Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregel Document registratie-eisen en toetsingsprocedure 003 Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

Geldend van 17-12-2013 t/m heden

Beleidsregel Document registratie-eisen en toetsingsprocedure 003 Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (verder: Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensische deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (verder: NRGD) is gebaseerd. Het College gerechtelijk deskundigen (verder: College) formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van algemene criteria nadere eisen die specifiek zijn voor het deskundigheidsgebied. Tevens specificeert het College de toetsingsprocedure voor elk deskundigheidsgebied.

Dit document geeft de professionele eisen weer waaraan forensisch psychiaters, psychologen en orthopedagogen moeten voldoen voor registratie in het NRGD op het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (verder: FPPO). Tevens verduidelijkt dit document de toetsingsprocedure.

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van informatie, waaronder documenten (zoals zaaksrapporten en bewijsstukken), in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken.

A. Eisen voor registratie als forensisch psychiater, forensisch psycholoog en forensisch orthopedagoog

De algemene eisen van het tweede lid van artikel 12 Brdis zijn in onderstaande tekst letterlijk opgenomen (in cursief) met verwijzing naar hun respectieve aanduiding van de subleden. Bij elke algemene eis volgen de nadere, specifieke eisen voor het deskundigheidsgebied FPPO. Wanneer geen nadere specificaties zijn aangegeven, zijn de algemene eisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 Brdis vooralsnog voldoende bevonden voor dat onderdeel van het artikel en zijn geen nadere eisen nodig.

Het tweede lid van artikel 12 Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College: 12(2) a. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen1 deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Een aanvrager dient:

  • 1. als algemene basis2:

    • a. met goed gevolg een gedragswetenschappelijke Master/Doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en eveneens met goed gevolg een postacademische opleiding te hebben afgerond waarin in voldoende mate aandacht is besteed aan de diagnostiek van psychopathologie en de behandeling daarvan, zowel in theorie als praktijk. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een (eerdere) relevante registratie in het BIG-register, in het NIP-register of het NVO-register.

      of
    • b. met goed gevolg een geneeskundige Master/Doctoraal opleiding aan een universiteit te hebben afgerond en tevens psychiater te zijn.

    • c. de ontwikkelingen van de wetenschappelijke literatuur bij te houden.

  • 2. als forensische basis:

    in de afgelopen 4 jaren een minimum van 8 rapporten te hebben opgemaakt.

12(2) b. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

Een aanvrager dient:

  • voldoende kennis van zowel het jeugd- en het meerderjarigen strafrecht te bezitten om een opdrachtgever te informeren over de reikwijdte van het eigen deskundigheidsgebied en de opdrachtgever door te verwijzen indien de eigen deskundigheid in een specifieke zaak niet geëigend is.

  • voldoende kennis van het Nederlandse recht te hebben om adequaat te functioneren als deskundige, waaronder minimaal de volgende elementen:

    • o context van het strafrecht

      • Trias Politica, onderscheid privaat-, bestuurs- en strafrecht

    • o kennis van het straf(proces)recht;

      • gerechtelijk vooronderzoek en dwangmiddelen;

      • procesfasen

      • sancties (straffen en vrijheidsbenemende maatregelen);

      • vanuit gedragskundig perspectief relevante strafuitsluitingsgronden (ontoerekeningsvatbaarheid; psychische overmacht; noodweer en noodweerexces);

      • juridische (strafrechtelijke) kaders voor behandeling van justitiabelen en de rol van de ketenpartners (reclassering, openbaar ministerie en NIFP) in de toeleiding naar zorg.

    • o voor registratie op het gebied van het jeugdstrafrecht tevens:

      • grondslagen jeugdstrafrecht

      • jeugdsanctiestelsel;

      • toepassing meerderjarigen- en jeugdstrafrecht bij respectievelijk minderjarigen en meerderjarigen (criteria en praktijk);

      • ketenpartners jeugdveld (Kinderrechter, Raad voor de Kinderbescherming, jeugdreclassering, Bureau Jeugdzorg);

      • jeugdbeschermingsrecht (OTS);

    • o kennis van het strafprocesrecht;

      • actoren in de strafrechtsketen (taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden)

      • regelgeving deskundige in het Wetboek van Strafvordering (positie en bevoegdheden opdrachtgever, rechtspositie deskundige, positie en bevoegdheden van verdachte en advocaat, vormen van tegenonderzoek, deskundigenregister in de strafrechtelijke context);

