Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing sociale zekerheidsfraude[Regeling vervallen per 01-04-2016.]

Geldend van 01-01-2013 t/m 31-03-2016

Aanwijzing sociale zekerheidsfraude

1. Achtergrond [Vervallen per 01-04-2016]

1.1. Inleiding [Vervallen per 01-04-2016]

De aanwijzing is gewijzigd naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving op 1 januari 2013 (wet van 4 oktober 2012; Stb 462 ). N.a.v. deze wetswijziging is de aangiftegrens voor strafrechtelijke interventie verhoogd naar €50.000,-..

Non-cumulatie

Cumulatie van administratieve boeten en strafrechtelijke sancties is wettelijk uitgesloten. De OM strafbeschikking is een specifieke strafrechtelijke sanctie conform het bepaalde in artikel 257a Wetboek van Strafvordering e.v.

1.2. Reikwijdte en definities [Vervallen per 01-04-2016]

Deze aanwijzing betreft het opsporings- en vervolgingsbeleid met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving. De beleidsregels voor het requireerbeleid zijn opgenomen in de bij deze aanwijzing behorende richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.

Voor de toepassing van deze aanwijzing is beslissend of de zaak materieel onder de omschrijving sociale zekerheidsfraude valt en doet niet ter zake ten titel van welk(e) strafbepaling(en) wordt opgespoord en vervolgd.

Deze aanwijzing is in principe niet van toepassing op de opsporing en vervolging van personen die zelf geen uitkeringsgerechtigde zijn, en die verdacht worden van het plegen van of deelneming aan een bepaalde vorm van sociale zekerheidsfraude of van het plegen van strafbare feiten, die met sociale zekerheidsfraude samenhangen.

Sociale zekerheid: uitkeringen verstrekt krachtens de in de aanhef genoemde wetten, dan wel overige sociale voorzieningen en/of wetten.

Sociale zekerheidsfraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van, voor de bepaling van het recht op uitkering en de duur en hoogte van de uitkering relevante gegevens, met als gevolg dat een uitkering geheel of ten dele ten onrechte wordt verstrekt. Opsporing en vervolging zullen in het algemeen gestoeld zijn op art. 225 WvSr, de bijzondere strafbepalingen, opgenomen in de sociale zekerheidswetgeving (voor zover nog aanwezig) en de artt. 227 a en 227 b, of art. 447 c en 447 d WvSr. In een enkel geval wordt art. 326 WvSr nog wel gehanteerd.

Nadeel: het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van de uitvoerende instantie(s) is gekomen. Afgedragen of af te dragen loonbelasting en eventuele premies zijn derhalve in het nadeel begrepen1.

Gesanctioneerde overtreding: een overtreding waarvoor een bestuurlijke maatregel of boete, dan wel een strafrechtelijke sanctie is opgelegd. De eerder opgelegde sanctie moet blijken uit een afschrift van de bestuurlijke maatregel- of boetebeschikking , en/of een uittreksel uit het justitieel documentatieregister.

2. Pre-opsporing, opsporing en vervolging [Vervallen per 01-04-2016]

2.1. Uitgangspunten [Vervallen per 01-04-2016]

2.1.1. Nadeel [Vervallen per 01-04-2016]

Voor de opsporing, de sanctionering en het strafvorderingsbeleid is de omvang van het (vastgestelde of vast te stellen) nadeel van belang2. Zie voorts ook het gestelde onder 1.2 (definitie) en 2.2.1.

2.1.2. Het totale nadeel [Vervallen per 01-04-2016]

Bij (de verdenking van) voortgezette handeling (art. 56 WvSr) of meerdaadse samenloop (artt. 57 en 58 WvSr) is voor de toepassing van deze aanwijzing bepalend het totale nadeel dat uit de feiten voortvloeit.

2.1.3. Individualisering [Vervallen per 01-04-2016]

Bij de vaststelling van de hoogte van het nadeel in de zin van deze aanwijzing is de aan de individuele verdachte toegekende uitkering(en) in beginsel beslissend.

