Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling cofinanciering sectorplannen[Regeling vervalt per 01-01-2020.]

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 augustus 2013, 2013-0000110985, tot cofinanciering van sectorplannen (Regeling cofinanciering sectorplannen)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 2, 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aantal arbeidsjaareenheden: het aantal bij de organisatie gedurende een jaar voltijds werkende werknemers op grond van een arbeidsovereenkomst of een aanstelling in openbare dienst, waarbij deeltijdarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden wordt uitgedrukt, en dienstverbanden op grond van een BBL niet worden meegerekend;

  • aanvraagtijdvak: een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen tot cofinanciering van sectorplannen kunnen worden ingediend;

  • algemene opleiding: een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;

  • arbeidsmarktregio: een arbeidsmarktregio die is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

  • arbeidsorganisatie: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

  • BBL: beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • branche: een tak van een handel of nijverheid binnen een sector;

  • CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;

  • centrale werkgeversorganisatie: een organisatie van werkgevers die is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;

  • cofinanciering: het percentage van de kosten in de begroting van het sectorplan dat op grond van deze regeling wordt gesubsidieerd;

  • hoofdaanvrager: de rechtspersoon die namens een samenwerkingsverband een sectorplan indient en de subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

  • kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • kwetsbare werknemer: een persoon die ouder is dan 55 jaar, of in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of niet in het bezit is van een startkwalificatie;

  • loonkosten: het brutoloon van de werknemer vermeerderd met een percentage van 32% van dit brutoloon;

  • maatregelen: alle activiteiten die tot realisatie van de doelen van het sectorplan leiden;

  • de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • langdurig werkloze jongere: een persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan 27 jaar en die geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad in de voorafgaande zes maanden;

  • MKB-bedrijf: een onderneming waar op 31 december 2012 minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de meest recente jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt;

  • O&O-fonds: een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die commerciële economische activiteiten uitoefent;

  • oudere werknemer: een werknemer, ouder dan 55 jaar, doch jonger dan de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

  • potentiële werknemer: een langdurig werkloze jongere, die bij een arbeidsorganisatie werkervaring opdoet gedurende een periode van maximaal zes maanden, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst, aanstelling in openbare dienst of als zelfstandige en aan wie een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst in het vooruitzicht is gesteld;

  • prestatie: de daadwerkelijk uitgevoerde maatregelen;

  • project: het geheel van gelijksoortige maatregelen, dat wordt uitgevoerd door een onderneming of arbeidsorganisatie en dat wordt gesubsidieerd op grond van deze regeling;

  • regeling: de Regeling cofinanciering sectorplannen;

  • reguliere betaalde betrekking: een betaalde betrekking voor de duur van meer dan een maand op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst voor gemiddeld minstens 20 uur per week;

  • samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werkgeversorganisaties en een of meer werknemersorganisaties;

  • sector: een sector die is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

  • sectorplan: een door een hoofdaanvrager namens een samenwerkingsverband ingediend plan met maatregelen voor knelpunten die blijkens een sectoranalyse in de betreffende sector aanwezig zijn;

  • startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • subsidiabele activiteiten: alle maatregelen in het sectorplan die voor cofinanciering in aanmerking komen;

  • werknemer: persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer, uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder personeel;

  • werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;

  • werknemersorganisatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling;

  • wettelijk minimumloon: de aanspraak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of het percentage hiervan, bedoeld in de artikelen 2 of 3 van het Besluit minimumjeugdloon.

Artikel 1.2. Financiering sectorplannen

  • 1 De sectorplannen worden gefinancierd uit de eigen middelen van de in het sectorplan betrokken werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties en de arbeidsorganisaties en werknemers waarop het sectorplan betrekking heeft.

  • 2 Onder eigen middelen van arbeidsorganisaties wordt niet verstaan middelen die voor dezelfde activiteiten als subsidie of uit private fondsen zijn verstrekt, met uitzondering van de middelen die uit een O&O-fonds zijn verstrekt.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op in Nederland gevestigde rechtspersonen die een of meer subsidies ontvangen als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die tezamen meer bedragen dan 50% van de jaarlijkse inkomsten van de rechtspersoon, met uitzondering van naamloze en besloten vennootschappen die een op winst gerichte onderneming drijven.

  • 4 De minister stelt middelen beschikbaar voor de cofinanciering van maatregelen in sectorplannen teneinde subsidie te verlenen in de jaren 2013 tot en met 2015.

  • 5 Maatregelen in sectorplannen komen voor een maximale termijn van twee aaneengesloten jaren voor cofinanciering in aanmerking. De aanvang van deze termijn kan niet eerder liggen dan na publicatie van deze regeling in de Staatscourant.

