Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016[Regeling vervalt per 01-07-2019.]

Geldend van 14-04-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 juni 2013, nr. DL/466244, houdende regels voor het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten voor versterking van de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen in de periode 2013–2016 (Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2, eerste lid, jo artikel 4, tweede lid, van de Wet overige OCenW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Multisectorale opleidingsscholen

Indien in een opleidingsschool of samenwerkingsverband scholen deelnemen uit verschillende onderwijssectoren, bepaalt de subsidieaanvrager bij de aanvraag tot welke van deze sectoren de opleidingsschool of het samenwerkingsverband voor deze regeling behoort.

Hoofdstuk 2. Tegemoetkoming kosten nieuwe samenwerkingsverbanden

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten gericht op de vorming van een duurzaam samenwerkingsverband tussen lerarenopleidingen en scholen.

Artikel 4. Subsidievoorwaarden

  • 1 De afspraken tussen de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

  • 2 De samenwerkingsovereenkomst bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de gezamenlijke visie en het doel van de samenwerking;

    • b. de terreinen die de samenwerking beslaat;

    • c. de inzet van middelen die beide partijen hierbij inbrengen;

    • d. afspraken over de manier waarop kennis wordt ontwikkeld en gedeeld;

    • e. afspraken over de manier waarop de continuïteit van de samenwerking wordt geborgd;

    • f. afspraken over de regelmatige evaluatie van processen en opbrengsten.

  • 3 De activiteiten, bedoeld in artikel 3, moeten uiterlijk zijn uitgevoerd op 1 juli 2017.

Artikel 5. Subsidieontvanger

  • 1 Subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening.

  • 2 Vanuit het samenwerkingsverband zal één partner optreden als penvoerder van het samenwerkingsverband.

  • 3 De penvoerder is de subsidieontvanger.

Artikel 6. Besteding subsidie

Het eventueel niet voor de activiteiten aangewende deel van de subsidie kan, mits de activiteiten volledig zijn uitgevoerd, worden besteed aan andere activiteiten van het samenwerkingsverband op de terreinen die genoemd zijn in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 4.

Artikel 7. Indienen activiteitenoverzicht

Bij de aanvraag dient de subsidieaanvrager een overzicht in van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 8. Subsidieplafond

Voor subsidieverlening, bedoeld in artikel 3, eerste lid is in de periode 2013–2016 een bedrag beschikbaar van:

  • a. € 2.800.000,– voor samenwerkingsverbanden in de onderwijssector po;

  • b. € 800.000,– voor samenwerkingsverbanden in de onderwijssector vo;

  • c. € 4.000.000,– voor samenwerkingsverbanden in de onderwijssector bve.

Artikel 9. Subsidiebedrag

De subsidie bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt per subsidieontvanger € 400.000,–.

Artikel 10. Subsidieaanvraag

  • 2 Met de subsidieaanvraag wordt tegelijkertijd een aanvraag ingediend voor de subsidie bedoeld in artikel 13.

  • 3 Voor de aanvraag maakt de aanvrager gebruik van het digitale aanvraagformulier op de website van DUO.

Artikel 11. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen. De subsidieverlening geschiedt op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie.

  • 2 De bijdrage van een eventuele honorering van de aanvraag aan een evenwichtige spreiding van de projecten over Nederland is voor de sectoren po en vo onderdeel van de geschiktheidsbeoordeling.

  • 3 Indien het verlenen van de subsidie uit het budget voor de onderwijssector bve, bedoeld in artikel 8, onder c, aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, verdeelt de minister het beschikbare bedrag achtereenvolgens in de volgende stappen:

    • a. per deelnemende hogeschool of universiteit komt één door de betreffende hogeschool of universiteit aan te wijzen samenwerkingsverband in aanmerking voor subsidie;

    • b. indien nog een bedrag resteert, komen vervolgens aanvragen in aanmerking van samenwerkingsverbanden die deelnemen aan het project ‘Opleiden in de school MBO’ als genoemd in bijlage 1.