2.1.4. Terugvordering [Vervallen per 01-04-2016]

Terugvordering en terugbetaling van het onterecht teveel ontvangen geld is uitgangspunt voor de in de (bijbehorende) richtlijn strafvordering sociale zekerheidsfraude vastgestelde straffen. Indien van terugvordering en/of terugbetaling geen sprake is, kan de officier van justitie - naar eigen inzicht - de op te leggen of ter terechtzitting te vorderen straf verhogen.

2.2. Twee categorieën [Vervallen per 01-04-2016]

Onderscheiden worden twee categorieën:

  • I. Een nadeel kleiner dan of gelijk aan € 50.000,-

  • II. Een nadeel van meer dan € 50.000,-

2.2.1. Categorie I zaken hoofdregel: [Vervallen per 01-04-2016]

Bij het onderzoek naar zaken behorend tot categorie I worden geen strafvorderlijke bevoegdheden aangewend.

Het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden kan slechts aan de orde zijn bij het redelijk vermoeden dat het nadeel € 50.000,-- of meer bedraagt.

Met name bij de aanvang van een onderzoek naar een (vermoede) fraude is veelal niet duidelijk over welke periode de frauduleuze handelingen zich hebben uitgestrekt en daarmee wat (uiteindelijk) het bewijsbaar nadeel zal zijn.

Uitzondering 1: Strafrechtelijke dwangmiddelen zijn toegepast:

  • vóór inwerkingtreding van deze aanwijzing. Zaken waarin, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze aanwijzing, strafrechtelijke dwangmiddelen werden toegepast of waarin de persoon reeds als verdachte is gehoord, zullen altijd bij het OM ingeleverd en in overleg met het OM afgedaan dienen te worden;

  • in een onderzoek naar fraude zonder (de mogelijkheid tot) schade-indicatie vooraf. Tijdens of na afronding van een dergelijke strafrechtelijk onderzoek kan blijken dat het (bewijsbaar) nadeel lager uitvalt dan € 50.000,-- . In dat geval blijft inzending van het proces-verbaal en (verdere) vervolging achterwege. De opsporingsambtenaren en het OM handelen overeenkomstig de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden en de officier van justitie beslist of tot een strafrechtelijke vervolging moet worden overgegaan;

  • bij de start van een onderzoek, omdat duidelijk was dat strafrechtelijke bevoegdheden noodzakelijk waren om tot het overtuigende bewijs te komen. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het doorzoeken van een woning, inbeslagname van stukken, opnemen van telecommunicatie, aanhouden en de inverzekeringstelling van verdachte (n). De opsporingsambtenaar heeft dit voorafgaande aan het onderzoek afgestemd met de officier van justitie.

Uitzondering 2: Combinatie sociale zekerheidsfraude met een of meer (andersoortige) strafbare feiten.

Vanuit de gedachte dat de rechtsorde meer zal zijn geschokt indien naast sociale zekerheidsfraude ook andere strafbare feiten zijn gepleegd, wordt de combinatie met fiscale, economische en commune delicten meegewogen bij de beoordeling of een zaak toch strafrechtelijk dient te worden aangepakt. Hierbij wordt gedacht aan een breed scala van fiscale, economische en commune delicten, die de wetgever strafbaar heeft gesteld ten einde bepaalde andere rechtsbelangen te beschermen.

Voorbeelden zijn: de delicten die betrekking hebben op steekpenningen, omkoping, faillissementsfraude, verduistering, witwassen, onttrekking aan het beslag, bedreiging personen of ambtenaren van de uitkerende instantie, handel in drugs, hennepteelt, aantasting van het milieu, niet naleven ID-plicht (werken met illegalen), of uitbuiting. Ook de deelname aan een criminele organisatie valt hieronder (dit is geen limitatieve opsomming).

Uitzondering 3: Status verdachte en/of voorbeeldfunctie.

Gevallen waarin bijvoorbeeld sprake is van status verdachte / voorbeeldfunctie zijn situaties waarin verdachte regionaal of landelijk een maatschappelijk aansprekende persoon is. Verder zou gedacht kunnen worden aan personen die een openbaar ambt bekleden of hebben bekleed ((ex-)burgemeesters, (ex-)wethouders of (ex-)politieke vertegenwoordigers - Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers/wet Appa) of aan personen die beroepsmatig invloed hebben op het handelen van derden of op de financiële integriteit van geldstromen (rechters, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, bankiers, effectenhandelaars). Deze toelichting is uiteraard geen uitputtende beschrijving.