Artikel 1.2a. Verlenging looptijd sectorplannen

  • 1 De minister kan op verzoek van de hoofdaanvrager eenmalig de looptijd van een sectorplan met maximaal zes maanden verlengen, waarbij artikel 1.2, vijfde lid, onverminderd van toepassing blijft.

  • 2 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder ingediend dan het moment waarop het tussentijds voortgangsverslag, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, is overlegd en niet later dan het moment waarop 24 maanden zijn verstreken na de datum van de subsidiebeschikking.

Artikel 1.3. Toepasselijkheid Algemene regeling SZW-subsidies

Op deze regeling is de Algemene regeling SZW-subsidies van toepassing voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken.

Artikel 1.4. Subsidieplafond

  • 1 De minister stelt 440 miljoen EUR beschikbaar voor de cofinanciering van sectorplannen, welk bedrag wordt onderverdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor de tijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds.

  • 2 De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan vooraf door de minister in de Staatscourant mededeling gedaan met vermelding van het subsidieplafond voor dat aanvraagtijdvak.

Artikel 1.5. Verdeling

  • 1 Voor het bepalen van het bereiken van het subsidieplafond binnen een aanvraagtijdvak, worden de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen een volledige subsidieaanvraag in behandeling wordt genomen. Van een volledige subsidieaanvraag is sprake wanneer wordt voldaan aan artikel 2.3.

  • 2 Wanneer de hoofdaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag tot cofinanciering aan te vullen, geldt als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot cofinanciering.

Artikel 1.6. Mandaat directeur Agentschap SZW

  • 1 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van deze regeling, waaronder begrepen:

    • a. het verlenen van subsidies

    • b. het vaststellen van subsidies, verleend op grond van deze regeling

    • c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen

  • 2 De directeur van het Agentschap SZW kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, in een door hem te bepalen omvang mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening

Artikel 2.1. Het samenwerkingsverband

  • 1 Een sectorplan wordt opgesteld door een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werknemersorganisaties en een of meer werkgeversorganisaties.

  • 2 Het samenwerkingsverband kan in afwijking van het eerste lid bestaan uit een of meer werknemersorganisaties en meerdere bij een werkgeversorganisatie aangesloten arbeidsorganisaties.

  • 3 De samenwerking kan worden georganiseerd binnen of tussen een of meer sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.

  • 4 De samenwerking wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen.

Artikel 2.2. De hoofdaanvrager

  • 1 De hoofdaanvrager dient namens een samenwerkingsverband een sectorplan in en vraagt hiervoor subsidie aan.

  • 2 De hoofdaanvrager toont aan dat de aanvraag wordt ingediend namens een samenwerkingsverband waarvan de betrokken partijen in staat zijn om het sectorplan binnen de gestelde tijd uit te voeren.

  • 3 De hoofdaanvrager toont aan dat hij gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

  • 4 Als hoofdaanvrager kan optreden:

    • een werkgeversorganisatie;

    • een werknemersorganisatie;

    • een O&O-fonds; of

    • een Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

  • 5 De hoofdaanvrager toont aan te beschikken over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.

  • 6 Indien de hoofdaanvrager niet beschikt over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, stelt het samenwerkingsverband zich garant voor een bedrag van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.

  • 7 Indien het aanwijzen van een hoofdaanvrager als bedoeld in het vierde lid niet mogelijk is, kan een sectorplan eveneens worden ingediend door een andere organisatie die als hoofdaanvrager optreedt, indien die daarbij aantoont:

    • a. dat het aanwijzen van één van de organisaties, genoemd in het vierde lid, voor de desbetreffende arbeidsmarktregio, sector of branche niet mogelijk is; en

    • b. dat het samenwerkingsverband zich garant stelt voor ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.

Artikel 2.3. De aanvraag

  • 1 Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt ten minste 250.000 EUR, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.

  • 2 De subsidieaanvraag wordt gedaan middels een door de minister verstrekt elektronisch formulier.

  • 3 De minister kan in afwijking van het tweede lid en artikel 1.4, tweede lid, besluiten een of meer samenwerkingsverbanden aan te wijzen die in de gelegenheid worden gesteld voorafgaand aan het eerste aanvraagtijdvak en zonder gebruikmaking van het elektronisch formulier een aanvraag in te dienen. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

  • 4 De subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de hoofdaanvrager in hetzelfde aanvraagtijdvak reeds een aanvraag heeft ingediend met betrekking tot dezelfde sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.

