Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare [...] bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241275, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster)

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regels wordt verstaan onder:

§ 2. Bestuur van de Dienst

Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement

Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van artikel 11 Kaderwet juncto artikel 9 van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van het bestuur;

  • b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen het bestuur;

  • c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht;

  • d. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • e. de notulen van de vergadering;

  • f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht;

  • g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van het bestuur.

Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden bestuur

  • 1 Bij de benoeming van een nieuw lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe bestuurslid;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht worden door de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) gevoerd waarin verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van het bestuur te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden onder verwijzing naar het gesprek met de secretaris-generaal de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie geschetst.

  • 2 Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 4. Procedure herbenoeming leden bestuur

  • 1 Bij de herbenoeming van een lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van het bestuur;

    • b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van het bestuur;

    • c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van het bestuur of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 2 Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 3 gevolgd.

Artikel 5. Schorsing en ontslag van het bestuur

Voorafgaand aan schorsing of ontslag van de leden van het bestuur informeert de minister de raad van toezicht over zijn voornemen.

Artikel 6. Bezoldiging bestuur

Ten behoeve van het vaststellen van de bezoldiging van het bestuur conform artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet, verzoekt de minister de raad van toezicht om een voorstel voor de bezoldiging van het bestuur op te stellen, rekening houdend met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. De raad van toezicht kan binnen een door de minister vastgestelde marge jaarlijks een variabele component toekennen aan de directie, afhankelijk van de prestaties en de realisatie van vooraf tussen de raad van toezicht en het bestuur overeengekomen doelen. Die marge blijft binnen de grenzen die de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector stelt.

§ 3. Raad van toezicht van de Dienst

Artikel 7. Reglement van de raad van toezicht

Bij de goedkeuring van het reglement van de raad van toezicht op grond van artikel 14, tweede lid, van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de raad van toezicht;

  • b. een nadere bepaling van de bevoegdheden van en binnen de raad van toezicht;

  • c. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • d. de notulen van de vergadering;

  • e. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de raad van toezicht;

  • f. de instelling en werkwijze van commissies zoals een auditcommissie.

Artikel 8. Benoeming nieuwe leden raad van toezicht

  • 1 Bij de benoeming van een nieuw lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe lid van de raad van toezicht;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht voert de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) waarin de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat dan om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de raad van toezicht te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden nogmaals de verwachtingen van het ministerie ten aanzien van de organisatie geschetst en verwezen naar het gesprek.

  • 2 Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 9. Procedure herbenoeming leden raad van toezicht

  • 1 Bij de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht;

    • b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht;

    • c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 3 Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 8 gevolgd.

§ 4. Financieel toezicht

Artikel 10. Tarieven voor taken of strategische eenheden op grond van artikel 3 van de Kadasterwet

  • 1 De kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven voor taken conform artikel 3 van de Kadasterwet, alsmede aan de tarieven voor andere op basis van een wet opgedragen taken, worden op basis van bedrijfseconomisch aanvaardbare verdeelsleutels bepaald.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde tarieven kunnen bestaan uit de volgende componenten:

    • a. kosten van de taak of de strategische eenheid onder beschouwing;

    • b. structurele overdekking ter dekking van kosten die niet of niet geheel worden getarifeerd;

    • c. over- of onderdekking teneinde de vermogenspositie te wijzigen.

Artikel 11. Tarieven voor andere opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens een wet

  • 1 Bij andere door de minister opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens een wet geeft de minister bij het opdragen van die taken aan dat er tarieven voor die taken in rekening worden gebracht en aan welke eisen deze prijzen moeten voldoen.

  • 2 Indien voor deze tarieven een wettelijke basis noodzakelijk is, zorgt de minister hiervoor.

Artikel 12. Inhoud tarievenvoorstel

  • 1 De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de voorgestelde tarieven per taak dan wel per cluster van taken, alsmede de wettelijke basis voor en de rechtmatigheid van die tarieven;

    • b. de voorgestelde wijzigingen in het tarievenbeleid;

    • c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie op basis van de jaarrekening van het voorafgaande jaar, en de meerjarenbegrotingen;

    • d. de invloed van loon- en prijsontwikkelingen;

    • e. de in artikel 10, tweede lid, genoemde componenten van dit tarief;

    • f. de reactie van de gebruikers, zoals weergegeven door de Dienst;

    • g. departementsoverstijgende aangelegenheden;

    • h. maatschappelijke belangen en rechtszekerheid;

    • i. ontwikkeling van de doelmatigheid;

    • j. kostendekkendheid per strategische eenheid;

    • k. vooruitzicht voor volgende jaren;

    • l. consistentie tussen de tarieven;

    • m. de wijze waarop de tarieven zich verhouden tot de tarieven van het jaar ervoor.

  • 2 Om de minister in staat te stellen de beoordeling als genoemd in het eerste lid, uit te voeren, voegt de Dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel een toelichting op de voorgestelde tarieven, waarbij per strategische eenheid tevens inzicht wordt geboden in de kostendekkendheid van het lopende jaar. Tevens geeft de Dienst inzicht in de opbrengsten per strategische eenheid.

  • 3 Om de minister in staat te stellen de rechtmatigheid van de tarieven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te beoordelen, vermeldt de Dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel bij ieder tarief de wettelijke grondslag.

