Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2014–2017)[Regeling vervalt per 01-01-2018.]

Geldend van 10-08-2013 t/m heden

Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 juli 2013, MinBuZa-2013.209411, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2014–2017)

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.1 en artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten in het kader van het Mensenrechtenfonds 2014–2017 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 2 De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat voor het deel van de subsidie dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

  • 1 Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2014–2017 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

  • 2 Aanvragen voor een subsidie worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met vrijdag 6 september 2013, 12.00 uur Nederlandse tijd.

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van artikel 8, derde lid, sub c en sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2018 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, uitgezonderd de annexen II en III, in de Staatscourant worden geplaatst. De annexen II en III bij de bijlage zullen op internet, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties worden geplaatst.

De

Minister

van Buitenlandse Zaken,
namens deze,

de Secretaris-Generaal

R.V.M. Jones-Bos

Bijlage

1. Inleiding

Voor u ligt het Subsidiebeleidskader Mensenrechtenfonds 2014–2017 voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017. Het beleidskader vormt het richtsnoer voor de beoordeling van de aanvragen voor subsidies onder dit kader. Samen met het verplicht te hanteren aanvraagstramien dat gepubliceerd is op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken2 vormt het tevens de leidraad bij het opstellen van de subsidieaanvraag voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017.

De beschikbare subsidiemiddelen maken deel uit van het ‘Mensenrechtenfonds’ dat zich richt op de financiering van activiteiten op het gebied van mensenrechten ter ondersteuning van de prioriteiten uit de mensenrechtenbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’3 en zodoende op de doelstellingen van het Nederlands buitenlands beleid.

Mensenrechten vormen het fundament van menselijke waardigheid, vrijheid en ontwikkeling en staan aan de basis van open en vrije samenlevingen overal ter wereld. Zonder de bevordering en bescherming van deze rechten kan er geen sprake zijn van democratie en een rechtsstaat. Nederland heeft een rijke traditie als het gaat om onze inzet voor mensenrechten in binnen- en buitenland. Het is een morele plicht en een rechtsplicht, en naleving van mensenrechten leidt tot een stabielere en welvarendere wereld waar ook Nederland baat bij heeft.

Daartoe zal Nederland in de periode 2014–2017 realistisch en selectief middelen en menskracht inzetten, waarbij de effectiviteit van de besteding van de middelen voorop staat. De mogelijkheden van internationale taakverdeling zullen daarbij worden onderzocht. Binnen het beleid ligt de nadruk op bescherming van mensenrechtenverdedigers, gelijke rechten voor Lesbiennes, Homo’s, Biseksuelen en Transgender (LHBT) en gelijke rechten voor vrouwen. Verdere thema’s waarop Nederland een sterk profiel heeft – zoals internetvrijheid, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging – blijven onverminderd belangrijk.

Nederland zet specifiek in op de volgende hoofdthema’s:

  • Bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers

  • Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s biseksuelen en transgenders (LHBT)

  • Gelijke rechten voor vrouwen

En de volgende overige thema’s:

  • Tegengaan van de ernstigste mensenrechtenschendingen (doodstraf en marteling)

  • Bevordering van vrijheid van meningsuiting en internetvrijheid

  • Bevordering van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  • Mensenrechten en ontwikkeling

  • Mensenrechten en bedrijfsleven inclusief kinderarbeid

Op deze wijze zal Nederland uitvoering geven aan de Mensenrechtenbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’.

De voorliggende beleidsregels gelden zowel voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die volgens de OESO-DAC-criteria toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven, als voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die daaraan niet voldoen. Voor subsidieverlening aan beide soorten activiteiten is voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 in totaal maximaal € 16 miljoen beschikbaar.

In dit Subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de beleidsuitgangspunten geschetst die de basis vormen voor MRF 2014–2017. De uitgangspunten zijn vertaald in voorwaarden die gelden om voor subsidieverlening in het kader van MRF 2014–2017 in aanmerking te kunnen komen: de drempelcriteria. Vervolgens zijn op basis van de beleidsuitgangspunten beoordelingscriteria opgesteld. De beoordelingscriteria vormen de basis voor de beoordeling van de subsidieaanvragen die aan de drempelcriteria voldoen.

