1.000

BM

260

b

 

opzettelijk plukken en/of verzamelen en/of afsnijden en/of ontwortelen en/of vernielen van vaatplanten van overige soorten

  3.10 lid 1 onder c Wnb  

400

800

BM

261

a

 

opzettelijk doden en/of vangen van vogels (1–4 exemplaren)

  3.1 lid 1 Wnb  

500

1.000

BM

261

b

 

opzettelijk doden en/of vangen van vogels (4–10 exemplaren)

 

3.1 lid 1 Wnb

 

1.000

2.000

BM

261

c

 

opzettelijk doden en/of vangen van dieren van soorten van Europees belang

 

3.5 lid 1 Wnb

 

750

1.500

BM

261

d

 

opzettelijk doden en/of vangen van dieren van overige soorten

 

3.10 lid 1 onder a Wnb

 

500

1.000

BM

262

a

 

opzettelijk storen van vogels

 

3.1 lid 4 Wnb

 

500

1.000

BM

262

b

 

opzettelijk verstoren van dieren van soorten van Europees belang

 

3.5 lid 2 Wnb

 

500

1.000

BM

263

a

 

opzettelijk nesten en/of rustplaatsen van vogels vernielen en/of beschadigen (max. 3)

 

3.1 lid 2 Wnb

 

750

1.500

BM

263

b

 

opzettelijk nesten van vogels weg nemen (max. 3 stuks)

 

3.1 lid 2 Wnb

 

750

1.500

BM

263

c

 

beschadigen en/of vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van dieren van soorten van Europees belang (max. 3 stuks)

 

3.5 lid 4 Wnb

 

750

1.500

BM

263

d

 

opzettelijk beschadigen en/of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van dieren van overige soorten (max. 3)

 

3.10 lid 1 sub b Wnb

 

400

800

BM

264

a

 

opzettelijk vernielen en/of beschadigen van eieren van vogels

 

3.1 lid 2 Wnb

 

750

1.500

BM

264

b

 

rapen en/of onder zich hebben van eieren van vogels

 

3.1 lid 3 Wnb

 

500

500

BM

264

c

 

opzettelijk vernielen en/of rapen van eieren van dieren van soorten van Europees belang

 

3.5 lid 3 Wnb

 

750

1.500

BM

265

a

 

onder zich hebben voor verkoop en/of vervoeren voor verkoop en/of verhandelen en/of ruilen en/of te koop en/of te ruil aanbieden van planten van soorten van Europees belang (1–5 stuks)

  3.6 lid 1 Wnb  

500

1.000

BM

265

b

 

onder zich hebben voor verkoop en/of vervoeren voor verkoop en/of verhandelen en/of ruilen en/of te koop en/of te ruil aanbieden van planten van soorten van Europees belang (6–10 stuks)

 

3.6 lid 1 Wnb

 

1.200

3.000

BM

265

c

 

onder zich hebben voor verkoop en/of vervoeren voor verkoop en/of verhandelen en/of ruilen en/of te koop en/of te ruil aanbieden van dieren van soorten van Europees belang (1–5 stuks)

 

3.6 lid 1 Wnb

 

500

1.000

BM

265

d

 

onder zich hebben voor verkoop en/of vervoeren voor verkoop en/of verhandelen en/of ruilen en/of te koop en/of te ruil aanbieden van dieren van soorten van Europees belang (6–10 stuks)

 

3.6 lid 1 Wnb

 

1.200

3.000

BM

266

a

 

onder zich hebben en/of vervoeren anders dan voor verkoop van planten van soorten van Europees belang (1–5 stuks)

 

3.6 lid 2 Wnb

 

500

1.000

BM

266

b

 

onder zich hebben en/of vervoeren anders dan voor verkoop van planten van soorten van Europees belang (6–10 stuks)

 

3.6 lid 2 Wnb

 

750

1.500

BM

266

c

 

onder zich hebben en/of vervoeren anders dan voor verkoop van dieren van soorten van Europees belang (1–5 stuks)

 

3.6 lid 2 Wnb

 