  • 4 Indien het verlenen van de subsidie aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid, onverminderd het derde lid, zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, verdeelt de minister het beschikbare bedrag op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

Artikel 12. Weigeringsgronden

  • 1 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd aan de subsidieaanvrager die tevens een aanvraag heeft ingediend voor de subsidie, bedoeld in artikel 13, en aan wie die subsidie is geweigerd, of na te zijn verleend wordt ingetrokken.

  • 2 Samenwerkingsverbanden in de sectoren po en vo waarvan de deelnemende hogescholen en universiteiten reeds deelnemen aan een opleidingsschool in dezelfde onderwijssector, komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3 Indien een hogeschool of universiteit bij meerdere aanvragen in de sectoren po en vo betrokken is, komt per onderwijssector niet meer dan één door de betreffende hogeschool of universiteit aan te wijzen samenwerkingsverband in aanmerking voor subsidie.

Hoofdstuk 3. Tegemoetkoming kosten versterking algemene en thematische samenwerking

Artikel 13. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten gericht op de versterking van de:

    • a. algemene samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen;

    • b. samenwerking bij het opleiden van leraren op de thema’s opbrengstgericht werken, omgaan met verschillen, begeleiding beginnende leraren, ouderbetrokkenheid en pesten.

  • 2 Voor subsidie komen in aanmerking:

    • a. opleidingsscholen;

    • b. samenwerkingsverbanden die de subsidie, bedoeld in artikel 3, hebben aangevraagd.

  • 3 De activiteiten moeten uiterlijk zijn uitgevoerd op 1 juli 2017.

Artikel 14. Subsidievoorwaarden

  • 1 Bij de aanvraag dient de subsidieaanvrager een projectplan en een begroting in. Het projectplan is opgesteld aan de hand van de criteria in bijlage 2 bij deze regeling en bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De begroting bevat een overzicht van de voor het betreffende studiejaar geraamde inkomsten en uitgaven voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 3 De subsidieontvanger dient in het projectplan de beginsituatie te beschrijven met betrekking tot de aandacht voor de in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en b genoemde thema’s en de bestaande samenwerking tussen de lerarenopleiding en de scholen op het terrein van deze thema’s,

Artikel 15. Subsidieaanvrager

De subsidieaanvrager is:

Artikel 16. Besteding subsidie

Het eventueel niet voor de activiteiten aangewende deel van de subsidie kan, mits de activiteiten volledig zijn uitgevoerd, door samenwerkingsverbanden worden besteed aan andere activiteiten van het samenwerkingsverband op de terreinen die genoemd zijn in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 4, of door opleidingsscholen worden besteed aan andere activiteiten van de opleidingsschool waarvoor subsidie is verstrekt in het kader van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen.

Artikel 17. Subsidieplafond

Voor subsidieverlening als bedoeld in artikel 13, eerste lid is in de periode 2013–2016 een bedrag beschikbaar van:

  • a. € 53.200.000,– voor samenwerking in de onderwijssector po;

  • b. € 15.200.000,– voor samenwerking in de onderwijssector vo;

  • c. € 6.000.000,– voor samenwerking in de onderwijssector bve.

Artikel 18. Subsidiebedrag

De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste:

  • a. € 1.600.000,– voor samenwerking in de onderwijssector po;

  • b. € 520.000,– voor samenwerking in de onderwijssector vo;

  • c. € 500.000,– voor samenwerking in de onderwijssector bve.

Artikel 19. Vereisten subsidieaanvraag

De subsidieaanvraag wordt ingediend met behulp van het aanvraagformulier dat via de website van DUO beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 20. Termijn indiening aanvraag

De aanvraag voor de subsidie wordt uiterlijk 1 oktober 2013 ingediend.

Artikel 21. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen. De subsidieverlening geschiedt op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie.

