Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film

De Stichting Nederlands Fonds voor de Film,

gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht,

gelet op artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid,

Besluit:

Artikel 1. Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • animatic: opeenvolging van meestal getekende storyboard-beelden die het scenario weergeven, dezelfde lengte als de te produceren animatiefilm heeft en minimaal van dialogen is voorzien;

  • bestuur: de directeur/bestuurder van het Fonds;

  • bioscoopuitbreng: de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première minimaal drie weken gelijktijdig in drie of meer bioscopen of filmtheaters met een dagelijkse vertoning voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht;

  • completion bond: de verzekering die waarborgt dat de filmproductie zal worden afgemaakt en opgeleverd onder in de verzekeringspolis opgenomen (budgettaire) voorwaarden, of dat – als de productie zou worden gestaakt – de tot dan toe gemaakte productiekosten worden terugbetaald;

  • coproductie: een filmproductie, waaraan twee of meer coproducenten risicodragend, op basis van een door alle partijen goedgekeurd filmplan en/of scenario een inhoudelijke en financiële subsidie leveren;

  • crossmediaal marketing & distributieplan: een gedetailleerd plan van alle activiteiten op het gebied van marketing en distributie, waarbij gebruik gemaakt wordt van alle mogelijke vormen van promotie, publiciteit en (social) media, ten behoeve van de bioscoopuitbreng en verdere exploitatie van de filmproductie;

  • DCP: (digital cinema package) de digitaal opgeslagen kopie van de filmprint, die in een bioscoop kan worden vertoond;

  • distributie: de professionele uitbreng en exploitatie van filmproducties;

  • financieel & productioneel protocol: het protocol waarin specifieke financiële en productionele vereisten die het Fonds aan filmproducties en filmactiviteiten stelt, zijn opgenomen;

  • filmdistributeur: een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de distributie en exploitatie van filmproducties in de Nederlandse bioscoop en via andere distributiekanalen. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag gedurende minimaal twee jaar daarvoor gevestigd en actief geweest in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

  • filmplan: het plan tot uitvoering; een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten dat bestaat uit het financieren, het tot stand brengen en (doen) exploiteren van een filmproductie;

  • filmprint: het negatief c.q. de definitieve (digitale) eindversie van de filmproductie waarvan later (digitale) kopieën worden gemaakt;

  • filmproductie: een cinematografisch werk;

  • het Fonds: Stichting Nederlands Fonds voor de Film;

  • lange animatiefilm: een speelfilm die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat;

  • mainstream film: een speelfilm waarbij de nadruk ligt op de publiekspotentie, dat wil zeggen de grootte van het publieksbereik in samenhang met de beoogde exploitatieresultaten;

  • majoritair (co) producent: een productiemaatschappij van een in de Nederlandse bioscoop en/of filmtheaters uit te brengen (internationale) filmproductie, die risicodragend investeert, hoofdverantwoordelijk en in doorslaggevende mate beslissingsbevoegd is en die een meerderheid van de financiering van de filmproductie bijeen heeft gebracht (of zal brengen);

  • marketing: Het creëren van een optimale publieksbenadering voor een filmproductie die moet aansluiten op verwachtingen van doelgroepen (bioscoop)bezoekers waardoor deze overtuigd worden deze filmproductie te gaan zien. De juiste marketingstrategie is gericht op maximaliseren van het publieksbereik en bestaat uit een heldere positionering aansluitend op de doelgroep, de invulling en uitvoering van de filmproductie zelf, een marketing en distributieplan met uitwerking van de plaats van uitbreng, een media en publiciteitsplan, de promotie en eventuele merchandising en de prijsstrategie.

  • marktpartijen: partijen wier reguliere professionele activiteiten zijn gericht op het distribueren en exploiteren van filmproducties, in de ruimste zin des woords, ofwel partijen die risicodragende investeringen doen;

  • mediabedrijf: een onderneming die zich bezighoudt met het verspreiden dan wel doen verspreiden van audiovisueel media-inhoud aan het algemene publiek of delen daarvan;

  • minoritair coproducent: een productiemaatschappij van een in de Nederlandse bioscoop en/of filmtheaters uit te brengen (internationale) coproductie, die risicodragend investeert maar in beperkte mate beslissingsbevoegd en verantwoordelijk is en die een minderheid van de financiering van de filmproductie bijeen heeft gebracht (of zal brengen);

  • non theatrical release: alle mogelijke vormen van distributie van een filmproductie, uitgezonderd die via bioscopen en filmtheaters, waaronder in ieder geval wordt begrepen de distributie op DVD en Blu ray, via televisie, Video On Demand, pay per view- en online distributiekanalen;

  • overbruggingskrediet: een gegarandeerd financieel krediet ten behoeve van de totstandkoming van een filmproductie dat beschikbaar is gesteld door een derde gedurende de gehele productieperiode van waaruit productiekosten in afwachting van de betalingstermijnen van financiers worden voorgefinancierd;

  • picture lock: de definitief vastgestelde montageversie van de filmproductie, op basis waarvan de verdere nabewerking plaatsvindt;