  • 5 Bij de aanvraag wordt een sectorplan overlegd dat ten minste bestaat uit:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst die in ieder geval is ondertekend door alle werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties of arbeidsorganisaties die zijn betrokken in het samenwerkingsverband dat het sectorplan heeft opgesteld;

    • b. een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen;

    • c. een analyse met een overzicht van acute arbeidsmarktknelpunten en van de arbeidsbehoefte en mogelijke arbeidsmarktknelpunten in de komende vijf jaren in de sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s waarop het sectorplan betrekking heeft;

    • d. een plan van aanpak met doelstellingen en beoogde effecten, maatregelen, de doelgroepen voor de maatregelen, het aantal toepassingen per maatregel en die hiermee beoogde resultaten voor het oplossen van de knelpunten, bedoeld in de onderdeel c;

    • e. een beschrijving van de uitvoering van het sectorplan, met inbegrip van een omschrijving van de organisatie en een tijdpad;

    • f. een beschrijving van de voorwaarden waaronder de respectievelijke maatregelen worden uitgevoerd en de wijze waarop deze voorwaarden worden gehandhaafd;

    • g. een onderbouwde begroting van de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, met een financieringsplan waaruit blijkt hoe de maatregelen gefinancierd worden en dat de aangevraagde cofinanciering noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregelen in het sectorplan;

    • h. een omschrijving van de wijze van financiering van structurele maatregelen die worden voortgezet nadat de tijdelijke cofinanciering is beëindigd.

  • 6 Op de aanvraag wordt uiterlijk 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

  • 7 Door het indienen van een aanvraag stemt de hoofdaanvrager er namens het samenwerkingsverband mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar wordt gemaakt.

Artikel 2.4. Subsidieverlening

  • 1 De minister kan subsidie verlenen voor de cofinanciering van maatregelen in een sectorplan.

  • 2 De subsidie wordt verleend aan de hoofdaanvrager.

  • 3 De beschikking tot verlening van subsidie betreft de voor cofinanciering in aanmerking komende maatregelen, en het aantal van deze maatregelen, zoals vastgelegd in het bij de subsidieaanvraag gevoegde sectorplan.

  • 4 In de beschikking wordt de periode opgenomen waarbinnen de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt toegekend worden uitgevoerd. Tevens wordt in de beschikking het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, zoals door de hoofdaanvrager geraamd in zijn aanvraag tot cofinanciering, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, maatregelen en kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht worden voor de uitvoering van het sectorplan, dan wel uit anderen hoofde worden vergoed.

  • 5 In de beschikking worden de prestaties benoemd waarvoor subsidie wordt verleend en waarop de verantwoording en de subsidievaststelling zal plaatsvinden, en wordt aan de hand van het tijdpad, bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, onder e, aangegeven in welke periode deze prestaties worden behaald en of hiervoor voorschotten worden verleend.

  • 6 Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 2.5. Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt in ieder geval geheel of gedeeltelijk afgewezen, indien naar het oordeel van de minister:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b. de sectoranalyse onvoldoende inzicht geeft in de arbeidsmarktknelpunten en oplossingsrichtingen;

  • c. de gekozen maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse;

  • d. onvoldoende is aangetoond dat de aanwending van middelen voor de gekozen maatregelen effectief en efficiënt is;

  • e. de beoogde maatregelen, prestaties en resultaten onvoldoende objectief meetbaar zijn geformuleerd;

  • f. de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, niet voldoende zijn onderbouwd;

  • g. onvoldoende is aangetoond hoe de maatregelen gefinancierd worden en dat cofinanciering noodzakelijk is voor het uitvoeren van de maatregelen waarvoor cofinanciering is aangevraagd;

  • h. onvoldoende is aangetoond hoe structurele maatregelen na afloop van de tijdelijke cofinanciering zullen worden voortgezet en hoe deze zullen worden gefinancierd;

  • i. de omvang van het aangevraagde subsidiebedrag de relatieve omvang en problematiek van het samenwerkingsverband op de arbeidsmarkt overstijgt;

  • j. de kosten van de maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;

  • k. onvoldoende zekerheid bestaat over de eigen financiering van de kosten van de maatregelen en overhead; of

  • l. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de hoofdaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

Hoofdstuk 3. Subsidiabele kosten en maatregelen

Artikel 3.1. Sectormaatregelen

Maatregelen komen slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op ten minste twee of meer van de volgende thema’s:

  • a. arbeidsinstroom en begeleiding van jongeren;

  • b. behoud oudere vakkrachten;

  • c. arbeidsinstroom van personen met afstand tot de arbeidsmarkt;

  • d. mobiliteit en duurzame inzetbaarheid;

  • e. scholing;

  • f. van-werk-naar-werk van werknemers op sectoraal en intersectoraal niveau;

  • g. goed werkgeverschap en goed werknemerschap.

Artikel 3.2. In aanmerking te nemen kosten

Voor cofinanciering komen in aanmerking:

  • a. subsidiabele kosten zijnde de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten en die rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen;

  • b. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten.

Artikel 3.3. Niet in aanmerking te nemen kosten

  • 1 Niet voor cofinanciering komen in aanmerking:

    • a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het sectorplan of een onderdeel daarvan;

    • b. kosten van het sectorplan die naar het oordeel van de minister qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties;

    • c. kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

    • d. kosten van maatregelen die worden uitgevoerd door aan het sectorplan deelnemende ondernemingen, tenzij het betreft de kosten van maatregelen, genoemd in de artikelen 4.2, 4.3, 4.4 en 4.5;

    • e. kosten van maatregelen die de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden.