500

1.000

BM

266

d

 

onder zich hebben en/of vervoeren anders dan voor verkoop van dieren van soorten van Europees belang (6–10 stuks)

 

3.6 lid 2 Wnb

 

750

1.500

BM

267

a

 

verkopen en/of vervoeren voor verkoop en/of onder zich hebben voor verkoop en/of ter verkoop aanbieden van vogels, delen of producten daarvan (1–5 stuks)

  3.2 lid 1 Wnb  

500

1.000

BM

267

b

 

verkopen en/of vervoeren voor verkoop en/of onder zich hebben voor verkoop en/of ter verkoop aanbieden van vogels, delen of producten daarvan (6-10 stuks)

 

3.2 lid 1 Wnb

 

1.200

3.000

BM

268

a

 

onder zich hebben of vervoeren anders dan voor verkoop van vogels, delen of producten daarvan (1–5 stuks)

 

3.2 lid 6 Wnb

 

500

1.000

BM

268

b

 

onder zich hebben of vervoeren anders dan voor verkoop van vogels, delen of producten daarvan (6–10 stuks)

 

3.2 lid 6 Wnb

 

750

1.500

BM

269

a

 

vervoeren en/of verkopen en/of te koop aanbieden en/of kopen en/of onder zich hebben van een of meer mistnetten (max. 3 stuks)

 

3.24 lid 4 Wnb jo 3.11 lid 1 Bnb

 

600

1.200

BM

273

   

opzettelijk zich buiten een gebouw bevinden met ongeoorloofde middelen die geschikt en/of bestemd zijn voor het doden en/of vangen van één dier (max. 3 stuks)

 

3.24 lid 2 Wnb jo 3.10 Bnb

 

300

600

BM

274

   

opzettelijk zich buiten een gebouw bevinden met ongeoorloofde middelen die geschikt en/of bestemd zijn voor het doden en/of vangen van meer dan één dier (max. 3 stuks)

 

3.24 lid 2 Wnb jo 3.10 Bnb

 

600

1.200

BM

275

   

als degene die niet voorzien is van een jachtakte, in het veld een geweer of een gedeelte van een geweer dragen, terwijl hij niet uit andere hoofde tot het gebruik van een geweer ter plaatse gerechtigd is

  3.27 lid 1 Wnb  

500

 

BM

276

a

 

als degene die zich ter uitoefening van de jacht in het veld ophoudt met middelen die niet wettelijk zijn aangewezen om daarvoor te worden gebruikt

 

3.21 lid 2 Wnb jo 3.21 lid 1 Wnb

 

500

 

BM

277

   

zich bevinden in een veld met een dier dat hem toebehoort en/of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort en/of doodt en/of verwondt en/of vangt en/of bemachtigt

 

3.24 lid 5 Wnb

 

500

 

BM

331

   

dieren of eieren van dieren uitzetten

 

3.34 lid 1 Wnb

 

1.800

4.000

BM

570

c

 

een of meer dieren vangen en/of doden met lijm en niet voorkomen dat een of meer dieren onnodig lijden (max.3 dieren)

 

3.24 lid 1 Wnb jo 3.10 sub f Bnb

 

300

600

BM

570

d

 

een of meer dieren vangen en/of doden met lijm en niet voorkomen dat een of meer dieren onnodig lijden (meer dan 3 dieren)

een dier of plant, behorende tot een uitheemse invasieve soort genoemd op de Unielijst, op het grondgebied van Nederland:

 

3.24 lid 1 Wnb jo 3.10 sub f Bnb

3.37 Wnb jo 3.29 Rnb

 

600

1.200

BM

BM

571

571

a

b

 

binnen brengen, houden, naar, uit of binnen Nederland vervoeren, in de handel brengen, gebruiken of uitwisselen (max. 3 stuks)

toestaan zich voort te planten, te worden gekweekt of geteeld of vrij te laten in het milieu (max. 3 stuks)

     

300

300

 
       

Nummers BM 278 – BM 291: Wet Natuurbescherming (Wnb) bescherming soorten/CITIES

         

BM

278

a

 

planten of producten van planten, behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, CITES Bijlage A. Per stuk maximaal 3 stuks: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