  • 2 De bijdrage van een eventuele honorering van de aanvraag aan een evenwichtige spreiding over de betrokken lerarenopleidingen en aan de spreiding over Nederland maakt deel uit van de geschiktheid.

  • 3 Indien het verlenen van de subsidie aan meerdere aanvragers voor activiteiten van een gelijke geschiktheid zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, verdeelt de minister het beschikbare bedrag op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

Artikel 22. Tijdvak subsidieverlening

De subsidie wordt uiterlijk per 20 december 2013 verleend.

Artikel 23. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd of herzien indien:

  • a. het projectplan van de subsidieaanvrager in onvoldoende mate voldoet aan de criteria, bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling;

  • b. uit het projectplan onvoldoende blijkt dat het plan in gezamenlijkheid is opgesteld en de activiteiten gezamenlijk worden uitgevoerd door de lerarenopleidingen en scholen die deelnemen in de opleidingsscholen of samenwerkingsverbanden;

  • c. uit het projectplan onvoldoende blijkt hoe het totale afnemend onderwijsveld bij de activiteiten wordt betrokken;

  • d. indien de subsidie is aangevraagd door een samenwerkingsverband en aan dit samenwerkingsverband geen subsidie als bedoeld in artikel 3 wordt verleend.

Hoofdstuk 4. Algemene en slotbepalingen

Paragraaf 1. Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 24. Activiteitenverslag

  • 1 In aanvulling op de verantwoording van de subsidie in de jaarverslaggeving stelt de subsidieontvanger per studiejaar een activiteitenverslag op.

  • 2 Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de verrichte werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten.

  • 3 Het activiteitenverslag wordt jaarlijks uiterlijk op 1 oktober volgend op het betreffende studiejaar ingediend bij DUO.

  • 4 De subsidieontvanger maakt voor het activiteitenverslag gebruik van het digitale verantwoordingsformulier op de website van DUO.

  • 5 In afwijking van het eerste lid dient de subsidieontvanger voor het studiejaar 2016/2017 geen activiteitenverslag in, maar dient hij uiterlijk 1 oktober 2017 een eindverslag in bij DUO over de gehele subsidieperiode.

Artikel 25. Informatieplicht

  • 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de minister te voeren beleid.

  • 2 De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 26. Verantwoording en controle

De verantwoording door de subsidieontvanger van de subsidie vindt plaats zoals voorgeschreven in artikel 13, tweede lid, van de Regeling OCW-subsidies.

Artikel 27. Effectmeting

Er zal onderzoek worden gedaan door de minister naar het bereikte effect dan wel het bereikte resultaat van deze subsidie.

Paragraaf 2. Subsidieperiode en vaststelling

Artikel 28. Subsidieperiode

De subsidie wordt verleend voor de jaren 2013 tot en met 2017.

Artikel 29. Ambtshalve subsidievaststelling

De subsidie wordt vastgesteld conform artikel 17 van de Regeling OCW-subsidies.

Paragraaf 3. Begrotingsvoorwaarde en betaling

Artikel 30. Begrotingsvoorwaarde

Indien een subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar geen voldoende gelden ter beschikking worden gesteld, worden de verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 31. Betaling voorschotten

  • 1 In de subsidieperiode wordt jaarlijks een vierde deel van het subsidiebedrag aan de subsidieontvanger betaald in de maand december.

  • 2 De betaling voor de jaren 2014 tot en met 2015 vindt niet plaats voordat het activiteitenverslag van het voorgaande studiejaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, door DUO is ontvangen.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Artikel 32. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2019.

Artikel 33. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

Bijlage 1. , behorende bij artikel 11 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016

Deelnemers project ‘Opleiden in de school MBO’:

  • 1. Hogeschool Arnhem-Nijmegen met ROC A12 (Ede);

  • 2. Hogeschool Arnhem-Nijmegen met ROC Nijmegen;

  • 3. Fontys Hogescholen met ROC Koning Willem I ('s-Hertogenbosch);

  • 4. Hogeschool Windesheim met Deltion (Zwolle);

  • 5. Hogeschool Windesheim met Landstede (Harderwijk).