  • 2 Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien de kosten van de maatregel waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde van overheidswege worden gefinancierd.

Hoofdstuk 4. Plannen met uitvoering op ondernemingsniveau

Artikel 4.1. Toepasselijkheid Groepsvrijstellingsverordening

Dit hoofdstuk valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214).

Artikel 4.2. Maatregelen ten behoeve van advisering

  • 1 Maatregelen die tot doel hebben om een MKB-bedrijf door incidentele advisering te laten ondersteunen kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn de kosten van door externe adviseurs verrichte diensten gemaximeerd op een uurtarief van € 125,– per uur, exclusief BTW.

  • 2 De advisering komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag niet meer dan 2 miljoen euro per onderneming per project bedraagt.

  • 3 De advisering komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij niet van permanente of periodieke aard is en evenmin behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming.

Artikel 4.3. Opleidingsmaatregelen

  • 1 Maatregelen die tot doel hebben om werknemers of potentiële werknemers op te leiden door middel van algemene scholing kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn:

    • a. de personeelskosten van de opleiders en diegene die de opleiding volgen;

    • b. verplaatsings- en verblijfskosten;

    • c. opleidingsbenodigdheden;

    • d. begeleiding en advisering van opleidingstrajecten.

  • 2 De maatregel komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag niet meer dan 2 miljoen euro per onderneming per opleidingsproject bedraagt.

  • 3 Artikel 1.2, vijfde lid, en artikel 5.2, eerste lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing indien de maatregelen bestaan uit scholing in de vorm van BBL, mits er binnen twaalf maanden na de datum van de subsidiebeschikking, bedoeld in artikel 2.4, een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering. In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, dient de hoofdaanvrager binnen dertien weken na beëindiging van de uitvoering van alle in de subsidiebeschikking genoemde maatregelen, doch uiterlijk binnen dertien weken na afloop van een termijn van zesendertig maanden na de datum van die subsidiebeschikking een aanvraag tot subsidievaststelling van het volledige sectorplan in bij de minister onder gebruikmaking van het daartoe door de minister beschikbaar gestelde elektronische formulier.

  • 4 In afwijking van het eerste lid en artikel 5.1, eerste lid, bedraagt de subsidie voor een BBL 20% van de subsidiabele kosten, waarbij de subsidiabele kosten uitsluitend bestaan uit de loonkosten gedurende de eerste twee jaren van diegene die de opleiding volgt, waarbij het component brutoloon van de loonkosten dat voor subsidie in aanmerking komt, is gemaximeerd op het voor die persoon geldende wettelijk minimumloon op grond van artikel 3 van het Besluit minimumjeugdloon.

  • 5 Indien een BBL later aanvangt dan twaalf maanden na de datum van de subsidiebeschikking, bedoeld in artikel 2.4, en vierentwintig maanden of langer duurt, kan deze BBL voor cofinanciering in aanmerking komen voor de duur van de BBL, doch maximaal voor een periode tot 36 maanden na de datum van de subsidiebeschikking.

Artikel 4.4. Maatregelen voor indienstneming van kwetsbare werknemers

  • 1 Maatregelen die tot doel hebben om kwetsbare werknemers in dienst te nemen, kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn maximaal 20% van de loonkosten van de kwetsbare werknemer gedurende de eerste twaalf maanden na indienstneming.

  • 2 De indienstneming van kwetsbare werknemers komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover die indienstneming leidt tot een netto toename van het aantal arbeidsjaareenheden bij de betrokken onderneming in vergelijking met het gemiddelde van het aantal arbeidsjaareenheden in de voorgaande twaalf maanden.

  • 3 In afwijking van het tweede lid komt de indienstneming van kwetsbare werknemers eveneens voor cofinanciering in aanmerking indien de vacature of de vacatures niet zijn ontstaan door afvloeiingen maar door ontslag op initiatief van de werknemer, handicap, ouderdomspensionering, vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen.

  • 4 De maatregel komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag en het subsidiebedrag dat wordt verleend op grond van artikel 4.5 tezamen niet meer dan 5 miljoen euro per onderneming per project bedraagt.

Artikel 4.5. Maatregelen voor indienstneming van werkloze jongeren [Vervallen per 01-01-2014]

Hoofdstuk 5. Subsidieverstrekking

Artikel 5.1. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie ten behoeve van maatregelen bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie 100% van de subsidiabele kosten voor de maatregel bedoeld in artikel 4.4.