400

 

BM

278

b

 

planten of producten van planten, behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, CITES Bijlage A. Per stuk maximaal 3 stuks: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

700

 

BM

279

a

 

een hoeveelheid kaviaar (van 0 gram tot 125 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

250

 

BM

279

b

 

een hoeveelheid kaviaar (van 0 gram tot 125 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

500

 

BM

280

a

 

een hoeveelheid kaviaar (van 125 gram tot 350 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

500

 

BM

280

b

 

een hoeveelheid kaviaar (van 125 gram tot 350 gram, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (CITES bijlage A), binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

1.000

 

BM

281

a

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 1 tot 100 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

450

 

BM

281

b

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 1 tot 100 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

700

 

BM

282

a

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 100 tot 200 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

700

 

BM

282

b

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 100 tot 200 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

900

 

BM

283

a

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 200 tot 300 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

900

 

BM

283

b

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid van 200 tot 300 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

1.200

 

BM

284

a

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid 300 tot 400 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

1.200

 

BM

284

b

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, Ivoor, een hoeveelheid 300 tot 400 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

1.500

 

BM

285

a

 

CITES bijlage A product van plant of dier, Medicijn, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

250

 

BM

285

b

 

CITES bijlage A product van plant of dier, Medicijn, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

500

 

BM

286

a

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

250

 

BM

286

b

 

CITES bijlage A, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

500

 

BM

287

a

 

CITES bijlage B/C, dier of plant, dood of levend, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

300

 

BM

287

b

 

CITES bijlage B/C, dier of plant, dood of levend, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

600

 

BM

288

a

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 125 tot 250 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

250

 

BM

288

b

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 125 tot 250 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

500

 

BM

289

a

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 250 tot 500 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

.500

 

BM

289

b

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, kaviaar, 250 tot 500 gram, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

1.000

 

BM

290

a

 

CITES bijlage B/C product van plant of dier, Medicijn, geringe hoeveelheid, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

150

 

BM

290

b

 

CITES bijlage B/C product van plant of dier, Medicijn, geringe hoeveelheid, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

300

 

BM

291

a

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: niet opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

150

 

BM

291

b

 

CITES bijlage B/C, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk

 

3.37 Wnb jo 3.14 Rnb

 

300

 
                   
       

Nummers BM 292 – BM 294: Wet natuurbescherming (Wnb) bescherming houtopstanden

         

BM

292

   

vellen of te doen vellen van een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, zonder voorafgaande melding (max. 1 hectare)

  4.2 lid 1 Wnb  

2.000

4.000

BM

293

   

als rechthebbende van grond, waarop een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, niet voldoen aan verplichting binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze (max. 1 hectare)

  4.3 lid 1 Wnb  

1.000

2.000

BM

294

   

als rechthebbende van grond, waarop een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, is geveld of op andere wijze tenietgedaan, niet voldoen aan verplichting beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren te vervangen (max. 1 hectare)

 

4.3 lid 2 Wnb

 

1.000

2.000

                   
       

Nummers BM 295 en BM 667: Wet natuurbescherming (Wnb) bescherming Natura 2.000-gebieden

         

BM

295

   

zich in strijd met de beperkingen die ingevolge artikel 2.5 eerste lid WNB zijn opgelegd, bevinden in een Natura 2.000-gebied of gedeelten daarvan

  2.5 lid 3 Wnb  

200

400

BM

667

   

zonder of in strijd met vergunning handelingen verrichten die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en/of de habitats van soorten in een Natura 2.000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen

  2.7 lid 2 Wnb  

500

1.000

                   
       

Nummer BM 297: Wet op de economische delicten (Wed)

         

BM

297

   

opzettelijk niet hebben voldaan aan een vordering, krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten, gedaan door een opsporingsambtenaar

  26 Wed  

1.000

2.500

                   
       

Nummer BM 510 – BM 512: Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties

         

BM

510

   

laten verrichten van lekcontroles, terugwinnen, installeren of onderhouden van stationaire of mobiele koelinstallaties door personen zonder geldig en bij de betreffende categorie van werkzaamheden behorend diploma