  • prints & advertising (P&A): de directe kosten na de fase van realisering die samenhangen met de bioscoopuitbreng en marketing van de voor vertoning gereed zijnde filmproductie, inclusief VPF en de kosten voor de uitbrengkopieën (printkosten);

  • producent: de natuurlijke persoon die de productiemaatschappij rechtsgeldig vertegenwoordigt en binnen de organisatie van de productiemaatschappij beleidsmatig, bedrijfsmatig en inhoudelijk eindverantwoordelijk is;

  • productiekosten: de kosten gemoeid met de realisering van een filmproductie;

  • productiemaatschappij: een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de productie en exploitatie van filmproducties en andere audiovisuele mediaproducties. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag gedurende minimaal twee jaar daarvoor gevestigd en actief geweest in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

  • programma: een samengesteld subsidieprogramma van het Fonds met een specifieke doelstelling;

  • realisering: alle werkzaamheden na de fase van ontwikkeling die verbonden zijn aan het tot stand brengen en voor vertoning gereed maken van een filmproductie die primair bestemd is voor bioscoopuitbreng in Nederland;

  • regisseur: een natuurlijk persoon die de artistieke regie voert over de uitvoering van een filmproductie;

  • speelfilm: een filmproductie in het genre fictie met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten, die primair bestemd is voor bioscoopuitbreng;

  • theatrical release: de distributie van de filmproductie in de bioscoop of filmtheater;

  • uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen het Fonds en de subsidieontvanger ter uitvoering van het besluit tot verlening van een subsidie.

  • werkkopie: de montageversie die voorafgaand aan de ‘picture lock’ van de filmproductie ter bespreking wordt voorgelegd aan het Fonds.

Artikel 2. Toepasselijkheid

  • 1 Onverminderd het bepaalde in de overige deelreglementen is dit reglement van toepassing op subsidies die het bestuur verstrekt voor het inhoudelijk uitontwikkelen van-, en de realisering van mainstream films of lange animatiefilms gericht op het bereiken van een groot publiek in de Nederlandse bioscopen en die tevens non theatrical worden uitgebracht.

  • 2 Een subsidie voor de realisering van een mainstream film of lange animatiefilm wordt beschikbaar gesteld ten behoeve van de vervaardiging van een werkkopie en de definitieve digitale filmprint die in de Nederlandse bioscoop wordt uitgebracht en tevens een non theatrical release krijgt.

Artikel 3. Culturele criteria en staatsteunpercentages

  • 1 Om in aanmerking te komen voor subsidie in de zin van dit reglement dient de filmproductie, onverminderd het bepaalde in Europese staatsteun regelgeving, ten minste aan drie van de hierna volgende kenmerken te voldoen:

    • a. het scenario waarop de filmproductie is gebaseerd speelt zich in overwegende mate af in Nederland, of in een andere Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

    • b. ten minste één van de hoofdpersonages behoort tot de Nederlandse cultuur of het Nederlandse taalgebied;

    • c. het scenario waarop de filmproductie is gebaseerd is hoofdzakelijk in de Nederlandse taal geschreven;

    • d. het scenario van de filmproductie is gebaseerd op een van origine Nederlandstalig literair werk;

    • e. het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op kunst dan wel kunstenaars;

    • f. het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op historische figuren of gebeurtenissen;

    • g. het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op voor de Nederlandse bevolking relevante actuele culturele, maatschappelijke dan wel politieke kwesties.

  • 2 Voor een filmproductie waarvoor een ander (Nederlands) bestuursorgaan en/of het Fonds een financiële subsidie heeft verleend, kan slechts een zodanig bedrag aan subsidie worden verleend dat het totaal aan staatssteun verleende subsidies niet meer bedraagt dan 50% van de productiekosten.

Artikel 4. Subsidieplafonds en begrotingsvoorbehoud

  • 1 Het bestuur stelt per kalenderjaar een subsidieplafond vast voor het totale bedrag dat aan subsidie op basis van dit deelreglement kan worden wordt verleend.

  • 2 Het subsidieplafond wordt gepubliceerd in de Staatscourant en tevens bekendgemaakt op de website van het Fonds: www.filmfonds.nl

  • 3 Als het subsidieplafond ontoereikend is wijst het bestuur de aanvraag af dan wel verlaagt de subsidie tot een bedrag waardoor het subsidieplafond niet wordt overschreden.

  • 4 Een onderbesteding op het voor uitvoering van dit reglement beschikbare jaarbudget wordt toegevoegd aan de fondsmiddelen voor mainstream film.

  • 5 Subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 5. Vereisten aanvrager

  • 1 Aanvragen op grond van dit deelreglement worden gedaan door een productiemaatschappij die voorafgaand aan de aanvraag gedurende minimaal twee jaar daarvoor aantoonbaar en op continue basis actief is geweest op het gebied van productie en exploitatie van speelfilms of lange animatiefilms die primair gericht waren op een bioscoopuitbreng in Nederland.

