Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verordening PT keuring van apparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen 2012[Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 23-03-2013 t/m 31-12-2014

Verordening van het Productschap Tuinbouw van 13 november 2012 houdende regels ter zake van het gebruik van apparatuur bestemd voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen (Verordening PT keuring van apparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen 2012)

Het bestuur van het Productschap Tuinbouw;

Gelet op artikel 8 van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEG 2009 L 309), artikel 80, tweede en derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, artikel 32b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de artikelen 96, 98, 102, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie; Verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999;

Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen;

Gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden;

Gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten;

Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten;

Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 23 resp. d.d.25 oktober 2012.

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Deze verordening verstaat onder:

a. productschap

:

Productschap Tuinbouw;

b. bestuur

:

bestuur van het productschap;

c. Besluit

:

Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

d. ondernemer

:

de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld;

e. Richtlijn

:

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEG 2009, L 309);

f. gewasbeschermingsmiddel

:

gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid van Verordening (EG) 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEG 2009, L 309);

g. apparatuur

:

apparaat dat specifiek bestemd is voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;

h. volveldspuiten

:

mechanisch voortbewogen apparatuur voor het verdelen van gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse voIveldsbehandelingen in buitenteelten, die overwegend neerwaartse richting van spuitvloeistof bewerkstelligt, waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening reeds een keuringsplicht bestond op grond van de Verordening PT gebruik verdeelapparatuur bij gewasbeschermingsmiddelen 2009;

i. boomgaardspuiten

:

mechanisch voortbewogen apparatuur voor het verdelen van gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandelingen in buitenteelten, die overwegend zijwaartse of schuin opwaartse richting van spuitvloeistof bewerkstelligt, waarvoor vooraf- gaand aan de inwerkingtreding van deze verordening reeds een keuringsplicht bestond op grond van de Verordening PT gebruik verdeelapparatuur bij gewasbeschermingsmiddelen 2009.

§ 2. Verbodsbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2015]

Het verbod, bedoeld in artikel 32b, eerste lid, van het Besluit, om bij de toediening van gewasbeschermingsmiddelen op een gewas of op de grond gebruik te maken van apparatuur, geldt niet voor:

  • a. apparatuur die voldoet aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn waarvan de ondernemer een geldig keuringsbewijs kan overleggen, dat is afgegeven door de Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek te Wageningen;

  • b. apparatuur die niet meer dan drie jaar geleden is goedgekeurd in een lidstaat van de Europese Unie, voor zover de ondernemer een officieel ter zake van de keuring afgegeven bewijs kan overleggen waaruit blijkt dat de apparatuur voldoet aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn;

  • c. apparatuur die niet ouder is dan drie jaar, te bewijzen aan de hand van de factuur;

  • d. apparatuur die is vrijgesteld van keuring, zoals opgenomen in bijlage 3, onder C, van deze verordening mits de ondernemer kan aantonen dat de apparatuur goed is onderhouden en hulpstukken regelmatig zijn vervangen.

§ 3. De keuring [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Apparatuur waarvan tijdens de in het eerste lid bedoelde keuring wordt vastgesteld dat die in overeenstemming is met de overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn ontwikkelde geharmoniseerde normen, wordt geacht te voldoen aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn.

  • 3 Volveldspuiten worden geacht te voldoen aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn indien wordt voldaan aan de eisen gesteld aan volveldspuiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.

  • 4 Boomgaardspuiten worden geacht te voldoen aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn indien wordt voldaan aan de eisen gesteld aan boomgaardspuiten, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 5 De Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek te Wageningen verstrekt namens het productschap een keuringsbewijs aan de ondernemer indien de apparatuur voldoet aan de eisen van bijlage 11 van de Richtlijn.

  • 6 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs is drie jaren na datum afgifte daarvan. In afwijking van het vijfde lid is de geldigheidsuur van het keuringsbewijs voor apparatuur opgenomen in, de bij deze verordening opgenomen, bijlage 3 onder B, 6 jaren na datum afgifte daarvan.

