Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013

Geldend op 29-01-2013

[Regeling vervalt per 01-01-2014]


  • Bijlage 5

    Verpleging

    1. Inleiding

    Relevante wet- en regelgeving

    • 1. Artikel 5 Besluit zorgaanspraken:

    • 2. ‘Verpleging omvat verpleging in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de aandoening, beperking of handicap.’

    2. Doelstelling functie1

    2.1. Algemeen

    De functie Verpleging is gericht op herstel of voorkoming van verergering van een aandoening, beperking of lichamelijke handicap door:

    • 1. het uitvoeren van directe handelingen die tot de functie Verpleging horen, die in opdracht van een arts uitgevoerd worden;

    • 2. het aanleren van (AWBZ) verpleegkundige handelingen, als onderdeel van een aanspraak op de functie Verpleging en het begeleiden bij de juiste uitvoering van deze verpleegkundige handelingen wanneer de verzekerde (of de gebruikelijke zorger of mantelzorger) deze zorg zelf uitvoert.

    • 3. Het begeleiden van een verzekerde (of de gebruikelijke zorger) bij het zelf juist uitvoeren van een aangeleerde (AWBZ) verpleegkundige handeling om de kwaliteit te behouden en borgen.

      Daarbij kan het gaan om het ondersteunen bij of het overnemen van handelingen, het stimuleren om de handelingen zelf te doen of het aanleren van de handelingen.

    • 4. Advies, Instructie Voorlichting (hiervoor is geen indicatie vereist).

      Advies, instructie en voorlichting (AIV) is een onderdeel van de AWBZ-functie Verpleging. Voor deze vorm van verpleging is geen indicatie vereist, omdat het vaak gaat om goed geprotocolleerde zorg die in omvang zeer klein is. Voor het product AIV is een arts niet direct verantwoordelijk. AIV wordt ingezet ten behoeve van mensen met chronische ziekten waarin de verpleegkundige samen met de verzekerde nagaat hoe deze met de ziekte kan omgaan. Dit kan een eenmalige activiteit zijn, maar het kan ook zijn dat er een periodiek contact is (enkele keren per jaar) waarin, veelal op basis van een protocol, wordt nagegaan of aanpassing van attitude of gedrag kan leiden tot het beter hanteren van de ziektegevolgen. Ook motiveren van de verzekerde dit gedrag daadwerkelijk te tonen valt onder AIV.

      AIV is dus in het bijzonder gericht op secundaire en tertiaire preventie bij chronisch zieke mensen. Vaak is in een keten afstemming bereikt over de manier waarop de verschillende actoren in de keten hun taak uitoefenen en is dit in een protocol vastgelegd. Continuïteit van zorg binnen de keten, zoals van ziekenhuis naar thuis, is een belangrijk aandachtspunt. Dit laat onverlet dat de arts voor deze activiteiten geen verantwoor-delijkheid draagt maar dat er sprake is van een zelfstandige verantwoordelijkheid van de verpleegkundige. Veelal hebben de betrokken verpleegkundigen een specifieke aanvullende expertise ten aanzien van een bepaald ziektebeeld ontwikkeld.

    2.2. Inhoud Verpleging

    Bij het onderscheid tussen de AWBZ-functies Persoonlijke Verzorging en Verpleging kan worden uitgegaan van een aantal algemene uitgangspunten.

    Handelingen die onder de functie Verpleging thuishoren zijn (geen limitatieve lijst):

    • 1. het toedienen van medicatie bij lokaal niet-intacte huid, zoals het geval is bij injecteren en het aanbrengen van medicatie in een wond;

    • 2. het schoonhouden en verzorgen van natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (stoma, tracheastoma) bij een lokaal niet-intacte huid;

    • 3. het inbrengen en verwijderen van sondes, katheters en dergelijke;

    • 4. het toedienen van vloeistoffen in de bloedbaan (infuus).

    3. Indicatiecriteria

    De verzekerde kan toegang verkrijgen tot de functie Verpleging als sprake is van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap.

    Een verstandelijke of zintuiglijke handicap levert geen grondslag op voor Verpleging.