      • wettelijke besluitvormingskader van de rechter in de strafzaak (beslissingsschema art. 350 Sv), ook met het oog op de relevantie van de opdracht aan de deskundige en op de vraagstelling;

      • verloop van de strafzaak ter zitting en de positie van de deskundige in de rechtsgang;

    • o voor registratie op het gebied van het jeugdstrafrecht tevens kennis van:

      • specifieke bepalingen voor jeugdigen;

      • positie van de ouders van de jeugdige in het strafproces;

      • landelijk kader forensische diagnostiek in de jeugdzorg.

    • o kennis van de juridische context van de kwaliteitsborging deskundige en onderzoek;

      • positie en rol van ketenpartners bij de kwaliteitsborging van de rapportage;

      • wettelijk tuchtrecht, relevante onderliggende regelgeving (Wet BIG, WGBO, beroepscodes en gedragscodes), relevante jurisprudentie (rechtspositie justitiabelen, geheimhoudingplicht, zorg en rapportage, medewerking weigerende justitiabelen, ontkennende verdachten) en de doorwerking daarvan op de positie van de rapporteur

      • beroepscodes en verwante regelgeving in relatie tot de Gedragscode gerechtelijk deskundigen.

  • voldoende forensisch competent en ervaren te zijn, waaronder minimaal:

    • o inzicht in de rechtspositionele verschillen tussen hulpverlener-patiënt relatie en de relatie rapporteur-justitiabele en het vermogen naar dat inzicht te handelen.

12(2) c. (...) In staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden. 12(2) d, e en f
  • d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;

  • e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;

  • f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Een aanvrager dient:

  • bekend te zijn met de kaders van het onderzoek, waaronder minimaal het volgende:

    • o bekendheid met richtlijnen voor het verrichten van forensisch onderzoek vanuit het eigen deskundigheidsgebied;

    • o bekendheid met de vigerende formats en de achtergronden daarvan, en in staat deze toe te passen in de eigen onderzoek- en rapportagepraktijk;

    • o gecertificeerd te zijn daar waar certificering bestaat voor de toepassing van bepaalde methoden en technieken;

  • algemene kennis en vaardigheden van onderzoek op bovenvermeld gebied te bezitten, waaronder minimaal het volgende:

    • o kennis van en ervaring met het effect van het verblijf in een gesloten justitiële setting op de psychische gesteldheid van de onderzochte;

    • o inzicht in de beperkingen die de strafrechtelijke vervolging en het verblijf in een justitiële inrichting met zich brengt voor de uitvoering van het gedragskundig onderzoek;

    • o in staat zijn tot exploratieve en directieve/confronterende gespreksvoering;

    • o het vermogen om binnen de forensische context, in opdracht van een derde en gegeven een relatief beperkte contactduur met de onderzochte, een werkrelatie op te bouwen en op professionele wijze af te ronden;

    • o kunnen omgaan met emotioneel belastende situaties (angst, dreiging, afkeer,(tegen-)overdracht);

    • o in staat zijn het advies te bespreken, in het bijzonder een voor de onderzochte onwelgevallig advies;

    • o het bewustzijn van de eigen veiligheid;

    • o in staat zijn tot multidisciplinaire samenwerking, dat wil zeggen met onder andere gedragsdeskundigen, juristen en reclassering.

  • te beschikken over specifieke kennis en vaardigheden gerelateerd aan de vraagstelling, waaronder minimaal het volgende:

    • o Algemeen:

      • inzicht en vermogen om vanuit de psychologische/psychiatrische diagnostiek de vertaalslag te maken naar de forensisch relevante vragen (toerekening, risicoprognose en risicomanagement; forensische zorgprognose en responsiviteit);

      • kunnen omgaan met diverse culturele achtergronden en deze relateren aan diagnostiek en advies;

      • testtheoretische kennis en kennis van de mogelijkheden en beperkingen van testmaterialen.

    • o Diagnostiek:

      • kennis van en ervaring met het diagnostisch proces in een forensische context (attributie, (dis)simulatie, interactie en de mogelijkheden en beperkingen van testmaterialen);

      • specifieke kennis van en ervaring met het beloop van in de forensische psychiatrie voorkomende ziektebeelden;

      • uitkomsten van testen kunnen interpreteren in een forensische context.