§ 4. Toezicht & handhaving [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2015]

Het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de verordening bepaalde wordt namens het productschap uitgeoefend door toezichthouders die hiervoor bij besluit van het productschap zijn aangewezen.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

  • 2 Indien de overtreding bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk wordt gesanctioneerd, wordt van tuchtrechtelijke maatregelen afgezien.

§ 5. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 In afwijking van artikel 2 is de toediening van gewasbeschermingsmiddelen met apparatuur, niet zijnde volveldspuiten en boomgaardspuiten, met een bouwjaar:

    • a. ouder dan 1996 toegestaan tot 1 januari 2015;

    • b. tussen 1996 en 2000 toegestaan tot 1 januari 2016;

    • c. na 2000 toegestaan tot 26 november 2016.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2015]

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2015]

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PT keuring van apparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in het Verordeningen blad Bedrijfsorganisatie worden geplaatst.

Zoetermeer, 13 november 2012

A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven

voorzitter

J.M. Gerritsen

secretaris

Bijlage 1. Eisen voor volveldspuiten: [Vervallen per 01-01-2015]

De volveldspuit wordt afgekeurd als één of meer van de in de groepen a t/m q vermelde onderdelen zich voordoet. Afwezigheid van onderdelen waarvan kan worden aangetoond dat ze al niet aanwezig waren toen de machine nieuw was, is geen reden tot afkeuring. Uitzonderingen hierop zijn de aanwezigheid van een zeef in de tankopening en de uitvoering van de manometer.

  • a. Spuitboom uit- en inklappen; vergrendelen:

    • 1. Het handmatig in- en uitklappen kan niet door één volwassen persoon zonder gebruik van geweld of gereedschap worden uitgevoerd;

    • 2. Het mechanisch of hydraulisch in- en uitklappen vindt niet plaats met een redelijk gelijkmatige snelheid of handmatig ingrijpen is nodig;

    • 3. De vergrendelingen op de spuitboom, inclusief de obstakelbeveiliging, in werkstand en/of transportstand zijn onvoldoende;

    • 4. Slangen worden bij het in- en uitklappen afgeklemd.

  • b. Hoogteverstelling:

    • 1. Een kabel, waarmee de hoogteverstelling plaatsvindt met behulp van een mechanisch of hydraulisch systeem, vertoont rafels of heeft gebroken draden;

    • 2. De hoogteverstelling is niet op de oorspronkelijke manier mogelijk; de oorspronkelijke manier is niet meer vast te stellen en de actuele manier is gevaarlijk voor de bedieningspersoon;

    • 3. De op de gewenste hoogte ingestelde spuitboom verandert bij draaiende motor meer dan plus of minus 2 cm in hoogte.

  • c. Balanscorrectie, pendelconstructie:

    • 1. De balanscorrectie/schuinstelmogelijkheid ten opzichte van het maaiveld werkt niet;

    • 2. De boom kan niet soepel heen en weer bewogen worden in het verticale vlak als gevolg van verbogen, klemmende of stroef glijdende respectievelijk draaiende onderdelen van de pendel- of balansconstructie (slingeren).

  • d. Werking obstakelbeveiliging:

    • 1. Het boomdeel waarop de obstakelbeveiliging zit kan niet met één hand ontgrendeld worden;

    • 2. De obstakelbeveiliging keert niet volledig in ruststand terug, nadat het einde van het beveiligde boomdeel handmatig in een vloeiende snelle beweging één meter achterwaarts is geduwd en losgelaten.

  • e. Kwaliteit van de constructie:

    • 1. De uiteinden van de boom hangen als gevolg van slijtage meer door dan 10 cm;

    • 2. De aandrijving verkeert in zodanige staat dat het goed functioneren van de spuitapparatuur niet gewaarborgd is;

    • 3. In de scharnierconstructie zit als gevolg van overmatige slijtage of breuk veel bewegingsruimte, waardoor de aan elkaar gekoppelde boomdelen onafhankelijk van elkaar ongecontroleerde bewegingen kunnen maken (zwiep).