Uitzondering 4: Herhaling van overtredingen binnen een bepaalde periode.

Wanneer een bepaalde persoon zich binnen een periode van vijf jaar voor de derde maal heeft schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, kan een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, proces-verbaal opgemaakt, en strafrechtelijk vervolgd worden. In deze gevallen is de datum van de 1e sanctionering (datum, waarop de sanctie werd opgelegd) startpunt voor de termijn van vijf jaren en moet(en) de gepleegde gesanctioneerde overtreding(en) onherroepelijk zijn en zowel de overtredingen als de onherroepelijkheid daarvan aangetoond worden in het proces-verbaal, dan wel bij het proces-verbaal zijn gevoegd, en dienen de beide voorgaande nadeelbedragen - bij elkaar opgeteld - ten minste € 50.000,- te bedragen.

Het gaat hier om alle vormen van herhaling van gesanctioneerde overtreding(en). Bij de constatering van de eerste en de tweede overtreding kan een bestuurlijke maatregel of boete zijn opgelegd of een strafrechtelijke sanctie zijn gevolgd. Deze beslissing moet aangetoond worden in het proces-verbaal middels een afschrift van de bestuurlijke boete- en/of maatregelbeschikking of een uittreksel uit het justitieel documentatieregister, met pleegdatum of pleegperiode. In de beoordeling dienen alle herhaalde overtredingen, die aan het uitvoeringsorgaan uit de ‘eigen’ administratie bekend zijn te worden betrokken, alsmede de overtredingen die voor het uitvoeringsorgaan redelijkerwijs - via gegevensuitwisseling - kenbaar zijn.

Uitzondering 5: Nadeel lager dan € 50.000,--

Zaken met een nadeel onder de € 50.000,-- ter zake waarvan, gezien de pleeg- of benadelingsperiode of anderszins, geen bestuurlijke boete of maatregel kan worden opgelegd, kunnen strafrechtelijk worden afgedaan.

Het opleggen van een bestuurlijke boete is eveneens geen adequaat alternatief voor het strafrecht indien op voorhand vaststaat dat deze boete niet - ook niet op langere termijn -, of slechts in geringe mate, geïnd kan worden. De aanwijzingen voor een dergelijke constatering dienen gebaseerd te zijn op een onderzoek naar de vermogenspositie(s) en de (on)mogelijkheden van de betrokkene(n) om inkomen te verwerven, zowel in de actuele situatie als op de langere termijn. Dit aspect moet daarom meewegen bij de beslissing of een zaak strafrechtelijk aangepakt moet worden. Strafrechtelijke aanpak zal voorts vooral geïndiceerd zijn bij een verdachte die zich heeft ingespannen om verhaal onmogelijk te maken.

De grens van € 50.000,- voor strafrechtelijke afdoening geldt niet voor zaken tegen verdachten, waartegen de uitvoeringsinstantie - om welke reden dan ook - niet bestuurlijk kan optreden. Wanneer de betrokken uitvoeringsinstelling geen corrigerende maatregel of boete kan opleggen voor de geconstateerde fraude, blijft strafrechtelijke vervolging mogelijk.

Uitzondering 6: Fraude gepleegd met medewerking en/of medeweten van ambtena(a)r(en) van de uitkerende instantie.

Dit aspect is van groot belang, omdat het gaat om een situatie waarin de integriteit van de overheid in het geding komt of kan komen. Om te voorkomen dat te lichtvaardig wordt geoordeeld dat er sprake van dit aspect is moet door de uitkerende instantie onderbouwd worden op grond van welke aanwijzingen zij van mening is dat haar ambtena(a)r(en) van de fraude op de hoogte was of waren én medewerking daaraan heeft of hebben verleend. Tevens dient tegen de betrokken ambtena(a)r(en) of werknemer (s) sanctionerend opgetreden te zijn of te worden.

Uitzondering 7: Fraude gepleegd in georganiseerd verband.