Bijlage 2. , behorende bij artikel 14 en 23 van de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013–2016

Beoordelingscriteria projectplan versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een samenwerkingsovereenkomst1 en een projectplan. In dit plan geeft de opleidingsschool of het samenwerkingsverband aan hoe het in de subsidieperiode (van 2013 tot en met 2016) zorgt voor een versterking van de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen (afnemend veld)2. Het gaat daarbij om de samenwerking in het algemeen, en in het bijzonder op de thema’s: omgaan met verschillen3, opbrengstgericht werken, begeleiding beginnende leraren, ouderbetrokkenheid en pesten4. In de bestuursakkoorden die gesloten zijn tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de PO-Raad, VO-raad en MBO-Raad, zijn afspraken gemaakt over verbeteringen op de thema’s omgaan met verschillen, opbrengstgericht werken en begeleiding beginnende leraren. Schoolbesturen en scholen zijn hiermee in 2011-2012 aan de slag gegaan. Met het oog op de kwaliteit van aankomende leraren is het van belang dat ook de lerarenopleidingen aansluiten bij hetgeen in de bestuursakkoorden is afgesproken. Daarnaast is de aandacht voor de thema’s ouderbetrokkenheid en het voorkomen, signaleren en bestrijden van pesten opgenomen omdat dit een belangrijke randvoorwaarde is voor het leerproces van leerlingen.

Dit document bevat de criteria die de beoordelingscommissie hanteert om de projectplannen te toetsen.

Digitaal aanvraagformulier

Het projectplan moet vóór 1 oktober 2013 ingediend worden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) via een digitaal aanvraagformulier, te downloaden op www.duo.nl.

Ondersteuning

  • Voor ondersteuning bij het subsidieproces kan het samenwerkingsverband terecht bij DUO via het emailadres: muo@duo.nl en de telefoonnummers: 079-3232333 (po), 079-3232444 (vo) of 079-3232666 (mbo).

  • Voor inhoudelijke ondersteuning kunnen samenwerkingsverbanden in po en vo zich aanmelden bij School aan Zet (zie www.schoolaanzet.nl). School aan Zet is een landelijk onderwijsprogramma dat scholen en schoolbesturen bijstaat in hun ontwikkeling van goed naar beter op de thema’s in het kader van de eerder genoemde bestuursakkoorden.

  • Samenwerkingsverbanden in mbo kunnen voor inhoudelijke ondersteuning terecht bij CINOP via het e-mailadres: adiggelen@cinop.nl. CINOP is een advies- en ondersteuningsorganisatie specifiek gericht op het beroepsonderwijs. CINOP ondersteunt management, staf en docenten bij de kwaliteitsverbetering van het onderwijs in mbo’s.

Versterking samenwerking in het algemeen en op de thema’s omgaan met verschillen, opbrengstgericht werken, ouderbetrokkenheid en pesten

Het projectplan bevat een duidelijk beeld van de beginsituatie:

  • Hoe is het gesteld met de samenwerking in het algemeen en met de samenwerking in het opleiden van studenten op bovengenoemde thema’s?

  • Waar liggen verbeterpunten en kansen?