    • o Oordeelsvorming:

      • kennis van redeneer- en beslisprocessen, van determinanten van het oordeel, van processen van beïnvloeding in de oordeelsvorming en van de feilbaarheid van het menselijk oordeel.

    • o Relatie stoornis-delict:

      • in staat zijn tot uitvragen van het delict en in staat zijn tot het verwoorden van een delictanalyse;

    • o Risicotaxatie:

      • kennis en beheersing van het state of the art opstellen van een risicoprognose (klinisch gestructureerd);

      • kennis van de gangbare risicotaxatie-instrumenten alsmede het bewustzijn van de mogelijkheden en beperkingen van risicotaxatie-instrumenten;

    • o Gedragsinterventies:

      • kennis van de mogelijke zorgarrangementen voor de forensische populatie en in staat een advies te geven aangaande het type behandeling en de mate van beveiliging;

      • inzicht in de effectiviteit (of het ontbreken daarvan) van behandelingen van psychologische en psychiatrische problematiek in de forensische setting;

      • vermogen tot inschatting van de behandelresponsiviteit van betrokkene;

      • kennis van de praktijk van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen;

      • kennis van de organisatie van de psychomedische zorg binnen een gesloten justitiële setting;

      • kennis van het proces van indicatiestelling voor de forensische zorg.

12(2) g. (...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

  • in staat te zijn een taalkundig correct en, ook voor niet vakgenoten, begrijpelijk en leesbaar rapport te schrijven en daarbij neutrale, niet onnodig (dis)kwalificerende formuleringen te gebruiken;

  • in staat te zijn bij de opzet en de indeling van het rapport de principes van de vigerende formats toe te passen;

  • zich bij het rapporteren steeds bewust te zijn van de reikwijdte van het rapport, zoals de beeldvorming die de rapportage van de onderzochte kan oproepen en de consequenties daarvan voor de besluitvorming van de rechter (bijvoorbeeld in de sfeer van de bewijsvoering);

  • in staat te zijn op heldere wijze voorlichting over het deskundigheidsgebied en de onderzoeksbevindingen te geven aan de gerechtelijke instantie die daarom verzoekt.

12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn. 12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

[Zie de op de website van het NRGD gepubliceerde Gedragscode NRGD die door het College gerechtelijk deskundigen is vastgesteld.]

B. Toetsingsprocedure voor FPPO

Om te beoordelen of een forensisch psychiater, psycholoog of orthopedagoog voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied FPPO en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

De beoordeling geschiedt op basis van:

  • algemene elementen als ingeleverd door de aanvrager als onderdeel van hetaanvraagpakket.

  • bewijsstukken van competentie als ingeleverd door de aanvrager waaronder

A. verplicht:

  • o een lijst van minimaal 8 zaaksrapporten opgemaakt in de afgelopen 4 jaar waarin door de aanvrager tenminste is aangegeven:

    • het type zaak:

      • geweld, levensdelict of een delict met bedreiging tegen het leven gericht

      • zedendelict

      • vermogensdelict

    • of het mono- of multidisciplinair onderzoek betrof

    • of overleg met ketenpartners is gepleegd

    • of aanvrager is opgetreden in de rechtzaal

  • o 3 gedetailleerde zaaksrapportages geselecteerd door het NRGD uit de lijst van minimaal 8 rapportages;

B. indien aanwezig:

  • o certificaat van rapporteuropleiding;

  • o bewijsstukken van registraties in relevante registers;

  • o certificaten van of autorisaties voor bepaalde methoden en technieken;

  • o bewijsstukken van collegiale feedback op gemaakte zaakrapporten;

  • o één gedetailleerd zaaksrapport naar eigen voorkeur in aanvulling op de zaaksrapporten geselecteerd door het NRGD.

Aanvragers worden getoetst door een toetsingsadviescommissie van tenminste drie personen. Een toetsingsadviescommissie bestaat in beginsel uit een jurist, een psychiater en een psycholoog/orthopedagoog, met dien verstande dat bij voorkeur tenminste één vakgenoot van de desbetreffende aanvrager zitting heeft in de toetsingsadviescommissie.

Beleidskader voorwaardelijke registratie FPPO – versie 1.2

Het College kan besluiten iemand te registreren of af te wijzen. Daarnaast kan het College een aanvrager voorwaardelijk registreren.

