Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing Opsporingsberichtgeving

Geldend van 16-03-2009 t/m heden

Aanwijzing Opsporingsberichtgeving

Samenvatting

Deze aanwijzing geeft aan wat opsporingsberichtgeving inhoudt, hoe en wanneer het Openbaar Ministerie (OM) de verschillende vormen ervan kan inzetten en aan welke omstandigheden het OM daarbij nog speciale aandacht moet geven.

Sinds de voorgaande aanwijzing heeft het aantal beschikbare mediavormen een enorme vlucht genomen. Vooral het internet heeft de mogelijkheden om burgers te betrekken bij de opsporing vergroot. De aanwijzing besteedt ruim aandacht aan het internet.

De aanwijzing begint met een definitie en het wettelijk kader, waarna uiteen wordt gezet welke soorten opsporingsberichtgeving het OM kan inzetten en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. Gevoelige zaken worden apart genoemd. Nieuw daarbij zijn de dringend gezocht lijsten op het internet. Ook geeft de aanwijzing een overzicht van berichten die weliswaar kenmerken vertonen van opsporingsberichtgeving, maar niet onder de verantwoordelijkheid van het OM vallen, waaronder het Amber Alert. Daarnaast besteedt de aanwijzing bijzondere aandacht aan de verwijdering van informatie, vooral van het internet, en een klachtprocedure. Ook gaat de aanwijzing in op het uitloven van beloningen door het OM en op het gebruik van beeld- en geluidsmateriaal.

De aanwijzing bespreekt ook de samenstelling en werkwijze van het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving (L.O.O.), het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.) en het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O.). Ten slotte gaat de aanwijzing in op de samenwerking met mediapartners en wordt aangegeven welke afspraken tot stand moeten komen.

Om de bruikbaarheid van de aanwijzing te vergroten is ervoor gekozen om de (kern van de) inhoud met behulp van bewegwijzering (kaders) toegankelijk te maken en zijn de procedures ten behoeve van de verschillende vormen van opsporingsberichtgeving niet in de aanwijzing zelf opgenomen, maar puntsgewijs als bijlage weergegeven.

1. Achtergrond

Sinds de inwerkingtreding van de vorige Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2004A010) is vier jaar verstreken. In die periode zijn er belangrijke ontwikkelingen rond opsporingsberichtgeving geweest.

Het bereik van communicatie via het internet en de tv is sterk vergroot. Ook de snelheid waarmee informatieverspreid wordt, is toegenomen. Lokale en regionale berichtgeving hebben onbedoeld vaak een landelijke uitwerking. Digitalisering van opsporingsberichtgeving maakt kopiëren, bewerken en rondsturen van berichten voor iedereen mogelijk. Informatiestromen zijn moeilijk te beheersen.

Mediabedrijven gebruiken het internet om zowel grote algemene als kleine specifieke doelgroepen te bereiken.

Onderzoeksjournalisten en burgers betreden het terrein van opsporing en maken van media gebruik bij het onder de aandacht brengen van zaken en kwesties. Soms wordt hierbij afstemming gezocht met politie en OM.

Ten slotte is er toegenomen aandacht van politiek, pers en burgers voor opsporingsberichtgeving. In het publieke debat worden inbreuken op de privacy van verdachten en veroordeelden eerder geaccepteerd bij ernstige strafbare feiten of ten aanzien van personen die met hun gedrag een ernstig gevaar voor de samenleving vormen.

Het OM moet de organisatie van opsporingsberichtgeving aan deze ontwikkelingen aanpassen.

Deze aanwijzing kenmerkt zich, in vergelijking met de vorige Aanwijzing, door:

  • meer publicatiemogelijkheden voor opsporingsberichten;

  • duidelijker omschreven procedures, waarbij ook aandacht is voor verwijdering van informatie en klachten;

  • herijking van de criteria voor opsporingsberichtgeving;

  • afstemming van de regionale organisatie op de landelijke organisatie;

  • een helder onderscheid tussen besluitvorming, beleid en uitvoering.

2. Wat is opsporingsberichtgeving

Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen.

Onder deze ruime definitie vallen opsporingsberichten die gepubliceerd worden via de tv, radio, krant, telefoon of het internet. Ook berichten op publieke beeldschermen, in flyers en berichten die, na overleg met OM en/of politie, in media als resultaat van onderzoeksjournalistiek worden getoond, zijn aan te merken als vormen van opsporingsberichtgeving wanneer daarbij de hulp van het publiek wordt gevraagd.

Opsporingsberichtgeving is geen voorlichting en dient daarmee niet verward te worden.

3. Juridisch kader

De bevoegdheid tot het inzetten van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving is niet expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering(Sv), maar valt onder de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 Sv waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan de overige personen die met de opsporing zijn belast. Bij de inzet van opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, ook wel het privéleven, dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM. Dat is (uiteraard) met name het geval als in het opsporingsbericht tot de persoon herleidbare gegevens worden gebruikt. Een dergelijke inbreuk is slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien. Dezelfde waarborg is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet.

Bij opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van het verwerken van politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens (Wpg). De Wpg is een wettelijke regeling die beoogt, met eerbiediging van de beginselen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten doel hebben, meer ruimte te bieden voor het verwerken van gegevens ten behoeve van een optimale uitvoering van de politietaak. Tevens kan sprake zijn van het verwerken van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en de Aanwijzing Wjsg. In deze wettelijke regelingen zijn waarborgen neergelegd voor een zorgvuldige omgang met politie- en strafvorderlijke gegevens.

