Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg[Regeling vervalt per 31-12-2017.]

Geldend van 01-10-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2013, kenmerk 178658-114559-MEVA, houdende regels voor subsidiëring van activiteiten van instellingen voor medisch specialistische zorg gericht op het verbeteren van de kwaliteit van personeel (Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b. instelling: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid of een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld, die een organisatorisch verband in stand houdt;

  • c. geneeskundige geestelijke gezondheidszorg: zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen die plegen te bieden, en de eerstelijnspsychologische zorg;

  • d. organisatorisch verband: organisatorisch verband voor medisch specialistische zorg, bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi of de audiologische centra, bedoeld in artikel 1.2, onder 2, van dat besluit;

  • e. Zvw-omzet:som van de volgende onderdelen van de bedrijfsopbrengsten van het organisatorisch verband die met het verlenen van zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet in het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zijn behaald zoals deze zijn verantwoord in de jaarrekening over dat jaar:

    • 1°. wettelijk budget voor aanvaardbare kosten Zvw-zorg;

    • 2°. beschikbaarheidsbijdragen;

    • 3°. omzet DBC’s / DBC-zorgproducten B-segment;

    • 4°. omzet DBC’s / DBC-zorgproducten A-segment;

    • 5°. opbrengst uit hoofde van te verrekenen transitiebedrag medisch specialistische zorg;

  • f. Personeelskosten: som van de volgende onderdelen van de bedrijfslasten die van het organisatorisch verband in het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar:

    • 1°. lonen en salarissen;

    • 2°. sociale lasten;

    • 3°. pensioenpremies;

    • 4°. andere personeelskosten;

  • g. subsidiejaar: kalenderjaar ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

  • h. jaarrekening: jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • i. accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • j. strategisch opleidingsplan: een met het personeel of een personeelsvertegenwoordiging afgestemd actueel strategisch opleidingsplan van het organisatorisch verband met een planperiode van minimaal 4 jaar, waaronder het subsidiejaar, met betrekking tot ten minste de gewenste omvang van het personeel naar kwalificatieniveau en kwalificatierichting en de daartoe benodigde opleidingsinspanningen om dat te realiseren;

  • k. opleidingsfaciliteiten: voorzieningen die specifiek opgezet zijn en gebruikt worden voor het opleiden van personeel.

Artikel 1a

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

Artikel 2

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt geen subsidie verstrekt ten behoeve van een organisatorisch verband dat in het kader van de Zorgverzekeringswet uitsluitend geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verleent.

  • 3 De subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor interne en externe opleidingen van personeel, voor het begeleiden van personeel in het kader van de opleiding, voor het vervangen van personeel dat opgeleid wordt en voor opleidingsfaciliteiten.

  • 4 Onder personeel wordt verstaan de natuurlijke personen die op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met de instelling of van een schriftelijke aanstelling van de instelling werkzaam zijn in het organisatorisch verband waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

  • 5 De subsidie wordt voorts uitsluitend verstrekt voor activiteiten die passen binnen het strategisch opleidingsplan.

Artikel 3

  • 1 De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

  • 2 Het subsidieplafond bedraagt voor het subsidiejaar 2014 € 48.257.510, voor het subsidiejaar 2015 € 135.399.282, voor het subsidiejaar 2016 € 143.522.882 en voor het subsidiejaar 2017 € 148.648.699.

  • 3 Het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag wordt verdeeld volgens de formule (A / B) * C = D, waarbij wordt verstaan onder:

    • A: de Zvw-omzet van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    • B: de som van de Zvw-omzet van alle organisatorisch verbanden ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt;

    • C: het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag;

    • D: het maximum bedrag van de subsidie voor het organisatorische verband.

  • 4 In afwijking van het tweede lid bedraagt het subsidieplafond voor de universitair medische centra voor 2015 € 49.848.491 en voor de periode 2016–2017 jaarlijks € 50.574.729.

  • 5 Het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag voor de universitair medische centra wordt verdeeld volgens de in het derde lid bedoelde formule met dien verstande dat daarbij, anders dan in het derde lid, wordt verstaan onder:

    • A: de personeelskosten van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    • B: de som van de personeelskosten van alle organisatorisch verbanden ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt.

Artikel 4

  • 1 De subsidie wordt op aanvraag vastgesteld.

  • 2 De subsidieaanvrager doet opgave van de toelating in het kader van de WTZi en opgave van de personeelskosten indien het een subsidieaanvraag van een universitair medisch centrum betreft dan wel opgave van de Zvw-omzet indien het een subsidieaanvraag van een overige instelling betreft.

  • 3 De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. het strategisch opleidingsplan, tenzij de minister uit hoofde van eerder verstrekte subsidies op grond van deze regeling reeds over de actuele versie beschikt;

    • b. de jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, opgesteld conform de voor het betreffende jaar geldende versie van Richtlijn 655 Zorginstellingen en voorzien van de bijbehorende controle-, beoordelings- of samenstellingsverklaring.