  • f. Spuitleiding met toebehoren:

    • 1. Bij stilstand treedt lekkage op;

    • 2. Slangen zijn geknikt;

    • 3. De spuitleiding, dophouders en doppen zijn niet onbeweeglijk bevestigd; het onderlinge hoogteverschil van de doppen is meer dan 10 cm;

    • 4. Slangklemmen functioneren zo slecht dat een slang kan worden losgetrokken zonder gebruik te maken van gereedschap of zonder eerst een veiligheidsvoorziening te hebben verwijderd;

    • 5. Slangen zijn ingesneden door slangklemmen;

    • 6. Er wordt beschadiging van de wapening van de slangen vastgesteld, onder andere tot uiting komend in opgezwollen slangen.

  • g. Tank:

    • 1. De tankinhoud is niet vast te stellen, omdat bijvoorbeeld de markering ontbreekt, het peilglas defect of niet helder is, of het vloeistofniveau niet goed door de tankwand is waar te nemen;

    • 2. Het tankdeksel past qua grootte en vorm niet op de opening en kan niet onbeweeglijk worden vastgezet of kan niet met de hand worden losgemaakt;

    • 3. De ontluchting werkt niet;

    • 4. Het aftappunt is niet goed bruikbaar;

    • 5. Er is in de tankopening geen of een niet in goede staat verkerende vulzeef aanwezig;

    • 6. Via de zuigslang of vul-spoelinrichting kan spuitvloeistof teruglopen.

  • h. Filters:

    • 1. In de zuig- en persleiding ontbreekt een filter;

    • 2. De aanwezige filters zijn niet compleet en/of verkeren niet in goede staat.

  • i. De spuitmanometer:

    • 1. Het huis van de manometer heeft een diameter die kleiner is dan 63 mm;

    • 2. Schaalindeling:

      • -

        de op de spuit aanwezige doppen hebben een spuitgebied van 1 tot en met 5 bar, maar de schaalindeling in het gebied van 1-5 bar is grover dan 0,2 bar;

      • -

        de op de spuit aanwezige doppen hebben een spuitgebied van 1 tot en met 5 bar respectievelijk van 5 tot en met 8 bar, maar de schaalindeling in het gebied van 1 tot en met 5 bar is grover dan 0,2 bar of de schaalindeling in het gebied van 5 tot en met 8 bar is grover dan 1,0 bar respectievelijk de schaalindeling in beide gebieden is grover dan per gebied is toegestaan;

    • 3. Nauwkeurigheid:

      de op de spuit aanwezige doppen hebben een spuitgebied van 1 tot en met 5 bar of van 5 tot en met 8 bar maar de door de spuit-manometer aangegeven drukken in het traject van 1 tot en met 8 bar hebben ten opzichte van de ijkmanometer een afwijking die groter is dan 0,4 bar;

    • 4. Er zijn meerdere spuitmanometers (d.w.z. manometers geplaatst achter het persfilter en/of voorzien van een druksensor) aanwezig maar er wordt niet voldaan aan de eis dat minstens twee spuitmanometers aan de eisen (i 1 t/m 3) voldoen. Voor de digitaal afleesbare spuitmanometer is de afmetingseis niet van toepassing;

    • 5. Een manometer voor de luchtdruk van spuitsystemen met lucht/vloeistofdoppen dient een minimale diameter te hebben van 63 mm, een schaalindeling tussen 0,5 en 2 bar van maximaal 0,1 bar en een maximale afwijking t.o.v. de ijkmanometer van 0,2 bar.

  • j. Pomp/druktest (lektest):

    De op de spuit aanwezige flowmeter (doorstroommeter) wijkt méér dan 5% af van de testdoorstroommeter.

  • k. De spuitmanometer:

    • 1. Bij het opschroeven van de druk naar 10 bar of de door de fabrikant maximaal toegestane druk in het leidingsysteem met uitzondering van de spuitleiding, treedt lekkage op van olie of spuitvloeistof;

    • 2. De overdrukbeveiliging functioneert niet goed (o.a. geen opvang van vloeistofoverstort);

    • 3. Tijdens het spuiten met de hoogste druk behorende bij het spuitgebied van de te testen spuitdoppen treedt lekkage op aan de spuitleiding;

    • 4. Bij de druktesten zijn de slangen opgezwollen;

    • 5. Spuitdoppen druppen meer dan 2 ml na nadat de spuitkegel na het sluiten van de hoofdkraan 5 seconden is gestopt;

    • 6. Er bevinden zich obstakels in het spuitbeeld.