  • 2 De aanvrager is rechtsgeldig vertegenwoordigd door een producent die als majoritair producent hoofdverantwoordelijk is geweest voor het voortbrengen van tenminste twee speelfilms of lange animatiefilms met een bioscoopuitbreng in Nederland. De betreffende producent dient ten tijde van de aanvraag gedurende twee jaar of langer beleidsbepalend en (mede)aandeelhouder van de aanvrager te zijn.

  • 3 Een mediabedrijf komt niet in aanmerking voor subsidie.

  • 4 De aanvrager is een productiemaatschappij die in het kalenderjaar voorafgaande de aanvraag, een in de Nederlandse bioscopen uitgebrachte speelfilm of lange animatiefilm heeft geproduceerd die na première door minimaal 150.000 betalende bezoekers in de Nederlandse bioscopen is bezocht en die niet uitsluitend door private partijen is gefinancierd.

  • 5 Het aantal in het vorige lid bedoelde bezoekers wordt vastgesteld aan de hand van het gangbare registratiesysteem dat Nederlandse bioscopen en filmdistributeurs hanteren voor theatrical release.

  • 6 De aanvrager is ten aanzien van de in het vierde lid bedoelde speelfilm of lange animatiefilm hoofdverantwoordelijk en in doorslaggevende mate beslissingsbevoegd geweest en heeft meer dan vijftig procent van de financiering voor deze speelfilm of lange animatiefilm bijeen gebracht.

  • 7 De aanvrager is ten aanzien van de filmproductie waar de aanvraag betrekking op heeft hoofdverantwoordelijk en in doorslaggevende mate beslissingsbevoegd en brengt meer dan 50% van de financiering daarvan bijeen.

Artikel 6. Aanvraag

  • 1 Aanvragen op grond van dit reglement kunnen vanaf 15 maart het gehele verdere jaar worden ingediend. Een aanvraag dient niet later dan acht weken voor aanvang van de eerste draaidag te zijn ingediend.

  • 2 In afwijking op het voorgaande lid kan het bestuur besluiten tijdelijke indienstops dan wel vaste indienmomenten in te lassen. Deze worden bekendgemaakt op de website van het Fonds www.filmfonds.nl.

  • 3 Een aanvraag is gericht aan het bestuur. Het bestuur beslist uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4 Een aanvraag wordt digitaal ingediend, waarbij een schriftelijke, door de aanvrager ondertekende, kopie van deze digitale aanvraag aan het Fonds wordt overgelegd.

  • 5 Het aanvraagformulier is naar waarheid, volledig en volgens de in de toelichting bij het aanvraagformulier en het Financieel & Productioneel Protocol vermelde richtlijnen ingevuld, voorzien van alle gevraagde bijlagen.

  • 6 Indien het bestuur constateert dat een aanvraag onvolledig is ingediend stelt hij de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen een termijn van vijf werkdagen aan te vullen. Indien de aanvrager er niet in slaagt om de aanvraag binnen de gestelde termijn aan te vullen, dan wordt de onvolledig zijnde aanvraag niet in behandeling genomen.

  • 7 Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

  • 8 Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens financiering heeft aangevraagd bij of heeft ontvangen van private partijen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag door middel van specificatie van deze partijen, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot deze financiering.

  • 9 De aanvrager overlegt bij de aanvraag in ieder geval een verklaring waarin hij garandeert dat zijn financiële positie, en dan met name de relatie tussen beschikbare middelen en aangegane verplichtingen, voorafgaand aan de aanvraag geen negatieve ontwikkeling heeft gekend die bedreigend is geweest voor de stabiliteit en solvabiliteit van de aanvrager en, naar reële verwachting, deze ook niet zal kennen.

  • 10 De aanvrager overlegt de verklaring(en) van de (film)distributeurs en/of derden die zich wat betreft financiering, vertoning en/of exploitatie aan de filmproductie verbinden.

  • 11 De aanvrager overlegt een planning en daarop aansluitende begroting waarbij rekening is gehouden met een gedegen artistieke en productionele uitontwikkeling waarvoor een deel van de subsidie aangevraagd kan worden.

  • 12 De aanvrager overlegt op grond van een voornemen tot subsidieverlening en in gezamenlijkheid met een filmdistributeur een gedetailleerd crossmediaal marketing en distributieplan. Dit plan is gericht op het behalen van een optimaal publieksbereik in Nederland via een theatrical en non theatrical release.

  • 13 Een aanvrager kan in één jaar maximaal twee aanvragen voor nieuwe filmproducties indienen.

  • 14 Indien een aanvraag niet voldoet aan de vereisten van artikel 7 en artikel 8 wordt de aanvrager eenmalig in de gelegenheid gesteld om een nieuwe aanvraag voor een andere filmproductie in te dienen.