  • Wat zijn de ambities en doelstellingen die het samenwerkingsverband in de subsidieperiode wil bereiken? (SMART5 geformuleerd)

In het projectplan wordt aangegeven hoe het samenwerkingsverband:

  • jaarlijks de behoeften en vragen6 van de lerarenopleiding en scholen in kaart brengt voor wat betreft de algemene samenwerking en voor de samenwerking in het opleiden van studenten op de thema’s;

  • actief gaat inspelen op de wederzijdse behoeften en vragen (waaronder het maken van afspraken, inzet gezamenlijke ontwikkelgroepen, nader onderzoek binnen een lectoraat, het aanpassen van de curricula);

  • de activiteiten die zijn ingezet op regelmatige basis evalueert en hoe zij de uitkomsten van deze evaluatie inzet voor verdere verbetering (pdca7-cyclus);

  • ook de scholen betrekt die géén deel uitmaken van het samenwerkingsverband (buitenste schil);

  • de versterkte samenwerking borgt, zodat de activiteiten kunnen worden voortgezet na de subsidieregeling;

  • zorgt voor (blijvende) kennisdeling zowel binnen het samenwerkingsverband als met de rest van het afnemende scholenveld (buitenste schil).

Thema: begeleiding beginnende leraren

Ook voor dit thema bevat het projectplan een beeld van de beginsituatie. In het projectplan wordt aangegeven hoe het samenwerkingsverband:

  • zorgt voor een ‘doorlopende leerlijn’ tussen theorie en praktijk op de lerarenopleidingen/scholen (initiële programma) en de eerste fase in het leraarsberoep. Het accent moet hierbij liggen op de thema’s opbrengstgericht werken, omgaan met verschillen, ouderbetrokkenheid en pesten;

  • zorgt voor een methodiek/aanpak8 van de begeleiding, met voldoende ruimte voor maatwerk;

  • zorgt voor een infrastructuur en vorm waarlangs de begeleiding plaatsvindt (waaronder een vaste coach, omvang van de begeleiding, inzet lesobservaties, intervisie, peer review);

  • de activiteiten die zijn ingezet om de begeleiding te verbeteren evalueert en hoe zij de uitkomsten van deze evaluatie inzet voor verdere verbetering.

Aanvullend voor lerarenopleiding en scholen voor primair onderwijs

In het projectplan wordt aangegeven hoe het samenwerkingsverband:

  • de aansluiting tussen het initiële programma op de pabo en de verdere professionalisering van de beginnende leerkracht in de eerste fase van het leraarschap gaat uitwerken op de onderstaande elementen9:

    • o de profieldelen die de pabo’s in het curriculum opnemen;

    • o de profieldelen die de pabo’s post-initieel aanbieden;

    • o de organisatie van de profieldelen en specialisaties (met nadruk op training ‘on the job’).

  • ^ [1]

    Voor opleidingsscholen geldt de bestaande samenwerkingsovereenkomst.

  • ^ [2]

    Het afnemend veld dient breder opgevat te worden dan de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband. Dat betekent dat het samenwerkingsverband ook de vragen en behoeften van scholen buiten het verband mee dienen te nemen (buitenste schil).

  • ^ [3]

    Omgaan met verschillen moet hier ruim worden opgevat, dus inclusief excellente leerlingen (toptalenten).

  • ^ [4]

    Het samenwerkingsverband kan zelf accenten en prioriteiten aanbrengen (ook in tijd) of thema’s combineren. De keuzes dienen goed onderbouwd te worden.

  • ^ [5]

    Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden.

  • ^ [6]

    Ook op het gebied van onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.

  • ^ [7]

    Plan-do-check-act

  • ^ [8]

    Hierbij kan gebruik gemaakt worden van reeds ontwikkelde en beproefde methodieken en aanpakken.

  • ^ [9]

    De commissie Kennisbasis Pabo (Meijerink) doet een aantal aanbevelingen rondom het opleiden van leraren in het po. Onderdeel hiervan is aandacht voor de postinitiële scholing van de leraar in de eerste jaren na het behalen van zijn diploma. Voor verdere professionalisering van de leraar is het van belang dat schoolbesturen en pabo's afspraken maken over de aansluiting tussen het initiële programma en de scholing in de inductiefase. Samenwerkingsverbanden in het po dienen de subsidie daarom ook te benutten voor de uitwerking van de aansluiting tussen het initiële programma en de scholing in de eerste fase van de loopbaan.