  • l. De drukregelaar:

    • 1. De ingestelde spuitdruk bij gelijkblijvend toerental wordt niet met een nauwkeurigheid van plus of minus 0,2 bar gehandhaafd;

    • 2. Na enkele malen openen en sluiten van de hoofdkraan wordt de ingestelde druk (plus of minus 0,2 bar) niet opnieuw verkregen.

  • m. De roercapaciteit:

    • 1. Er is onvoldoende roercapaciteit bij het spuiten met de op de spuit aanwezige doppen met de grootste afgifte en de bij deze doppen behorende hoogste spuitdruk.

      • -

        Bij aanwezigheid van alleen een hydraulische roerinrichting is de roercapaciteit onvoldoende als de voor de roering beschikbare capaciteit van de pomp in l/min minder is dan 5% van de nominale tankinhoud.

      • -

        Bij aanwezigheid van een hydraulische roerinrichting plus een injector of een mechanisch roerwerk is de roercapaciteit in l/min onvoldoende als de beschikbare hydraulische roercapaciteit van de pomp minder is dan 2,5% van de nominale tankinhoud, gemeten bij uitgeschakelde injector.

      • -

        Bij aanwezigheid van alleen een mechanisch roerwerk is de roercapaciteit in l/min onvoldoende als op basis van door de opdrachtgever aangeleverde documentatie kan worden vastgesteld dat de waterverplaatsing (l/min) van het mechanische roerwerk kleiner is dan 5% van de nominale tankinhoud;

    • 2. De werking van de roerinrichting is onvoldoende:

      • -

        het mechanisch- of injectorroerwerk werkt niet

      • -

        bij een hydraulisch-, mechanisch-, of injectorroerwerk is de vloeistof in een halfvolle de tank niet duidelijk in beweging.

  • n. Het verdelingspatroon van de verspoten vloeistof:

    • 1. De per 10 cm gemeten hoeveelheid verspoten vloeistof wijkt meer dan plus of min 15% af van het gemiddelde. Van alle op of bij de spuit aanwezige doptypen moet het verdelingspatroon per doptype gecontroleerd worden over de volledige werkbreedte;

    • 2. Kantdoppen zijn, indien aanwezig, niet gemonteerd volgens de instructie of hebben geen juist spuitbeeld.

  • o. Drukaccumulator:

    • 1. Er is luchtlekkage;

    • 2. De druk van de accumulator kan niet ingesteld worden op de juiste voordruk van de in te stellen spuitdrukken van de aanwezige spuitdoppen. Als de accumulator oorspronkelijk niet instelbaar was, vervalt deze afkeuringsreden;

    • 3. De wijzer van de manometer staat niet stil.

  • p. Fustreiniger (indien aanwezig):

    • 1. De fustreiniger is beschadigd of niet compleet (zakkenspoelframe);

    • 2. De spoelkop is verstopt.

  • q. Bedieningsorganen:

    Tijdens de uitvoering van de keuring is geconstateerd dat de bedieningsorganen van meet-, schakel- en drukinstellingen niet soepel of niet goed functioneren.

Bijlage 2. Eisen voor boomgaardspuiten: [Vervallen per 01-01-2015]

De boomgaardspuit wordt afgekeurd als één of meer van de in de groepen a t/m n vermelde onderdelen zich voordoet. Afwezigheid van onderdelen waarvan kan worden aangetoond dat ze al niet aanwezig waren toen de machine nieuw was, is geen reden tot afkeuring. Uitzonderingen hierop zijn de aanwezigheid van een zeef in de tankopening en de uitvoering van de manometer.

  • a. De bedieningsorganen

    Functioneren niet, niet goed of niet soepel.

  • b. De controle van de verstelmogelijkheden

    • 1. De aanwezige verstelmogelijkheden zijn niet goed bruikbaar (zitten vast of zijn defect) respectievelijk kunnen niet in een reproduceerbare stand worden vastgezet.