Artikel 7. Algemene vereisten

Een subsidie kan slechts op grond van dit deelreglement worden verstrekt, indien naar het oordeel van het bestuur:

  • a. de subsidie dient ter dekking van de kosten bij de totstandkoming van de filmproductie voor zover deze kosten niet reeds door een derde partij worden gedekt;

  • b. aannemelijk is dat verlening van de subsidie noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van de aanvraag;

  • c. aannemelijk is dat het doel van de aanvraag gerealiseerd kan worden conform de in de aanvraag begrote uitgaven en dat de begrote uitgaven redelijk en marktconform zijn;

  • d. het bij de aanvraag overgelegde financieringsplan haalbaar en solide is;

  • e. voldoende vertrouwen bestaat dat het filmplan naar behoren is uitontwikkeld en zal worden uitgevoerd;

  • f. de filmproductie waarvoor subsidie wordt gevraagd ten tijde van de subsidieverlening niet reeds geheel of gedeeltelijk in de openbaarheid is gebracht;

  • g. de subsidie niet ter dekking dient van kosten die zijn gemaakt in de periode gelegen voor het besluit tot subsidieverlening;

  • h. de in artikel 5, vierde lid, bedoelde speelfilm of lange animatiefilm voldoet aan het bepaalde in artikel 3;

  • i. aannemelijk is dat de aanvrager aan de in dit reglement vermelde subsidieverplichtingen kan voldoen, en,

  • j. de filmproductie een impact heeft op de audiovisuele sector en het filmklimaat in Nederland.

Artikel 8. Beoordelingscriteria

Uitsluitend aanvragen voor filmproducties die naar het oordeel van het bestuur voldoen aan de volgende criteria komen in aanmerking voor een subsidie:

  • 1. Er is sprake van een mainstream film of lange animatiefilm gericht op het bereiken van minimaal 150.000 betalende bezoekers in de Nederlandse bioscopen.

  • 2. Ten genoegen van het bestuur van het Fonds dient te worden aangetoond dat:

    • a. de publieksprognose onderbouwd is door het filmplan met alle daartoe behorende bijlagen en stukken;

    • b. de publieksprognose mede onderbouwd is door een filmdistributeur die ook schriftelijk verklaart onvoorwaardelijk een financiële bijdrage te leveren aan de financiering;

    • c. 30 procent van de benodigde financiering van de productiekosten reeds onvoorwaardelijk en aantoonbaar is toegezegd door derden in de vorm van bestuursbesluiten en/of financiële toezeggingen;

    • d. de aanvrager beschikt over de exclusieve (optie op) verfilmings- en exploitatierechten die noodzakelijk zijn voor de realisering en exploitatie van de filmproductie;

    • e. de filmproductie landelijk in de Nederlandse bioscopen zal worden uitgebracht en tevens een non theatrical release zal krijgen;

    • f.. het Fonds op grond van het beoogde publieksbereik vanaf een medium exploitatiescenario een substantieel deel van zijn subsidie kan terug ontvangen uit de exploitatieopbrengsten.

  • 3. Het bestuur kan zich over de toets aan de vereisten zoals genoemd in artikel 7 en de beoordeling van de criteria zoals genoemd in artikel 8 lid 1 en 2 laten adviseren door ad hoc adviseurs. Op hen is van toepassing artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement van het Fonds. Het bestuur betrekt het advies van de ad hoc adviseurs bij zijn besluit over de aanvraag.

Artikel 9. Hoogte van subsidie

  • 1 De hoogte van de totale subsidie waarvoor een aanvrager in aanmerking komt wordt bepaald door een basisbijdrage vermeerderd met een eventuele (gestaffelde) toeslag voor elke betalende bioscoopbezoeker boven de in artikel 5, vierde lid, bedoelde 150.000 bezoekers.

  • 2 Het Fonds maakt de hoogte van de basisbijdrage en de bandbreedte voor de eventuele toeslag tot een bepaald aantal bezoekers elk jaar voor 1 december bekend via www.filmfonds.nl. De definitieve hoogte van de in het eerste lid bedoelde toeslag wordt jaarlijks, uiterlijk in de eerste week van maart bekend gemaakt via www.filmfonds.nl.

Artikel 10. Verdeling van het budget

  • 1 De basisbijdrage wordt toegekend indien is voldaan aan de voorwaarden en criteria zoals bepaald in de artikelen 2 tot en met 8 van dit deelreglement.

  • 2 Als het subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragers die hiervoor in aanmerking komen een basisbijdrage toe te kennen, dan honoreert het bestuur alleen de aanvragen van aanvragers die in het voorafgaande kalenderjaar met hun uitgebrachte speelfilm of lange animatiefilm de meeste bezoekers hebben getrokken, totdat het subsidieplafond is bereikt.

  • 3 Als het subsidieplafond toereikend is om alle aanvragen zoals bedoeld in het eerste lid te honoreren, wordt aan de aanvragers genoemd in artikel 5, vierde lid, die aan de voorwaarden en criteria zoals bepaald in de artikelen 2 tot en met 8 van dit

    deelreglement voldoen, een eventuele (gestaffelde), toeslag voor elke betalende bezoeker boven de 150.000 betalende bezoekers toegekend tot het subsidieplafond voor het totale bedrag dat aan subsidie op basis van dit deelreglement wordt verleend, is bereikt.

  • 4 Bij toepassing van artikel 5, vierde lid, tellen, indien de bioscoopuitbreng van een speelfilm of lange animatiefilm in het voorliggende kalenderjaar is gestart maar ook over de jaargrens heen betalende bezoekers heeft getrokken, de bezoekersaantallen over de eerste twee maanden van het nieuwe kalenderjaar mee.

