Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing vervolgingsbeslissing levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbreking

Geldend van 01-02-2016 t/m heden

Aanwijzing vervolgingsbeslissing levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbreking

Achtergrond [Vervallen per 01-02-2016]

Inleiding en samenvatting [Vervallen per 01-02-2015]

1. Levensbeëindiging niet op verzoek (wilsonbekwamen, niet zijnde uitzichtloos en ondraaglijk lijdende pasgeborenen) (zie stroomschema 1)

1.1. Geen uitdrukkelijk verzoek

Voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (niet betreffende uitzichtloos en ondraaglijk lijdende pasgeborenen) blijft de sinds 1 juni 1994 vigerende meldingsprocedure van kracht. Ontbreekt een verzoek tot levensbeëindiging dan zijn de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) en de bijzondere strafuitsluitingsgronden van de artikelen 293 en 294 niet van toepassing. De regionale toetsingscommissies euthanasie zijn niet bevoegd een oordeel te geven. Hierbij kan worden gedacht aan levensbeëindiging bij minderjarigen jonger dan twaalf jaar, andere wilsonbekwamen, comateuze of demente patiënten die geen schriftelijke wilsverklaring hebben ondertekend toen zij nog wilsbekwaam waren. De gemeentelijke lijkschouwer stuurt de melding rechtstreeks naar de officier van justitie. Het openbaar ministerie zal moeten beoordelen of de arts terecht een beroep doet op overmacht in de zin van noodtoestand (artikel 40 Wetboek van Strafrecht).

1.2. De taak van de gemeentelijke lijkschouwer

Artikel 10 van de Wet op de Lijkbezorging bepaalt dat, indien de lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, hij onverwijld verslag uitbrengt aan de officier van justitie. In gevallen van levensbeëindiging niet op verzoek is er steeds sprake van een niet-natuurlijke dood en moet de officier van justitie worden gewaarschuwd. De officier van justitie beslist of er verlof tot begraven of verbranding kan worden gegeven.

De rol van de lijkschouwer:

  • De betrokken arts waarschuwt de gemeentelijke lijkschouwer die de uitwendige lijkschouw verricht en verifieert hoe en met welke middelen het leven is beëindigd.

  • De gemeentelijke lijkschouwer neemt van de betrokken arts het modelverslag en daarbij behorende bijlagen in ontvangst.

  • De gemeentelijke lijkschouwer licht de ambtenaar van de burgerlijke stand in.

  • Met behulp van het modelformulier bericht de gemeentelijke lijkschouwer de officier van justitie met het oog op de verkrijging van verlof tot begraven of verbranden.

  • Tenslotte zendt de lijkschouwer de melding, het modelverslag en de bijlagen naar de officier van justitie.

1.3. De procedure bij het openbaar ministerie na de melding door de gemeentelijke lijkschouwer

Indien er sprake is van levensbeëindiging bij een wilsonbekwame, dan meldt de gemeentelijke lijkschouwer dit aan de officier van justitie en indien nodig kan onmiddellijk tot opsporing en/of vervolging worden overgegaan.

Deze zaken dienen op grond van de Handleiding behandeling gevoelige zaken te worden gemeld bij het College.

Indien de hoofdofficier van justitie al in dit stadium van oordeel is dat een deskundig oordeel over bepaalde medische aspecten van de zaak noodzakelijk is, verzoekt de hoofdofficier om advies bij de Inspecteur voor de Gezondheidszorg.

De hoofdofficier van justitie zendt het dossier, voorzien van een ambtsbericht met een voorstel voor de verdere behandeling van de zaak, naar het College van procureurs-generaal.

1.4. Eindbeslissing: vervolgen

Luidt de tussenbeslissing van het College van procureurs-generaal, dat het instellen van een opsporingsonderzoek geëigend is, dan brengt het College de betrokken hoofdofficier na instemming van de Minister van Veiligheid en Justitie in de Overlegvergadering binnen twee weken schriftelijk op de hoogte van deze beslissing, met het verzoek daaraan uitvoering te geven.

Na voltooiing van het opsporingsonderzoek wordt de zaak door de hoofdofficier van justitie opnieuw met een ambtsbericht aan het College aangeboden. Als de rechter-commissaris een termijn voor beëindiging van het opsporingsonderzoek heeft gesteld of de zaak aan de rechtbank heeft voorgelegd met het oog op een verklaring beëindiging van de zaak, dan stelt de hoofdofficier het College hiervan in kennis. Het opsporingsonderzoek wordt niet beëindigd alvorens het College een beslissing betreffende de afdoening (schriftelijk) aan de hoofdofficier van justitie heeft kenbaar gemaakt, tenzij de rechtbank een verklaring beëindiging van de zaak heeft afgegeven. Als de rechter-commissaris een termijn heeft gesteld voor de beëindiging van het opsporingsonderzoek of de zaak aan de rechtbank heeft voorgelegd met het oog op de beëindiging van de zaak (artikel 180 lid 3 jo. 36 Sv), dan stelt de hoofdofficier het College via een ambtsbericht hiervan in kennis.

Het College neemt een voorgenomen besluit over het al dan niet verder vervolgen, tenzij de rechtbank een verklaring beëindiging van de zaak heeft afgegeven. Met een voorgenomen beslissing van het College dient de minister van Veiligheid en Justitie in te stemmen na bespreking in de Overlegvergadering.