    • 2. De op de gewenste hoogte ingestelde spuitdop(pen) veranderen van positie ten opzichte van het maaiveld of in stand ten opzichte van de bomen, respectievelijk de stand van de spuitdoppen (links en rechts) is niet symmetrisch.

    • 3. Bij draaiende motor is de hoogteverandering meer dan plus of minus 2 cm, tenzij de oorzaak bij de trekker ligt.

    • 4. De afstand van de linker respectievelijk rechter onderste spuitdop tot het maaiveld heeft een verschil van meer dan 2 cm.

  • c. De slangen, leidingen, klemmen, dophouders, doppen

    • 1. Er is tijdens het onder druk staan van het systeem lekkage van spuitvloeistof of olie.

    • 2. Nadruppelen van doppen nadat de vloeistofstroom is afgesloten wordt als lekkage beschouwd.

    • 3. Slangen zijn geknikt.

    • 4. Er wordt beschadiging van de wapening van de slangen vastgesteld.

    • 5. De spuitleiding, dophouders en doppen zijn niet onbeweeglijk bevestigd.

    • 6. Slangklemmen functioneren zo slecht dat een slang kan worden losgetrokken zonder gebruik te maken van gereedschap of zonder eerst een veiligheidsvoorziening te hebben verwijderd.

    • 7. Slangen zijn ingesneden door slangklemmen.

  • d. De tank

    • 1. Het tankdeksel past qua grootte en vorm niet op de opening en kan niet onbeweeglijk worden vastgezet of kan niet met de hand worden losgemaakt.

    • 2. De beluchting werkt niet.

    • 3. Het aftappunt is niet goed bruikbaar.

    • 4. De tankinhoud is niet vast te stellen.

    • 5. Er is niet een in goede staat verkerende vulzeef aanwezig.

    • 6. Via de zuigslang of vul-spoelinrichting kan spuitvloeistof teruglopen.

  • e. De ventilator(-en)

    • 1. De ventilatorbladen zijn vervuild, verbogen of anderszins beschadigd. De ventilatorbladen staan niet in dezelfde stand. De ventilator is niet in balans.

    • 2. De afscherming van de ventilator ontbreekt, zit niet goed bevestigd of heeft zodanige openingen dat risico voor persoonlijk letsel aanwezig is.

    • 3. De aandrijving vertoont technische gebreken (breuk, slip, e.d.).

    • 4. Geleideplaten zijn vervuild, verbogen of anderszins beschadigd.

  • f. De filters

    In de zuig- en persleiding ontbreekt een filter respectievelijk de aanwezige filters zijn niet in goede staat.

  • g. De spuitmanometer

    • 1. Het huis van de manometer heeft een diameter die kleiner is dan 60 mmo.

    • 2. De schaalindeling is in het bereik van 5 - 15 bar grover dan 1,0 bar. Spuit met luchtverneveling: De schaalindeling is in het bereik van 1 - 8 bar grover dan 1,0 bar.

    • 3. De schaalhoek over het bereik van 0- 15 bar, resp. 0-8 bar, is minder dan 135°. De door de spuitmanometer aangegeven drukken, in het gebied van 5 - 15 bar, respectievelijk 1 - 8 bar, wijken meer dan 1,0 bar af van de ijkmanometer-waarden.

    • 4. Er zijn meerdere spuitmanometers (d.w.z. manometers geplaatst achter het persfilter en voorzien van een druksensor) aanwezig, maar er wordt niet voldaan aan de eis dat ten minste twee spuitmanometers aan de eisen (g, 1 tot en met 3) voldoen. Voor de digitaal afleesbare spuitmanometer is de afmetingseis niet van toepassing.

  • h. De flowmeter

    De op de spuit aanwezige flowmeter (doorstroommeter) wijkt meer dan 5% af van de testdoorstroommeter.

  • i. De pomp-/druktest

    • 1. Er treedt lekkage op, als de druk verhoogd wordt tot de door de fabrikant maximaal toegestane druk of 20 bar.

    • 2. De overdrukbeveiliging functioneert niet goed.