Artikel 11. Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in de Awb wordt een aanvraag afgewezen indien, naar het oordeel van het bestuur:

  • a. een mediabedrijf, direct of indirect, een belang heeft in de aanvrager;

  • b. de aanvragende productiemaatschappij of één van de verantwoordelijke (co)producenten in het verleden ernstig in gebreke is gebleven bij een eerdere fondsaanvraag of terzake sprake is geweest van verwijtbaar handelen;

  • c. het een aanvraag betreft voor eenzelfde filmproductie, die eerder in het kader van dit deelreglement door het bestuur is afgewezen;

  • d. de financiële positie, ondanks de in artikel 6, achtste lid, bedoelde verklaring, dermate onzeker is dat deze bedreigend is voor de stabiliteit en solvabiliteit van de aanvrager;

  • e. verlening van de gevraagde subsidie ertoe zou leiden dat aan de aanvrager op grond van dit deelreglement in een kalenderjaar voor een totaalbedrag groter dan 1.500.000 euro aan subsidies wordt verleend ten behoeve van de realisering van filmproducties;

  • f. verlening van de subsidie niet van toepassing is op de filmproductie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • g. de noodzaak voor een subsidie onvoldoende is aangetoond;

  • h. de filmproductie waarvoor een subsidie wordt aangevraagd op grond van artikel 3 van dit deelreglement geen of niet voldoende culturele waarde heeft, of

  • i. de aanvraag niet voldoet aan de vereisten, criteria en bepalingen genoemd in dit deelreglement, of

  • j. de aanvrager niet dezelfde is als diegene, die in het kader van een ander deelreglement van het Fonds reeds subsidie voor realisering van dezelfde filmproductie heeft ontvangen.

Artikel 12. Onderlinge verhouding financiële subsidies

  • 1 Het verstrekken van een subsidie op grond van dit deelreglement bindt het bestuur in geen geval tot het verlenen van enige andere subsidie.

  • 2 Eerder door het bestuur aan de filmproductie verleende subsidies maken onderdeel uit van de totale subsidie voor realisering in de bepaling van het toegestane staatssteunpercentage.

Artikel 13. Voorbereiding besluitvorming

  • 1 Het bestuur behandelt de aanvraag op basis van de bij de aanvraag overgelegde informatie, zoals bedoeld in artikel 6, welke behandeling wordt aangeduid als ‘Fase 1’.

  • 2 Bij afsluiting van Fase 1 kan het bestuur de aanvraag op basis van bij de aanvraag overgelegde informatie, zoals bedoeld in artikel 6, afwijzen indien de aanvraag niet voldoet aan de vereisten en voorwaarden zoals die zijn bepaald in dit reglement.

  • 3 Indien het bestuur op basis van de bij de aanvraag overgelegde informatie, zoals bedoeld in artikel 6, de aanvraag kansrijk vindt, neemt het bestuur in Fase 1 een voornemen tot subsidieverlening. In dit voornemen specificeert het bestuur welke nadere informatie de aanvrager in een periode van uiterlijk zes maanden, aangeduid als ‘Fase 2’, dient te overleggen.

  • 4 Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde nadere informatie neemt het bestuur in Fase 2 een besluit op de aanvraag.

  • 5 Indien het bestuur reeds in Fase 1 de in het derde lid bedoelde nadere informatie van de aanvrager heeft ontvangen, kan het bestuur in Fase 1 tot een besluit op de aanvraag komen.

Artikel 14. Aanvullende eisen

  • 1 Indien er sprake is van een filmproductie die naar het oordeel van het bestuur als risicovol wordt gekwalificeerd kan het bestuur aanvullende eisen stellen aan het financieel en productioneel toezicht, dan wel een gegarandeerd overbruggingskrediet en/of het afsluitend van een completion bond verplicht stellen.

  • 2 De voorwaarden waaronder het toezicht wordt ingevuld dan wel een overbruggingskredietof de completion bond wordt afgesloten dienen vooraf te worden goedgekeurd door het bestuur.

  • 3 Indien een completion bond verplicht is gesteld op grond van het eerste lid, dient de ontvanger van de subsidie bij het afsluiten van de uitvoeringsovereenkomst een schriftelijke verklaring te overleggen van een completion guarantor, waaruit onomstotelijk blijkt dat de begrote productiekosten van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend, zoals opgenomen in de productiebegroting, toereikend zijn en dat de voortbrenging en voltooiing van de bioscoopfilm waarvoor subsidie is verleend vallen onder de dekking van deze completion guarantor vanaf het moment waarop de opnamen van de filmproductie starten. Tevens dient de ontvanger van de subsidie een afschrift van een geldende completion bond te overleggen waarin het Fonds als medebegunstiger is aangewezen.

Artikel 15. Subsidievorm

De subsidie die op grond van dit deelreglement wordt verstrekt dient uit inkomsten die worden verkregen uit exploitatie van de filmproductie te worden terugbetaald.