    Een psychiatrische aandoening of beperking levert alleen een grondslag voor Verpleging in combinatie met verblijf en behandeling na de eerste 365 dagen.

    Om in aanmerking te komen voor de functie Verpleging dient ook onderstaande te zijn vastgesteld:

    • 1. er is een door een arts vastgestelde medische noodzaak voor de verpleegkundige handeling

    • 2. en de verzekerde (en/of gebruikelijke zorger) is beperkt in zijn mogelijkheden om voor de eigen gezondheid te zorgen; of

    • 3a. heeft beperkingen en/of mist de vaardigheden/kennis om de verpleegkundige handeling zelfstandig uit te voeren en kan deze verpleegkundige handelingen niet aanleren, of;

    • 3b. mist de vaardigheden/kennis om de verpleegkundige zorg zelfstandig uit te voeren en is wel leerbaar/trainbaar om de verpleegkundige handelingen aan te leren.

    De beperkingen kunnen gelegen zijn in:

    • 1. de persoon zelf en/of

    • 2. de technische onmogelijkheid om de handeling zelf uit te voeren (bijvoorbeeld het zichzelf injecteren op een moeilijk bereikbare plaats).

    3.1. Afbakening Zvw en AWBZ

    De verpleging die noodzakelijk is in verband met medisch specialistische zorg, valt niet onder de aanspraken van de AWBZ maar onder de Zvw. Deze zorg omvat ook verpleegkundige handelingen. Voor verpleging geldt dat bepalend is, wie verantwoordelijk is voor de verpleging: als dat de huisarts is, betreft het AWBZ, als het een medisch specialist is, de Zvw. Alle zorg die onder de functie persoonlijke verzorging valt, komt ten laste van de AWBZ, ook als dat noodzakelijk is in verband met medisch specialistische zorg.

    Voor thuisbeademing en palliatief terminale zorg geldt dat de verpleging ten laste van de AWBZ komt, ook als die noodzakelijk is i.v.m. medisch-specialistische zorg (art 2.11 lid 2 Besluit Zorgverzekering).

    4. Omvang en geldigheidsduur van de indicatie

    4.1. Omvang

    De omvang van de functie Verpleging wordt bepaald aan de hand van gemiddelde tijden (zie 4.4 hieronder), die vervolgens leiden tot klassen. Aanpassing van de berekende omvang kan op basis van meerdere en samenvallende activiteiten en/of door persoonlijke bijzonderheden van de verzekerde mogelijk zijn.

    Klassen

    De omvang van de functie Verpleging wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren. De klassen zijn als volgt bepaald:

    klasse 0:

    0 – 0,9 uur per week

    klasse 1:

    1 – 1,9 uur per week

    klasse 2:

    2 – 3,9 uur per week

    klasse 3:

    4 – 6,9 uur per week

    klasse 4:

    7 – 9,9 uur per week

    klasse 5:

    10 – 12,9 uur per week

    klasse 6:

    13 – 15,9 uur per week

    klasse 7:

    16 – 19,9 uur per week

    4.2. Afbakening Onderwijs en AWBZ

    Voor de omvang van VP wordt ook rekening gehouden met de verpleging die onderdeel is van de clusterindicatie (zie tabel).

    Cluster

    Onderwijssoort

    VP minuten per week

    LG : Cluster III

    (= Lichamelijk gehandicapte kinderen)

    Speciaal onderwijs

    30

    Voortgezet speciaal onderwijs

    30

    LZ : Cluster III

    (= Langdurig zieke kinderen)

    Speciaal onderwijs

    80

    Voortgezet speciaal onderwijs

    30

    ZMLK: Cluster III

    (=Zeer moeilijk lerende kinderen)

    Speciaal onderwijs

    0

    Voortgezet speciaal onderwijs

    0

    LG/ZMLK*: Cluster III

    Speciaal onderwijs

    30

    Voortgezet speciaal onderwijs

    30

    4.3. Geldigheidsduur

    Voor het vaststellen van de geldigheidsduur van de indicatie voor Verpleging gelden de algemene criteria (zie de bijlage ‘Algemeen’ paragraaf 2.5).