Het College stelt de betrokken hoofdofficier zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis van de beslissing. De hoofdofficier doet een dagvaarding uitgaan. De hoofdofficier houdt het College op de hoogte van het verdere verloop van het strafproces.

1.5. Eindbeslissing: niet vervolgen

Luidt de eindbeslissing dat de arts niet verder wordt vervolgd, dan brengt het College de betrokken hoofdofficier hiervan, na instemming van de Minister van Veiligheid en Justitie, zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte. De hoofdofficier doet, na beëindiging van het opsporingsonderzoek, mededeling van de sepotbeslissing aan de arts.

Luidt de eindbeslissing van het College, waarmee de minister van Veiligheid en Justitie heeft ingestemd, dat een sepot is geïndiceerd, dan bericht de hoofdofficier de arts dat geen vervolging zal worden ingesteld en dat de zaak in strafrechtelijke zin is afgedaan.

Indien het College, met instemming van de minister van Veiligheid en Justitie besluit dat de zaak voorwaardelijk wordt geseponeerd of dat er een sepotgesprek dient plaats te vinden, dan wordt de hoofdofficier hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld met het verzoek aan deze beslissing uitvoering te geven.

Bijlage 256635.png

2. Levensbeëindiging bij pasgeborenen (zie stroomschema 2) [Vervallen per 01-02-2016]

2.1. Een aparte procedure [Vervallen per 01-02-2016]

2.2. De samenstelling van de centrale deskundigencommissie [Vervallen per 01-02-2016]

2.3. De zorgvuldigheidseisen [Vervallen per 01-02-2016]

2.4. De procedure bij de centrale deskundigencommissie [Vervallen per 01-02-2016]

2.5. De procedure bij het openbaar ministerie [Vervallen per 01-02-2016]

2.6. Eindbeslissing [Vervallen per 01-02-2016]

2.7. Informeren centrale deskundigencommissie en de Hoofdinspecteur voor de Gezondheidszorg [Vervallen per 01-02-2016]

3. Het instellen van strafrechtelijke vervolging in geval van levensbeëindiging bij pasgeborenen [Vervallen per 01-02-2016]

3.1. Geen sprake van uitzichtloos en ondraaglijk lijden [Vervallen per 01-02-2016]

3.2. Geen instemming van de ouders [Vervallen per 01-02-2016]

3.3. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de consultatie [Vervallen per 01-02-2016]

3.4. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de uitvoering van de levensbeëindiging [Vervallen per 01-02-2016]

4. Late zwangerschapsafbrekingen [Vervallen per 01-02-2016]

4.1. Definitie late zwangerschapsafbreking [Vervallen per 01-02-2016]

4.2. De categorieën [Vervallen per 01-02-2016]

4.3. Strafbaarheid [Vervallen per 01-02-2016]

4.4. De taak van de gemeentelijke lijkschouwer [Vervallen per 01-02-2016]

4.5. De procedure bij het openbaar ministerie in de gevallen genoemd in categorie 1 (zie stroomschema 3) [Vervallen per 01-02-2016]

4.5.1. De aanvang van de procedure [Vervallen per 01-02-2016]

4.5.2. Eindbeslissing [Vervallen per 01-02-2016]

4.5.3. Advies centrale deskundigencommissie [Vervallen per 01-02-2016]

4.6. De procedure in een categorie 2-geval (zie stroomschema 4) [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.1. De centrale deskundigencommissie [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.2. De zorgvuldigheidseisen [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.3. De procedure bij de centrale deskundigencommissie [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.4. De procedure bij het openbaar ministerie [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.5. Eindbeslissing [Vervallen per 01-02-2016]

4.6.6. Informeren centrale deskundigencommissie en de Hoofdinspecteur voor de Gezondheidszorg. [Vervallen per 01-02-2016]

5. Het instellen van strafrechtelijke vervolging in gevallen van late zwangerschapsafbrekingen [Vervallen per 01-02-2016]

5.1. Categorie 1 [Vervallen per 01-02-2016]

5.1.1. Kader voor de beoordeling van categorie 1-gevallen [Vervallen per 01-02-2016]

5.1.2. Vervolgingsbeslissing in categorie 1-gevallen [Vervallen per 01-02-2016]

5.2. Categorie 2 [Vervallen per 01-02-2016]

5.2.1. Geen sprake van een categorie 2-geval [Vervallen per 01-02-2016]

5.2.2. Geen sprake van actueel of te voorzien uitzichtloos lijden [Vervallen per 01-02-2016]

5.2.3. Geen sprake van een uitdrukkelijk verzoek van de moeder wegens lichamelijk of psychisch lijden onder de situatie [Vervallen per 01-02-2016]

5.2.4. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de consultatie [Vervallen per 01-02-2016]

5.2.5. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking. [Vervallen per 01-02-2016]

Overgangsrecht

Deze aanwijzing is van toepassing op alle gevallen van levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbrekingen in categorie 1- en 2-gevallen die op of na 15 maart 2007 ter kennis van het openbaar ministerie zijn gekomen.

Bijlagen [Vervallen per 01-02-2016]