Artikel 16. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De ontvanger is verplicht om:

    • a. binnen een termijn van uiterlijk 12 maanden na het voornemen tot subsidieverlening, of bij het ontbreken daarvan het besluit tot subsidieverlening, de ter zake van de financiering en exploitatie van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend definitieve schriftelijke overeenkomsten met alle bij de financiering van de filmproductie betrokken partijen te overleggen. Hieruit blijkt dat naar het oordeel van het bestuur elk van deze partijen zich onvoorwaardelijk heeft verbonden tot het hem betreffende aandeel in de financiering ten behoeve van de realisering van de filmproductie overeenkomstig de bij de subsidieaanvraag overgelegde gegevens en op voorwaarden die verenigbaar zijn met de voorwaarden die zijn verbonden aan de subsidieverlening en dit deelreglement;

    • b. ervoor te zorgen dat de opnamen, of in het geval van animatie de uitvoering van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend, niet eerder starten dan nadat én door het Fonds is bericht dat de aanvrager heeft voldaan aan de verplichtingen, zoals bedoeld in het eerste lid onder a, én – indien van toepassing – het overbruggingskrediet gegarandeerd is of de completion guarantor definitieve dekking heeft verleend voor de voortbrenging en voltooiing van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend;

    • c. het bestuur voorafgaand in kennis te stellen van het moment waarop de opnamen, of in het geval van animatie de uitvoering van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend, starten en ervoor te zorgen dat de filmproductie 24 maanden na de ondertekening van de uitvoeringsovereenkomst gereed en openbaar is gemaakt.

  • 2 Het bestuur verbindt in het geval van een financiële bijdrage, aan het besluit tot subsidieverlening de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst tot stand komt.

  • 3 Het bestuur legt aan de subsidieontvanger de verplichting op dat:

    • a. de doeleinden gesteld in het filmplan op basis waarvan subsidie is verleend, op doelmatige wijze worden nagestreefd;

    • b. de filmproductie waarvoor een subsidie wordt verstrekt al dan niet tegen betaling openbaar toegankelijk zijn;

    • c. het Fonds te allen tijde juist en waarheidsgetrouw wordt geïnformeerd;

    • d. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd conform Nederlandse regelgeving, het Financieel & Productioneel Protocol en het bijbehorende Handboek Financiële Verantwoording;

    • e. de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de aanvrager en op detailniveau aansluit op de door het Fonds goedgekeurde begroting en financieringsplan;

    • f. van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn, waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken en rapportages, kosten-, bestedings- en andere overzichten in de administratie van de aanvrager zijn opgenomen;

    • g. de administratie en de daarbij behorende bewijsstukken ten minste gedurende vijf jaar na de vaststelling van de subsidie worden bewaard;

    • h. de subsidie wordt uitgegeven conform de bestedingsverplichting;

    • i. de met exploitatie van de filmproductie of filmactiviteit te genereren opbrengsten worden verdeeld volgens een vooraf overeengekomen wijze tussen de rechthebbenden en financiers en dat de opbrengsten van de, op grond van deze regeling verleende subsidie op een gegeven moment aangewend dienen te worden voor een volgende filmproductie, en,

    • j. deze ten minste eenmaal per 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag verstrekt.

  • 4 De ontvanger is verplicht een werkkopie van de filmproductie op te leveren, die in overeenstemming is met de aanvraag en het bijbehorende filmplan.

  • 5 De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan het Fonds zodra:

    • a. aannemelijk is dat de filmproductie waarvoor subsidie is verleend niet, of niet tijdig of niet geheel zal worden verricht conform het doel of het filmplan op basis waarvan subsidie is verleend;

    • b. aannemelijk is dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • c. substantiële wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag overgelegde gegevens die aan het Fonds zijn verstrekt in het kader van subsidieverlening dan wel -vaststelling, of,

    • d. met betrekking tot de uitvoering van de filmproductie of -activiteit wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de aanvraag en/of bijzondere omstandigheden zich voordoen.

Artikel 17. Uitvoeringsovereenkomst

  • 2 In deze uitvoeringsovereenkomst worden de aan de subsidie verbonden nadere verplichtingen vastgelegd. Onder meer zal hierin worden vastgelegd:

    • a. welke zekerheden, voor zover daartoe naar het oordeel van het bestuur gerede aanleiding bestaat, de aanvrager dient te stellen met betrekking tot de nakoming van de verplichtingen van andere partijen die financieringsbijdragen hebben toegezegd aan de filmproductie waarvoor subsidie is verleend;

    • b. de frequentie waarbinnen en de vorm waarin de aanvrager voldoet aan eventuele rapportageverplichtingen;

    • c. de wijze waarop de met exploitatie van de filmproductie te genereren opbrengsten worden verdeeld tussen de rechthebbenden en financiers en op welk moment deze opbrengsten dienen te worden aangewend om de op grond van dit reglement verleende subsidie terug te betalen of aan te wenden voor een volgende filmproductie.

Artikel 18. Voorschotten

  • 1 In het besluit tot subsidieverlening en in de uitvoeringsovereenkomst worden het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten bepaald.