    De geldigheidsduur van de indicatie die is gericht op het ‘aanleren en begeleiden’ is 6 weken. Als ten gevolge van cognitieve beperkingen, onzekerheid of onhandigheid sprake is van vertraagde leerbaarheid, kan een indicatie voor maximaal drie maanden gesteld worden.

    4.4. Gemiddelde tijden

    De gemiddelde tijden zijn basisminuten voor verzekerden die zich ‘normaal’ kunnen bewegen, meewerken, geen gedragsproblemen hebben, enzovoort. De gemiddelde tijd bevat niet alleen de tijdbesteding die direct gemoeid is met de directe zorg/handeling, maar ook het binnenkomen, gedag zeggen, handen wassen, het zorgdossier kort inkijken of bijwerken en het vertrekken (indirecte zorg).

    Als meerdere handelingen/activiteiten tijdens hetzelfde zorgmoment worden uitgevoerd, dan is sprake van ‘samenvallende activiteiten’. Daarvoor wordt in totaal minder tijd geïndiceerd, omdat de zorg efficiënter wordt geboden.

    Bij een enkelvoudige activiteit wordt de totale gemiddelde tijd als basis genomen. Bij meerdere activiteiten wordt van elke activiteit 3,5 minuut indirecte tijd in mindering gebracht en per zorgmoment wordt vervolgens 3,5 minuut indirecte tijd weer opgeteld.

    De gemiddelde tijd van de indirecte zorg is ontleend aan het onderzoeksrapport van bureau HHM2.

    De omvang is ook inclusief het schoonhouden van apparatuur en hulpmiddelen. De gemiddelde tijden kunnen bij kinderen verschillen in vergelijking met die van volwassenen. Voor thuisbeademing geldt een andere wijze van omvangbepaling (zie hoofdstuk 5).

    Overzicht van te adviseren activiteiten1 als onderdeel van de functie Verpleging

    Overzicht van handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit.

    (*: VP-handelingen waarbij het gaat om verpleging, noodzakelijk in verband met medisch specialistische zorg)

    Gemiddelde tijd2 per keer

    1.2 Controle lichaamsfuncties

    • Temperatuur meten/pols tellen/controle ademhaling/controle gewicht

    • Aanleggen van vochtbalans/controle en/of ingrijpen op vochtbalans

    • Controle huid/vochthuishouding/uitscheiding urine/faeces

    • Bloeddruk meten

    • Bloedsuiker prikken (bijvoorbeeld t.b.v. dagcurve)

    10

    15

    10

    10

    10

    1.3 Wond- en/of stomaverzorging

    • Verzorging wonden en de niet-intacte huid rondom onnatuurlijke lichaamsopeningen

    • Wondverzorging

    • Zalven van niet-intacte huid

    • Aanleggen druk/steunverband na wondverzorging

    • Decubitus: risico bepalen, preventieplan op- en bijstellen

    • Advies m.b.t. preventieve maatregelen geven

    • Stomaverzorging bij een lokaal niet-intacte huid

    15

    25

    10

    15

    20

    10

    20

    1.4 Ondersteuning bij uitscheiding

    • Manueel faeces verwijderen

    • Inbrengen rectum canule

    • Klysma geven (hoog)

    • Darmspoelen

    • Katheteriseren (eenmalig)

    • Katheter inbrengen (verblijfs)

    • Blaasspoelen via nog aan te brengen katheter

    • Spoelen nefrostomiecatheter*

    15

    15

    30

    30

    15

    30

    20

    20

    1.5 Medicatie

    • Toedienen medicatie via injecteren (of via infuus*)