In deze aanwijzing worden de regels en waarborgen rond de inzet van opsporingsberichtgeving nog nader gepreciseerd.

Daarbij is van belang dat deze aanwijzing ziet op de situatie dat de burger vrijwillig wordt benaderd; met andere woorden: of het opsporingsbericht wordt ontvangen, dan wel gelezen, is een eigen keuze van de ontvanger, hetzij omdat deze gebruik maakt van media (tv, radio, internet) hetzij omdat deze zich op de ontvangst heeft geabonneerd (internet, mobiele telefoon). Voor onvrijwillige benadering – denk aan de zogenaamde sms-bom waarvoor plaatsbepalingsgevens van mobiele telefoons nodig zijn – gelden striktere regels, zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering en de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden (BOB). Voor het verkrijgen van telecommunicatiegegevens van burgers aan wie in overeenstemming met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving opsporingsberichten worden gestuurd, is de BOB-regelgeving van toepassing.

4. Eisen aan inzet opsporingsberichtgeving

4.1. Toestemming (hoofd)officier van justitie

Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de inzet van opsporingsmiddelen in het onderzoek naar strafbare feiten. Voor de inzet van opsporingsberichtgeving moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de (zaaks)officier van justitie, toestemming geven. De hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is verantwoordelijk voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht.

4.2. In íedere fase van het onderzoek mogelijk, meermalig

Het OM kan opsporingsberichtgeving in iedere fase van het onderzoek inzetten. Dit kan ook wanneer nog niet zeker is dat een misdrijf heeft plaatsgevonden maar daarvoor wel concrete aanwijzingen zijn, of wanneer opsporing nodig is om executie van een opgelegde straf mogelijk te maken.

Voorheen werd een opsporingsbericht gezien als een laatste redmiddel, als alle andere middelen waren ingezet en onvoldoende aanwijzingen hadden opgeleverd. Tegenwoordig is men ervan doordrongen dat een opsporingsbericht juist ook kort na het plegen van een misdrijf zijn nut kan hebben. De herinnering van eventuele getuigen is dan nog vers. Een opsporingsbericht, bijvoorbeeld in de vorm van een weblog, is in het begin van een opsporingsonderzoek te zien als een uitgebreid buurtonderzoek. Komen er in de loop van het onderzoek nieuwe vragen naar voren, dan kan het OM opnieuw de hulp van het publiek inroepen met een nieuw opsporingsbericht.

De frequentie van uitzending of publicatie van het opsporingsbericht varieert van eenmalig tot doorlopend. De officier van justitie bepaalt dit binnen de hiervoor gestelde criteria.

4.3. Alleen in specifieke gevallen

Opsporingsberichtgeving is toegestaan in de volgende gevallen:

4.3.1. Onderzoek naar onbekende verdachten:

  • a. bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 Strafvordering);

  • b. bij opsporing van vermiste personen, als ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de vermiste persoon slachtoffer is geworden van een misdrijf gepleegd door een nog onbekende verdachte;

  • c. bij niet geïdentificeerde doden, als niet kan worden uitgesloten dat de dode het slachtoffer is van een misdrijf gepleegd door een nog onbekende verdachte.

4.3.2. Onderzoek naar niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden:

  • d. in geval van niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden, die aangehouden dienen te worden ter fine van executie.

Van deze personen mogen OM en politie in een opsporingsbericht de identiteitsgegevens en het signalement melden en een foto tonen, op voorwaarde dat aan de volgende criteria wordt voldaan:

  • de hoofdofficier van justitie heeft, bij landelijke opsporingsberichtgeving na advies van de voorzitter van het L.O.O., toestemming verleend;

  • de gezochte persoon is veroordeeld voor een ernstig misdrijf met een strafbedreiging van acht jaar of meer;

  • de inzet van andere opsporingsmiddelen biedt onvoldoende uitzicht op aanhouding binnen de gewenste korte termijn.

4.3.3. Onderzoek naar bekende verdachten en ontvluchte veroordeelden:

  • e. verdachten in opsporingsonderzoeken van wie de identiteit bekend is en van wie de opsporing en aanhouding dringend gewenst is;

  • f. ontvluchte gedetineerden en verpleegde delinquenten (bv. TBS-ers), van wie de opsporing en aanhouding dringend gewenst is.

Van de personen onder e en f kunnen OM en politie in een opsporingsbericht de identiteitsgegevens en het signalement melden en een foto tonen, op voorwaarde dat aan de volgende criteria wordt voldaan:

  • de voorzitter van het College van procureurs-generaal heeft via de voorzitter van het L.O.O. toestemming verleend;

  • de gezochte persoon wordt verdacht van/is veroordeeld voor een ernstig misdrijf. Daarbij valt te denken aan gewelds- en zedenmisdrijven met een strafbedreiging van acht jaar of meer;

  • t.a.v. de gezochte verdachte: er moet minimaal sprake zijn van ernstige bezwaren tegen deze verdachte;

  • er bestaat een reële kans dat de gezochte verdachte/veroordeelde opnieuw een ernstig misdrijf zal plegen. (recidivegevaar.)

  • Dit criterium geldt niet voor die personen die verdacht worden van c.q. veroordeeld zijn wegens een misdrijf met een strafbedreiging van 12 jaar of meer;

  • de inzet van andere opsporingsmiddelen biedt onvoldoende uitzicht op aanhouding binnen de gewenste korte termijn.