Wanneer de verdenking bestaat dat een groep van meer dan twee personen zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van sociale zekerheidsfraude, en er ten aanzien van het plegen van die fraude, onderlinge verbanden of afspraken lijken te bestaan.

2.2.2. Categorie II zaken hoofdregel: [Vervallen per 01-04-2016]

In deze zaken wordt een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd en het proces-verbaal ter zake ingediend bij het OM. De beslissing om in afwijking van deze aanwijzing geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen en/of geen proces-verbaal in te zenden, wordt alleen in overleg met de officier van justitie genomen.

Het OM stelt in zaken behorend tot deze categorie, in beginsel steeds vervolging in. Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de zaak, de persoon van de dader of de omstandigheden waaronder het feit/de feiten is/zijn begaan kunnen in een individueel geval uitzondering op deze regel rechtvaardigen3.

Gebrekkige preventie en detectie

Ter voorkoming van fraude voeren de uitvoeringsinstanties een actief preventie- en detectiebeleid. In het bijzondere geval dat in een concrete casus blijkt dat - naar de mening van het OM - de preventie en detectie onvoldoende zijn geweest, kan het OM de uitvoeringsinstantie verzoeken de zaak verder bestuurlijk af te doen.

2.3. Toepasselijkheid aanwijzing [Vervallen per 01-04-2016]

Zaken met een nadeel vanaf € 50.000,- worden, ongeacht het tijdstip waarop het feit of de feiten werd(en) gepleegd en het nadeel werd veroorzaakt, volgens deze aanwijzing en de bijbehorende richtlijn voor strafvordering behandeld.

3. Informatieverstrekking. [Vervallen per 01-04-2016]

3.1. Kennisgeving beslissing tot niet (verdere) vervolging aan uitvoeringsorgaan. [Vervallen per 01-04-2016]

In alle zaken, die niet (verder) door het OM worden vervolgd, wordt het proces-verbaal, onder gemotiveerde kennisgeving van deze beslissing, aan de uitvoerende instantie ter beschikking gesteld. Het OM stelt het betrokken uitvoeringsorgaan ten spoedigste, doch uiterlijk binnen drie maanden na inschrijving van een zaak ten parkette, in kennis van deze beslissingen. Op de kennisgeving verleent de officier van justitie de betreffende uitvoerende instantie expliciet toestemming om de informatie uit het proces-verbaal te gebruiken voor een eventueel bestuursrechtelijk optreden tegen de betreffende persoon.

4. Internationaal opsporingsonderzoek en strafrechtelijke vervolging. [Vervallen per 01-04-2016]

Opsporing en vervolging van Nederlandse sociale zekerheidsfraude in het buitenland vindt in principe plaats onder dezelfde condities als hiervoor aangegeven in deze aanwijzing, maar gelet op de omstandigheden dat dergelijke zaken veel extra tijd en energie vergen t.o.v. de zaken die zich op Nederlands grondgebied afspelen en op het immer aanwezige capaciteitsgebrek, en ten einde de beslissing hierover iets te vergemakkelijken zijn hieronder een aantal toetsings- c.q. wegingscriteria ter indicatie gegeven.

Opsporing en vervolging van sociale zekerheidsfraude in het buitenland kan o.a. aan de orde komen in de volgende gevallen (geen limitatieve opsomming):

  • Bij export van uitkeringen naar het buitenland (bijv. Kinderbijslag).

  • Bij de vermoede aanwezigheid van buitenlands vermogen.

  • Voormalig uitkeringsgerechtigden die inmiddels geremigreerd zijn naar het land van herkomst.

Ten aanzien van internationale opsporing en vervolging geldt dat aan een aantal voorwaarden zoveel mogelijk voldaan moet zijn, wil een dergelijke opsporing en vervolging opportuun geacht worden.

Het betreft de volgende voorwaarden:

  • 1. De (administratieve) mogelijkheden van de uitvoeringsinstantie om informatie uit het buitenland te vergaren, zijn uitgeput.

  • 2. Strafrechtelijk onderzoek en sanctiemogelijkheden moeten een meerwaarde bieden ten opzichte van de administratieve mogelijkheden.