    • 3. De pompcapaciteit voldoet niet aan de volgende eisen:

      • -

        bij aanwezigheid van alleen een hydraulische roerinrichting is de beschikbare overcapaciteit van de pomp in l/min meer dan 5% van de nominale tankinhoud, of

      • -

        bij aanwezigheid van een hydraulische roerinrichting plus een injector of een mechanisch roerwerk is de beschikbare overcapaciteit van de pomp per minuut meer dan 2,5% van de nominale tankinhoud.

  • j. De drukregelaar

    • 1. De ingestelde spuitdruk bij gelijkblijvend toerental wordt niet met een nauwkeurigheid van plus of minus 1 bar gehandhaafd.

    • 2. Na enkele malen openen en sluiten van de hoofdkraan wordt de ingestelde druk (plus of minus 1 bar) niet opnieuw verkregen.

  • k. De roering

    De werking van de roerinrichting is onvoldoende als de vloeistof in de tank niet duidelijk in beweging is.

  • l. De dopafgifte test

    • 1. De afgifte per dop wijkt meer af dan plus of minus 10% van de gemiddelde waarde van gelijk gecodeerde doppen. Doppen die anders gecodeerd zijn worden derhalve apart gemeten.

    • 2. De in de doppentabel vermelde waarde valt buiten het onder punt 1 genoemde ± 10% gebied.

    • 3. Doppen van apparatuur die een overwegend schuin opwaartse richting bewerkstelligen moeten afzonderlijk verstelbaar en afsluitbaar zijn.

  • m. De spuitmasttest

    • 1. Er hangen obstakels in het spuitbeeld.

    • 2. Verdelingspatroon voor boomgaardspuiten voldoet niet aan de volgende eisen:

      • -

        het verdelingspatroon moet zodanig kunnen worden ingesteld dat het spuitbeeld ongeveer symmetrisch is. De vloeistofniveaus in de corresponderende maatbekers van de metingen links en rechts van de machine mogen niet meer dan 20% van elkaar verschillen. De beoordeling: visueel,

      • -

        het verdelingspatroon moet blijven binnen een verticale lijn die aan het spuitbeeld raakt op een hoogte van minder dan 2 meter boven de grond. De beoordeling: visueel,

      • -

        maximaal 5% van de uitgebrachte spuitvloeistof mag tussen spuit en stam op de bodem komen. De beoordeling: visueel,

      • -

        maximaal 5% van de uitgebrachte spuitvloeistof mag boven de "boom" verspoten worden. De beoordeling: visueel.

    • 3. In afwijking van het in dit onderdeel onder 2 gestelde, geldt, voor verdeelapparatuur welke een overwegend schuin opwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligt:

      Verdelingspatroon voor boomgaardspuiten (die een schuin opwaartse spuitrichting bewerkstelligen) voldoet niet aan de volgende eisen:

      • -

        het verdelingspatroon moet zodanig worden ingesteld dat het spuitbeeld ongeveer symmetrisch is. De beoordeling: visueel,

      • -

        het verdelingspatroon moet zodanig zijn dat er een gesloten spuitbeeld kan worden gevormd. De beoordeling: visueel,

      • -

        maximaal 5% van de uitgebrachte spuitvloeistof mag tussen spuit en stam op de bodem komen. De beoordeling: visueel,

      • -

        maximaal 5% van de uitgebrachte spuitvloeistof mag boven de "boom" verspoten worden. De beoordeling: visueel.

  • n. De drukaccumulator

    • 1. Er is luchtlekkage.

    • 2. De voordruk van de accumulator kan niet ingesteld worden op ongeveer 0,6 deel van de in te stellen spuitdrukken van de aanwezige spuitdoppen. Als de voordruk van de accumulator oorspronkelijk niet instelbaar was, vervalt deze reden tot afkeuren.

    • 3. De wijzer van de manometer staat niet stil.

Bijlage 3. : Keuringsfrequentie per apparatuur [Vervallen per 01-01-2015]

Apparatuur Omschrijving A - periodieke keuring, eens per 3 jaar B - andere frequenties van keuren C - vrij gesteld van keuring Opmerkingen

Volveldspuiten

Mechanisch voortbewogen apparatuur voor het verdelen van gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandelingen in buitenteelten, die overwegend neerwaartse richting van spuitvloeistof bewerkstelligt. Voorbeelden hiervan zijn: trekker gedragen, getrokken, zelfrijdende of opgebouwde veldspuiten inclusief ATV met spuitboom.