  4 lid 1 en 4 lid 2 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen    

1.500

       

verrichten van installatie- of onderhoudswerkzaamheden aan stationaire of mobiele koelinstallaties zonder geldig bedrijfscertificaat dat is afgegeven door een keuringsinstantie

 

4 lid 1 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

     

BM

511

a

 

– t/m 20 werknemers

       

1.500

BM

511

b

 

– meer dan 20 werknemers

       

3.000

BM

512

   

het op een mobiele installatie (koeltransport) niet voor handen hebben van een logboek(kaart)

 

4 lid 1 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

   

500

                   
       

Nummers BM 450 – BM 494 en BM 543: Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm)

         

BM

450

   

niet ten minste vier weken voor de oprichting van een nieuwe inrichting dit melden aan het bevoegd gezag

  1.10 lid 1 Abm  

750

1.500

BM

451

   

niet ten minste vier weken voor de verandering van een inrichting of het veranderen van de werking daarvan dit melden aan het bevoegd gezag

 

1.10 lid 2 Abm

 

500

1.000

BM

452

   

door degene die voornemens is agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden uit te voeren buiten een inrichting ten gevolge waarvan lozen kan plaatsvinden, dit lozen niet ten minste 4 weken voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag

  1.10a lid 1 Abm  

250

500

BM

453

   

door degene die voornemens is agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden te veranderen buiten een inrichting ten gevolge waarvan lozen kan plaatsvinden, dit lozen niet ten minste 4 weken voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag

 

1.10a lid 2 Abm

 

250

500

BM

454

   

door degene die voornemens is te lozen vanuit een bodemsanering als bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde of vierde lid, dit lozen niet ten minste 5 werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag (in geval BUS-sanering)

  1.12 Abm  

250

500

BM

455

   

door degene die voornemens is langer dan 48 uur doch ten hoogste 8 weken grondwater te lozen bij ontwatering, dit lozen niet ten minste 5 werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag

  1.13 Abm  

250

500

BM

456

   

vanuit een inrichting lozen op en/of in de bodem en/of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool

 

1.4 jo 2.2 lid 1 Abm

 

500

1.000

BM

457

   

bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt

 

1.4 jo 3.1 lid 2 Abm

 

250

500

BM

458

   

bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt

 

1.4 jo 3.1 lid 3 Abm

 

250

500

BM

459

   

lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer dan 50 milligram per liter bedraagt of als gevolg van het lozen visuele verontreiniging optreedt

  3.2 lid 3 Abm  

250

500

BM

460

   

lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen, zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag, wordt overschreden

 

3.2 lid 4 Abm

 

250

500

BM

461

   

bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam niet voldoen aan de grenswaarden

  3.5 lid 1 Abm  

500

750

BM

462

   

bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam niet voldoen aan de grenswaarden zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag

 

3.5 lid 5 Abm

 

500

750

BM

463

   

niet in acht nemen van het belang van doelmatig beheer van afvalstoffen in een jachthaven door van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de afvalstoffen genoemd onder artikel 3.26i eerste lid Abm niet in te nemen

  3.26i lid 1 Abm    

1.000

BM

464

   

aan de gebruikers van een jachthaven een aparte financiële vergoeding vragen voor de inzameling van afvalstoffen, als bedoeld in artikel 3.26i lid 1 Abm

 

3.26i lid 4 Abm

   

500

BM

465

   

op- of overslaan van goederen in de buitenlucht zonder dat maatregelen zijn genomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken

 

3.32 lid 1 sub c Abm jo 3.40/3.41 Arm

 

500

750

BM

466

a

 

lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat in contact is geweest met inerte goederen waarbij visuele verontreiniging ontstaat

  3.33 lid 2 Abm  

250

500

BM

467

   

lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen, waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, terwijl een emissiegrenswaarde als genoemd in artikel 3.34 lid 3 Abm wordt overschreden

  3.34 lid 3 Abm  

250

500

BM

468

   

lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen, waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, terwijl een emissiegrenswaarde zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag wordt overschreden (bij hogere emissiewaarden)