  • 3 Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

  • 4 De subsidie kan bij onderrealisatie in afwijking van het derde lid naar evenredigheid worden verlaagd als naar het oordeel van de minister geen gronden aanwezig zijn om de subsidie op nihil vast te stellen.

Artikel 5.2. Intrekking en terugvordering

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

    • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;

    • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd;

    • c. binnen 6 maanden na het verlenen van de subsidiebeschikking, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de maatregelen in het sectorplan.

  • 2 De beschikking tot subsidieverlening kan in afwijking van het eerste lid gedeeltelijk worden ingetrokken indien er geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

  • 3 Indien de beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de hoofdaanvrager teruggevorderd.

Artikel 5.3. Bevoorschotting en meldingsplicht

  • 1 Indien een aanvraag tot cofinanciering van een sectorplan wordt goedgekeurd, kan een voorschot op het totale subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 2 Na goedkeuring van het sectorplan kan een voorschot van 10% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 3 Iedere zes maanden na verlening van het eerste voorschot, kan op basis van het in de subsidiebeschikking bepaalde tijdpad een tussentijds voorschot worden verleend, tot een maximum van 80% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag.

  • 4 De hoofdaanvrager doet binnen twee maanden na afloop van de periode van zes maanden waarvoor een voorschot is verleend melding aan de minister, als de subsidiabele kosten in die periode 75% of minder bedragen dan de in de subsidiebeschikking vermelde subsidiabele kosten voor die periode en de voorschotten per jaar gemiddeld € 200.000,– of meer bedragen.

  • 5 De hoofdaanvrager doet onverwijld schriftelijk melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 6 De hoofdaanvrager kan bij de aanvraag van cofinanciering op het door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier aangeven een voorschot te willen ontvangen. Indien de hoofdaanvrager heeft aangegeven geen voorschot te willen ontvangen, wordt deze niet toegekend.

Artikel 5.4. Rapportageverplichting

  • 1 Voor zover de uitvoering van het sectorplan een periode beslaat van twaalf maanden of langer, overlegt de hoofdaanvrager, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, uiterlijk acht weken na afloop van die twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag. Het tussentijds voortgangsverslag bevat ten minste de gerealiseerde aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de resultaten.

  • 2 Voor zover de uitvoering van het sectorplan door toepassing van artikel 1.2a of artikel 4.3, derde lid, een periode beslaat van meer dan 24 maanden, overlegt de hoofdaanvrager, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, uiterlijk acht weken na afloop van die 24 maanden een tussentijds voortgangsverslag. Het tussentijds voortgangsverslag bevat ten minste de gerealiseerde aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de resultaten.

  • 3 De hoofdaanvrager verstrekt bij het tussentijds voortgangsverslag, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, aan de minister het burgerservicenummer van de deelnemers per maatregel in het sectorplan waarvoor cofinanciering is verstrekt.

  • 4 Indien de hoofdaanvrager voorschotten ontvangt als bedoeld in artikel 5.3 kan de minister in de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opleggen dat het tussentijdse voortgangsverslag is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volgens een door de minister voor te schrijven model.

Artikel 5.5. Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1 De hoofdaanvrager dient binnen dertien weken na beëindiging van de uitvoering van de in de subsidiebeschikking genoemde maatregelen, doch uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, een verzoek tot vaststelling van subsidie in bij de minister onder gebruikmaking van het daartoe door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier.

  • 2 Bij het verzoek tot vaststelling van subsidie wordt een verantwoording inclusief einddeclaratie gevoegd. De hoofdaanvrager verstrekt bij de verantwoording het burgerservicenummer van de deelnemers per maatregel in het sectorplan waarvoor cofinanciering is verstrekt. De verantwoording bevat ten minste de gerealiseerde aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de resultaten.

  • 3 Indien de minister toestemming heeft gegeven om een sectorplan te verlengen als bedoeld in artikel 1.2a, dient de hoofdaanvrager binnen dertien weken na beëindiging van de uitvoering van de in de subsidiebeschikking genoemde maatregelen, doch uiterlijk binnen dertien weken na afloop van een termijn van dertig maanden na de datum van die subsidiebeschikking, een verzoek tot vaststelling van subsidie van het sectorplan in bij de minister onder gebruikmaking van het daartoe door de minister beschikbaar gestelde (elektronisch) formulier.

  • 4 De minister beslist binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 5.6. Overhead

  • 1 Kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten van de hoofdaanvrager komen voor 50% van een forfaitair bedrag als bedoeld in het vierde lid, voor cofinanciering in aanmerking.

  • 2 Onder kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten worden verstaan alle niet directe kosten waaronder inbegrepen de kosten van administratie en beheer en de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, en de Algemene regeling SZW-subsidies.

  • 3 De kosten voor overhead worden niet in de begroting bij de aanvraag tot cofinanciering opgenomen doch door de minister vastgesteld op een percentage van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten.