    • Subcutane medicatietoediening via de pomp

    10

    45

    1.7 Verpleegkundige begeleiding bij uitvoeren zelfzorg3

    Dit betreft het observeren, signaleren, controleren van de activiteiten 1.2 tot met 1.5 en 1.10 tot en met 2.1. Het gaat om het onderhouden en borgen van de kwaliteit van de door verzekerde, gebruikelijke zorger of mantelzorger uitgevoerde AWBZ-zorg. Om de kwaliteit van de handelingen die onder verpleging horen op het juiste niveau te houden, komt een zorgverlener langs die daarin begeleidt. Bij het ‘vertellen’ van een diagnose van een ernstige ziekte door een behandelaar uit de eerste lijn aan de verzekerde hoort begeleiding bij het verwerken/accepteren van deze diagnose en het omgaan met de ziekte. Als sprake is van acceptatie-problemen die niet door de behandelaar zijn te ondervangen, kan de inzet van maatschappelijk werk of een psycholoog aangewezen zijn. Hiervoor is geen indicatie VP mogelijk.

    Tot 60 minuten per week.

    1.9 Aanleren van VP-activiteiten

    Aanleren van verzekerde, gebruikelijke zorger en mantelzorger gekoppeld aan activiteiten 1.2 tot en met 1.5 en 1.10 tot en met 2.1

    Gelijk aan een of meer van de aan te leren activiteiten plus ‘aanleertijd’ afhankelijk van de aan te leren activiteit tot een maximum van 45 minuten per week

    1.10 Niet nader gespecificeerd verpleegkundig handelen

    • Compressief zwachtelen een been

    • Compressief zwachtelen twee benen

    • Zuurstof toedienen*

    • Inbrengen sonde

    15

    25

    10

    30

    2.1 Gespecialiseerd verpleegkundig handelen

    • Inbrengen infuus*

    • Epidurale/spinale pijnbestrijding*

    • Intraveneuze medicatietoediening*

    • Intraveneuze vocht- en voedingtoediening*

    • Drainage maag/thorax*

    • Fototherapie*

    • Uitzuigen trachea, mond/keelholte*

    • Verwisselen van de buitencanule*

    • Verwisselen van de binnencanule*

    • Bronchiaal toilet (sprayen NaCl)*

    20

    30

    20

    20

    20

    30

    10

    30

    10

    15

    4.1 Toezicht i.v.m. thuisbeademing

    Toezicht in geval van thuisbeademing *

    zie § 5

    1 De nummering van de activiteiten sluit niet altijd aan. Dit vanwege het aansluiten van deze nummering met de nummering zoals deze binnen de AWBZ brede Zorg Registriatie (AZR) is opgenomen.

    2 Deze tijd is inclusief de indirecte zorg (3,5 minuut).

    3 Dit is andere zorg dan AIV. De omschrijving van AIV is opgenomen onder punt 4 van hoofdstuk 2 ‘doelstelling functie’, 2.1 ‘algemeen’.

    5. Thuisbeademing op grond van de AWBZ

    5.1. Beademing/soorten beademing en aandoeningen waarbij dit voorkomt

    Er is sprake van beademing wanneer de ademhaling mechanisch door apparatuur wordt overgenomen, al dan niet volledig of ter ondersteuning. Dit kan continu het geval zijn. Maar ook intermitterend, bijvoorbeeld alleen gedurende de nacht of mede 'on demand' (automatische inschakeling van de apparatuur bij het wegvallen van de ademhaling bij de verzekerde. (Mechanische) beademing met behulp van apparatuur kan plaatsvinden via een tracheostoma (invasief) of via een mond-/neuskap (non-invasief). Bij beide vormen is voor de uiteindelijke indicatiestelling van de AWBZ-zorg de responstijd3, maar ook de aan-/afwezigheid van de handfunctie van belang. Het aan-/afwezig zijn van de handfunctie is enerzijds van belang voor wat betreft het zelf kunnen uitvoeren van handelingen rondom de beademing (zelfzorg). Anderzijds kan dit een risico zijn bij het ongewenst verwijderen van de tracheacanule of mond-/neuskap, iets wat regelmatig bij met name jonge kinderen wordt gezien. Dit vanwege de onwetendheid van verzekerde voor de consequenties van het ‘losmaken’ van de canule of mond-/neuskap. Aandoeningen waarbij vaak beademing wordt toegepast zijn: spierziekten, ernstige kyfo-scoliose, een ‘hoge’ dwarslaesie en neurologische ziektebeelden (bijvoorbeeld ALS). Uitgebreide informatie over (thuis)beademing staat op de website van de VSCA (www.vsca.nl). Hier is ook een brochure met algemene informatie en informatie over de basisverzorging te downloaden.