4.4. Na bewuste belangenafweging

Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van opsporingsberichtgeving maakt het OM altijd een afweging van verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij is van belang dat het OM nadrukkelijk rekening houdt met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen zoals het internet en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich – bijvoorbeeld van het internet – niet meer zonder meer laat verwijderen of herroepen. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken (verdachte, slachtoffer, eventueel getuigen). Het OM moet met ieders belang rekening houden bij de beslissing om dit middel in te zetten.

Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Proportionaliteit: de zwaarte van het in te zetten middel dient in verhouding te staan tot het beoogde doel. Hierbij speelt de ernst van het gepleegde delict een rol.

Subsidiariteit: het middel wordt ingezet als een eventueel lichter middel niet tot voldoende resultaat heeft geleid dan wel zal kunnen leiden. Als het doel ook met een voor de verdachte minder belastend middel kan worden bereikt, moet voor dat middel worden gekozen.

Vertaald naar opsporingsberichtgeving: hoe ernstiger het opsporingsbericht de belangen van de verdachte schendt, hoe belangrijker het is dat het doel in verhouding staat tot het middel én het beoogde doel niet op een andere manier kan worden bereikt die de verdachtes privacy of andere belangen minder schendt.

Een algemeen opsporingsbericht dat informatie geeft over het gepleegde delict en getuigen vraagt zich te melden, zal de privacy of een ander belang van de verdachte niet snel schenden. Dit is uiteraard anders als een compositietekening of zelfs camerabeelden worden getoond.

De politiek en andere instanties, zoals het College Bescherming Persoonsgegevens, waken voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van burgers, vooral gepleegd door de overheid. In de strafzaak is het de zittingsrechter die achteraf de rechtmatigheid van de inzet van het middel toetst.

Als de rechter tot het oordeel komt dat de inzet niet rechtmatig was of dat daarbij de belangen van verdachte onevenredig zijn geschonden, kan de rechter art. 359a Sv toepassen. Als de verdachte de rechtmatigheid in een verzoek om schadevergoeding aan de orde stelt, zal dit verzoek – zoals gebruikelijk – door het College worden behandeld, waarbij het ook mogelijk is dat de civiele rechter zich uiteindelijk over de rechtmatigheid van de inzet van het middel uitspreekt.

5. Vormen van opsporingsberichtgeving

De enorme vlucht die het aantal beschikbare mediavormen de laatste jaren neemt, maakt dat de mogelijkheden voor opsporingsberichtgeving zijn vergroot. Belangrijk is om een mediavorm te kiezen niet alleen met de bedoeling om zoveel mogelijk mensen te bereiken, maar ook gericht op specifieke doelgroepen.

Hieronder worden mogelijkheden omschreven voor uitzenden/publicatie van opsporingsberichtgeving, die het OM op het moment van vaststellen van deze aanwijzing al dan niet gecombineerd gebruikt.

5.1. Algemeen

Wereldwijde Web

Het OM laat via het internet opsporingsberichten publiceren op het W.W.W. Dit medium is in het bijzonder geschikt voor het bereiken van ofwel een grote groep ofwel een specifieke doelgroep. Ook kan het OM zo de burger interactief in verschillende rollen bij de opsporing betrekken. Met behulp van websites/weblogs en R.S.S. feeds kunnen burgers naar wens op de hoogte worden gehouden van nieuwe informatie. Wanneer het OM met succes van deze vorm van opsporingsberichtgeving gebruik wil maken, moet nagedacht zijn over consequenties van deze vorm van interactie met de burger en de verwachtingen die daarbij aan de kant van de burger ontstaan. Ook dient aandacht te zijn voor de waarborgen die bij een dergelijke inzet van het opsporingsmiddel noodzakelijk zijn. De combinatie van mobiel internet en GPS maakt het mogelijk burgers lokale opsporingsberichten te geven. Mobiel internet vergroot de snelheid waarmee het OM burgers kan informeren.

Mail

Met mailberichten kan opsporingsberichtgeving op maat aan burgers (of groepen van burgers) direct ter beschikking worden gesteld.

Televisie

Op televisie maakt het OM gebruik van zendtijd en programma’s die publieke en commerciële zendgemachtigden ter beschikking stellen. Dit kunnen programma’s zijn die geheel zijn gericht op opsporingsberichtgeving, maar ook andere programma’s waarbinnen een deel van de zendtijd hiervoor ter beschikking is gesteld.

Radio

Op de radio kan het OM opsporingsberichten laten uitzenden in de zendtijd die de zendgemachtigden ter beschikking stellen. Voorwaarde hierbij is dat het programma wordt ondersteund door een website op het internet, waarop het bijbehorende beeldmateriaal kan worden geraadpleegd.

Teletekst

Diverse zendgemachtigden beheren eigen vormen van teletekst op televisie. Via hen kan het OM opsporingsberichten op teletekst laten publiceren zodat een op televisie uitgezonden bericht nog eens na kan worden gelezen.

Kranten en andere geschreven berichtgeving

Vrijwel alle vormen van geschreven media zijn geschikt voor het publiceren van opsporingsberichtgeving, bijvoorbeeld kranten, huis-aan-huisbladen, tijdschriften. Ook kan worden gedacht aan flyers.

Telefonie

Door de opkomst van zogenaamde smartphones is de grens tussen telefonie en internettoepassingen vervaagd. Beeld, tekst en ingesproken berichten kunnen via de mobiele (internet)telefoon worden verspreid. (NB: hier wordt niet de zogenaamde ‘sms-bom’ bedoeld, die slechts kan worden verzonden met behulp van plaatsbepalingsgevens).