Een voorwaardelijke registratie ziet op de kennis die een aanvrager heeft van de juridische context van zijn werkzaamheden als gerechtelijk deskundige. Op advies van de toetsers heeft het College de gronden voor voorwaardelijke registraties nader ingevuld voor dit deskundigheidsgebied.

Een aanvrager kan voorwaardelijk worden geregistreerd indien:

  • hij nog niet voldoende kennis en ervaring heeft in het rechtsgebied waarin hij werkzaam is en nog onvoldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin;

waaronder mede wordt begrepen dat de aanvrager op zich wel voldoende, maar nog niet volledig voldoet aan de volgende eisen:

  • de aanvrager beschikt over het inzicht en vermogen om vanuit de psychologische/psychiatrische diagnostiek de vertaalslag te maken naar de forensisch relevante vragen (toerekening, risicoprognose en risicomanagement, forensische zorgprognose en responsiviteit);

  • de aanvrager kan uitkomsten van tests interpreteren in een forensische context;

  • met betrekking tot de relatie stoornis-delict is de aanvrager in staat tot het uitvragen van het delict en is in staat tot het verwoorden van een delictanalyse;

  • de aanvrager beschikt over kennis van de praktijk van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen;

  • is de aanvrager zich bij het rapporteren steeds bewust van de reikwijdte van het rapport, zoals de beeldvorming die de rapportage van de onderzochte kan oproepen en de consequenties daarvan voor de besluitvorming van de rechter (bijvoorbeeld in de sfeer van de bewijsvoering).

Wanneer een aanvrager niet voldoet aan de vereiste ondergrens van competenties werd en zal de aanvraag tot registratie worden afgewezen.

Wanneer een aanvrager voorwaardelijk geregistreerd wordt, ontvangt hij bij de beschikking van het College het advies van de toetsingsadviescommissie. In het advies staan de elementen, die aanleiding gaven tot de voorwaardelijke registratie, concreet omschreven. De voorwaardelijke periode kan de aanvrager gebruiken om zich te verbeteren op deze punten alvorens zijn/haar competenties als forensisch rapporteur nogmaals te laten toetsen.

Het NRGD is bezig de procedure omtrent de voorwaardelijke registratie nader uit te werken. Het College heeft inmiddels de volgende kaders vastgesteld.

  • De termijn voor voorwaardelijke registratie is ten hoogste 2 jaren, met uitzondering van buitenlandse aanvragers die niet bekend zijn met het Nederlandse rechtssysteem. Indien een aanvrager van mening is dat hij aan de voorwaarden voldoet, mag hij zich voor ommekomst van de termijn voor toetsing beschikbaar stellen;

  • Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager zelf om – aan de hand van de verbeterpunten – invulling te geven aan de kwaliteitsverbetering teneinde aan de voorwaarden te kunnen voldoen;

  • Een geactualiseerd CV dient te worden overlegd;

  • Kopieën van in de voorwaardelijke periode behaalde diploma’s/certificaten of lidmaatschap van een relevante instantie moeten ingestuurd worden;

  • Een viertal nieuwe zaaksrapporten dient te worden ingestuurd, die naar de mening van de aanvrager aantonen dat hij/zij voldoet aan de registratie-eisen.

Addendum bij 003 registratie-eisen en toetsingsprocedure forensische psychiatrie, forensische psychologie en forensische orthopedagogiek

De kwaliteitseisen geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Besluit register deskundige in strafzaken (verder: Brdis) vormen de algemene criteria waarop de toetsing van forensisch deskundigen bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (verder: NRGD) is gebaseerd. In het document Registratie-eisen en toetsingprocedure voor het deskundigheidsgebied Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (verder: FPPO) staan de door het College gerechtelijk deskundigen (verder: College) vastgestelde professionele eisen vermeld waaraan forensisch psychiaters, psychologen en orthopedagogen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor registratie in het NRGD. Naar aanleiding van de eerste toetservaringen heeft het College het wenselijk geacht een nadere toelichting te geven op enkele onderdelen van de Registratie-eisen.

Leeswijzer: in cursief wordt verwezen naar de tekst respectievelijk de pagina’s van het Document Registratie-eisen en toetsingsprocedure FPPO waarop de toelichting betrekking heeft.