X

     

Boomgaardspuiten

Mechanisch voortbewogen apparatuur voor het verdelen van gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandelingen in buitenteelten, die overwegend zijwaartse of schuin opwaartse richting van spuitvloeistof bewerkstelligt. Voorbeelden hiervan zijn: Boomgaardspuiten) in de fruitteelt en de boomkwekerij, dwarsstroomspuiten, precisiespuiten, tunnelspuiten, torenspuiten, spuiten met reflectieschermen, meerrijige spuitsystemen en kanon type spuiten.

X

     

Motorvatspuiten

Motorvatspuiten met spuitpistool of spuitlans. Verticale spuitboom, hand geduwd of motor aangedreven, eventueel met luchtondersteuning of lucht/vloeistofmengdoppen en eventueel automatisch bestuurd. Horizontale spuitboom, hand gedragen, opgehangen aan een rails of geduwd op wielen of rails eventueel uitgevoerd als automaat of gecombineerd met watergeefsysteem, Hoogvolume spuitapparatuur, mobiele of vast opgestelde unit met tank of pomp unit, motor aangedreven of aangedreven via de aftakas van de trekker, losse uitbrengeenheid. Inclusief ATV met spuitlans

X

     

Handgedragen apparatuur

Hand- en rugspuiten met handpomp of drukkamer (Hieronder begrepen spuitbussen).

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Handgedragen apparatuur met electro- of benzine motor

Hand- en rugspuiten aangedreven met electro- of benzine motor.

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Handgedragen nevelspuiten

Mistblowers (rugspuit), toegepast in de fruitteelt, de glastuinbouw en de boomkwekerij.

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Laagvolume spuitapparatuur

Pulsfog apparatuur en LVM (Laag Volume Mist) apparatuur voor gebruik in binnenruimtes in met name de glastuinbouw (bijv. foggers, misters, verdampers en vernevelaars), maar ook bij de bewaring van aardappels en in de intensieve veehouderij.

 

X zie opm

X zie opm

Apparatuur waarbij de nozzle het belangrijkste onderdeel is dat aan slijtage onderhevig is, wordt vrijgesteld mits de nozzle niet ouder is dan 3 jaar. De effectiviteit van de bespuiting is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de nozzle. De apparatuur draait vaak autonoom. Voor overige apparatuur geldt een keuringsfrequentie van 6 jaar.

Zwavelverdamper

Toegepast in de glastuinbouw.

   

X

Hier zitten weinig delen in die kunnen verslijten. Het apparaat werkt goed of het werkt niet (de zwavel wordt dan niet verdampt).

Zaaizaadbehandelingsapparatuur

Zaaizaadbehandelingsapparatuur of zaaizaadontsmettingsapparatuur.

   

X

Zaaizaadbehandeling gebeurt centraal bij gespecialiseerde bedrijven. Onderhoud is al opgenomen in ARBO richtlijnen. Er is/wordt een certificeringssysteem voor zaaizaadbehandelings-bedrijven ontwikkeld.

Grondontsmettingapparatuur

Grondontsmettingapparatuur (inwerken of spuiten).

X

     

Granulaat strooiers en poederapparatuur (handgedragen)

Apparatuur om middelen in vaste vorm te verspreiden, volvelds of in stroken (granulaatstrooiers, apparatuur om slakkenkorrels te verspreiden, poederapparaten, enz.)

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Granulaat strooiers en poeder-apparatuur (niet handgedragen)

Niet handgedragen apparatuur om middelen in vaste vorm te verspreiden, volvelds of in stroken (granulaatstrooiers, apparatuur om slakkenkorrels te verspreiden, poederapparaten, (enz.)

   

X

Apparatuur om middelen in vaste vorm te verspreiden, volvelds of in stroken (granulaatstrooiers, apparatuur om slakkenkorrels te verspreiden, poederapparaten, enz.) is niet of nauwelijks slijtagegevoelig en er is vrijwel niets aan te regelen (het werkt goed of het werkt niet). Nieuwe machines voor professioneel gebruik dienen goedgekeurd te zijn.