Beeldschermen

Er is een groeiend aantal beeldschermen en billboards op voor het publiek toegankelijke plaatsen zoals in het openbaar vervoer en in openbare ruimten die het OM kan gebruiken voor opsporingsberichtgeving. Vaak zijn beeldschermen verbonden met internet of intranet.

5.2. Bijzondere vormen van opsporingsberichtgeving

5.2.1. Dringend gezocht lijsten

Het L.O.O. stelt op het internet (www.politie.nl) een landelijke lijst samen van dringend gezochte personen. Deze lijst kent geen numerieke opbouw en brengt gezochte personen in wisselende volgorde onder de aandacht. Ook regionaal kan het R.O.O. een dergelijke niet-numerieke lijst samenstellen.

In de regel geldt voor al deze lijsten dat terughoudend wordt omgegaan met vermelding van het (vermoedelijk) begane misdrijf; hiernaar wordt slechts in algemene zin verwezen, tenzij nadere precisering noodzakelijk is in verband met mogelijk recidivegevaar.

Zowel voor plaatsing van opsporingsberichten op de landelijke als de regionale lijst zijn de criteria van paragraaf 4.3.2 en 4.3.3 van toepassing.

Voorwaarde voor plaatsing op de lijst is dat de wens tot opsporing van de dringend gezochte persoon eerder onder de aandacht is gebracht in een opsporingsbericht.

Deze voorwaarde geldt niet voor de categorie van 4.3.2, de niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden.

De opsporingsinstantie voert een actief beleid om de betreffende persoon aan te houden. De voorzitter van het L.O.O. wordt door het KLPD periodiek geïnformeerd over de noodzaak om betrokkene op de landelijke lijst te laten staan. De beslissing om betrokkene al dan niet van de lijst te verwijderen, komt toe aan de hoofdofficier die voor de plaatsing toestemming heeft gegeven. De hoofdofficier van het regiokorps dat de regionale lijst beheert, wordt door het korps periodiek geïnformeerd over de noodzaak om betrokkene op de regionale lijst te laten staan.

5.2.2. Internationale opsporingsberichtgeving

Nederland kan verzoeken een bericht in een of meer andere landen uit te zenden of te publiceren. Andersom kan aan een ander land deze vraag ook aan Nederland stellen. Internationale opsporingsberichtgeving is altijd gericht op informatie uit een ander land dan het verzoekende land.

Internationale opsporingsberichtgeving kan alleen plaatsvinden op basis van een rechtshulpverzoek; het gaat daarbij niet om het uitwisselen van informatie op politieel niveau (kleine rechtshulp) maar om een verzoek van de autoriteiten van het ene land aan de autoriteiten van het andere land om de inzet van een opsporingsmiddel (formele rechtshulp).

Op opsporingsberichten in het buitenland zijn dezelfde voorwaarden en criteria van toepassing als op opsporingsberichten in Nederland.

5.3. Verwijdering en klachten

Een opsporingsbericht is – gelet op het voorgaande – van tijdelijke aard. Publicatie van informatie op het internet kan op gespannen voet staan met de beoogde tijdelijkheid van het bericht. Ook wanneermaatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat de inmiddels van het internet verwijderde informatie nog naar voren komt bij het gebruik van bijvoorbeeld zoekmachines, kan niet worden uitgesloten dat deze informatie – via andere sites – nog te raadplegen is. Uiteraard dient er zo goed mogelijk voor te worden gewaakt dat dit voorkomt.

Vanwege de grote impact die de vermelding van identiteitsgegevens en foto’s op een internetsite heeft, is het van het grootste belang dat onmiddellijk gehandeld wordt wanneer blijkt dat de gegevens ten onrechte in een opsporingsbericht zijn gebruikt. Hiervan kan sprake zijn wanneer een verdachte of veroordeelde persoon gebruik heeft gemaakt van de identiteit van een ander.

Klachten over de gebruikte (persoons)gegevens kunnen worden ingediend bij dezelfde instantie die wordt vermeld voor het indienen van tips; daarbij kan het vermelde telefoonnummer of e-mailadres worden gebruikt.

Door de 24-uurs bereikbaarheid die aan deze telefoon- en e-mailgegevens is gekoppeld, wordt gewaarborgd dat op zo kort mogelijke termijn kan worden gereageerd op klachten.

Voor de inhoud van het opsporingsbericht is de hoofdofficier van het regiokorps verantwoordelijk. De afhandeling van de klachten en – indien nodig – de verwijdering van de onjuiste gegevens, geschiedt ook onder diens verantwoordelijkheid.

6. Zaken buiten de verantwoordelijkheid van het om

Het OM is niet in álle gevallen verantwoordelijk voor berichtgeving in de media. Het kan hierbij zowel om regionale als landelijke berichten gaan. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • personen die zijn opgenomen op grond van de Wet Bijzondere Opneming in een Psychiatrisch Ziekenhuis (Wet BOPZ) en die daaruit worden vermist;

  • vermiste verwarde personen, die al dan niet dringend behoefte hebben aan medicijnen;

  • verlies of vermissing van medicijnen of andere stoffen die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen vormen;

  • vermiste minderjarigen (zie ook www.vermistekinderen.nl).