Voordat deze criteria uiteen worden gezet in hoofdstuk 4, beschrijft dit Subsidiekader in hoofdstuk 3 hoe de beoordelingsprocedure van subsidieaanvragen zal verlopen. De beoordeling gebeurt in twee achtereenvolgende fasen, steeds aan de hand van toetsen die de verschillende beoordelingscriteria bevatten.

De eerste beoordelingsfase bestaat, naast de toets op de drempelcriteria, uit een organisatietoets (O-toets) aan de hand waarvan een oordeel wordt gevormd over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisatie.

De tweede beoordelingsfase bestaat uit de beoordeling van de kwaliteit van het programma door middel van een programmatoets. Deze komt in hoofdstuk 4 aan bod.

Bij dit Subsidiebeleidskader behoort een aantal annexen. Het betreft de lijst van prioritaire landen voor het Mensenrechtenbeleid (Annex I), de Definities ‘Outcomes’ en ‘Outputs’ door DAC/OECD (Annex II), en de corporate rates voor conversie van vreemde valuta naar euro’s (Annex III).

2. Beleidsuitgangspunten van MRF 2014–2017:

2.1. Doelstelling en beleidsthema’s van het MRF 2014–2017

De overkoepelende beleidsdoelstelling van het MRF 2014–2017 is het leveren van een bijdrage aan de verbetering van de mensenrechtensituatie wereldwijd. Voor subsidiëring van activiteiten die hieraan bijdragen heeft de minister van Buitenlandse Zaken voor de periode 2014–2017 maximaal € 16 miljoen ter beschikking gesteld.

Om voor subsidieverlening in het kader van MRF 2014–2017 in aanmerking te kunnen komen dienen de aanvragende organisaties op een effectieve en efficiënte wijze te werken aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in de landen die staan vermeld in de bij deze beleidsregels behorende Annex I.

De thema’s van de mensenrechtenbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ zullen leidend zijn. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2014–2017 dient minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van de activiteiten betrekking te hebben op één van de volgende thema’s:

Hoofdthema’s:

  • Bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers;

  • Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s biseksuelen en transgenders (LHBT);

  • Gelijke rechten voor vrouwen gericht op politieke participatie en het voorkomen van geweld tegen vrouwen;

Overige thema’s:

  • Tegengaan van de ernstigste mensenrechtenschendingen (doodstraf en marteling);

  • Bevordering van vrijheid van meningsuiting en internetvrijheid;

  • Bevordering van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

  • Mensenrechten en ontwikkeling;

  • Mensenrechten en bedrijfsleven inclusief kinderarbeid.

Activiteiten dienen om voor subsidie in aanmerking te komen in ieder geval plaats te vinden in twee van de landen uit de bijgevoegde lijst (zie Annex I).

Activiteiten waarvoor reeds een subsidie is verstrekt ten laste van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken, zoals in het kader van FLOW, het SRGR Fonds, het programma MATRA-zuid, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2014–2017).

2.2. Voor wie zijn de subsidies bestemd

MRF 2014–2017 subsidies zijn bedoeld voor programma’s van zelfstandige Nederlandse of internationale maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de bescherming en bevordering van mensenrechten. Zij richten zich daarbij op activiteiten zoals gespecificeerd in 2.1.

Organisaties kunnen zelfstandig een subsidieaanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie van penvoerders en mede-indieners. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin, die een gezamenlijk, geïntegreerd programma uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst. De penvoerder dient in een dergelijk geval namens de alliantie een aanvraag in voor het programma van de alliantie als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma van de alliantie. In een alliantie kunnen alleen maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin deelnemen.

Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het programma een samenwerkingsverband aangaan met andere organisaties zonder winstoogmerk of met bedrijven.