  • 3. Er dient een strafrechtelijk rechtshulpverdrag te bestaan tussen Nederland en het betreffende land.

In bovenbedoelde gevallen kan in een dergelijke zaak internationale opsporing en/of vervolging worden ingesteld, mits er zich daarnaast één of meer van de hieronder vermelde omstandigheden voordoen, waarbij in ieder geval sprake dient te zijn van een nadeel van meer dan € 50.000,--.

Het betreft de volgende omstandigheden:

  • Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband.

  • Ernst van de zaak.

  • Aanwijzing dat er voldoende bewijsmateriaal verkrijgbaar is in het buitenland, waaronder b.v. aantoonbaar vermogen in het buitenland.

  • De verdachte bevindt zich in Nederland.

  • De verblijfplaats van de verdachte in het buitenland is bekend.

  • Preventieve signaalfunctie.

  • De verdachte heeft een voorbeeldstatus in eigen land of Nederland.

Voor het overige zal de officier van justitie in een dergelijke zaak bij een beslissing ten aanzien van het al dan niet opstarten van internationale opsporing en vervolging steeds een afweging moeten maken met betrekking tot de volgende punten.

  • 1. Het aantal, soort en intensiteit van de opsporingsmiddelen. De officier van justitie dient alvorens een internationaal opsporingsonderzoek te starten, een inschatting te maken van het aantal, de soort en de intensiteit van de in te zetten opsporingsmiddelen. Steeds moet in het oog worden gehouden dat in het buitenland aanwezige of via het buitenland te verkrijgen bewijsmiddelen extra complicerende en vertragende factoren op kunnen leveren, door het inzetten van internationale opsporingsmiddelen.

  • 2. De kosten van de opsporing versus het geleden nadeel.

    De officier van justitie dient zich van tevoren goed te beraden over de kosten van de in te zetten opsporingsmiddelen. Internationale opsporing brengt extra kosten met zich mee. Men denke daarbij aan o.a. het (laten) horen van in buitenland aanwezige verdachten, het (laten) plaatsen van internationale taps, internationale signaleringen, observaties e.d.

    Daarnaast dienen de vermoedelijk te maken opsporingskosten in een redelijke verhouding te staan tot het door de gepleegde feiten veroorzaakte nadeel of het teweeg te brengen beoogd algemeen preventief effect in de samenleving.

  • 3. De aanwezigheid van sociaal attachés of intermediairs (vertrouwensadvocaten) in het betrokken land, die kunnen bemiddelen bij controle of opsporingsactiviteiten.

    Indien in het land waar de opsporingshandelingen plaats dienen te vinden een sociaal attaché of een intermediair aanwezig is, zal de opsporing mogelijk op meer eenvoudige en goedkopere wijze kunnen worden uitgevoerd dan in landen waar dergelijke contacten niet aanwezig zijn. In deze gevallen is het mogelijk om een betrekkelijk eenvoudig onderzoek met minder dan een aanzienlijk nadeel toch in het buitenland te onderzoeken, d.m.v. gebruikmaking van een van de genoemde functionarissen, die dan vervolgens door een opsporingsambtenaar als getuigen gehoord moeten worden.

    Een op deze wijze opgestelde en ondertekende getuigenverklaring, aangevuld met schriftelijke bewijzen, verwerkt in het proces-verbaal, kan voldoende zijn als bewijs voor het gepleegde strafbare feit.

  • 4. Of er sprake is van een onderzoek dat past in een projectafspraak, waarbij bepaalde zaken in een project centraal zijn gesteld en strafrechtelijke handhaving als bestuursondersteunende inzet is afgesproken. Een dergelijk project kan met het landelijk OM of het plaatselijk OM zijn afgesproken. Voor de weging van een dergelijk onderzoek zijn de eerdergenoemde toetsingscriteria van veel minder belang en ondergeschikt aan de afspraken, die voor het project zijn gemaakt.

5. Ontneming [Vervallen per 01-04-2016]

Ten aanzien van de mogelijkheden tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in sociale zekerheidsfraudezaken, geldt als uitgangspunt:

Geen ontneming, tenzij....