6.1. Opsporingsberichtgeving na een oproep verniste kinderen (Amber Alert)

Als een kind beneden de leeftijd van achttien jaren wordt vermist, waarbij sprake is van direct gevaar voor het leven of voor ernstig lichamelijk of psychisch letsel van de minderjarige, zendt het KLPD – als er voldoende informatie beschikbaar is die kan leiden tot het lokaliseren van de vermiste minderjarige en er sprake is van een (O.A.T.)signalering in NSIS1 – een zogenaamd Amber Alert uit. Naast al bestaande mogelijkheden op radio en televisie kan het Amber Alert worden verzonden via computer, telefonie (sms) en andere multimedia toepassingen (al dan niet in openbare ruimten).

Een Amber Alert kan snel uitgaan en moet worden gezien als een instrument bij het verlenen van hulp aan een kind, c.q. ouders die dat behoeven. Als in een vermissingszaak waarin een Amber Alert is uitgegaan ook een opsporingsonderzoek is gestart, kan het als gevolg van de geboden spoed voorkomen dat het Amber Alert uitgaat voordat het Openbaar Ministerie hiervan in kennis wordt gesteld. Dat laat onverlet dat het OM in het kader van dat opsporingsonderzoek ook opsporingsberichtgeving kan inzetten.

7. Besluitvorming, procedure en overleg

7.1. Twee niveaus van besluitvorming over publicatie en verwijdering

Er zijn twee niveaus waarop besloten wordt over de publicatie en verwijdering van opsporingsberichten: landelijk en regionaal. Hiervoor gelden verschillende procedures. Wanneer twijfel bestaat over inzet, aard of effect van de opsporingsberichtgeving moet gekozen worden voor het landelijke niveau.

7.1.1. Landelijk niveau

Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving:

  • die als doel heeft landelijk aandacht voor het bericht te krijgen,

  • in landelijk gevoelige zaken en/of

  • in zaken waarin de identiteit van verdachte personen wordt prijsgegeven

wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt.

Voor publicatie van landelijke opsporingsberichtgeving is een advies vereist van de voorzitter of plv. voorzitter van het L.O.O.

Experimenten op het gebied van opsporingsberichtgeving moeten worden gemeld aan het L.O.O, in de regel door middel van een plan van aanpak dat in nauw overleg met en met instemming van het OM is opgesteld.

Hierin dient enerzijds aandacht te worden besteed aan de consequenties van de wijze waarop contact met de burger wordt gelegd (afstemming met slachtoffers of nabestaanden en andere betrokkenen, terugkoppelen van informatie, voortgangsberichten, enzovoort) en anderzijds aan waarborgen die in het kader van een zorgvuldige en rechtmatige inzet noodzakelijk zijn (toetsingsmoment, klachtprocedure, verwijderingsmogelijkheden).

Medewerkers van het KLPD (onder wie politieproducers) adviseren de korpsen bij de inzet en uitvoering van landelijke opsporingsberichtgeving en bieden ondersteuning. Namens de voorzitter van het L.O.O. toetsen en bewaken zij de inhoud tijdens (live)uitzendingen, publicaties en andere uitingen.

Hun taak bestaat uit het voeren van vooroverleg met de opsporingsinstantie over de wijze waarop een zaak in de media wordt gebracht en zij bewaken daarbij de belangen van de opsporing. Zij begeleiden ook de totstandkoming van de productie tot en met de uitzending/publicatie.

7.1.1.1. Procedure landelijke en internationale opsporingsberichtgeving

Wordt naast lokale en/of regionale aandacht voor het opsporingsbericht landelijke of internationale aandacht voor de berichtgeving beoogd, dan is de organisatie van de publicatie van het bericht de verantwoordelijkheid van het L.O.O. In dergelijke gevallen moet de zaak via het KLPD gemeld worden aan het L.O.O.

Het KLPD maakt de selectie van opsporingsonderzoeken waarin landelijke opsporingsberichten worden uitgestuurd. Het Hoofd opsporingsberichtgeving van het KLPD adviseert in een vroeg stadium de voorzitter van het L.O.O. over de inzet van de opsporingsberichtgeving.

7.1.1.2. Procedure gevoelige zaken en prijsgeven identiteit

Voorgenomen opsporingsberichtgeving in gevoelige zaken worden enerzijds via het KLPD en anderzijds door of namens de hoofdofficier van justitie ter advisering gemeld aan (de voorzitter van) het L.O.O. Gevoelige zaken zijn onder meer zaken waarvan te verwachten is dat zij landelijke (media-)aandacht zullen krijgen (naast de enkele uitzending van het voorgenomen opsporingsbericht) en opsporingsberichten waarin de identiteit van verdachten of gezochte personen wordt prijsgegeven

De voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van het L.O.O. legt deze zaken, waar nodig, ter toestemming voor aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal en geeft daarbij een advies.

7.1.1.3. Procedure melding ontwikkelingen, experimenten en projecten met landelijke uitstraling

De voorzitter van het R.O.O. en de politieproducer van het regiokorps informeren respectievelijk de voorzitter van het L.O.O. en het hoofd opsporingsberichtgeving van het KLPD over regionale ontwikkelingen, experimenten en projecten met landelijke uitstraling.

7.1.2. Regionaal niveau

Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving

  • die als doel heeft beperkt, namelijk lokaal of regionaal, aandacht voor het bericht te krijgen

wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.). Voor regionale opsporingsberichtgeving is toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie.

Er is niet altijd te voorkomen dat regionale berichtgeving ook buiten de regio kan worden bekeken, zodat het feitelijk bereik groter is dan het beoogde bereik. Met dit ongewenste bereik moet in de wijze waarop het bericht verspreid wordt rekening worden gehouden.

