Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing inverzekeringstelling

Geldend van 01-11-2013 t/m heden

Aanwijzing inverzekeringstelling

Samenvatting

Deze aanwijzing geeft regels en uitgangspunten over:

  • de termijn van de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan;

  • de aansluitende inverzekeringstelling;

  • de toelating van raadslieden tot meer in verzekering gestelde verdachten en;

  • het hoger beroep tegen de onrechtmatigverklaring van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris.

In het belang van het onderzoek kan de aangehouden verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gedurende maximaal drie dagen in verzekering worden gesteld. Hoewel het streven erop moet zijn gericht het onderzoek binnen deze termijn te voltooien, kan de officier van justitie de termijn eenmaal met ten hoogste drie dagen verlengen. In zaken waarin meer verdachten tegelijk in verzekering zijn gesteld die worden bijgestaan door één raadsman, kan de officier van justitie toepassing geven aan artikel 50 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv).

Binnen drie dagen en 15 uren, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, moet de verdachte voor de rechter-commissaris worden geleid ter toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Hoewel aansluitende inverzekeringstelling onder strikte voorwaarden is toegestaan, is de termijn van voorgeleiding het uitgangspunt; de verdachte mag door aansluitende inverzekeringstelling niet van de rechter worden ‘afgehouden’.

Tegen een onrechtmatigverklaring van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris is weliswaar hoger beroep opengesteld, maar die bevoegdheid moet met terughoudendheid gebruikt worden.

Opsporing

1. Overleg met de officier van justitie

Na aanhouding van de verdachte vindt spoedig overleg plaats met de officier van justitie over de vraag of:

  • de verdachte na de inverzekeringstelling – al dan niet met een dagvaarding of strafbeschikking – in vrijheid kan worden gesteld;

  • de inverzekeringstelling zal worden verlengd;

  • in de eerste fase van de inverzekeringstelling aansluitend de bewaring zal worden gevorderd.

In de laatste twee gevallen doet de officier van justitie spoedig het verzoek aan de rechter-commissaris om tijd en plaats van het verhoor van de verdachte te bepalen, zoals bedoeld in artikel 59a lid 2 en artikel 60 Sv. Het verzoek wordt (ook) bij de voorgeleidingsstukken gevoegd.

2. De inverzekeringstelling

Uitgangspunt is dat het opsporingsonderzoek tijdens de eerste dagen van inverzekeringstelling voor zover mogelijk is voltooid, in ieder geval in zoverre dat de officier van justitie kan beoordelen of de verdachte in vrijheid kan worden gesteld dan wel voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In het laatste geval kan de officier van justitie direct de bewaring vorderen1, zodat deze vordering direct na de rechtmatigheidstoetsing ex artikel 59a Sv door de rechter-commissaris kan worden behandeld. Hiermee wordt ook voorkomen dat de verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moet worden geleid: eerst in verband met de rechtmatigheidstoetsing ex artikel 59a Sv, en vervolgens – na verlenging van de inverzekeringstelling opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.

De bevoegdheid tot het verlengen van het bevel tot inverzekeringstelling komt bij uitsluiting toe aan de officier van justitie. Zij kan niet worden gemandateerd aan een politieambtenaar of parketsecretaris. Over het verlengen kan al ver voor het verlopen van de termijn van inverzekeringstelling door de officier van justitie worden beslist (art. 59 lid 1 Sv). Uitreiking van de verlenging aan de verdachte kan door de hulpofficier van justitie al vóór het verstrijken van de inverzekeringstelling geschieden.