3. Beoordelingsprocedure

3.1. Beoordelingscriteria

Organisaties die een subsidie aanvragen in het kader van MRF 2014–2017 moeten aan bepaalde criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Er zijn drie soorten criteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere drempelcriteria, wordt de aanvraag afgewezen.

  • 2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de aanvragende organisatie (organisatietoets, O-toets).

  • 3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het programmavoorstel (programmatoets, P-toets).

Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 4.

3.2. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking4. Indien de beleidsregels voor MRF 2014–2017 afwijken van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor MRF 2014–2017 voorrang.

De beoordeling van de aanvragen voor subsidiëring en de toekenning en verdeling van de daarvoor beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde, binnen het raam van artikel 8, derde lid, sub c en sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 10 december 2013.

3.3. Toetsing en verdeling beschikbare middelen

De beoordeling van de aanvragen voor MRF 2014–2017 zal getrapt plaatsvinden.

De 1e fase bestaat uit een controle op de drempelcriteria en de organisatietoets. Voor de 2e fase worden alleen de voorstellen bekeken die voldoen aan de drempelcriteria en waarvan de organisaties een voldoende score op de O-toets hebben behaald.

3.3.1. Toetsen in fase 1

De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor MRF 2014–2017 subsidie zonder meer moeten voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meerdere criteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld.

De organisatietoets bevat criteria die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid (track record, planning, monitoring en evaluatie, en financieel en administratief management) van de aanvragende organisatie. Aanvragen van organisaties van wie de kwaliteit en doelmatigheid als onvoldoende wordt beoordeeld, worden afgewezen en niet verder beoordeeld.

3.3.2. Toets in fase 2

In fase 2 wordt de kwaliteit van het programmavoorstel beoordeeld. Indien de kwaliteit van het programma als onvoldoende wordt beoordeeld, komt de aanvraag niet voor subsidie in het kader van MRF 2014–2017 in aanmerking en volgt een afwijzing.

Om voor een subsidie in het kader van MRF 2014–2017 in aanmerking te kunnen komen zal een toetsing aan de criteria van dit beleidskader met een voldoende resultaat moeten zijn afgesloten.

3.3.3. Verdeling van de beschikbare middelen

De verdeling van de middelen die beschikbaar zijn voor subsidiëring van activiteiten in het kader van het Mensenrechtenfonds 2014–2017 vindt plaats aan het einde van fase 2, dus op basis van de uitkomsten van de kwalitatieve beoordeling, aan de hand van bovenvermelde programmatoets, van de aanvragen welke de drempelcriteria en de organisatietoets zijn doorgekomen.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen vervolgens plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen naar aanleiding van de uitkomsten van de P-toets. Bij de uiteindelijke verdeling van de middelen zal de mate waarin een aanvraag wordt gehonoreerd gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de criteria wordt voldaan, binnen het raam van artikel 8, derde lid, sub c en d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

3.4. Aanvraagprocedure

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2014–2017 dienen te worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door de minister vastgestelde en ter beschikking gestelde aanvraagstramien5. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend. Het aanvraagstramien dient rechtsgeldig te worden ondertekend en in enkelvoud op papier te worden ingediend en op CD-rom of USB-stick. De verplichte bijlagen bij het aanvraagstramien hoeven alleen op CD-rom of USB-stick te worden ingediend. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.

Aanvragen voor subsidiëring dienen uiterlijk op vrijdag 6 september 2013, 12.00 uur (NL tijd) te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, DMM/MP, Bezuidenhoutseweg 67 te Den Haag.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de aanvrager het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om de indiener om een aanvulling te vragen aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair was ingediend.

Mochten er vragen ontstaan naar aanleiding van dit document of andere zaken die daarmee samenhangen dan kunt u deze via e-mail indienen, waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord worden, door middel van publicatie via internet.

De deadline voor het indienen van vragen is op maandag 16 augustus 2013; deze zullen uiterlijk op 21 augustus 2013 (5 dagen later) worden beantwoord. Vragen kunnen ingediend worden per e-mail op het adres: DMM-tender-MRF2014@minbuza.nl.