 

3.34 lid 4 Abm

 

250

500

BM

470

a

 

opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op onverhard oppervlak op een afstand minder dan 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam

  3.49 onder a Abm  

500

500

BM

470

b

 

opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op onverhard oppervlak zodanig dat het te lozen hemelwater in contact kan komen met de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen

 

3.49 onder b Abm

 

500

.500

BM

471

   

lozen anders dan in een vuilwaterriool van condenswater, afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van een kas dat via condensgootjes is verzameld, waarin gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast

  3.61 lid 3 Abm  

500

1.000

BM

472

   

de hoeveelheid totaal stikstof in het geloosde drainwater bedraagt meer dan de in artikel 3.66 lid 4 Abm genoemde waarden

 

3.66 lid 4 jo art. 3.63 lid 7 Abm

 

500

1.000

BM

473

   

niet periodiek meten en registreren van de gegevens (bijvoorbeeld de hoeveelheid drainwater) zoals bedoeld in artikel 3.67 lid 1 Abm jo artikel 3.76 Arm

 

3.67 lid 1 Abm jo 3.76 Arm

 

500

1.000

BM

474

   

niet overleggen van de rapportage van het voorgaande kalenderjaar zoals bedoeld in artikel 3.68 Abm

  3.68 lid 1 Abm  

250

500

BM

475

   

overschrijden van de verbruiksnormen opgenomen in tabel 3.77a en 3.77b van artikel 3.77 Arm

 

3.71 lid 3 Abm jo 3.77 Arm

 

500

1.000

BM

476

   

niet periodiek meten of berekenen en registreren van de gegevens (bijvoorbeeld de hoeveelheid drainagewater) zoals bedoeld in artikel 3.72 lid 1 Abm jo artikel 3.78 Arm

 

3.72 lid 1 Abm jo 3.78 Arm

 

500

1.000

BM

477

   

niet overleggen van de rapportage van het voorgaande kalenderjaar zoals bedoeld in artikel 3.73 Abm

  3.73 lid 1 Abm  

250

500

       

lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas

 

3.76 lid 2 Abm

     

BM

478

a

 

– terwijl gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt

     

750

750

BM

478

b

 

– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen meer bedraagt dan 100 milligram per liter

     

500

1.000

BM

478

c

 

– terwijl het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik meer bedraagt dan 300 milligram per liter

     

500

1.000

BM

478

d

 

– terwijl het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik meer bedraagt dan 60 milligram per liter

     

500

1.000

BM

479

   

lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het circuleren van water door trekbakken waarin witlofpenen staan voor de groei van witlofstronken of als gevolg van het broeien van bolgewassen, terwijl gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt of het gehalte aan onopgeloste stoffen meer bedraagt dan 100 milligram per liter

  3.77 lid 3 Abm  

500

1.000

BM

480

   

binnen een teeltvrije zone gewasbeschermingsmiddelen gebruiken met apparatuur voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen

  3.79 lid 5 Abm  

500

500

BM

481

   

op braakliggend terrein gewasbeschermingsmiddelen gebruiken binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam

  3.82 Abm  

500

500

BM

482

   

gebruiken van veldspuitapparatuur waarbij niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.83 lid 1 Abm (onjuiste spuitdoppen, geen kantdop of onjuiste spuithoogte)

  3.83 lid 1 Abm  

500

500

BM

483

   

binnen een teeltvrije zone meststoffen gebruiken

  3.85 lid 1 Abm  

500

500

BM

484

   

geen gebruik maken van een kantstrooivoorziening bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone

 

3.85 lid 4 Abm

 

500

500

BM

543

   

niet in acht nemen van een teeltvrije zone langs een oppervlaktewaterlichaam

 

3.79 lid 2 Abm

 

500

500

BM

485

   

op braakliggend terrein meststoffen gebruiken binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam

 

3.85 lid 8 Abm

 

500

500

       

lozen van afvalwater, afkomstig van het voor de waterbehandeling voor agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, in een oppervlaktewaterlichaam

  3.90 lid 4 Abm      

BM

486

a

 