Vooral in gevallen waarin direct duidelijk is dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met de zwaarte van de zaak of de wenselijkheid van een snelrechtafdoening, kan in de regel al tijdens de eerste termijn van inverzekeringstelling de bewaring worden gevorderd, of – als de verdachte nog tijdens die eerste termijn van de inverzekeringstelling terecht staat – de gevangenneming. Met het oog op vrijheidsbeneming zonder onderbreking is daarbij een belangrijk punt van aandacht, dat de rechter-commissaris, respectievelijk de vonnisrechter, zijn oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming en zijn beslissing op de vordering tot voorlopige hechtenis nog kan geven binnen de eerste termijn van de inverzekeringstelling. Bij ‘krapte’ in de termijn van 87 uren, kan het soms dringend noodzakelijk zijn, dat de inverzekeringstelling door de officier van justitie wordt verlengd.

Verlenging van de inverzekeringstelling met drie dagen ligt – als uitzondering op de hoofdregel – vooral in de rede in gevallen waarin het opsporingsonderzoek niet binnen drie dagen kan worden voltooid, terwijl (nog) geen voldoende reden bestaat voor het vorderen en geven van een bevel tot bewaring. In zo’n geval wordt de verdachte dus wél twee keer voor de rechter-commissaris geleid: bij gelegenheid van de rechtmatigheidstoetsing ex artikel 59a Sv en bij de behandeling van de vordering tot bewaring, op enig moment voor het aflopen van de verlengde inverzekeringstelling.

3. Aansluitende inverzekeringstelling

Het kan gerechtvaardigd zijn dat een verdachte na een (verlengde) inverzekeringstelling aansluitend nogmaals in verzekering wordt gesteld, voor andere strafbare feiten dan waarvoor de oorspronkelijke inverzekeringstelling plaatsvond. Daarbij geldt het volgende.

3.1. Uitgangspunt

Een aansluitende inverzekeringstelling is binnen de grenzen van de wettelijke mogelijkheden en mede gelet op de uitspraken van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens slechts toelaatbaar in die gevallen waarin aan de volgende drie cumulatieve eisen is voldaan:

  • a. tijdens de eerste inverzekeringstelling is een nieuwe verdenking gerezen dat de verdachte zich, al dan niet in een ander arrondissement, heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en er zijn ook

  • b. gewichtige redenen, gelegen in het belang van de opsporing, die nopen tot deze handelwijze, terwijl

  • c. ter zake van de eerdere feiten de bewaring nog niet kon worden gevorderd en aan een vordering tot bewaring ter zake van de later opgekomen verdenking nog nader onderzoek vooraf moet gaan.

Volledig uitsluiten van aansluitende inverzekeringstellingen is in de praktijk niet mogelijk. Een verdachte tegen wie tijdens een eerste inverzekeringstelling nieuwe verdenkingen rijzen zou, als voor de eerder gebleken feiten bewaring niet kan worden gevorderd, eerst in vrijheid gesteld moeten worden om direct daarna weer te worden aangehouden op grond van een tijdens de eerste termijn van de inverzekeringstelling gerezen verdenking.

Gezien het beperkt aantal gevallen waarin tot dusverre een aansluitende inverzekeringstelling plaatsvond en de verscheidenheid daarvan lijkt het voorshands niet noodzakelijk, zoal mogelijk, de hiervoor onder b. genoemde gewichtige redenen in het belang van de opsporing nader te definiëren.

Een algemene waarborg voor de uitzonderlijke situatie waarin de aansluitende inverzekeringstelling kan plaatsvinden, kan gevonden worden in het voorschrift dat de hulpofficier van justitie daartoe vooraf de toestemming van de officier van justitie behoeft.

Als de verdachte na heenzending nogmaals in verzekering wordt gesteld, dient uitgangspunt te blijven dat hij binnen drie dagen en 15 uren, te rekenen vanaf het tijdstip van de eerste aanhouding (feit a), ter toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming voor de rechter-commissaris wordt geleid. Als de verdachte voor het eerste feit wordt heengezonden, direct voor het nieuwe feit (feit b) wordt aangehouden en in verzekering gesteld, gaat de drie dagen en 15 uren weer opnieuw lopen, namelijk vanaf het moment van aanhouding voor feit b.

