Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen Vergunninghouders

Geldend van 01-04-2013 t/m heden

Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen Vergunninghouders

Titel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze richtsnoeren wordt verstaan onder:

Artikel 2

Voor de uitleg van deze regeling wordt een kleinverbruiker onderscheiden in:

  • 1. consument: een kleinverbruiker, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  • 2. kleinzakelijke afnemer: alle kleinverbruikers die niet onder de definitie van consument vallen.

Titel 2. Redelijke opzegvergoeding

Op grond van artikel 95m lid 11 van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 52b lid 11 van de Gaswet kan de leverancier in een overeenkomst voor bepaalde duur opnemen dat de afnemer, bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, een redelijke vergoeding is verschuldigd. In de afdelingen een tot en met drie van deze titel geeft de ACM weer wat zij onder een redelijke opzegvergoeding verstaat.

Afdeling 1. - Redelijke opzegvergoeding algemeen

Artikel 3

  • 1 De ACM acht een opzegvergoeding niet redelijk indien de overeenkomst tussentijds wordt beëindigd in de periode van twee weken vóór tot twee weken na de datum waarop de overeenkomst afloopt.

  • 2 De genoemde bedragen in deze richtsnoeren zijn maximum bedragen.

Afdeling 2. - Redelijke opzegvergoeding consumenten

Artikel 4

  • 1 De ACM oordeelt dat er sprake is van een redelijke opzegvergoeding voor consumenten indien de maximale hoogte van een opzegvergoeding voor consumenten afhankelijk is van de duur van de overeenkomst en van de resterende looptijd op het moment van beëindigen, volgens onderstaande tabel:

    Contractduur

    Resterende looptijd

    Maximale opzegvergoeding

    1 jaar

    < 1 jaar

    50 Euro

    > 1 jaar

    < 1,5 jaar

    50 Euro

     

    1,5 - 2 jaar

    75 Euro

     

    2 - 2,5 jaar

    100 Euro

     

    > 2,5 jaar

    125 Euro

  • 2 De ACM oordeelt dat het in de overeenkomst bedingen van een vergoeding voor een uitgedeeld welkomstcadeau niet redelijk is indien:

    • de beëindiging heeft plaatsgevonden na verloop van een jaar van de overeenkomst; of

    • de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een jaar na het sluiten van de overeenkomst en de vergoeding voor het welkomstcadeau meer dan de reële waarde van het cadeau of meer dan 50 Euro bedraagt.

  • 3 Bij een overeenkomst voor de levering van elektriciteit én gas acht de ACM het bedingen van een afzonderlijke opzegvergoeding per product slechts redelijk indien de kleinverbruiker voor zowel elektriciteit als gas de overeenkomst vroegtijdig beëindigt en overstapt naar een andere vergunninghouder.

  • 4 De ACM oordeelt dat het bedingen van een opzegvergoeding niet redelijk is indien zich de situatie voordoet als beschreven in artikel 7.

Artikel 5 [Vervallen per 01-12-2011]

Afdeling 3. - Redelijke opzegvergoeding kleinzakelijke afnemers

Artikel 6

De ACM oordeelt dat er sprake is van een redelijke opzegvergoeding voor kleinzakelijke afnemers indien deze voldoet aan één van drie onderstaande criteria:

  • 1. de opzegvergoeding bedraagt maximaal 15% van de resterende (verwachte) waarde van de overeenkomst;

  • 2. de opzegvergoeding bedraagt het verschil tussen de waarde van de overeenkomst op basis van de marktprijs op het moment van beëindigen en de resterende waarde van de overeenkomst, plus een administratieve vergoeding van maximaal 50 Euro; of,

  • 3. de opzegvergoeding bedraagt maximaal 100 Euro per niet uitgediend jaar.

Titel 3. Redelijke voorwaarden met betrekking tot de opzegvergoeding

Op grond van artikel 95b lid 1 van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44 lid 1 van de Gaswet heeft een vergunninghouder de plicht tegen redelijke voorwaarden zorg te dragen voor de levering van elektriciteit respectievelijk gas aan iedere afnemer die daarom verzoekt. In de eerste en tweede afdeling van deze titel geeft de ACM weer wat zij, met betrekking tot het in rekening brengen van een opzegvergoeding, onder redelijke voorwaarden verstaat.

Afdeling 1. – Onredelijke tariefverhoging in overeenkomsten met consumenten

Artikel 7

De ACM oordeelt dat er geen sprake is van een redelijke voorwaarde wanneer:

  • 1. de vergunninghouder in een overeenkomst voor bepaalde duur met een variabel tarief een beding opneemt dat hem het recht geeft het leveringstarief aan te passen; en

  • 2. de vergunninghouder het leveringstarief verhoogt terwijl deze verhoging, naar objectieve maatstaven gemeten, ten opzichte van het tot dan toe geldende tarief onredelijk hoog is.

Afdeling 2. - In rekening brengen opzegvergoeding

Artikel 8

  • 1 De ACM oordeelt dat er sprake is van een redelijke voorwaarde indien het beding, op grond waarvan de vergunninghouder het recht verkrijgt een opzegvergoeding in rekening te brengen, wordt opgenomen in de overeenkomst, waarbij duidelijk wordt aangegeven wat de hoogte van de opzegvergoeding is.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid oordeelt de ACM dat er sprake is van een redelijke voorwaarde wanneer de vergunninghouder de opzegvergoeding binnen een redelijke termijn bij de kleinverbruiker in rekening brengt.

  • 3 Onder ‘binnen een redelijke termijn in rekening brengen’ verstaat de ACM dat de vergunninghouder de opzegvergoeding zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk bij het versturen van de eindafrekening, in rekening brengt.

Titel 4. Slotbepalingen

Artikel 9

De ACM acht het redelijk dat vanaf de inwerkingtreding van deze richtsnoeren geen opzegvergoedingen meer in rekening mogen worden gebracht die in strijd zijn met deze richtsnoeren.

Artikel 10

Deze richtsnoeren wordt aangehaald als “Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen Vergunninghouders”.

Artikel 11

  • 1 De bekendmaking van deze richtsnoeren met toelichting geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2 Deze richtsnoeren treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.

  • 4 Deze richtsnoeren zullen geëvalueerd worden indien de ACM dit noodzakelijk acht.

Den Haag, 17 januari 2008.

De Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit,

P. Kalbfleisch.

R.J.P. Jansen.

G.J.L. Zijl.