7.1.2.1. Procedure regionale opsporingsberichten

Een politieproducer maakt, onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het R.O.O., de selectie van opsporingsonderzoeken waarin opsporingsberichten worden uitgestuurd. Deze politieproducer adviseert de voorzitter van het R.O.O. en de proceseigenaar Opsporing van het regiokorps over de inzet van de opsporingsberichtgeving.

Bij gevoelige zaken geldt de procedure voor landelijke opsporingsberichtgeving (zie 7.1.1.2.)

7.2. Beleidsvorming, landelijk en regionaal

Opsporingsberichtgeving wordt als opsporingsmiddel sterk beïnvloed door technologische ontwikkeling en ontwikkelingen bij de media. Goede afwegingen rond privacy en veiligheid veronderstellen duidelijk beleid. Zowel landelijk als regionaal vindt er daarom gestructureerd overleg plaats tussen OM en Politie over het gebruik van opsporingsberichtgeving.

7.2.1. Het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving

Op landelijk niveau voeren OM en Politie in het L.O.O. onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het College van procureurs-generaal gestructureerd overleg over:

  • het beleid dat gevoerd wordt ten aanzien van landelijke opsporingsberichtgeving;

  • het onderhouden en aangaan van incidentele en vaste relaties met landelijke of internationale media;

  • ontwikkelingen op het gebied van opsporing(sberichtgeving) en media;

  • of, hoe en wanneer een landelijk opsporingsbericht in een opsporingsonderzoek wordt uitgestuurd.

Het L.O.O. stelt kaders vast waarbinnen regionale en lokale opsporingsberichtgeving moet plaatsvinden.

Dit Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving wordt voorgezeten door een hoofdofficier van justitie of hoofdadvocaat-generaal die is aangewezen door het College van procureurs-generaal. Als plaatsvervangend voorzitter wordt een ervaren officier van justitie of advocaat-generaal aangewezen. De politie wordt in dit overleg vertegenwoordigd door het KLPD en een aantal politieproducers van regiokorpsen. Een recherche- en een communicatie-expert nemen deel als agendalid.

7.2.2. Het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving

Op regionaal niveau (één of meerdere politieregio’s) voeren OM en Politie in het R.O.O. onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier(en) van justitie gestructureerd overleg over:

  • het beleid dat gevoerd wordt ten aanzien van opsporingsberichtgeving;

  • het ten behoeve van opsporingsberichtgeving onderhouden en aangaan van incidentele en vaste relaties met media;

  • ontwikkelingen op het gebied van opsporing(sberichtgeving) en media;

  • of, hoe en wanneer een regionaal opsporingsbericht in een opsporingsonderzoek wordt uitgestuurd.

Dit regionaal overleg opsporingsberichtgeving wordt voorgezeten door een officier van justitie die daartoe is aangewezen door de hoofdofficier(en). De persofficier (media) neemt deel aan het overleg. De voorzitter van het R.O.O. betrekt de recherche officier(en) bij de ontwikkeling en de inzet van opsporingsberichtgeving. Het politiekorps is in het overleg vertegenwoordigd door een politieproducer.

Interregionale samenwerking behoort tot de mogelijkheden.

7.3. Het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O)

Op initiatief van het L.O.O. wordt meerdere keren per jaar een landelijk overleg georganiseerd met vertegenwoordigers van de regiokorpsen die betrokken en/of verantwoordelijk zijn voor opsporingsberichtgeving, het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O.). In dit overleg komen actualiteit, ontwikkelingen en beleid aan de orde. Het L.O.O. organiseert dit overleg en voert de agenda. De leden van dit landelijk overleg nemen op verzoek deel aan werkgroepen om nieuw beleid te ontwikkelen. Beleidsbepaling en besluitvorming in concrete zaken vindt plaats via het L.O.O. en het R.O.O.

8. Samenwerking met mediapartners

8.1. Afspraken

Opsporingsberichtgeving kan alleen worden uitgezonden/gepubliceerd als er een overeenkomst (expliciete afspraken) is gesloten tussen de mediapartner en de Staat der Nederlanden. Dit geldt ook bij incidentele samenwerking.

Het opsporingsbericht/het programma moet duidelijk herkenbaar zijn als een uiting door of namens het Openbaar Ministerie en de Politie.

8.2. Verantwoordelijkheid

Bij het maken van opsporingsberichten en opsporingsprogramma’s behoudt iedere partij haar eigen verantwoordelijkheid. De mediapartners hebben de ervaring en expertise op het gebied van het maken van aansprekende berichtgeving. Zij moeten daarin de nodige ruimte krijgen. Het OM blijft echter altijd verantwoordelijk voor de inhoud. De politieproducers zien er namens het OM op toe dat de inhoud van het bericht voldoet aan de eisen die deze aanwijzing daaraan stelt. Het OM en/of de politieproducer namens het OM kunnen de mediapartner dan ook instructies geven met betrekking tot de inhoud van het bericht.

8.3. Kosten

De kosten van de productie en uitzending of verspreiding van het opsporingsbericht zijn voor rekening van de mediapartner. Hiervan uitgezonderd zijn kosten die Politie en OM maken in het kader van de samenwerking, zoals inzet van personeel, materieel en vertalingen.