3.2. Verdenking vóór of tijdens aanhouding

In de gevallen waarin al vóór of tijdens de aanhouding de verdenking bestaat dat de verdachte zich al dan niet in hetzelfde arrondissement heeft schuldig gemaakt aan meer strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdraagt een aansluitende inverzekeringstelling zich niet met de geest en systematiek van het Wetboek van Strafvordering. In deze situaties moet in overleg en samenwerking tussen de betrokken recherchediensten en, in daartoe aangewezen gevallen, met de betrokken parketten van het Openbaar Ministerie het onderzoek in deze gevallen, zoveel mogelijk gevoegd, binnen de eerste termijn

  • worden afgerond of, als dit niet ten aanzien van alle feiten mogelijk blijkt,

  • in het kader van de bewaring gevorderd voor één of meer van deze feiten, voortgezet worden.

4. Toelating raadslieden tot meer in verzekering gestelde verdachten

Wanneer meerdere verdachten in een zaak dezelfde raadsman hebben, kan zich de in artikel 50 lid 2 Sv bedoelde situatie voordoen waarbij het vrij verkeer tussen raadsman en verdachte ertoe kan leiden dat de verdachte bekend wordt met een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven. De toenmalige minister van Justitie heeft bij de invoering van het huidige Wetboek van Strafvordering daarover het volgende verklaard:

Zijn er in een zaak meerdere verdachten die alle dezelfde raadsman hebben, dan zal dientengevolge het vrije verkeer tussen de raadsman en de verdachten vanzelf strekken om tussen de verklaringen der onderscheidene verdachten tegenstrijdigheden welke tot de opsporing van de waarheid zouden kunnen bijdragen, weg te nemen of te voorkomen.’

Het moet daarom buiten twijfel geacht worden, dat de officier van justitie in de fase van de inverzekeringstelling in dit soort gevallen van de hem in artikel 50 lid 2 Sv gegeven bevoegdheid gebruik kan maken, wanneer het belang van het onderzoek dat eist.

Als in een zaak beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv zijn opgelegd, blijft artikel 50 Sv onverkort van toepassing. De bevoegdheid om de raadsman de toegang tot de in verzekering gestelde verdachte te ontzeggen, komt daarom uitsluitend toe aan de officier van justitie.

In de opsporingsfase, waartoe de inverzekeringstelling behoort, beschikt de officier van justitie doorgaans nog over weinig of geen informatie over de aard en de toedracht van een zaak en de bijzonderheden die zich bij het opsporingsonderzoek voordoen. Om te kunnen beoordelen of de officier van justitie van de hem in artikel 50 lid 2 Sv gegeven bevoegdheid gebruik zal maken, dient hij wel over zodanige informatie te beschikken. Dat betekent daarom dat de politie in daarvoor in aanmerking komende gevallen, de officier van justitie in de gelegenheid moet stellen van de hier bedoelde bevoegdheid gebruik te maken. De politie heeft in dit opzicht daarom, zij het geen beslissende taak, wel een informatieve taak. In de hier bedoelde fase zal de politie de raadsman naar de officier van justitie moeten verwijzen om van hem de beslissing te vernemen.

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

  • ^ [1]

    Als de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig heeft geoordeeld en de verdachte onmiddellijk in vrijheid heeft gesteld, kan de officier van justitie tegen de beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling op de voet van artikel 59c lid 1 Sv hoger beroep instellen. Het gevolg van een beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling kan worden tegengegaan door – conform het streven – al tijdens de de voorgeleiding ex art. 59a Sv de vordering tot bewaring te doen. Een gebrek dat aan de inverzekeringstelling kleeft, vormt geen zelfstandige grond voor afwijzing van die vordering (HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 510). Steeds moet afzonderlijk worden beoordeeld of aan de wettelijke voorwaarden voor het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis is voldaan (HR 10 november 1981, NJ 1982, 45).