  • 4 Het percentage, bedoeld in het derde lid, bedraagt de som van:

    • a. 15% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten tot 1.000.000 EUR;

    • b. 7% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten tussen 1.000.000 EUR en 10.000.000 EUR;

    • c. 1% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten boven 10.000.000 EUR.

Artikel 5.7. Administratievoorschriften

  • 1 De hoofdaanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het sectorplan en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een financiële administratie en een administratie van de deelnemers per maatregel inclusief een burgerservicenummer waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op één locatie.

  • 2 De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde maatregelen.

  • 3 De financiële administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan de maatregelen van het sectorplan worden toegerekend.

Hoofdstuk 6. Evaluatie

Artikel 6.1. Evaluatiebepaling

  • 1 De minister draagt in 2016 zorg voor de evaluatie van deze regeling.

  • 2 De hoofdaanvrager verleent aan de minister medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, voor zover het sectorplan niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijk uitvoerder van het sectorplan deze medewerking verleent.

  • 3 De minister past deze regeling zo nodig aan, indien tijdens de uitvoering van deze regeling blijkt dat hier aanleiding toe is.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 7.1. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling cofinanciering sectorplannen

Artikel 7.2. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020. In afwijking van de eerste zin blijft deze regeling, zoals die luidde op 31 december 2019, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 augustus 2013

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher

Bijlage 1. : Arbeidsmarktregio’s

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeingen en gemeenten hanteren voor de Nederlandse arbeidsmarkt een indeling in 35 arbeidsmarktregio’s. Per regio is er een centrumgemeente, hieronder aangeduid met *.

Achterhoek

Aalten | Berkelland | Bronckhorst | Doesburg | *Doetinchem | Montferland | Oost Gelre | Oude IJsselstreek | Winterswijk

Drechtsteden

Alblasserdam | *Dordrecht| Hendrik-Ido-Ambacht | Papendrecht | Sliedrecht | Zwijndrecht

Drenthe

Borger-Odoorn | Coevorden | De Wolden | *Emmen | Hoogeveen | Midden-Drenthe

Flevoland

*Almere | Dronten | Lelystad | Noordoostpolder | Urk

Food Valley

Barneveld | *Ede | Renswoude | Rhenen | Scherpenzeel | Veenendaal | Wageningen

Friesland

Achtkarspelen | Ameland | Boarnsterhim | Dantumadiel | Dongeradeel | Ferwerderadiel | Franekeradeel | Gaasterlân-Sleat | Harlingen | Heerenveen | Het Bildt | Kollumerland Ca | *Leeuwarden | Leeuwarderadeel | Lemsterland | Littenseradiel | Menameradiel | Ooststellingwerf | Opsterland | Schiermonnikoog | Skarsterlân | Smallingerland | Súdwest-Fryslân | Terschelling | Tytsjerksteradiel | Vlieland | Weststellingwerf

Gooi- en Vechstreek

Blaricum | Bussum | Eemnes | *Hilversum | Huizen | Laren | Muiden | Naarden | Weesp | Wijdemeren

Gorinchem

Giessenlanden | *Gorinchem | Hardinxveld-Giessendam | Leerdam | Lingewaal | Molenwaard | Zederik

Groningen

Aa en Hunze | Appingedam | Assen | Bedum | Bellingwedde | De Marne | Delfzijl | Eemsmond | *Groningen | Grootegast | Haren | Hoogezand-Sappemeer | Leek | Loppersum | Marum | Menterwolde | Noordenveld | Oldambt | Pekela | Slochteren | Stadskanaal | Ten Boer | Tynaarlo | Veendam | Vlagtwedde | Winsum | Zuidhorn

Groot-Amsterdam

Aalsmeer | Amstelveen | *Amsterdam | De Ronde Venen | Diemen | Landsmeer | Haarlemmermeer | Ouder-Amstel | Uithoorn

Haaglanden

Delft | Midden-Delfland | Rijswijk | *’s-Gravenhage | Westland

Helmond-De Peel

Asten | Deurne | Geldrop-Mierlo | Gemert-Bakel | *Helmond | Laarbeek | Someren

Holland Rijnland

Alphen aan den Rijn | Boskoop | Hillegom | Kaag en Braassem | Katwijk | *Leiden | Leiderdorp | Lisse | Nieuwkoop | Noordwijk | Noordwijkerhout | Oegstgeest | Rijnwoude | Teylingen | Zoeterwoude

Ijsselvechtstreek

Dalfsen | Hardenberg | Hattem | Heerde | Kampen | Meppel | Oldebroek | Ommen | Raalte | Staphorst | Steenwijkerland | Westerveld | Zwartewaterland | *Zwolle

Midden-Brabant

Alphen-Chaam (5130–5131) | Baarle-Nassau | Dongen | Gilze en Rijen | Goirle | Heusden | Hilvarenbeek | Loon op Zand | Oisterwijk | *Tilburg | Waalwijk