  • 2 Op grond van het besluit tot subsidieverlening kan reeds een bedrag beschikbaar gesteld worden voor investeringen in de preproductie en artistieke voorbereidingen op de draaiperiode van de filmproductie.

  • 3 Indien subsidie is verleend aan een rechtspersoon als aanvrager waarvan de hoofdvestiging of vestigingsplaats niet in Nederland is gelegen, dan is de aanvrager verplicht ten genoegen van het bestuur aan te tonen dat de aanvrager op het moment van voorschotverlening beschikt over een nevenvestiging in Nederland met ten minste één werknemer in vaste dienst.

Artikel 19. Bestedingsverplichting

De aanvrager is verplicht een bedrag gelijk aan de verleende subsidie te besteden in Nederland. Het deel van de productiekosten dat in Nederland wordt uitgegeven wordt, evenals de besteding in mogelijke andere territoria, separaat aangegeven in de ingediende productiebegroting. In het geval dat andere subsidies of subsidies zijn verstrekt, waaraan een (gedeeltelijke) bestedingsverplichting in Nederland is verbonden, staat het de aanvrager te allen tijde vrij om ten minste 20% van de begrote productiekosten te besteden in een andere Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland.

Artikel 20. Oplevering werkkopie

De aanvrager is verplicht de werkkopie te overleggen volgens de procedure die is beschreven in het Financieel & Productioneel Protocol. Het bestuur beoordeelt of de werkkopie in overeenstemming is met de aanvraag en het bijbehorende filmplan.

Artikel 21. Verantwoording

  • 1 De subsidieontvanger:

    • a. toont aan, op in de beschikking tot verlening van subsidie aangegeven wijze, dat de filmproductie waarvoor de subsidie is verleend, is gerealiseerd en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • b. overlegt een actueel en waarheidsgetrouw overzicht van alle opbrengsten, uitgaven en de territoriale besteding aan het Fonds die met de realisering van de filmproductie samenhangen;

    • c. informeert het Fonds adequaat en schriftelijk over de première, de kosten, het publieksbereik en de opbrengsten die door distributie en exploitatie van de filmproductie, waarvoor subsidie is verleend, worden voortgebracht;

    • d. is verplicht onverminderd het bepaalde in artikel 4:45 Awb desgevraagd een filmprint en een DVD van de filmproductie waarvoor subsidie is verleend op te leveren

    • e. is verplicht om na voltooiing van de filmproductie waarvoor de bijdrage is verleend de onder d. genoemde dragers van de voltooide filmproductie aan het Fonds in eigendom over te dragen. Aan het Fonds wordt het recht toegekend tot gehele of gedeeltelijke openbaarmaking van de filmproductie binnen het kader van de gebruikelijke activiteiten van het Fonds of diens rechtsopvolgers, tenzij in redelijkheid gesteld kan worden dat deze openbaarmaking de belangen van de aanvrager of diens rechtverkrijgenden onevenredig kan schaden;

    • f. verplicht zich om ‘om niet’ toestemming te verlenen voor eenmalige of bijzondere openbaarmakingen van de filmproductie die in het kader van de bevordering van het filmklimaat in Nederland en van nationaal belang zijn, en deze daartoe te verveelvoudigen, tenzij in redelijkheid gesteld kan worden dat deze openbaarmaking de belangen van de aanvrager of diens rechtverkrijgenden onevenredig kan schaden.

  • 2 Het bestuur verplicht de subsidieontvanger een financieel verslag inzake werkelijke kosten en opbrengsten in te dienen.

  • 3 Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de subsidieontvanger en van de ontvangen financiering van derden. Het financieel verslag sluit aan op de indeling van de begroting en het financieringsplan die voorafgaand aan de subsidieverlening of bij de ondertekening van de uitvoeringsovereenkomst zijn overgelegd en door het Fonds zijn goedgekeurd volgens het Financieel & Productioneel Protocol van het Fonds. Belangrijke verschillen tussen financieel verslag en begroting en/of financieringsplan worden toegelicht.

  • 5 Vertegenwoordigers van het Fonds hebben op eerste verzoek inzage in de administratie die betrekking heeft op de filmproductie of de filmactiviteit waarvoor de subsidie is verleend. De kosten voor een dergelijke controle door vertegenwoordigers van het Fonds zijn voor rekening van het Fonds tenzij er verwijtbare onregelmatigheden worden aangetroffen. In een dergelijk geval worden de kosten doorberekend aan de ontvanger van subsidie.

  • 6 Het Fonds kan ongelimiteerd steekproeven houden om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 22. Subsidievaststelling

  • 1 Binnen vier maanden na eerste openbaarmaking van de filmproductie dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in, tenzij een andere termijn is vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. Indien deze termijn wordt overschreden, is het bestuur bevoegd de verleende subsidie ambtshalve vast te stellen.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van de in artikel 21 en in de uitvoeringsovereenkomst genoemde bescheiden.

  • 3 De ontvanger van de subsidie is verplicht aan het Fonds op verzoek alle bescheiden en inlichtingen te verstrekken die het noodzakelijk acht voor het vaststellen van de subsidie.