  • 4 De Dienst informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken of clusters van taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.

Artikel 13. Begroting

  • 1 Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting zoals door de Dienst bij de minister neergelegd na instemming van de raad van toezicht en besteedt daarbij in ieder geval aandacht aan hetgeen in het tweede lid benoemd.

  • 2 De begroting bevat de navolgende elementen, waarbij ter vergelijking bij de onderdelen a, b en c tevens de gerealiseerde gegevens van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar, het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren worden vermeld:

    • a. de begroting conform artikel 27 van de Kaderwet aangevuld met de kosten en opbrengsten, zowel met betrekking tot de gehele exploitatie als onderscheiden per strategische eenheid;

    • b. de wijze van financiering;

    • c. een overzicht en bedrijfseconomische onderbouwing van investeringen van zwaarwegend belang;

    • d. de belangrijkste risico’s voor de continuïteit en de kwaliteit van de taakuitvoering van de Dienst, de wijze waarop deze risico’s zijn afgedekt alsmede de financiële consequenties daarvan;

    • e. een toelichting op de onderdelen a tot en met d.

  • 3 Om de minister in staat te stellen de begroting goed te beoordelen voegt de Dienst bij de begroting relevante informatie over het lopende jaar.

Artikel 14. Meerjarenbeleidsplan

  • 1 Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting, zoals dat door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de onderdelen a tot en met f in het tweede lid.

    • a. volledigheid van de elementen genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst;

    • b. mate van op-/afbouw reserves;

    • c. (maximale) omvang van de voorzieningen;

    • d. investeringen van zwaarwegend belang;

    • e. de onderbouwing van de tarieven;

    • f. ontwikkelingen in de kwaliteit van de dienstverlening in relatie tot de ontwikkelingen in de bedrijfsvoering.

  • 3 Indien de beoordeling door de minister daartoe aanleiding geeft, overlegt de minister met de Dienst en past de Dienst het meerjarenbeleidsplan aan.

§ 5. Taakuitoefening

Artikel 15. Risicoprofiel en kernprestatie-indicatoren

  • 1 De minister stelt een risicoprofiel op mede op basis van de risicoanalyse van de Dienst om risicogestuurd toezicht te kunnen houden. Het risicoprofiel wordt besproken met de Dienst.

  • 2 De minister zet kernprestatie-indicatoren in. De kernprestatie-indicatoren komen tot stand in afstemming tussen de Dienst en de minister mede op basis van het in het voorgaande lid genoemde risicoprofiel.

Artikel 16. Oordeelsvorming

De minister vormt zich een oordeel over de kwaliteit van de taakuitoefening van de Dienst. Daarbij baseert hij zich onder meer op:

  • a. de bevindingen voortvloeiend uit de in artikel 19, tweede lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen;

  • b. de regelmatig door de Dienst gehouden klant- en medewerkerstevredenheidsonderzoeken;

  • c. de kernprestatie-indicatoren zoals bedoeld in artikel 15.

§ 6. Opdracht tot en inkadering van taken en activiteiten

Artikel 17. Instemmingstoets minister

  • 1 Bij het toetsen van voorstellen tot taakopdrachten van een ander bestuursorgaan en voornemens van de Dienst tot het verrichten van markt- en nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 17 van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst, besteedt de minister in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de taken en markt- en nevenactiviteiten zijn verenigbaar met de reeds aan de Dienst opgedragen taken en niet in strijd met overige wet- en regelgeving of rijksbeleid;

    • b. er is voorzien in een kostendekkende financiering van de taken en markt- en nevenactiviteiten door de opdrachtgever of gebruikers.

  • 2 Met het oog op de in het eerste lid bedoelde toetsing legt de Dienst aan de minister een uitwerking en onderbouwing voor van het voorstel voor een nieuwe taak of voornemen tot een nieuwe marktactiviteit.

  • 3 Voor zover het markactiviteiten betreft die niet voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever onderzoekt de minister, in overleg met de Dienst, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 4 Voor zover het markactiviteiten betreft die voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever dan de minister onderzoekt die opdrachtgever, in overleg met de minister en met de Dienst, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 5 De minister toetst tevens of het systeem van doorberekening van kosten van markt- en nevenactiviteiten aan afnemers voldoet aan de eisen van het Besluit markt en overheid.

  • 6 De minister integreert zijn beslissing over instemming met voorstellen en voornemens zoals bedoeld in het eerste en tweede lid in zijn beslissing over goedkeuring van de begroting, tarieven en meerjarenbeleidsplan, indien die hem zijn voorgelegd in het voorstel voor de begroting, tarieven incl. het meerjarenbeleidsplan. In andere gevallen wordt een afzonderlijke instemmingsprocedure doorlopen.

§ 7. Overige onderwerpen

Artikel 18. Evaluatie conform artikel 39 van de Kaderwet

  • 1 De minister voert de evaluatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Kaderwet uit conform de op het moment van evaluatie geldende evaluatierichtlijnen van de Minister van Financiën.

  • 2 De minister stelt de Dienst in kennis van het verslag alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister gestelde termijn.

  • 3 De minister reageert op de visie van de Dienst ten aanzien van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie van de Dienst is betrokken bij de finale besluitvorming.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als: Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Deze regels treden in werking op 1 januari 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.