    Wat valt niet onder ‘beademing’ en hiermee niet tot de aanspraak Verpleging AWBZ/medisch specialistische verpleging:

    • Het incidenteel beademen via de tracheostoma met behulp van een ballon, al dan niet bij calamiteiten; er is geen sprake van continue of intermitterende beademing naast dit incidentele gebruik van de beademingsballon.

    • Het toedienen van zuurstof via een ‘brilletje’, flowsnor, tracheostoma of anderszins; het bewaken van het zuurstofgehalte in het bloed met behulp van een saturatiemeter;

    • Het hebben van een tracheostoma;

    • apparatuur die wordt toegepast bij slaapapneu.

    Aanvragen voor dergelijke AWBZ-zorg, worden als reguliere AWBZ aanvragen afgehandeld.

    5.2. Indicatiecriteria

    De direct (verpleegkundige) handelingen die tot de zorg rondom de thuisbeademing horen kunnen zijn (niet limitatief):

    • Bronchiaal toilet, ook wel ‘sprayen NACl’ of ‘druppelen’ genoemd;

    • Uitzuigen van slijm;

    • Verzorgen van de tracheostoma;

    • Periodiek verwisselen van de beademingscanule;

    • Aan- en afkoppelen van de beademingsmachine.

    5.3. Omvang

    In onderstaand schema zijn de handelingen opgenomen met de bijbehorende gemiddelde tijden. En waar mogelijk de standaard geadviseerde frequentie. De tijdsomvang of de handeling die door meerdere personen moet worden uitgevoerd, kan afhankelijk zijn van de individuele situatie van de verzekerde.

    Handeling

    Functie/Activiteit

    Handeling omvat

    Gemiddelde tijd1

    Standaard

    frequentie2

    Bijzonderheden

    Uitzuigen trachea of mond-/keelholte

    VP 2.1

    Afkoppelen beademings-machine, het uitzuigen van de trachea of mond-/keelholte en het aankoppelen van de beademings-machine

    5 tot 10 minuten per keer

    Afhankelijk van individuele noodzaak

    Deze handeling maakt vaak onderdeel uit van andere activiteiten zoals bronchiaal toilet. Wanneer het uitzuigen samenvalt met een andere handeling, wordt hiervoor niet apart geïndiceerd.

    De te indiceren tijd kan per verzekerde verschillen. Factoren die hierop van invloed zijn betreffen de taaiheid van het slijm en of de verzekerde al dan niet hiernaast sondevoeding krijgt toegediend.

    N.B.: Redenen voor afwijken normtijd beleidsregel VP (20 minuten per keer) zijn: De uitzuigapparatuur (uitzuigcatheter) ligt altijd klaar voor gebruik en er is sprake van gewenning bij het uitvoeren van de handeling, de meestal hoge frequentie is van invloed op de hoeveelheid uit te zuigen slijm.

    Bronchiaal toilet

    Ook wel druppelen/sprayen/spoelen met NaCl genoemd of het gebruik van een coughlator

    VP 2.1

    Afkoppelen beademings-ma-chine, uitzuigen, balloneren (indien aan de orde), druppelen/spoelen van de NaCl en het aankoppelen van de beademingsma-chine

    15 minuten per keer

    3 à 4 x per dag

    Het gebruik van een hoestmachine (coughlator) is een mechanisch alternatief voor deze handeling. Deze handeling wordt dan ook in plaats van het bronchiaal toilet uitgevoerd. Dit betekent dat de frequenties van beide handelingen op elkaar moeten worden afgestemd.

    Balloneren is het beademen met behulp van een beademingsballon.