Achterliggende gedachte hierbij is dat de uitvoeringsinstanties over voldoende eigen mogelijkheden tot terugvordering, verrekening, verhaal en beslag beschikken. Het strafrecht is niet bedoeld om ten onrechte uitgekeerde gelden voor de uitvoeringsinstanties terug te halen. (n.b. dit kan anders zijn indien de mogelijkheden tot terugvordering voor de uitvoeringsinstantie inmiddels verjaard zijn).

Afwijking van het uitgangspunt van geen ontneming, tenzij ... is eerst mogelijk in o.a. de hieronder genoemde gevallen, welke voor de officier van justitie in een zaak aanleiding kunnen zijn om een strafrechtelijk financieel onderzoek te starten en een ontneming of ontnemingsmaatregel te vorderen. In een dergelijk geval stemmen de uitkerende instantie en de officier van justitie hun optreden ten aanzien van terugvordering en ontneming op elkaar af.

Het betreft geen limitatieve opsomming, maar het verdient aanbeveling om slechts een ontneming te overwegen nadat één of meer van de hieronder betreffende situaties of gevallen zich gelijktijdig voordoen, waarbij in ieder geval uit vooronderzoek, voorafgaande aan een beslissing tot het instellen van een SFO, dan wel een vordering tot ontneming, moet blijken van bestaande mogelijkheden of middelen geschikt om te ontnemen, alsmede van een aanzienlijk nadeel.

Het betreft de volgende gevallen of situaties:

  • Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband.

  • De terugvorderingsmogelijkheden van de uitvoeringsinstantie zijn verjaard.

  • Substantieel nadeel boven hetgeen door de uitvoeringsinstantie kan worden teruggevorderd.

  • Er is aanzienlijk vermogen aanwezig (bijv. onroerend goed).

  • Eigendom van het vermogen is eenvoudig te bewijzen.

  • Vermogen bevindt zich in Nederland.

  • Aantoonbaar vermogen in het buitenland.

6. Overgangsrecht [Vervallen per 01-04-2016]

Deze aanwijzing is vanaf 1 januari 2013 van toepassing op:

  • I. alle lopende en startende opsporingsonderzoeken;

  • II. alle zaken waarin nog geen dagvaarding is uitgebracht;

  • III. alle processen-verbaal, die nog niet zijn ingediend bij het OM op datum van inwerkingtreding, met uitzondering van de zaken genoemd onder uitzondering 1 onder 2.2.1.

Voor alle processen-verbaal, die zijn ingediend bij het OM, dan wel waarin de verdachte is verhoord, vóór de datum van inwerkingtreding van deze aanwijzing, blijft strafrechtelijke afdoening mogelijk in een zaak met een benadelingsbedrag van € 10.000,- of hoger, en in zogenaamde ‘witte fraude’ zaken4 met een benadelingsbedrag van € 35.000,- of hoger, dan wel een zaak, die viel of valt onder de hierboven onder 2.2.1. genoemde uitzonderingen.

  • ^ [1]

    Alleen bij de WWB is het nadeel gedefinieerd als het netto bedrag dat aan bijstand is ontvangen.

    (zie art. XIV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (wijziging WWB) t.a.v. art. 18a, tweede lid ,van de WWB).

  • ^ [2]

    NJ 2008,411, HR 1 juli 2008: Nadeel in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude ziet ook op potentieel nadeel in geval van poging.

  • ^ [3]

    Het uitgangspunt, geformuleerd in HR 08 juli 1998, NJ 1998, 877, wordt hier gevolgd.

  • ^ [4]

    Witte fraude: fraude die blijkt of kan blijken uit de gegevensvergelijkingen tussen officiële bij wet of wettelijk voorschrift ingestelde registraties, bestanden of administraties, die zien op het inkomen en/of de inkomsten en/of het vermogen.

    De uitkerende instanties zijn verplicht gegevens m.b.t. inkomen, inkomsten en/of vermogen (onderling en) met de belastingdienst te vergelijken, ter vaststelling van de rechtmatigheid van de uitkeringen. Indien de instanties hun administratieve processen op orde hebben, komt witte fraude niet meer of slechts nog zeer beperkt voor, en zullen de schadebedragen laag zijn.