Spuittreinen, spuitvliegtuigen en spuitboten

Spuitapparatuur gemonteerd op treinen, vliegtuigen en boten.

X

     

Handgedragen onkruidstrijkers

Onkruidstrijkers handgedragen

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Mechanisch voortbewogen onkruidstrijkers

Onkruidstrijkers achter bijvoorbeeld een trekker of ATV.

   

X

Hier is ook niets aan te regelen. Nieuwe machines voor professioneel gebruik dienen goedgekeurd te zijn.

Staminjectie

Apparatuur om middel te kunnen injecteren in bomen.

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Installaties waarmee middel wordt meegegeven met gietwater

In de glastuinbouw. Middel wordt meegegeven in de kunstmestbak, waardoor het middel meegaat met het gietwatersysteem.

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Installaties waarmee middel wordt geïnjecteerd in het gietwater dmv dosseerunit

In de glastuinbouw. Middel wordt meegegeven dmv een dosseerunit in een waterleiding van het gietwatersysteem.

X

   

Beperken tot keuring van doseerunit.

Rijen of strokenspuiten

Rijen of strokenspuiten, mechanisch voortbewogen, meestal neerwaarts, (akkerbouw, boomteelt en fruitteelt). Inclusief op zaai- of pootapparatuur gebouwde spuitapparatuur. Hieronder kan ook vallen apparatuur die per bed een middel op de grond spuit terwijl die wordt gefreesd (beddenfrees) en het middel daarmee dus infreest, bijvoorbeeld voor een middel als Rizolex (niet om grondontsmetting).

X

spuitboom meer dan 3 m. Zie opm.

 

X spuitboom 2 m of minder, zie opm.

Deze worden zeer beperkt gebruikt en gedurende een korte periode in tegenstelling tot volveldsspuiten die jaarrond worden ingezet. De emissierisico's zijn beperkt. Bij spuitinstallaties breder dan 3 m kan volgens de richtlijn geen vrijstelling of alternatieve keuringsfrequentie gelden.

Onkruidspuiten in de fruitteelt

Eenvoudige spuitapparatuur, te bevestigen voor of onder de trekker, met enkele spuitdoppen om onkruid onder fruitbomen/struiken te bestrijden.

X

spuitboom meer dan 3 m. Zie opm.

 

X spuitboom 3 m of minder, zie opm.

Met deze apparatuur wordt het onkruid in de fruitteelt enkele malen per jaar bestreden. Toepassing vindt gericht plaats om te voorkomen dat er schade ontstaat aan de fruitbomen/struiken en de grasstrook. De emissierisico's zijn beperkt. Bij spuitinstallaties breder dan 3 m kan volgens de richtlijn geen vrijstelling of alternatieve keuringsfrequentie gelden.

Dompelapparatuur

Apparatuur voor het dompelen van planten, plantendelen (b.v. bloembollen) en vruchten (b.v. voor de bestrijding van vruchtrot in fruit), waarbij middel wordt toegevoegd aan een dompelbak of waarbij de dompelvloeistof met middelen via een douche (b.v. bij de bollenteelt over de bollen in de kuubskist heen) wordt toegevoegd aan het dompelbad.

   

X

Op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn.

Smartfresh toepassing

In afgesloten koelcellen wordt Smartfresh toegepast om de teruggang in kwaliteit van appels en peren te remmen.

   

X

Deze toepassing vindt plaats door verdamping. Het middel wordt een met de hand verplaatsbaar vat gelegd. In dit vat zit water en met een elektromotor op batterijen wordt lucht in het water gebracht. Hierdoor reageert het middel met water en verdampt. De verspreiding van het middel in de koelcel vindt plaats door de luchtstroming in de cel van de koelapparatuur. De toepassing wordt niet uitgevoerd door de fruitteler, maar door de eigenaar van het middel, die naast het middel ook de toepassing levert.

Overige apparatuur

Apparatuur die specifiek bestemd is voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan bovengenoemde apparatuur.

X