– terwijl het gehalte chloride meer bedraagt dan 200 milligram per liter

     

250

500

BM

486

b

 

– terwijl het gehalte ijzer meer bedraagt dan 2 milligram per liter

     

250

500

BM

487

   

lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, als gevolg van het voor agrarische activiteiten zuiveren van water door het ontijzeren van grondwater, terwijl het gehalte aan ijzer in het afvalwater meer bedraagt dan 5 milligram per liter

  3.91 lid 1 Abm  

250

500

BM

488

   

bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, niet treffen van een voorziening die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen en water voorkomt

  3.93 lid 1 Abm  

500

500

BM

489

   

bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening, de apparatuur niet op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van het oppervlaktewaterlichaam hebben

 

3.93 lid 2 Abm

 

250

250

       

lozen van afvalwater, afkomstig van het spoelen van gewassen, in een oppervlaktewaterlichaam

  3.102 lid 6 Abm      

BM

490

a

 

– terwijl het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten op een vuilwaterriool waarop geloosd kan worden

     

500

500

BM

490

b

 

– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer bedraagt dan 100 milligram per liter

     

500

500

       

lozen van afvalwater, afkomstig van het sorteren van gewassen, in een oppervlaktewaterlichaam

  3.105 lid 2 Abm      

BM

491

a

 

– terwijl het afvalwater niet afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen

     

500

500

BM

491

b

 

– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater meer bedraagt dan 100 milligram per liter

     

500

500

BM

491

c

 

– terwijl het chemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater meer bedraagt dan 300 milligram per liter

     

500

500

BM

491

d

 

- terwijl het biologisch zuurstofverbruik meer bedraagt dan 60 milligram per liter

     

500

500

BM

492

   

binnen een afstand van 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam een composteringshoop hebben

  3.110 Abm  

250

500

BM

493

   

toestaan van overnachting en/of recreatief verblijf door derden binnen een afstand van 20 meter van een bunkerstation voor opslag van lichte olie en/of binnen een afstand van 20 meter van een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie aan vaartuigen

 

1.4 jo 4.77, 3e lid Abm

 

550

1.100

BM

494

   

bij aflevering van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen niet voldoende absorptiemiddelen en/of andere hulpmiddelen aanwezig hebben voor de eerste bestrijding van een waterverontreiniging als gevolg van morsingen en/of een calamiteit bij de aflevering

 

1.4 jo 4.78, 1e lid Abm

 

750

750

                   
       

Nummers BM 495 – BM 499: Activiteitenregeling milieubeheer (Arm)

         

BM

495

   

bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening niet opvangen van vloeistoffen in ten minste een mestdichte opslagvoorziening of is de vloeistofkerende of vloeistofdichte opslagvoorziening niet zodanig aangelegd dat de vloeistof naar deze opslagvoorziening stroomt (geldt tot 1-1-2027 niet voor kuilvoer indien voorziening voor opslag van kuilvoer in gebruik was voor 1-1-2013)

 

3.48 Abm jo. 3.65 lid 5 Arm

 

500

500

BM

496

   

opstellen van een op de wal geplaatste vaste installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen anders dan boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding

 

1.4 jo 4.79 Abm jo 4.87 Arm

 

500

1.500

BM

497

   

als drijver van de inrichting er geen zorg voor dragen dat machinaal schuren geschiedt met mechanische stofafzuiging waarbij het vrijkomende schuurstof in een stofzak wordt opgevangen

 

1.4 jo 4.88 Abm jo 4.98 lid 1 Arm

 

250

500

BM

498

   

in een inrichting onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen of repareren, onderhouden en behandelen van de oppervlakte van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan, waarbij vloeistoffen vrij kunnen komen, op andere wijze dan boven een bodembeschermende voorziening

 

1.4 jo 4.88 Abm jo 4.99 lid 1 Arm

 

500

750

BM

499

   

het op de wal met water onder hoge druk reinigen van de romp onder de waterlijn van een pleziervaartuig, geschiedt niet boven een vloeistofkerende vloer of verharding

 

1.4 jo 4.88 Abm jo 4.99 lid 3 Arm

 