8.4. beeld- en geluidmateriaal

Het beeld- en geluidsmateriaal waarover de mediapartner voor het opsporingsbericht de beschikking krijgt, mag uitsluitend voor dat bericht worden gebruikt. Deze beperking wordt in de overeenkomst opgenomen. Door de mogelijkheden van de huidige techniek komt het in de praktijk voor dat deze beelden worden overgenomen en uitgezonden of gepubliceerd door derden, vooral in geruchtmakende zaken. Het OM kan niet voorkomen dat bedoelde beelden verder verspreid worden. De officier van justitie moet dit meewegen bij de beslissing om beeld- of geluidsmateriaal te gebruiken bij opsporingsberichtgeving.

8.5. Geheimhoudingsverklaring

De mediapartner of diens gemandateerde die gedurende het productieproces van het opsporingsbericht meer informatie krijgt of zou kunnen krijgen uit het onderzoek dan daadwerkelijk in het bericht wordt opgenomen, dient zich te allen tijde te verplichten tot geheimhouding.

8.6. Afzien van samenwerking

Het OM gaat geen samenwerking aan als enig zwaarwegend belang dwingt om daarvan af te zien. Hierbij gaat het om belangen in het kader van de opsporing en vervolging, veiligheid, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en ordeverstoringen.

9. Beloningen

9.1. Beloningen uitgeloofd door Justitie/Openbaar Ministerie

Als Justitie of het OM in een opsporingsonderzoek een beloning uitlooft op grond van de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden moet er ook een opsporingsbericht worden uitgezonden. Zie hierover genoemde regeling.

9.2. Beloningen uitgeloofd door derden

In de praktijk komt het ook voor dat een derde (particulier of private rechtspersonen.) in een opsporingsonderzoek een beloning uitlooft. In geval van opsporingsberichtgeving kan deze beloning worden genoemd.

10. Gebruik beeld- en geluidsmateriaal

Steeds vaker zijn strafbare feiten vastgelegd op beeld- en geluidsdragers. Veel opnamen zijn geschikt om te worden ingezet voor opsporingsberichtgeving, op voorwaarde dat daarbij voldaan wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Zie hierover ook § 4.4.

Bij het opvragen van beeld- en geluidsdragers voor opsporingsberichtgeving moet het OM houden met eventuele toepasselijkheid van de artikelen 126 nd Sv e.v., of – indien met toepassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens niet kan worden volstaan – bijvoorbeeld artikel 96a Sv.

Zie hierover verder het Handboek voor de Opsporingspraktijk, deel I, paragraaf 2.12.

11. Overgangsrecht

Deze aanwijzing is geldig vanaf het moment van inwerkingtreding.

Bijlage 1. Aanmelden zaak voor landelijke opsporingsberichtgeving

Een opsporingsinstantie wil opsporingsberichtgeving in een zaak:

  • Onderzoeksteam vraagt toestemming aan de zaaksofficier van justitie.

  • Zaaksofficier vraagt toestemming aan de hoofdofficier van justitie.

  • Onderzoeksteam meldt zaak aan bij de contactambtenaar opsporingsberichtgeving van het korps (Lid LPO).

  • Aanmeldingsformulier wordt opgemaakt en er wordt telefonisch contact opgenomen met coördinatie opsporingsberichtgeving KLPD.

  • KLPD toetst zaak op criteria aanwijzing en bespreekt met het team door/in welk(e) medium/media het bericht wordt uitgezonden/gepubliceerd .

  • KLPD en hoofdofficier leggen zaken waarin de identiteit van een verdachte/veroordeelde moet worden prijsgegeven ter advisering voor aan de voorzitter van het L.O.O., die op zijn/haar beurt hiervoor, indien nodig, toestemming vraagt aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

  • KLPD en hoofdofficier informeren de voorzitter van het L.O.O. over zaken die gevoelig liggen of waarvan verwacht kan worden dat deze grote persaandacht krijgen. In overleg kan worden beoordeeld of de voorzitter van het College dient te worden geïnformeerd.

  • Zo nodig maken OM en het medium een afspraak voor een voorbespreking, wordt een datum van uitzending gepland en een dag afgesproken waarop een reconstructie wordt opgenomen.

  • Afspraken worden gemaakt om, indien aanwezig, beeldmateriaal e.d. in te sturen.

  • Medium zendt bericht uit of publiceert bericht.

  • Team meldt de resultaten van het opsporingsbericht zo spoedig mogelijk aan het KLPD.

  • De media die het bericht hebben gebracht, maken de resultaten aan het publiek bekend.

Bijlage 2. Aanmelden voor regionale opsporingsberichtgeving

  • Namens het onderzoeksteam wordt toestemming gevraagd aan de zaaksofficier van justitie.

  • De zaaksofficier bespreekt e.e.a. met de persofficier van justitie/ voorzitter van het R.O.O., waarna de laatste toestemming vraagt aan de hoofdofficier van Justitie.

  • Na verkregen toestemming voor uitzending/publicatie meldt het onderzoeksteam de zaak aan bij de regionale politieproducer volgens de in die regio geldende procedure.

  • Het onderzoeksteam spreekt af met de politieproducer hoe, wanneer en in welke media de zaak wordt uitgezonden/gepubliceerd.

  • Het opsporingsbericht wordt uitgezonden/gepubliceerd.

  • De media die het bericht hebben gebracht, maken de resultaten aan het publiek bekend.

  • Als uitzending/publicatie in de regionale media niet het gewenste resultaat heeft, kan worden overwogen of het opsporingsbericht geschikt is voor uitzending/publicatie in de landelijke media en wordt de procedure voor landelijke opsporingsberichtgeving gevolgd. Hiervoor is eerst weer toestemming van de hoofdofficier van justitie nodig.

