Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels sturing van en toezicht op de LVNL

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241278, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regels wordt verstaan onder:

  • common requirements: uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 482/2008 en (EU) nr. 691/2010 (PbEU L271);

  • vergoedingenverordening: verordening (EU) Nr. 1794/2006 van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten PbEU L 341);

  • verordening inzake prestatiesturing: verordening (EU) nr. 691/2010 van 29 juli 2012 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 tot vaststelling van gemeenschappelijk eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (PbEU L 201);

  • de Kaderwet: de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

  • de minister: de Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • de wet: de Wet luchtvaart.

§ 2. Bestuur van de LVNL

Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement

Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van artikel 11 Kaderwet juncto artikel 5.34 van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van het bestuur;

  • b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen het bestuur;

  • c. de schriftelijke instemming met dan wel goedkeuring van diverse bestuursbesluiten door de raad van toezicht;

  • d. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • e. de notulen van de vergadering;

  • f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht;

  • g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van het bestuur.

Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden bestuur

  • 1 Bij de benoeming van een nieuw lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe bestuurslid;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht worden door de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) gevoerd waarin verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van het bestuur te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden onder verwijzing naar het gesprek met de secretaris-generaal de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie geschetst.

  • 2 Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 4. Procedure herbenoeming leden bestuur

  • 1 Bij de herbenoeming van een lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van het bestuur;

    • b. de raad van toezicht doet een niet-bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van het bestuur;

    • c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van het bestuur of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 2 Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 3 gevolgd.

Artikel 5. Schorsing en ontslag van het bestuur

Voorafgaand aan schorsing of ontslag van de leden van het bestuur informeert de minister de raad van toezicht over zijn voornemen.

Artikel 6. Bezoldiging bestuur

Ten behoeve van het vaststellen van de bezoldiging van het bestuur conform artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet verzoekt de minister de raad van toezicht om een voorstel voor de bezoldiging van het bestuur op te stellen, rekening houdend met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

§ 3. Raad van toezicht van de LVNL

Artikel 7. Reglement van de raad van toezicht

Bij de goedkeuring van het reglement van de raad van toezicht op grond van artikel 5.32, zevende lid, van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de raad van toezicht;

  • b. een nadere bepaling van de aandachtsgebieden van en binnen de raad van toezicht;

  • c. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • d. de notulen van de vergadering;

  • e. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de raad van toezicht;

  • f. de instelling en werkwijze van commissies zoals een auditcommissie.

Artikel 8. Benoeming nieuwe leden raad van toezicht

  • 1 Bij de benoeming van een nieuw lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe lid van de raad van toezicht;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht voert de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) waarin de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat dan om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de raad van toezicht te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden nogmaals de verwachtingen van het ministerie ten aanzien van de organisatie geschetst en verwezen naar het gesprek.

  • 2 Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 9. Procedure herbenoeming leden raad van toezicht

  • 1 Bij de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht;

    • b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht;

    • d. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 3 Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 8 gevolgd.

§ 4. Financieel toezicht

Artikel 10. Tarieven voor taken grond van de artikelen 5.20 en 5.21 van de wet

  • 1 De tarieven voor vluchten naar, van en in het North Sea Amsterdam area worden berekend op basis van het quotiënt van de in enige jaar te verwachten kosten van de LVNL, verhoogd of verlaagd met de onderdekking of overdekking van de kosten van de LVNL in het tweede daaraan voorafgegane boekjaar en het in datzelfde jaar te verwachten aantal helikoptervluchten.

  • 2 Bij de goedkeuring van de tarieven besteedt de minister in ieder geval aan de volgende aspecten aandacht:

    • a. departementsoverstijgende aangelegenheden;

    • b. maatschappelijke belangen;

    • c. ontwikkeling van de doelmatigheid;

    • d. de wijze waarop de tarieven zich verhouden tot de tarieven van het jaar ervoor;

    • e. rechtmatigheid van de tarieven;

    • f. ontwikkeling van het eigen vermogen van de LVNL, op basis van het jaarverslag van het voorgaande jaar, de geprognosticeerde realisatie van het lopende jaar, en de begroting voor het komende jaar.

Artikel 11. Prijzen voor andere opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet

  • 1 Bij andere door de minister opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet geeft de minister bij het opdragen van die taken aan dat er prijzen voor die taken in rekening worden gebracht en aan welke eisen deze prijzen moeten voldoen.

  • 2 Indien voor deze prijzen een wettelijke basis noodzakelijk is, zorgt de minister hiervoor.

Artikel 12. Inhoud tarievenvoorstel

  • 1 De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen van de LVNL ten behoeve van de goedkeuring op grond van artikel 17 van de Kaderwet in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de voorgestelde tarieven per taak;

    • b. de voorgestelde wijzigingen in het tarievenbeleid;

    • c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie;

    • d. de mate van kostendekkendheid en de kostenontwikkeling per taak;

    • e. de invloed van efficiëntie-ontwikkelingen;

    • f. de invloed van loon- en prijsontwikkelingen;

    • g. de reactie van de gebruikers, zoals weergegeven door de LVNL;

  • 2 Om de minister in staat te stellen de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, voegt de LVNL bij het in het eerste lid bedoelde voorstel een toelichting die aansluit op de artikelen 10 en 11.