500

750

                   
       

Nummers BM 400 – BM 442: Model Keur

         
       

Beheer en onderhoud waterstaatswerken

         

BM

400

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de onderhoudsplicht ten aanzien van de waterkering (gewoon onderhoud)

 

2.2 Model Keur

 

100

300

BM

401

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de onderhoudsplicht ten aanzien van de waterkering (buitengewoon onderhoud)

 

2.3 lid 1 Model Keur

 

200

600

BM

402

   

buitengewoon onderhoud uitvoeren in het gesloten seizoen

 

2.3 lid 2 Model Keur

 

550

1.500

BM

403

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting om een ondersteunend kunstwerk of werk dat in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en mede een waterkerende functie hebben, waterkerend te houden

 

2.4 lid 1 Model Keur

 

200

600

BM

404

   

als onderhoudsplichtige de middelen bestemd tot afsluiting van kunstwerken niet in goede staat onderhouden, dan wel de goede werking ervan te tonen

 

2.4 lid 2 Model Keur

 

200

600

BM

405

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verwijderplicht uit oppervlaktewaterlichamen van voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en van afval

 

2.5 lid 1 Model Keur

 

100

300

BM

406

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting tot het herstellen van beschadigingen aan oevers en tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies van het oppervlaktewaterlichaam

 

2.5 lid 2 Model Keur

 

200

600

BM

407

   

als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting tot het instandhouden van een oppervlaktewaterlichaam overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie (buitengewoon onderhoud)

 

2.6 Model Keur

 

150

450

BM

408

   

als eigenaar of gebruiker van grond, die gebruikt wordt voor het houden van dieren en dat is gelegen op of nabij een waterstaatswerk niet voldoen aan de verplichting om, na eerste aanschrijving hiertoe door het bestuur, voor eigen rekening op of langs deze grond een voldoende kerende afrastering aan te brengen

 

2.8 Model Keur

 

150

450

BM

409

   

als onderhoudsplichtige van een in een waterkering voorkomende coupure of sluis er geen zorg voor dragen dat deze, na eerste aanzegging door of namens het bestuur, terstond wordt gesloten

 

2.9 Model Keur

 

550

1.500

BM

410

   

als eigenaar of onderhoudsplichtige van een stuw niet voldoen aan de verplichting deze op een bepaald stuwpeil stellen en in stand te houden

 

2.10 Model Keur

 

550

1.500

                   
       

Handelingen in watersystemen

         
       

zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarop, daarin, daarboven, daarover of daaronder:

 

3.2 lid 1 Model Keur

     

BM

411

a

 

– handelingen te verrichten

     

550

1.500

BM

411

b

 

– werken te behouden

     

360

1.000

BM

411

c

 

– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen

     

200

600

BM

411

d

 

– een brandplaats aan te leggen of stoffen te verbranden

     

150

450

BM

411

e

 

– een hond niet aangelijnd te laten verblijven of te laten lopen, terwijl dit op een voor het publiek duidelijke wijze is aangegeven dat dit verboden is

     

90

 

BM

411

f

 

– met een voertuig zich buiten verharde wegen of paden te bevinden

     

150

450

       

zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een waterstaatswerk niet zijnde een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarop, daarin, daarboven, daarover of daaronder:

 

3.2 lid 1 Model Keur

     

BM

412

a

 

– handelingen te verrichten

     

360

1.000

BM

412

b

 

– werken te behouden

     

300

900

BM

412

c

 

– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen

     

200

600

       

zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een beschermingszone behorende bij een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

 

3.2 lid 1 Model Keur

     

BM

413

a

 

– handelingen te verrichten

     

300

900

BM

413

b

 

– werken te behouden

     

200

600

BM

413

c

 

– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen

     

100

300

BM

413

d

 

– met een voertuig zich buiten verharde wegen of paden te bevinden

     

100

300

       

zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een beschermingszone behorende bij een oppervlaktewaterlichaam door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

 

3.2 lid 1 Model Keur

     

BM

414

a

 

– handelingen te verrichten

     

200

600

BM

414

b

 

– werken te behouden

     

150