Bijlage 3. Lijst dringend gezochte personen

  • Bij plaatsing op de landelijke lijst verzoekt de opsporende instantie, na toestemming van de hoofdofficier van justitie of de landelijk officier van het team executie strafvonnissen (TES), aan het KLPD om een persoon op de landelijke lijst te plaatsen.

  • Bij plaatsing op de regionale lijst verzoekt het opsporingsteam, via de executie/zaaksofficier of de landelijk officier TES, aan de hoofdofficier van het regiokorps om toestemming een persoon op de regionale lijst te plaatsen.

  • Het verzoek wordt ondersteund door een schriftelijke aanvraag met uitgebreide documentatie over de noodzaak tot plaatsing (de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten uit de documentatie naar voren komen) en – in geval van plaatsing op de landelijke lijst – de vermelding van het advies van de voorzitter van het het L.O.O.

  • Een politieproducer van het KLPD (landelijke lijst) of van het regiokorps (regionale lijst) adviseert de hoofdofficier onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt over plaatsing.

  • De hoofdofficier onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt toetst de aanvraag en beslist over plaatsing.

  • Als toestemming voor publicatie is verkregen, wordt dit aan het KLPD (landelijk) of het regiokorps (regionaal) gemeld, waarna dit ter kennis van het opsporingsteam wordt gebracht.

    • Het KLPD of de regiopolitie voegt de betreffende persoon toe aan de lijst;

    • de lijst wordt gepubliceerd op www.politie.nl of op een regionaal beheerde website, die in het kader van opsporingsberichtgeving beschikbaar is;

    • personen op de lijst worden met een afgesproken frequentie behandeld in een televisieprogramma dat, geheel of ten dele, is gewijd aan Opsporingsberichtgeving;

    • namens de hoofdofficier onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt onderhoudt respectievelijk het KLPD of de verantwoordelijke binnen het regiokorps nauw contact met de functionarissen in het onderzoek naar de gezochte persoon met het doel om plaatsing op de lijst niet langer dan noodzakelijk te laten zijn;

    • de lijst wordt periodiek binnen het L.O.O. of het R.O.O. geëvalueerd;

    • zo spoedig mogelijk nadat het doel waarvoor de persoon op de lijst is geplaatst, is bereikt, wordt deze daarvan afgehaald na toestemming van de hoofdofficier daartoe.

Bijlage 4. Landelijke urgente opsporingsberichtgeving (het politiebericht)

  • Door of namens het onderzoeksteam wordt toestemming voor Landelijke uitzending/publicatie gevraagd aan de zaaksofficier van justitie.

  • De zaaksofficier van justitie informeert de persofficier van justitie/voorzitter van het R.O.O. en vraagt toestemming aan de hoofdofficier van justitie. Deze legt e.e.a. vervolgens ter advisering voor aan de voorzitter van het L.O.O.

  • Na verkregen toestemming brengt het regionale lid van het Platform L.O.O. het verzoek om uitzending/publicatie over aan het KLPD.

  • Een politieproducer van het KLPD toetst het verzoek aan de criteria van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving en legt e.e.a. vervolgens voor aan de voorzitter van het L.O.O. (eventueel gevolgd door procedure prijsgeven identiteit bekende verdachte/veroordeelde, zie hiervoor Bijlage 1).

  • Na verkregen toestemming stelt de producer van het KLPD een concepttekst op voor het bericht. Hij legt deze concepttekst vervolgens voor aan de zaaksofficier van justitie en de voorzitter van het L.O.O. Na goedkeuring wordt de uiteindelijke tekst met het bijbehorende (beeldmateriaal) voor uitzending/publicatie verstrekt aan de berichtgevende landelijke media.

  • Het opsporingsbericht wordt zo spoedig mogelijk daarna uitgezonden/gepubliceerd.

  • Om een bericht nog dezelfde dag te kunnen uitzenden moet de hele procedure voor 16.00 uur zijn afgerond. Slechts bij zeer dringende noodzakelijkheid kan hiervan worden afgeweken. Reden hiervan is dat de mediapartner in staat moet zijn het bericht vorm te geven.

Bijlage 5. Regionale urgente opsporingsberichtgeving (het politiebericht)

  • Door of namens het onderzoeksteam wordt toestemming voor regionale uitzending/publicatie gevraagd aan de zaaksofficier van justitie.

  • De zaaksofficier van justitie informeert de persofficier van justitie/voorzitter van het R.O.O. en vraagt toestemming aan de hoofdofficier van justitie (eventueel gevolgd door procedure prijsgeven identiteit bekende verdachte of veroordeelde, zie hiervoor Bijlage 1).

  • Na verkregen toestemming brengt het onderzoeksteam het verzoek om uitzending/publicatie over aan de regionale politieproducer.

  • Na verkregen toestemming stelt de politieproducer een concepttekst op voor het bericht. Hij legt deze concepttekst vervolgens voor aan de zaaksofficier van justitie en eventueel aan de voorzitter van het L.O.O.. Na goedkeuring wordt de uiteindelijke tekst met het bijbehorende (beeldmateriaal) voor uitzending/publicatie verstrekt aan de daarvoor geldende regionale media.

  • Het opsporingsbericht wordt zo spoedig mogelijk daarna uitgezonden/gepubliceerd.

Een Politiebericht kan ook gelijktijdig in regionale en landelijke media worden uitgezonden/gepubliceerd.

  • ^ [1]

    NSIS = Nationaal Schengen Informatiesysteem; O.A.T. staat voor opsporen, aanhouden, terugbrengen.