3.5. Administratieve lasten

De minister van Buitenlandse Zaken verstrekt subsidies aan organisaties zodat deze op eigen verantwoordelijkheid activiteiten kunnen uitvoeren ter bevordering van het naleven van mensenrechten, een belangrijk beleidsdoel van de minister.

Om de regeldruk voor alle aanvragende organisaties zo laag mogelijk te houden is besloten om een onderscheid te maken tussen:

  • Organisaties die de organisatietoets en de aanvullende organisatietoets6 of de Checklist Organisational Capacity Assessment (COCA) afgelopen vier jaar hebben ingediend en

  • organisaties die dat niet hebben gedaan.

De tweede categorie zal de voor de organisatietoets en aanvullende organisatietoets benodigde informatie uiteraard moeten verzamelen en indienen via het aanvraagstramien en de daarbij behorende bijlagen. De eerste categorie mag voor deze toetsen volstaan met het opnieuw indienen van de eerder ingediende stukken en eventuele wijzigingen hierop aan te geven; dit mits de toetsen die de afgelopen vier jaar zijn uitgevoerd een positieve uitkomst hadden. Indien dat laatste niet het geval was geldt hetzelfde als voor de tweede categorie.

Bij het indienen van de aanvraag wordt een standaard invulformulier gebruikt. De aanvragers hoeven slechts één hardcopy in te dienen en de rest mag op een digitale gegevensdrager worden ingediend. Tevens hoeven de bijlagen enkel op een digitale gegevensdrager aangeleverd te worden.

In het kader van het streven van de Nederlandse overheid naar verlaging van de administratieve lasten voor Nederlandse subsidieaanvragers is in onderstaande kolom inzichtelijk gemaakt wat dit voor Nederlandse organisaties voor gevolgen zal hebben, uitgaande van een aantal te verwachten aanvragen van 55, waarvan 15 uit Nederland afkomstig.

 

Aantal

Uren

Totaal aantal uren

Kosten

(aanvullende) O-toets

8

40

320

12.800

P-toets

15

80

1200

48.000

  • Uitgaand van een uurtarief van € 40

In het traject van de uitvoering conformeert het ministerie zich aan het Uniform Subsidiekader dat tot stand is gekomen om de regeldruk zo veel mogelijk te verminderen.

3.6. Uitvoering en planning van de besluitvorming

De beoordeling van de aanvragen vindt ambtelijk plaats door een beoordelingscommissie bestaande uit minimaal twee medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en eventueel een externe consultant. De beoordeling geschiedt aan de hand van de voor subsidieverlening door de minister geldende wet- en regelgeving, het Standaardkader OS en dit Subsidiebeleidskader.

De minister zal uiterlijk 10 december 2013 besluiten over de ingediende aanvragen.

4. Beoordeling van de aanvragen

4.1. De drempelcriteria

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder beoordeeld. Deze criteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

Criterium D.1 De aanvrager, of in het geval van een alliantie, de penvoerder, is een Nederlands of internationale maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Dit blijkt uit bijgevoegde statuten van de organisatie.

Criterium D.2 De aanvrager/penvoerder werkt aan en zet zich in voor de verbetering van de mensenrechtensituatie in de landen die staan vermeld in de bij deze beleidsregels behorende Annex I. De doelstellingen van de organisatie zoals vermeld in de statuten, dienen dit van de organisatie duidelijk te maken. Voor organisaties met een brede(re) doelstelling geldt dat zij dit ook kunnen aantonen op grond van hun track record en/of interne beleidsstukken.

Criterium D.3 De aanvrager/penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2014 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. MRF 2014–2017 subsidies zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de organisatie. De aanvrager onderbouwt de aannemelijkheid hiervan aan de hand van de inkomsten over de periode 2011-2012.

Indien de aanvrager penvoerder is voor een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit de alliantie. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten.