Midden-Gelderland

*Arnhem | Duiven | Lingewaard | Overbetuwe | Renkum | Rheden | Rijnwaarden | Rozendaal | Westervoort | Zevenaar

Midden-Holland

Bergambacht | Bodegraven-Reeuwijk | *Gouda | Nederlek | Ouderkerk | Schoonhoven | Vlist | Waddinxveen | Zuidplas

Midden-Limburg

Echt-Susteren | Leudal | Maasgouw | Nederweert | Roerdalen | *Roermond | Weert

Midden-Utrecht

Bunnik | De Bilt | Houten | IJsselstein | Lopik | Montfoort | Nieuwegein | Oudewater | Stichtse Vecht | *Utrecht | Utrechtse Heuvelrug | Vianen | Wijk bij Duurstede | Woerden | Zeist

Noord-Holland Noord

*Alkmaar | Bergen NH | Castricum | Den Helder | Drechterland | Enkhuizen | Graft-De Rijp | Heerhugowaard | Heiloo | Hollands Kroon | Hoorn | Koggenland | Langedijk | Medemblik | Opmeer | Schagen | Schermer | Stede Broec | Texel

Noord-Limburg

Beesel | Bergen LB | Gennep | Horst aan de Maas | Peel en Maas | *Venlo | Venray

Noordoost-Brabant

Boxmeer | Bernheze | Boekel | Boxtel | Cuijk | Grave | Haaren | Mill en Sint Hubert | *’sHertogenbosch | Landerd | Maasdonk | Oss | Schijndel | Sint Anthonis | Sint-Michielsgestel |Sint-Oedenrode | Uden | Veghel | Vught

Oost-Utrecht

*Amersfoort | Baarn | Bunschoten | Leusden | Nijkerk | Soest | Woudenberg

Rijnmond

Albrandswaard | Barendrecht | Bernisse | Binnenmaas | Brielle | Capelle aan den IJssel | Cromstrijen | Goeree-Overflakkee | Hellevoetsluis | Korendijk | Krimpen aan den IJssel | Maassluis | Oud-Beijerland | Ridderkerk | *Rotterdam | Schiedam | Spijkenisse | Strijen | Vlaardingen | Westvoorne

Rivierenland

Buren | Culemborg | Geldermalsen | Neder-Betuwe | Maasdriel | Neerijnen | *Tiel | West Maas en Waal | Zaltbommel

Stedendriehoek

*Apeldoorn | Brummen | Deventer | Elburg | Epe | Ermelo | Harderwijk | Lochem | Nunspeet | Olst-Wijhe | Putten | Voorst | Zeewolde | Zutphen

Twente

Almelo | Borne | Dinkelland | *Enschede | Haaksbergen | Hellendoorn | Hengelo | Hof van Twente | Losser | Oldenzaal | Rijssen-Holten | Tubbergen | Twenterand | Wierden

West-Brabant

Aalburg | Alphen-Chaam (4855–4861) | Bergen op Zoom | *Breda | Drimmelen | Etten-Leur | Geertruidenberg | Halderberge | Moerdijk | Oosterhout | Roosendaal | Rucphen | Steenbergen | Werkendam | Woensdrecht | Woudrichem | Zundert

Zaanstreek/Waterland

Beemster | Edam-Volendam | Oostzaan | Purmerend | Waterland | Wormerland | *Zaanstad | Zeevang

Zeeland

Borsele, *Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere, Vlissingen

Zuid-Holland Centraal

Lansingerland | Leidschendam-Voorburg | Pijnacker-Nootdorp | Voorschoten | Wassenaar |*Zoetermeer

Zuid-Gelderland

Beuningen | Druten | Groesbeek | Heumen | Millingen aan de Rijn | Mook en Middelaar | *Nijmegen | Ubbergen | Wijchen

Zuid-Kennemerland

Beverwijk | Bloemendaal | *Haarlem | Haarlemmerliede Ca | Heemskerk | Heemstede | Uitgeest | Velsen | Zandvoort

Zuid-Limburg

Beek | Brunssum | Eijsden-Margraten | Gulpen-Wittem | *Heerlen | Kerkrade | Landgraaf | Maastricht | Meerssen | Nuth | Onderbanken | Schinnen | Simpelveld | Sittard-Geleen | Stein | Vaals | Valkenburg aan de Geul | Voerendaal

Zuidoost-Brabant

Bergeijk | Best | Bladel | Cranendonck | Eersel | *Eindhoven | Heeze-Leende | Nuenen Ca | Oirschot | Reusel-De Mierden | Son en Breugel | Valkenswaard | Veldhoven | Waalre

Bijlage 2. : Centrale werkgeversorganisaties

Vereniging VNO-NCW

Koninklijke Vereniging MKB-Nederland

Vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Nederland

Bijlage 3. : Sectorindeling

Indeling naar sector

1.