  • 4 Indien de opgave, bedoeld in het tweede lid, afwijkt van de gegevens zoals vermeld in de jaarrekening, bedoeld in het derde lid geeft de subsidieaanvrager een toelichting op de afwijking. Bij het ontbreken van deze toelichting is de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, leidend voor het bepalen van de hoogte van de subsidie.

  • 5 Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 6 De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.

  • 7 De aanvraag wordt uiterlijk 1 december in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar ontvangen.

  • 8 Een aanvraag die na de termijn, bedoeld in het vorige lid, wordt ontvangen wordt afgewezen.

  • 9 Op verzoek van de minister legt de instelling over:

    • a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;

    • b. een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.

  • 10 Indien de subsidieaanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de subsidieaanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld, tenzij het niet of niet tijdig aanvullen van de aanvraag alleen betrekking heeft op de in het vierde lid genoemde toelichting.

  • 11 Indien de subsidieaanvraag niet vergezeld gaat van de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, kan, indien de subsidieaanvrager uitstel voor het indienen van die jaarrekening heeft verkregen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de minister besluiten de subsidieaanvrager voor het aanvullen van de aanvraag een langere termijn te bieden dan de in het tiende lid genoemde termijn.

  • 12 Indien aan de subsidieaanvrager overeenkomstig het elfde lid uitstel is geboden, wordt ten behoeve van de verdeling van het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag, in afwijking van artikel 3, derde respectievelijk vijfde lid, voor formuleonderdeel A, ten aanzien van de betreffende subsidieaanvrager uitgegaan van 90 % van de Zvw-omzet respectievelijk 90% van de personeelskosten. De berekening van de Zvw-omzet respectievelijk de personeelskosten wordt, in afwijking van het derde respectievelijk vijfde lid, alsdan herleid uit de jaarrekening over het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. De subsidievaststelling kan lager worden vastgesteld indien de nadien ingediende jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar daartoe aanleiding geeft.

Artikel 5

  • 1 De minister besluit binnen dertien weken na de in artikel 4, zevende lid, bedoelde termijn over de vaststelling van de subsidie.

  • 2 Het besluit tot vaststelling van de subsidie vermeldt het bedrag van de subsidie.

  • 3 De minister kan de subsidievaststelling wijzigen in verband met de ontwikkeling

    in de arbeidsvoorwaarden.

  • 4 De betaling van de subsidie wordt gelijkmatig verdeeld over het aantal kwartalen waarvoor de subsidie wordt verstrekt. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid wordt de betaling van het resterende subsidiebedrag gelijkmatig verdeeld over de resterende kwartalen.

Artikel 6

  • 1 De subsidie kan in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

    • a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

    • b. de aanvrager niet of niet geheel zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2 De subsidie kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

    • a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

    • b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 7

  • 1 De instelling besteedt de subsidie uitsluitend aan activiteiten die passen binnen het strategisch opleidingsplan.

  • 2 De instelling besteedt de subsidie niet aan activiteiten ten behoeve van de opleidingen, bedoeld in artikel 2, zesde lid.

Artikel 8

  • 1 De instelling meldt meteen aan de minister als:

    • a. het aannemelijk is geworden dat niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan of

    • b. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

  • 2 De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 9

De instelling werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen:

  • a. die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie of

  • b. voor de ontwikkeling van het beleid van de minister.

Artikel 10

De minister kan bij de verstrekking van de subsidie verplichtingen opleggen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 11

  • 1 In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt de subsidie ten behoeve van het jaar 2014 tevens verstrekt voor het opstellen van het strategisch opleidingsplan.

  • 2 In afwijking van artikel 4, derde lid, onder a, ontvangt de minister uiterlijk 1 oktober 2014 het strategisch opleidingsplan van de ontvanger van een subsidie ten behoeve van het jaar 2014.

  • 3 In afwijking van artikel 4, zevende lid, wordt de aanvraag van de subsidie ten behoeve van het jaar 2014 uiterlijk 15 februari 2014 ontvangen.

  • 4 In afwijking van artikel 5, eerste lid, besluit de minister over aanvragen voor het jaar 2014 binnen tien weken na de in het derde lid bedoelde termijn over de vaststelling van de subsidie.

  • 5 In afwijking van artikel 4, zevende lid, wordt de aanvraag van de subsidie ten behoeve van het jaar 2015 uiterlijk 15 februari 2015 ontvangen.

  • 6 In afwijking van artikel 5, eerste lid, besluit de minister over aanvragen voor het jaar 2015 binnen tien weken na de in het vijfde lid bedoelde termijn over de vaststelling van de subsidie.

  • 7 In afwijking van artikel 4, derde lid, onder a, ontvangt de minister uiterlijk 1 juli 2015 het strategisch opleidingsplan van de universitair medische centra ten behoeve van het jaar 2015.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014 en vervalt met ingang van 31 december 2017.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E.I. Schippers.