Criterium D.4 Wanneer de aanvrager/penvoerder een organisatie binnen de EU betreft, dient het bruto salaris van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder aan de DG-norm te voldoen (maximaal € 129.500 per jaar, op grond van een 36-urige werkweek). Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS) geldt voor Noorwegen een maximum bruto salaris van NOK 1.440.000 per jaar, voor Zwitserland een maximum bruto salaris van CHF 192.000 per jaar en voor VS/Canada een maximum bruto salaris van USD 187.000 per jaar. Het bruto salaris van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder van overige landen buiten de EU staat niet later dan met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie. De aanvrager specificeert de hoogte van de salarissen (inclusief toeslagen) van het management en bestuur.

Criterium D.5 De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer. De aanvrager kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

Criterium D.6 De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 500.000, en maximaal € 2.000.000 en heeft een maximale looptijd van 4 jaar. Bij een kortere looptijd zijn het minimale en het maximale bedrag van de subsidieaanvraag naar rato lager. De minimale looptijd van de activiteit bedraagt 24 maanden. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.7 Het programma start niet eerder dan 1 januari 2014.

Criterium D.8 Het programma betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.9 Het programma betreft substantiële activiteiten in minimaal twee van de landen opgenomen op de landenlijst bij deze beleidsregels (zie Annex I).

Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.10 Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.11 Minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van de activiteiten is gericht op ten minste één van de volgende categorieën van activiteiten:

  • Bescherming en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers;

  • Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s biseksuelen en transgenders (LHBT);

  • Gelijke rechten voor vrouwen gericht op politieke participatie en het voorkomen van geweld tegen vrouwen;

  • Tegengaan van de ernstigste mensenrechtenschendingen (doodstraf en marteling);

  • Bevordering van vrijheid van meningsuiting en internetvrijheid;

  • Bevordering van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

  • Mensenrechten en ontwikkeling;

  • Mensenrechten en bedrijfsleven inclusief kinderarbeid.

Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.12 Minimaal 60% van de middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van de activiteiten wordt besteed in de landen die genoemd zijn in Annex I.

In afwijking van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking is geen criterium van toepassing met betrekking tot het percentage van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt gevraagd in partnerlanden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4.2. De organisatietoets

De organisatietoets is onderdeel van de beoordeling van de aanvraag in de eerste fase. Doel van deze toets is dat de minister zich een oordeel kan vormen over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisaties.

Beoordeling in het kader van de organisatietoets vindt plaats op grond van de mate waarin de organisatie voldoet aan de volgende criteria:

  • Track record van de afgelopen drie jaar: De aanvrager/penvoerder is op grond van de door zijn inspanningen in de afgelopen drie jaren behaalde resultaten in staat om geplande ‘outcomes7’ en ‘outputs8’ te realiseren, om de bijdragen van derden die noodzakelijk waren voor de uitvoering van de programma’s daadwerkelijk te verkrijgen en om de duurzaamheid van de programma’s te verankeren bij de uiteindelijke doelgroep.

  • Planning, monitoring en evaluatie: De gehanteerde PM&E systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang t.a.v. outcomes, outputs en duurzaamheid op programma- en organisatieniveau. De organisatie laat periodiek onafhankelijke evaluaties uitvoeren over (delen van) programma’s en het functioneren van de eigen organisatie. De organisatie heeft een goed verankerd systeem voor kwaliteitsbeheer t.a.v. de hoofdprocessen.

  • Financieel en administratief management: De aanvrager/penvoerder heeft een adequaat beleid t.a.v. het financieel toezicht op organisaties met wie zij een financieringsrelatie heeft, zij maakt gebruik van een adequate toets om de kwaliteit van (partner)organisaties waarmee zij een financiële relatie heeft te toetsen, zij heeft een financieel monitoringssysteem dat haar in staat stelt om (dreigende) verliezen of overschotten vroegtijdig te signaleren en hier met adequate maatregelen op te anticiperen, en een brede donorbasis.