Landbouw, bosbouw, visserij en delfstoffenwinning

• Landbouw, veehouderij, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht

• Bosbouw, exploitatie van bossen en dienstverlening voor de bosbouw

• Winning van aardolie en aardgas

• Winning van delfstoffen (geen olie en gas)

• Dienstverlening voor de winning van delfstoffen

2.

Procesindustrie:

• Vervaardiging van voedingsmiddelen

• Vervaardiging van dranken

• Vervaardiging van tabaksproducten

• Vervaardiging van cokesoven producten en aardolieverwerking

• Vervaardiging van chemische producten

• Vervaardiging van farmaceutische producten en grondstoffen

• Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

• Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten

3.

Metalektro en metaalnijverheid, vervaardiging van:

• Metalen in primaire vorm

• Producten van metaal

• Computers en elektronische en optische apparatuur

• Elektrische apparatuur

• Overige machines en apparaten

• Auto’s, aanhangwagens en opleggers

• Overige transportmiddelen

4.

Overige industrie, energievoorziening, waterbedrijven en afvalbeheer

• Vervaardiging van kleding

• Vervaardiging van leer, lederwaren en schoenen

• Primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk (geen

• meubels)

• Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren

• Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

• Vervaardiging van meubels

• Vervaardiging van overige goederen

• Reparatie en installatie van machines en apparaten

• Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht

• Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

5.

Bouwnijverheid en bouwinstallatie

• Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en projectontwikkeling

• Grond-, water- en wegenbouw (geen grondverzet)

• Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw

6.

Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers

7.

Groothandel en handelsbemiddeling, excl auto’s en motorfietsen

8.

Detailhandel, niet in auto’s en motorfietsen

9.

Vervoer en opslag

• Vervoer over land,

• Vervoer over water

• Luchtvaart

• Opslag en dienstverlening voor vervoer

• Post en koeriers

10.

Horeca, catering en verblijfsrecreatie

• Logiesverstrekking (hotels, vakantieparken, kampeerterreinen)

• Eet- en drinkgelegenheden (café’s, restaurants, kantines en catering)

11.

Informatie en communicatie

• Uitgeverijen

• Productie en distributie van films en televisieprogramma´s; maken en uitgeven van geluidsopnamen

• Verzorgen en uitzenden van radio- en televisieprogramma's

• Telecommunicatie

• Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie

• Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

12.

Financiële dienstverlening

• Financiële instellingen (geen verzekeringen en pensioenfondsen)

• Verzekeringen en pensioenfondsen (geen verplichte sociale verzekeringen)

• Overige financiële dienstverlening

13.

Arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer

14.

Facility management, reiniging en landschapsverzorging

15.

Overig verhuur en overige zakelijke diensten:

• Verhuur van en handel in onroerend goed

• Rechtskundige dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie

• Holdings (geen financiële), concerndiensten binnen eigen concern en managementadvisering

• Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies; keuring en controle

• Speur- en ontwikkelingswerk

• Reclame en marktonderzoek

• Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy

• Veterinaire dienstverlening

• Verhuur en lease van auto's, consumentenartikelen, machines en overige roerende goederen

• Reisbemiddeling, reisorganisatie, toeristische informatie en reserveringsbureaus

• Beveiliging en opsporing

• Overige zakelijke dienstverlening

16.

Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen

17.

Onderwijs

• Primair en speciaal onderwijs

• Voortgezet onderwijs

• Middelbaar beroepsonderwijs en educatie

• Tertiair onderwijs

• Overig onderwijs (sport, cultuur, autorijscholen, afstandsonderwijs, bedrijfsopleiding en – training)

18.

Zorg:

• Ziekenhuizen

• verpleging en verzorging

• Geestelijke gezondheidszorg

• Gehandicaptenzorg

• Thuiszorg

• Overige zorg: (para)medische praktijken, gezondheidscentra

19.

Welzijn

• Jeugdhulp

• Kinderopvang/peuterspeelzalen

• Maatschappelijke opvang, sociaal-cultureel werk, maatschappelijk werk en overig welzijn

20.

Cultuur, sport en recreatie

• Kunst

• Culturele uitleencentra, openbare archieven, musea, dieren- en plantentuinen, natuurbehoud

• Loterijen en kansspelen

• Sport en recreatie

21.

Overige dienstverlening, huishoudens en extraterritoriale organisaties

• Levensbeschouwelijke en politieke organisaties, belangen- en ideële organisaties, hobbyclubs

• Reparatie van computers en consumentenartikelen

• Wellness en overige dienstverlening; uitvaartbranche

• Huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel

• Niet-gespecificeerde productie van goederen en diensten door particuliere huishoudens voor eigen gebruik

• Extraterritoriale organisaties en lichamen