1. Artikel 12, tweede lid onder a Brdis, pagina 3

(...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Binnen de verschillende beroepsopleidingen worden diagnostische vaardigheden geleerd. Uitgangspunt is dat rapporteurs op dit gebied bekwaam worden geacht te zijn. Voor de toetsing door het NRGD gaat het nadrukkelijk niet om een herwaardering van de basisvaardigheden van psychiaters, psychologen of orthopedagogen, maar om de toepassing van die vaardigheden in de forensische context c.q. een toetsing van de forensische deskundigheid van de rapporteur. De onderbouwing van de diagnose in het rapport en de (eventuele) doorwerking van de diagnose in de ten laste gelegde feiten zijn aspecten die de toetsingsadviescommissie bij haar oordeel zal betrekken.

2. Artikel 12, tweede lid onder d, e en f Brdis, pagina 4, 5 en 6

  • d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;

  • e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;

  • f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Onder 5.3 Registratie-eisen FPPO: Een aanvrager dient:
  • bekend te zijn met de kaders van het onderzoek, waaronder minimaal het volgende:

    • o bekendheid met richtlijnen voor het verrichten van forensisch onderzoek vanuit het eigen deskundigheidsgebied;

      (...)

    • o Risicotaxatie:

      • kennis en beheersing van het state of the art opstellen van een risicoprognose (klinisch gestructureerd);

      • kennis van de gangbare risicotaxatie-instrumenten alsmede het bewustzijn van de mogelijkheden en beperkingen van risicotaxatie-instrumenten;

(...)

Ten aanzien van de bekendheid van de rapporteur met de richtlijnen merkt het College het volgende op. Gelet op de praktijk is het op dit moment voor de toetsing door het NRGD geen harde eis dat een rapporteur de onderzochte zelf minimaal twee keer gezien moet hebben. Omdat dit wel in de geldende richtlijnen is opgenomen, dient de rapporteur in het rapport afwijking daarvan te onderbouwen.

Wat betreft de specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de risicotaxatie is het op dit moment ook geen harde eis dat gebruik moet worden gemaakt van een risicotaxatie-instrument om een TBS advies te kunnen geven. Het gaat er bij de toetsing om dat een rapporteur in diens rapporten zijn redenering uitlegt c.q. een onderbouwing geeft van de risicoprognose conform de state-of-the-art in het veld en dat hij zich daarbij bewust is van de voordelen en de beperkingen van de resultaten van risicotaxatie-instrumenten.

3. Artikel 12 tweede lid onder g Brdis, pagina 6 en 7

(...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Getoetst wordt of een rapporteur goede rapporten schrijft, niet of in de rapportage wel of geen gebruik is gemaakt van een format. Formats zijn hulpmiddelen en daarmee van nut voor de totstandkoming van het rapport.

4. Toetsingsprocedure FPPO, pagina 8 en 9

Ten aanzien van de rapportages die de aanvrager dient te overleggen, merkt het College op dat hoewel het NIFP feedback levert op rapportages, de toetsing door het NRGD hier helemaal los van staat. Rapporteurs zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de eigen rapporten.

Tot slot wijst het College erop dat de kennis en ervaring die is benodigd voor de categorieën Strafrecht jeugdigen en Strafrecht volwassenen zodanig uiteen lopen dat het tot de mogelijkheden behoort dat een aanvrager voor de ene categorie wel, maar voor de andere categorie niet wordt geregistreerd. Deze categorieën zijn immers aangemerkt als aparte deskundigheidsgebieden. Gedacht wordt hierbij aan verschillen in onderzoeksmethoden, gebruikte testen, diagnostiek, kennis van ontwikkeling(stadia), de betreffende rechtscontext, behandelmogelijkheden en in ketenpartners. Aanvragers die zich voor beide categorieën inschrijven worden voor elke categorie apart getoetst. Bij de samenstelling van de toetsingsadviescommissies wordt uiteraard zoveel mogelijk rekening gehouden met het specialisme van de vakinhoudelijke toetsers.

  • ^ [1]

    Het betreft hier respectievelijk Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek.

  • ^ [2]

    Het College zal op termijn hieraan toevoegen dat een aanvrager op dit deskundigheidsgebied een forensisch rapporteuropleiding met goed gevolg dient te hebben afgerond.