  • 3 Om de minister in staat te stellen de rechtmatigheid van de tarieven als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, te beoordelen, vermeldt de LVNL bij het in het eerste lid bedoelde voorstel bij ieder tarief de wettelijke grondslag.

  • 4 De LVNL informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.

Artikel 13. Begroting

  • 1 Naast de vereisten die voortvloeien uit de common requirements en de verordening inzake prestatiesturing besteedt de LVNL in de begroting aandacht aan:

    • a. omgevingsanalyse;

    • b. personele ontwikkelingen;

    • c. ontwikkeling van kosten en tarieven;

    • d. prestatiedoelen.

  • 2 De tarieven maken onderdeel uit van de begroting.

Artikel 14. Financieel meerjarenbeleidsplan

  • 1 Ten behoeve van de goedkeuring van het financieel meerjarenbeleidsplan beoordeelt de minister het plan, zoals dat door de LVNL aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan:

    • a. de wijze waarop aan de common requirements en de verordening inzake prestatiesturing is voldaan;

    • b. een omgevingsanalyse.

  • 2 Indien de beoordeling door de minister daartoe aanleiding geeft, overlegt de minister met de LVNL en past de LVNL het financieel meerjarenbeleidsplan aan.

§ 5. Taakuitoefening

Artikel 15. Risicoprofiel en kernprestatie-indicatoren

  • 1 De minister stelt een risicoprofiel op, mede op basis van de risicoanalyse van de LVNL, om risicogestuurd toezicht te kunnen houden. Het risicoprofiel wordt besproken met de LVNL.

  • 2 Naast de prestatie-indicatoren, die voortvloeien uit de verordening inzake prestatiesturing en bedoeld zijn ter verbetering van de prestaties van de LVNL ter zake van veiligheid, capaciteit, milieu en kostenefficiëntie kunnen kernprestatie-indicatoren worden benoemd en ingezet als toezichtsinstrument. De kernprestatie-indicatoren komen tot stand in afstemming tussen LVNL en minister mede op basis van het in het voorgaande lid genoemde risicoprofiel.

Artikel 16. Oordeelsvorming

De minister vormt zich een oordeel over de kwaliteit van de taakuitoefening van de LVNL. Daarbij baseert hij zich onder meer op:

§ 6. Opdracht tot en inkadering van taken en activiteiten

Artikel 17. Instemmingstoets minister

  • 1 Bij het toetsen van voorstellen tot taakopdrachten van een ander bestuursorgaan en voornemens van de LVNL tot het verrichten van markt- en nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 17 van de Regeling sturing van en toezicht op de LVNL, besteedt de minister in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de taken en markt- en nevenactiviteiten zijn verenigbaar met de reeds aan de LVNL opgedragen taken en niet in strijd met overige wet- en regelgeving of rijksbeleid;

    • b. er is voorzien in een kostendekkende financiering van de taken en markt- en nevenactiviteiten door de opdrachtgever of gebruikers.

  • 2 Met het oog op de in het eerste lid bedoelde toetsing legt de LVNL aan de minister een uitwerking en onderbouwing voor van het voorstel voor een nieuwe taak of voornemen tot een nieuwe marktactiviteit.

  • 3 Voor zover het markactiviteiten betreft die niet voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever onderzoekt de minister, in overleg met de LVNL, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 4 Voor zover het markactiviteiten betreft die voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever dan de minister onderzoekt die opdrachtgever, in overleg met de minister en met de LVNL, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 5 De minister toetst tevens of het systeem van doorberekening van kosten van markt- en nevenactiviteiten aan afnemers voldoet aan de eisen van het Besluit markt en overheid.

  • 6 De minister integreert zijn beslissing over instemming met voorstellen en voornemens zoals bedoeld in het eerste en tweede lid in zijn beslissing over goedkeuring van de begroting, tarieven en financieel meerjarenbeleidsplan, indien die hem zijn voorgelegd in het voorstel voor de begroting, tarieven inclusief het meerjarenbeleidsplan. In andere gevallen wordt een afzonderlijke instemmingsprocedure doorlopen.

§ 7. Overige onderwerpen

Artikel 18. Evaluatie conform artikel 39 van de Kaderwet

  • 1 De minister voert de evaluatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Kaderwet uit conform de op het moment van evaluatie geldende evaluatierichtlijnen van de minister van Financiën.

  • 2 De minister stelt de LVNL in kennis van het verslag alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister gestelde termijn.

  • 3 De minister reageert op de visie van de LVNL ten aanzien van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie van de LVNL is betrokken bij de finale besluitvorming.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als: Beleidsregels sturing van en toezicht op de LVNL.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Deze regels treden in werking op 1 januari 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

W.J. Mansveld.