  • 4 De ontvanger van een subsidie draagt er zorg voor dat zijn accountant medewerking verleent aan een eventueel onderzoek door of vanwege het Fonds naar de door de accountant van de aanvrager verrichte (controle) werkzaamheden. De kosten die zijn gemoeid met de medewerking van de accountant, komen voor rekening van de aanvrager.

  • 5 Het bestuur stelt de hoogte van de subsidie uiterlijk 22 weken na de in het eerste lid bedoelde indieningtermijn vast. De hoogte van de subsidievaststelling kan niet hoger zijn dan het bedrag van de subsidieverlening.

Artikel 23. Betaling

  • 1 Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot vaststelling van de subsidie wordt het subsidiebedrag betaald of verrekend met betaalde voorschotten.

  • 2 De ontvanger van de subsidie stort teveel ontvangen voorschotten terstond terug.

Artikel 24. Wijziging, intrekking en terugvordering subsidie

  • 1 Het bestuur kan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:

    • a. als deze niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, waaronder maar niet beperkt tot, de meldingsplicht zoals bedoeld in artikel 16, vijfde lid, dan wel tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de uitvoeringsovereenkomst waarna de middelen toevallen aan de middelen van mainstream film;

    • b. als het bestuur constateert dat substantiële wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag dan wel bij de totstandkoming van de uitvoeringsovereenkomst overgelegde gegevens die aan het Fonds zijn verstrekt;

    • c. de aanvrager na de subsidieverlening, maar vóór de vaststelling van de subsidie, meer of minder financiële bijdragen van derde partijen heeft verkregen dan vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst.

  • 2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

  • 3 Het bedrag waarmee de subsidie eventueel wordt verlaagd wordt in eerste instantie verrekend met de nog te verlenen voorschotten. Mocht dat niet toereikend zijn dan worden reeds uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Artikel 25. Digitale conservering en exploitatie

  • 1 Ter behoud van het cultureel erfgoed is het Fonds of diens rechtsopvolger gerechtigd om alle stukken, documenten en eventueel opgeleverde filmkopieën en/of ander beeldmateriaal, die het met betrekking tot een aanvraag voor een subsidie in zijn bezit heeft, na afronding van de aanvraag te bewaren dan wel in bewaring te geven c.q. te schenken aan het EYE Filminstituut Nederland of de Rijksarchiefdienst. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het bestuur en, waar nodig, van de rechthebbende(n) zullen deze stukken en documenten noch door het Fonds of diens rechtsopvolger, noch door het EYE Filminstituut Nederland of de Rijksarchiefdienst aan derden ter inzage worden gegeven. Het bestuur zal deze toestemming niet verlenen indien het redelijkerwijs kan vermoeden dat het verlenen van inzage in de stukken of documenten, het belang van de aanvrager, of andere bij de aanvraag betrokken personen, kan schaden.

  • 2 De aanvrager is verplicht om tijdig, dat wil zeggen ten tijde van de afwerking van de filmproductie contact op te nemen met EYE Film Instituut Nederland en hen toegang te verschaffen tot het digitale en analoge (indien van toepassing) moedermateriaal van de uiteindelijke filmprint. De aanvrager gaat bij verlening van de subsidie akkoord met het conserveren en het met dat doel digitaal opslaan van de film door EYE Film Instituut Nederland. De condities verbonden aan de conservering en daaraan verbonden digitale opslag door EYE Film Instituut Nederland zullen worden vastgelegd in een separate overeenkomst tussen de aanvrager en EYE Film Instituut Nederland.

  • 3 Met het oog op de innovatie van de filmsector en de brede toegankelijkheid van mede door het Fonds gesubsidieerde filmproducties voor het publiek, wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de aanvrager op non exclusieve basis de beschikking houdt over de rechten tot digitale exploitatie van de filmproductie, echter met in achtneming van een redelijke termijn, waarin de aanvrager zich gedurende een bepaalde periode ten gunste van de filmdistributeur onthoudt van exploitatie van deze rechten.

Artikel 26. Slotbepalingen

  • 1 Dit reglement treedt onmiddellijk in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 2 Het Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film, geldende vanaf 1 januari 2015, is met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken.

  • 3 In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.

  • 4 Het bestuur kan om zwaarwegende redenen afwijken van dit reglement, voor zover dergelijke afwijkingen verenigbaar zijn met het beoordelingskader voor staatssteun aan de filmsector, zoals dat wordt gehanteerd door de Europese Commissie.

  • 5 Dit reglement is vastgesteld door het bestuur met goedkeuring van de Raad van Toezicht op 7 september 2016

  • 6 Dit reglement wordt aangehaald als Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film en wordt bekendgemaakt middels kennisgeving in de Staatscourant en op de website van het Fonds (www.filmfonds.nl)

  • 7 Naast en in aanvulling op dit deelreglement zijn artikelen van het Financieel & Productioneel Protocol en het Handboek Financiële Verantwoording van het Fonds van toepassing. Bij strijdigheid tussen bepalingen van dit deelreglement en de toepasselijke artikelen uit het protocol en het handboek, prevaleren de bepalingen van dit reglement.

Artikel 27. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]