      

    Balloneren wordt als samenvallende activiteit toegepast bij bronchiaal toilet. Wanneer dit in geval van nood moet worden toegepast, wordt hier niet apart voor geïndiceerd. Deze handeling valt bij deze ‘noodsituaties’ onder de totale verzorging rondom de beademing.

    Airstacken

    VP 2.1

    Het met een beademingsballon in de longen blazen van lucht tot de maximale inblaasbare hoeveelheid is bereikt.

    8,5 minuten per keer

    3 x per dag

    Bij luchtweginfecties, kriebelhoest of vaker verslikken, kan de gemiddelde frequentie per dag hoger liggen

    Airstacken wordt regelmatig in combinatie met andere handelingen uitgevoerd. Wanneer het gaat om airstacken in verband met luchtweginfecties, het niet voldoende kunnen hoesten of bij het zich verslikken, betreft dit een op zichzelf staande handeling. Het doel van airstacken is het verbeteren van de hoestkracht, het voorkomen of verminderen van het verstijven van de borstkas, het voorkomen van slijmophoping in de luchtwegen en het samenvallen van de longblaasjes.

    Peppen

    (positive expiratory pressure

    VP 2.1

    Het met behulp van een PEP tijdens de uitademing opbouwen van druk in de longen waardoor slijmproppen beter kunnen worden opgehoest.

    15 minuten per keer

    Naar noodzaak

     

    Verwisselen van de beademingscanule

    VP 2.1

    Het verwisselen van de buitencanule die in het stoma blijft.

    Handeling is inclusief het verzorgen van de huid rondom de tracheastoma.

    30 minuten per persoon per keer

    Wekelijks of meer wekelijks. Dit op voorschrift Centrum Thuisbeade-ming. Frequentie is afhankelijk van het type canule dat wordt gebruikt. Zilver, kunststof, met- of zonder cuff.

    Bij beademing is sprake van een binnen- en buitencanule. Kinderen hebben geen binnencanule. De te indiceren tijd wordt gemiddeld over het aantal weken dat de handeling moet worden uitgevoerd.

    Het verwisselen van de binnencanule

    10 minuten per keer

    2 x per dag.

    Bij veel slijmvorming ligt de frequentie per dag hoger.

    Handeling is met name aan de orde bij volwassenen.

    Verzorging van de niet-intacte huid rondom de tracheostoma

    VP 1.3

    Het los- en vastmaken van het canulebandje (canule blijft in stoma); het reinigen van de huid rondom het stoma; het inzalven/aanstippen van de huidrand

    15 minuten per keer

    1x per dag

    Als er sprake is van een niet intacte huid, is dit VP.

    Ook wordt deze handeling onder VP geïndiceerd wanneer er sprake is van continue tracheostomale beademing.

    Het aanbrengen en verwijderen van de mond-/neuskap Ook wel aan- en afkoppelen van de beademings-apparatuur genoemd.

    VP 2.1

    Het aanbrengen en verwijderen van de mond-neuskap,

    inclusief de uit te voeren controles en evt. uitzuigen.

    Aan-

    koppelen:

    15 minuten

    Afkoppelen:

    5 minuten

    Afhankelijk van het aantal periodes dat wordt beademd.

    (niet aaneen-

    sluitend).

    Er wordt tijd geïndiceerd wanneer sprake is van niet aaneensluitende periodes van beademing. Bijv. beademing gedurende de nacht en de middagrust. Bij het tussendoor naar het toilet gaan, is het niet noodzakelijk dat de mond-/neuskap wordt verwijderd. Het loskoppelen van de slang van de apparatuur kan eenvoudig en snel plaatsvinden. Hier wordt dan geen tijd voor geïndiceerd.

    N.B. als er tijdens de periode dat er wordt beademd gedronken moet worden, dan moet het masker volledig worden verwijderd en herplaatst.

    Het aan- en afkoppelen van de beademingsapparatuur bij beademing via de trachea

    VP 2.1

    Het aan- en afkoppelen van de beademings-apparatuur bij beademing via de trachea, inclusief de uit te voeren controles en evt. uitzuigen.

    Zie bijzonder-heden

    Zie bijzonder-heden

    Bij tracheostomale beademing maken deze handelingen deel uit van de handelingen die het aan-/afkoppelen noodzakelijk maken.

    Bijvoorbeeld bij het verwisselen van de canule, het verzorgen hiervan, het bronchiaal toilet e.d. Daarnaast vergt de handeling nauwelijks tijd. Om deze reden wordt er ten behoeve van deze handeling geen aparte tijd geïndiceerd.

    Controle lichaamsfuncties

    VP 1.2

    Het controleren, interpreteren van lichaamsfuncties en alarmen die tot de handelingen rondom lichaamsfuncties behoren zoals omschreven bij activiteit 1.2, inclusief het controleren van het zuurstofgehalte, het toedienen van zuurstof en het vastmaken van de saturatiemeter.

    Zie bijzonderheden

    Zie bijzonderheden

    Het controleren en interpreteren van lichaamsfuncties maakt integraal onderdeel uit van de veelvuldig per dag uit te voeren zorg en verpleegkundige handelingen rondom de beademing.

    Er wordt dan ook geen aparte tijd geïndiceerd.

    1 Ook hier betreft het basisminuten voor verzekerden die zich ‘normaal’ kunnen bewegen, meewerken, geen gedragsproblemen hebben, enzovoort.

    2 Met ‘standaard frequentie’ wordt de frequentie bedoeld die meestal aan de orde is.

    5.4. Criteria voor het indiceren van individueel verpleegkundig toezicht i.v.m. thuisbeademing

    Inleiding

    Individueel verpleegkundig toezicht i.v.m. thuisbeademing is in 2009 geïntroduceerd ter ondersteuning/ontlasting van de ouders (mantelzorg) van kinderen die thuis wonen en zijn aangewezen op chronische ademhalingsondersteuning. Hiermee is beoogd om in de vorm van verpleegkundig toezicht een oplossing te bieden voor de nachtzorg. Om in aanmerking te komen voor verpleegkundig toezicht dient er sprake te zijn van een frequent voorkomende zorgvraag, waarbij onmiddellijk zorg geboden moet worden omdat bij het uitblijven van deze zorg een acute levensbedreigende situatie ontstaat. Uitgangspunt daarbij is dat kinderen bij hun ouders moeten kunnen opgroeien. Per 2013 is het ook mogelijk om individueel verpleegkundig toezicht te indiceren ter ondersteuning/ontlasting van mantelzorgers binnen een gezamenlijk huishouden met een thuiswonende volwassene die is aangewezen op chronische ademhalingsondersteuning.

    De indicatiestelling voor individueel verpleegkundig toezicht is een complexe weging van diverse factoren waaronder:

    • beademingsvrije tijd van de cliënt

    • handfunctie

    • frequentie en duur van zorghandelingen

    • mogelijkheid te kunnen alarmeren

    • het toezicht dat mantelzorg biedt

    • de draagkracht/draaglast van de mantelzorg

    • doeltreffendheid van de geïndiceerde zorg

    • doelmatigheid

    In de veldnorm chronische beademing is vastgelegd dat de eindverantwoordelijkheid voor de chronische ademhalingsondersteuning in de thuissituatie bij de Centra voor Thuisbeademing (CTB) ligt.

    Criteria

    Om in aanmerking te komen voor verpleegkundig toezicht dient er sprake te zijn van

    • chronische ademhalingsondersteuning in de thuissituatie;

    • noodzaak van permanent toezicht;

    • het permanent toezicht wordt geleverd door mantelzorg binnen een gezamenlijk huishouden en;

    • er is ondersteuning/ontlasting van de mantelzorg noodzakelijk en;

    • er is een positief advies van het Centrum voor Thuisbeademing dat de beademing in de thuissituatie veilig kan plaatsvinden.

    Omvang

    Individueel verpleegkundig toezicht is een integraal pakket en bevat ook alle Persoonlijke Verzorging, Verpleging en Begeleiding individueel die tijdens de uren verpleegkundig toezicht moet worden gegeven.

    Bij individueel verpleegkundig toezicht gaat het om overname van toezicht van de mantelzorg binnen een gezamenlijk huishouden. Het betreft toezicht tijdens de nacht (twee dagdelen) of gedurende een aantal aaneengesloten uren tijdens de dag (dagdelen).

    Individueel verpleegkundig toezicht wordt vastgesteld in termen van dagdelen (één dagdeel staat gelijk aan 4 aaneengesloten uren).

    De klassen zijn als volgt bepaald:

    klasse 1:

    1 dagdeel per week (= 4 uren)

    klasse 2:

    2 dagdelen per week (= 8 uren)

    klasse 3:

    3 dagdelen per week (= 12 uren)

    klasse 4:

    4 dagdelen per week (= 16 uren)

    klasse 5:

    5 dagdelen per week (= 20 uren)

    klasse 6:

    6 dagdelen per week (= 24 uren)

    klasse 7:

    7 dagdelen per week (= 28 uren)

    klasse 8:

    8 dagdelen per week (= 32 uren)

    klasse 9:

    9 dagdelen per week (= 36 uren)

    Doelmatigheid en doeltreffendheid

    Bij de beoordeling of er een noodzaak is tot het indiceren van verpleegkundig toezicht op individuele basis, wordt eerst vastgesteld dat andere vormen van toezicht geen doelmatige oplossing bieden. Het individueel verpleegkundig toezicht moet leiden tot een doeltreffende ontlasting van de mantelzorg. Dit verpleegkundig toezicht wordt geïndiceerd naast de tijd die nodig is voor de dagelijkse verpleging van de verzekerde. Omdat het verpleegkundig toezicht een integraal pakket bevat worden alle handelingen die binnen het verpleegkundig toezicht noodzakelijk moeten worden uitgevoerd niet apart geïndiceerd.

    Ook bij het beoordelen van aanvragen voor individueel Verpleegkundig toezicht bij thuisbeademing geldt de norm dat mantelzorgers maximaal drie dagen (18 dagdelen) vrij van zorg mogen zijn. Wanneer Kortdurend Verblijf, Begeleiding groep, Behandeling groep en/of Verpleging in de vorm van Verpleegkundig toezicht i.v.m. thuisbeademing wordt geïndiceerd, dan kan dit voor maximaal 3 etmalen (=18 dagdelen) per week. In deze 3 etmalen per week moeten ook de dagdelen (dagbesteding ter vervanging van) school, arbeid en (medisch) kinderdagverblijf worden meegerekend. Wanneer een kind 40 weken per jaar 9 dagdelen per week naar school gaat, staat dit gelijk aan 7 dagdelen per week per 52 weken.

    Het indicatiebesluit waarbij sprake is van verpleegkundig toezicht bij thuisbeademing wordt in eerste instantie afgegeven voor een half jaar; daarna kan verlenging volgen. Na dit half jaar wordt de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de ingezette zorg onderzocht.

    Voor bewoners van ADL-clusters is per 1 januari 2012 de nieuwe tijdelijke aanspraak ADL-assistentie ingevoerd. In ADL-clusters wonen ook cliënten die zijn aangewezen op ademhalingsondersteuning in de vorm van thuisbeademing. ADL-assistentie omvat 7 x 24 uur zorg met alarmopvolging met de grootst mogelijke spoed (tenminste binnen 5 minuten). Omdat ADL-assistentie alarmopvolging bevat voor mensen met thuisbeademing, kan verpleegkundig toezicht niet in combinatie met ADL-assistentie worden geïndiceerd in 2013. ADL-assistentie betreft een tijdelijke aanspraak waarover advisering en besluitvorming plaatsvindt in 2013.

  • 1

    Gebaseerd op het AWBZ-kompas van CVZ.

  • 2

    ‘Onderzoek naar tijdnormen voor activiteiten en handelingen van de functies PV en VP’, oktober 2007, bureau HHM.

  • 3

    Met de responstijd wordt de tijd bedoeld dat de verzekerde in levensgevaar komt wanneer hij niet met behulp van de apparatuur wordt beademd. Deze tijd kan variëren tussen de 15 seconden en een aantal uren.