Indien de kwaliteit van de organisatie van de aanvrager/penvoerder onvoldoende is, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

4.3. De programmatoets

Bij het programmavoorstel wordt de kwaliteit van het programma beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria, die zijn onderverdeeld in enerzijds beleidsmatige criteria en anderzijds programmatechnische criteria:

4.3.1. Beleidsmatige criteria programmatoets

  • Beleidsrelevantie: de mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:

    • 1. Relevantie voor het doel van deze tender: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de bevordering van de naleving van mensenrechten, in het bijzonder de mensenrechten zoals genoemd in de mensenrechtenbrief Respect en recht voor ieder mens.

    • 2. Het mensenrechtenthema waarop de activiteiten betrekking hebben: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de hoofdthema’s en/of de overige thema’s zoals genoemd in paragraaf 2.1. Prioriteit zal worden gegeven aan activiteiten die bijdragen aan de hoofdthema’s.

    • 3. De landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd: prioriteit zal gegeven worden aan activiteiten in de landen waar de mensenrechtensituatie relatief het slechtst is.

    • 4. Complementariteit: de mate waarin de activiteiten zijn afgestemd op het ontwikkelingsbeleid van Nederland of andere donoren (organisaties of landen) in het betreffende land, of op activiteiten die in het betreffende land worden ondernomen door Nederland of andere donoren (organisaties of landen).

  • Innovatief karakter: de mate waarin het voorstel vernieuwend is, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van de effectiviteit van de programma’s) en door efficiencywinst in de uitvoering van de programma’s.

4.3.2. programmatechnische criteria programmatoets

  • Contextanalyses: de mate waarin het voorstel, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een analyse van de context.

  • Positie van de partners in het programma: de mate waarin het programma bijdraagt aan de institutionele capaciteitsopbouw van de partners in de landen van uitvoering en de mate waarin deze dan wel de doelgroep effectieve invloed hebben op de sturing van het programma.

  • Uitwerking van Outcomes, Outputs, Activiteiten en Middelen: de mate waarin het programma is uitgewerkt in outcomes, outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en zijn voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen.

  • Uitwerking van beoogde outcomes, outputs en middelen in SMART-systematiek: de mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.

  • Risico’s, monitoring en bijsturing: de mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, en de mate waarin de middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programma.

  • Duurzaamheid: de mate waarin het programma een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de partners en de eigen organisatie van de aanvrager/penvoerder.

Indien de kwaliteit van het programma onvoldoende is, komt de aanvraag niet voor subsidieverlening in aanmerking. Daarbij geldt dat zowel de beleidsmatige kwaliteit als de programmatechnische kwaliteit van de aanvraag voldoende moeten zijn.

Annex I. Landenlijst Mensenrechtenfonds 2014–2017

REGIO

Afrika

Azië

Europa

Latijns-Amerika

Midden-Oosten en Golfregio

Algerije

DRC

Kenia

Libië

Marokko

Nigeria

Soedan

Zuid-Soedan

Somalië

Tunesië

Zimbabwe

Zuid-Afrika

Bangladesh

Birma

China

India

Indonesië

Kazachstan

Noord-Korea

Pakistan

Turkije

Armenië

Georgië

Oekraïne

Rusland

Wit-Rusland

Brazilië

Cuba

Colombia

Mexico

Panama

Venezuela

Bahrein

Egypte

Irak

Iran

Israël (MOVP)

Jemen

Jordanië

Koeweit

Libanon

Oman

Palestijnse Gebieden

Qatar

Saoedi-Arabië

Syrië

VAE

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [2]

    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties

  • ^ [3]

    Vergaderjaar 2012–2013, Kamerstuk 33 400 V, nr.1.

  • ^ [4]

    Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 juli 2012, nr. MinBuZa-2012.16922, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking 2012), Stcrt. 2012, nr. 15896.

  • ^ [5]

    Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

  • ^ [6]

    De aanvullende organisatietoets vloeit voort uit drempelcriterium D.5. Zie verder het aanvraagstramien.

  • ^ [7]

    Zoals gedefinieerd door DAC/OECD, zie annex II; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf

  • ^ [8]

    Zoals gedefinieerd door DAC/OECD, zie annex II; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf